Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:9779

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-11-2014
Datum publicatie
01-12-2014
Zaaknummer
10/963076-10 (ontneming)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit mensenhandel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/963076-10

Datum uitspraak: 27 november 2014

Tegenspraak

VONNIS (ontneming) (mk)

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie in de zaak tegen de veroordeelde:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Nigeria) op [geboortedatum] 1980,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres:

[adres en woonplaats],

raadsman mr. R.P.G. van der Weide, advocaat te Amsterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 en 30 oktober 2014.

De behandeling van de vordering op de terechtzitting is voorafgegaan door een schriftelijke conclusiewisseling tussen de officier van justitie en de raadsman van de veroordeelde.

GELIJKTIJDIGE VEROORDELING

Bij gelijktijdig vonnis van deze rechtbank van 27 november 2014 is de veroordeelde veroordeeld wegens na te noemen strafbare feiten.

Van dat vonnis is een kopie, aangeduid als A, als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

VORDERING

De vordering van de officier van justitie strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en tot het opleggen aan de veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter ontneming van dat geschatte voordeel tot een maximum van

€ 28.000,-.

De vordering van de officier van justitie is uitsluitend gebaseerd op artikel 36e, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Zij betreft vermeend voordeel dat zou zijn verkregen door middel van of uit de baten van de strafbare feiten waarvoor de veroordeelde is veroordeeld.

VERWEREN

De raadsman van de veroordeelde heeft afwijzing van de vordering bepleit. Hij heeft daartoe - kort samengevat - aangevoerd dat het door de rapporteur van de voordeelsrapportage d.d. 18 juli 2011 gestelde bedrag van € 43.000,-, zijnde het bedrag dat door het slachtoffer aan veroordeelde zou zijn betaald, niet wordt aangetoond. De enige bron van dit bedrag is de agenda van het slachtoffer en haar onbetrouwbare en gestuurde verklaring bij de politie. Volgens de raadsman is er onvoldoende betrouwbaar bewijs dat de in de agenda van het slachtoffer genoemde getallen het wederrechtelijk verkregen voordeel betreft. Daarnaast betwist de raadsman de kostenberekening en stelt hij zich op het standpunt dat - gelet op de tapgesprekken van 4 juli 2010 en 14 augustus 2010 waarin door veroordeelde bedragen van € 29.000,- en € 15.000,- als kosten worden genoemd - de kostenaftrek € 29.000,- dan wel € 44.000,- zou moeten bedragen.

STRAFBARE FEITEN WAAROP DE VOORDEELSBEREKENING IS GEBASEERD

Blijkens het vonnis van deze rechtbank is de veroordeelde veroordeeld ter zake van:

  • -

    Mensenhandel, gepleegd door twee of meer verenigde personen;

  • -

    Mensensmokkel, in vereniging begaan door meerdere personen en een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland of hem daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, in vereniging begaan door meerdere personen.

In deze procedure wordt derhalve als vaststaand aangenomen dat deze feiten door de veroordeelde zijn begaan.

VASTSTELLING VAN HET WEDERRECHTELIJK VERKREGEN VOORDEEL

Vooropgesteld zij dat ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel inhoudt dat de financiële situatie van veroordeelde wordt teruggebracht in de oorspronkelijke staat, zoals deze was voor het begaan van de strafbare feiten. Dat betekent - nu de maatregel niet beoogt punitief te zijn - dat waar er gerede twijfel is over de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel, de rechtbank uitgaat van de voor de veroordeelde meest gunstige variant. Anderzijds mag van de veroordeelde verlangd worden dat voldoende gemotiveerd verweer gevoerd wordt ten aanzien van die onderdelen uit het procesdossier waaruit de aannemelijkheid van wederrechtelijk verkregen voordeel blijkt.

Gebleken is dat de veroordeelde door middel van en uit de baten van de hiervoor vermelde strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Dit voordeel dient haar te worden ontnomen.

Met betrekking tot de berekening van het geschatte voordeel wordt nader het volgende overwogen.

In deze zaak worden met betrekking tot de hoogte van het bedrag dat het slachtoffer [slachtoffer] aan veroordeelde heeft afgedragen, verschillende bedragen genoemd. Er zijn aanknopingspunten waaruit geconcludeerd zou kunnen worden dat het slachtoffer aan de veroordeelde € 45.367,- heeft afgedragen, dit onder andere op basis van de verdiensten die het slachtoffer in haar agenda heeft genoteerd en haar eerste verklaring daarover. Dit bedrag aan verdiensten is echter door de politie bij het verhoor van het slachtoffer aangedragen en niet spontaan door haar genoemd. Dat het slachtoffer dit bedrag vervolgens (in zijn geheel) aan de veroordeelde heeft afgedragen, wordt eveneens eerst door de politie gesuggereerd voordat het slachtoffer dit bevestigde. Voorts heeft het slachtoffer bij verschillende nadere verhoren, waaronder ook haar verhoor als getuige ter terechtzitting, niet exact kunnen duiden hoeveel van de door haar genoteerde verdiensten zij daadwerkelijk heeft afgedragen aan de veroordeelde. Zij noemt bedragen van € 40.000,- tot € 45.000,-, maar geeft tegelijkertijd aan dat zij van de afdracht geen administratie meer heeft en dat van de bedragen die zijn opgenomen in de beschikbare administratie van haar verdiensten, ook andere zaken betaald werden (waarbij onduidelijk blijft wat). Daarnaast is aannemelijk dat de veroordeelde het geld dat zij van het slachtoffer kreeg samen met door haarzelf verdiend geld overmaakte naar de gezamenlijke familie van het slachtoffer en de veroordeelde in Nigeria, alhoewel dat geld ook deels meer specifiek besteed werd aan het bouwen van een huis voor de moeder van de veroordeelde. Concluderend komt de rechtbank tot het oordeel dat de eigen verklaring van het slachtoffer over afdracht van € 40.000,- tot € 45.000,- onvoldoende concreet is voor het bepalen van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De eigen verklaring van de veroordeelde en ander bewijsmateriaal bieden wel voldoende houvast. Door de veroordeelde wordt er in tapgesprekken gesproken over € 30.000,-, wat het slachtoffer aan veroordeelde zou hebben moeten betalen (zie tapgesprek 1208 van lijn 21 (06-84656703), gespreksnummer 270944539, van 4 juli 2010 waar veroordeelde zegt: “Weet jij hoeveel geld zij ([slachtoffer], aanvulling rechtbank) aan mij heeft gegeven? (…) lk heb tegen haar verteld dat zij alleen de kosten die ik heb gemaakt om haar hier te laten komen aan mij moet betalen. lk zei; je moet aan [naam] vragen wat de kosten zijn die ik heb gemaakt en wat ik aan [naam] heb gegeven en dat moet jij mij terugbetalen. Ik heb 29.000 compleet geteld en aan [naam] gegeven, hier in mijn woonkamer. Ik had al eerder duizend en nog wat aan [naam] gegeven. (…) Binnen één jaar en 8 maanden heeft zij een stuk grond gekocht en binnen één jaar en nog wat heeft zij 30 betaald”). De rechtbank gaat van dit laatste bedrag uit, gelet op de hiervoor opgesomde uitgangspunten. Dat betekent derhalve dat veroordeelde € 29.000,- plus € 1.000,- van het slachtoffer heeft ontvangen.

De rechtbank gaat er echter van uit dat het slachtoffer meer aan de veroordeelde betaald heeft dan de veroordeelde aan ‘[naam]’ betaald heeft. De veroordeelde heeft immers zelf verklaard (zo komt dit in tapgesprekken naar voren) dat zij aan ‘[naam]’ ongeveer € 15.000,- moest betalen voor de smokkel van het slachtoffer naar Nederland (zie tapgesprek 3821 lijn 21(06-84656703), gespreksnummer 270989423, gevoerd op 19 augustus 2010 te 18:11 uur, waarin de veroordeeld zegt dat ze 14.000 heeft betaald om Imumone te laten komen en tapgesprek 3348 lijn 21(06-84656703), gespreksnummer 270983782, gevoerd op 14 augustus 2010 te 18:52 uur, waarin de veroordeelde zegt dat ze bijna '15' (euro NL) heeft gebruiken om Harrietta hierheen te halen.)

De rechtbank acht dit aannemelijk en zal daarom deze kosten aftrekken van het te ontnemen bedrag.

Met deze kosten – van overige kosten blijkt niet – op het bruto wederrechtelijk verkregen voordeel in aftrek gebracht, schat de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel op € 15.000,-. [€ 30.000,- minus € 15.000,-]

Deze schatting is gegrond op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de inhoud van de wettige bewijsmiddelen. Deze bewijsmiddelen zijn als bijlage B opgenomen bij dit vonnis.

VASTSTELLING VAN HET TE BETALEN BEDRAG

Bepaald zal worden dat het gehele bedrag ad € 15.000,- door de veroordeelde aan de staat moet worden betaald.

Bij deze beslissing zijn ook de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde in aanmerking genomen.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Deze beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op € 15.000,- (zegge: vijftienduizend euro);

- legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van € 15.000,- (zegge: vijftienduizend euro).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P. Joele, voorzitter,

mr. M. van Kuilenburg en C.M.A.T. van der Geest, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.J. den Besten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 november 2014.