Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:976

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-02-2014
Datum publicatie
13-02-2014
Zaaknummer
10/700370-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

UItspraak examendiefstal Ibn Ghaldoun (minderjarige verdachte). Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het helen van gestolen eindexamens. Oplegging van een werkstraf voor de duur van 60 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2014/108

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/700370-13

Datum uitspraak: 13 februari 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres:

[adres],

raadsvrouw mr. S. Splinter, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27, 28, 29, 30 en 31 januari 2014.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting van 28 januari 2014 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officieren van justitie mrs. D.N.G. Woei-A-Tsoi en W.D. de Boer (hierna gezamenlijk: de officier van justitie) hebben gerekwireerd tot:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 1 maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, alsmede oplegging van een taakstraf voor de duur van 120 uur, subsidiair 60 dagen vervangende jeugddetentie, met aftrek van voorarrest.

ONTVANKELIJKHEID OFFICIER VAN JUSTITIE

Verzuimen in het (voor)onderzoek

Standpunt verdediging

Door de officier van justitie is in het (voor)onderzoek zodanig in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde gehandeld dat het wettelijk systeem in de kern is geraakt. Een en ander dient te leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging.

Beslissingskader

Vooropgesteld wordt dat niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie op grond van strijd met de beginselen van een goede procesorde zeldzaam is. Hetgeen de verdediging in dit kader naar voren heeft gebracht laat zich - kort en zakelijk weergegeven - opdelen in de hieronder genoemde onderdelen A tot en met E, waarop per onderdeel een reactie wordt gegeven, waarna een conclusie zal volgen.

A. Dagvaarden in strijd met Richtlijn strafvordering jeugd

Standpunt verdediging

Door de minderjarige verdachte te dagvaarden voor de rechter heeft de officier van justitie gehandeld in strijd met de Richtlijn strafvordering jeugd (hierna: Richtlijn). Vanwege deze schending van het vertrouwensbeginsel dient de officier van justitie niet-ontvankelijk te worden verklaard, aldus de raadsvrouw van de verdachte.

Beoordeling

Uit de Richtlijn volgt, voor zover hier van belang, dat de officier van justitie tot dagvaarding van een minderjarige dient over te gaan, indien de minderjarige verdachte wordt vervolgd voor een strafbaar feit waar volgens de in de Richtlijn opgenomen strafmaattabel een werkstraf van meer dan veertig uur dient te worden geëist.

De verdachte is primair opzetheling ten laste gelegd. De goederen die op de tenlastelegging zijn vermeld als onderwerp van heling zijn, naar de officier van justitie heeft gesteld, afkomstig van een inbraak uit een school. Volgens de strafmaattabel van de Richtlijn dient bij opzetheling aansluiting te worden gezocht bij de artikelen 310 en 311 Sr, alwaar is bepaald dat bij een inbraak uit een school uit dient te worden gegaan van een strafeis van tachtig uur. Uit het vorenstaande volgt dat de officier van justitie door de verdachte te dagvaarden voor opzetheling van goederen afkomstig van een inbraak uit een school niet heeft gehandeld in strijd met de Richtlijn.

Handelen in strijd met het gelijkheidsbeginsel

Standpunt verdediging

De officier van justitie heeft in strijd gehandeld met het gelijkheidsbeginsel, nu zij de verdachte heeft vervolgd voor heling van schoolexamens, terwijl andere personen die bij hetzelfde feit zijn betrokken, niet zijn of worden vervolgd.

Beoordeling

De officier van justitie heeft gesteld dat in sommige helingszaken van andere verdachten nog geen vervolgingsbeslissing is genomen en dat die beslissing mede zal afhangen van de uitkomst van de onderhavige strafzaken. Niet is dus vast komen te staan dat andere verdachten van heling van schoolexamens niet zijn of (verder) zullen worden vervolgd. Reeds hierom faalt het betoog van de raadsvrouw van de verdachte.

Inzet burgers bij opsporing

Standpunt verdediging

De officier van justitie heeft misbruik gemaakt van haar bevoegdheid dan wel buitenwettelijk gehandeld door in het opsporingsonderzoek een vertrouwenspersoon van de school, [vertrouwenspersoon], in te zetten om een leerling, [getuige], te verhoren.

Beoordeling

Vaststaat dat de politie, na overleg met de officier van justitie, aan de heer [persoon] heeft gevraagd om de getuige [getuige] te bevragen naar de namen van mogelijke verdachten bij de examendiefstal. De politie kwam bij de heer [persoon] nadat was gebleken dat [getuige] aan onder andere een vertrouwenspersoon van de school informatie over de diefstal had gegeven die voor die tijd nog niet bij het onderzoeksteam bekend was. Aldus was het vermoeden ontstaan dat hij ook over daderwetenschap beschikte. De heer [persoon] heeft deze vraag in aanwezigheid van een verbalisant neergelegd bij de mentor van [getuige], [vertrouwenspersoon]. Diezelfde dag verklaarde de heer [persoon] tegenover de politie dat hij via een vertrouwenspersoon twee namen heeft gehoord van degenen die de examens uit de kluis zouden hebben gestolen.

Op basis van bovenstaande gang van zaken wordt vastgesteld dat [vertrouwenspersoon] naar aanleiding van het verzoek van de heer [persoon] en de politie met [getuige] heeft gesproken en de twee namen van mogelijke verdachten van [getuige] heeft gekregen.

Aldus is in het opsporingsonderzoek gebruik gemaakt van een privaat persoon zonder dat daarvoor een wettelijke grondslag voor was. Nu echter niet aannemelijk is geworden dat de verdachte hierdoor in haar belangen is geschaad, kan dit verzuim zonder rechtsgevolg blijven en kan met de constatering daarvan worden volstaan. Dat, naar gesteld, hiermee het zwijgrecht van [getuige] is ondermijnd, maakt dit niet anders.

Handelen in strijd met zorgvuldigheidsbeginsel

Standpunt verdediging

De politie heeft onzorgvuldig gehandeld door leerlingen van het Ibn Ghaldoun in hun vertrouwde schoolomgeving te horen en aldaar vingerafdrukken van hen af te nemen. Ook de officier van justitie heeft onzorgvuldig gehandeld door op de regiezitting van 7 november 2013 niet te vertellen dat er een hacker was aangehouden die ervan wordt verdacht het examen Frans 2013 (VWO) op het internet te hebben verspreid.

Beoordeling

Tijdens het voorbereidend onderzoek zijn er op school leerlingen als getuige gehoord en zijn er, indien zij daarvoor toestemming gaven, vingerafdrukken van hen afgenomen. Vooropgesteld moet worden dat er geen wettelijke bepaling is aan te wijzen waarin is bepaald dat onderzoekshandelingen als deze niet verricht mogen worden in een voor een getuige vertrouwde omgeving. Voor zover gesteld is dat er leerlingen, door gebruik te maken van een voor hen vertrouwde omgeving, zijn bewogen tot verklaringen of handelingen die zij op een andere plaats niet zouden hebben afgelegd of gedaan, is voor de juistheid van die stelling geen concreet aanknopingspunt te vinden.

In haar brief van 20 januari 2014 aan onder meer de verdediging en de rechtbank heeft de officier van justitie gesteld dat het onderzoeksbelang zich verzette tegen openbaarmaking op de regiezitting van 7 november 2013 van de aanhouding van de hacker. Kort nadat in de media bekend was gemaakt dat er een persoon was aangehouden die ervan wordt verdacht het eindexamen Frans op het internet te hebben gezet, heeft de officier van justitie eerst het eerste uitgebreide verhoor van de hacker aangaande de verdenking van het publiceren van het examen Frans verstrekt en daarna het volledige dossier (dossier Up).

Niet valt in te zien welke onzorgvuldigheid op dit punt aan de officier van justitie kan worden tegengeworpen.

Proportionaliteit/subsidiariteit

Standpunt verdediging

De wijze waarop de verdachte is aangehouden is strijdig met de beginselen van de proportionaliteit en subsidiariteit. Ter onderbouwing van het verweer heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte in de ochtend door veel agenten is aangehouden.

Beoordeling

Gezien de datum van aanhouding, 2 juli 2013, het gegeven dat het onderzoek zich toen niet meer in de beginfase bevond en het feit dat geen doorzoeking hoefde plaats te hebben, had de minderjarige verdachte op andere wijze aangehouden kunnen worden dan is gebeurd. De wijze waarop is gehandeld kan echter niet als zodanig strijdig met de beginselen van beginselen van de proportionaliteit en subsidiariteit worden aangemerkt dat hieraan rechtsgevolgen zouden moeten worden verbonden.

Conclusie

Wanneer het voorgaande wordt bezien tegen de achtergrond van hetgeen voor de beoordeling van dit verweer als juridisch kader is vooropgesteld, kan niet anders dan worden geconcludeerd dat de onder A tot en met E genoemde punten noch afzonderlijk, noch in onderlinge samenhang beschouwd, kunnen leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

BEWIJS

Bewijsuitsluiting

De verweren die ten grondslag zijn gelegd aan het niet-ontvankelijkheidsverweer dienen subsidiair te leiden tot bewijsuitsluiting.

Gelet op hetgeen hiervoor in het kader van de ontvankelijkheid is overwogen en het ontbreken van een concrete aanvullende motivering van dit bewijsuitsluitingsverweer faalt dit verweer.

Afbeeldingen van eindexamens een ‘goed’?

Standpunt verdediging

Afbeeldingen van eindexamens zoals is ten laste gelegd zijn niet aan te merken als goederen in de zin van artikel 416 Sr, zodat de verdachte hiervan - voor zover de ten laste gelegde heling hierop betrekking heeft – moet worden vrijgesproken.

Beoordeling

Binnen de functie die een eindexamen in het maatschappelijk verkeer heeft, is hét wezenskenmerk dat de inhoud daarvan, voor degene die daaraan moeten deelnemen, geheim blijft tot aan het uur dat het examen moet worden gemaakt. Het is dit kenmerk, dat als een intrinsiek element van het eindexamen moet worden aangemerkt, dat maakt dat het eindexamen een economische waarde vertegenwoordigt. Zonder dit element is een eindexamen welhaast een waardeloos stuk papier.

Op het moment dat eindexamens worden weggenomen en terechtkomen bij deelnemers aan die eindexamens, verliest de rechthebbende ook dit intrinsieke element en daarmee de economische waarde van het eindexamen. Het is dit intrinsieke element dat in wezen aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende wordt onttrokken en waar ook het opzet van degene die wegneemt steeds op is gericht. Dat de papieren versie van een eindexamen wordt teruggelegd brengt daarin geen verandering. Het intrinsieke element is daarom ook aan te merken als goed in de zin van artikel 310 Sr.

Wanneer een weggenomen eindexamen wordt vermenigvuldigd door daarvan afbeeldingen te maken, wordt geprofiteerd van dit (intrinsieke) goed dat door misdrijf is verkregen. De gemaakte afbeeldingen zijn onder de gegeven omstandigheden daarom ook als goederen in de zin van artikel 416 Sr aan te merken.

Bewijsverweer: ontbreken wetenschap

Standpunt verdediging

De verdachte wist niet dat de examens die zij heeft vervoerd en waarvan in de bibliotheek in Rotterdam foto’s zijn gemaakt gestolen examens van 2013 waren. Zij geloofde ook niet dat het eindexamen Engels dat [betrokkene] haar had toegestuurd, gestolen was.

Beoordeling

Uit de verklaring die [medeverdachte] heeft afgelegd ten overstaan van de rechter commissaris, volgt dat de verdachte, voordat zij op 1 mei 2013 samen met haar mededaders naar de bibliotheek in Rotterdam ging, wist dat in de tassen gestolen examens van 2013 zaten. Zij wist dus dat in de tas die zij heeft gedragen gestolen eindexamens van 2013 zaten en zij wist dus ook dat het haar toegestuurde eindexamen Engels gestolen was.

Bewezenverklaring

Op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande en de overige inhoud van de bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden (als bijlage II aan dit vonnis gehecht) is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan op die wijze dat:

zij in of omstreeks de periode van 1 mei 2013 tot en met 28 mei 2013 te Rotterdam en/of te Delft, tezamen en in vereniging met (een) ander(en)

meermalen, althans eenmaal, (een) goed(eren), te weten

- (een) (eind)examen(s) VWO 2013 (Nederlands, Engels, Wiskunde B, Natuurkunde, Scheikunde, Biologie, Geschiedenis, Aardrijkskunde, Arabisch, Frans, Maatschappijwetenschappen, Management & Organisatie, Duits, Economie) en/of HAVO 2013 (Nederlands, Engels, Wiskunde A, Aardrijkskunde, Geschiedenis, Maatschappijwetenschappen, Frans, Arabisch, Economie, Natuurkunde) - op of omstreeks 1 mei 2013 - en/of

- (een) fotografische opname(s) van (een) gestolen (eind)examen(s) te weten VWO 2013 (Engels en/of Biologie)- in de periode van 2 tot en met 28 mei 2013-,

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl zij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dat goed/die goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf, namelijk door diefstal, althans door enig (ander) misdrijf, verkregen goed(eren) betrof,

immers heeft/hebben zij en/of haar mededader(s):

- op of omstreeks 1 mei 2013 de gestolen eindexamens VWO 2013 en HAVO 2013

(mede) vervoerd naar een plaats waar deze konden worden gefotografeerd en/of

- in de periode van 2 tot en met 28 mei 2013 afbeeldingen van een gestolen eindexamens (Engels en/of Biologie) ontvangen en/of overgedragen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID FEIT

Het bewezen feit levert op:

medeplegen van opzetheling.

Het feit is strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft eindexamens van 2013 voorhanden gehad, terwijl zij wist dat deze waren gestolen. De verdachte heeft zelfs de daders van de diefstal van de examens geholpen door een tas met daarin gestolen examens voor hen te dragen. De rechtbank neemt dat de verdachte kwalijk en een forse werkstraf, zoals door de officier van justitie is geëist, is dan in beginsel ook op zijn plaats.

Duidelijk is echter ook geworden dat deze misstap van de verdachte hele grote gevolgen heeft gehad voor haar. Zij is als een van de hoofdverdachten aangemerkt en daardoor heeft ook haar zaak veel media-aandacht gekregen. Verder heeft de verdachte zich meerdere dagen moeten verantwoorden voor een meervoudige kamer in een extra beveiligde zittingszaal en ook dat zal ongetwijfeld indruk hebben gemaakt op de minderjarige verdachte. Tot slot heeft de verdachte een andere school moeten zoeken en daar moet zij, omdat ze laat is ingestroomd, HAVO 4 (in plaats van VWO 5) over doen.

In deze feiten en omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding om aan de verdachte een lagere werkstraf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist. Voor het opleggen van een deels voorwaardelijke straf, zoals door de Raad voor de Kinderbescherming is geadviseerd in zijn rapport van 1 november 2013, bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen grond. Uit datzelfde rapport blijkt immers dat de raadsonderzoeker, gelet op de grote invloed die alles op het leven van de verdachte heeft gehad, het recidiverisico als minimaal inschat.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 47, 77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 77gg en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uur, waarbij de Raad voor de Kinderbescherming dient te bepalen uit welke werkzaamheden de werkstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 58 (achtenvijftig) uur te verrichten werkstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 29 dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H. Janssen, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. J.F. Koekebakker en J. de Gans, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. W.A.J.A. Welten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 februari 2014.

Bijlage I bij vonnis van 13 februari 2014.

TEKST GEWIJZIGDE TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

zij in of omstreeks de periode van 1 mei 2013 tot en met 28 mei 2013 te

Rotterdam en/of te Delft,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en)

meermalen, althans eenmaal,

(een) goed (eren), te weten

- ( een) (eind)examen(s) VWO 2013 (Nederlands, Engels, Wiskunde B,

Natuurkunde, Scheikunde, Biologie, Geschiedenis, Aardrijkskunde, Arabisch,

Frans, Maatschappijwetenschappen, Management & Organisatie, Duits, Economie)

en/of HAVO 2013 (Nederlands, Engels, Wiskunde A, Aardrijkskunde,

Geschiedenis, Maatschappijwetenschappen, Frans, Arabisch, Economie,

Natuurkunde) - op of omstreeks 1 mei 2013 - en/of

- ( een) fotografische opname(s) van (een) gestolen (eind)examen(s) te weten

VWO 2013 (Engels en/of Biologie)- in de periode van 2 tot en met 28 mei 2013-,

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl

zij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dat goed/die

goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door

misdrijf, namelijk door diefstal, althans door enig (ander) misdrijf,

verkregen goed (eren) betrof,

immers heeft/hebben zij en/of haar mededader(s) :

- op of omstreeks 1 mei 2013 de gestolen eindexamens VWO 2013 en HAVO 2013

(mede) vervoerd naar een plaats waar deze konden worden gefotografeerd en/of

- in de periode van 2 tot en met 28 mei 2013 afbeeldingen van gestolen

eindexamens (Engels en/of Biologie) ontvangen en/of overgedragen;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht