Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:9723

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-11-2014
Datum publicatie
01-12-2014
Zaaknummer
10/963055-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Nigeriaanse activist veroordeeld voor uit winstbejag behulpzaak zijn bij het zich wederrechtelijk verschaffen van verblijf in Nederland (mensensmokkel) en valsheid in geschrift. Verweer dat veroordeelde niets anders heeft gedaan dan de papieren werkelijkheid in overeenstemming brengen met de feitelijke werkzaamheid zodat opzet ontbrak, wordt verworpen. Strafverminderend dat aan veroordeelde aanvankelijk een vijfde ernstig feit (terrorisme) was ten laste gelegd, terwijl dit feit bij nader inzien niet te bewijzen bleek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/963055-10 [Promis]

Datum uitspraak: 27 november 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Nigeria) op [geboortedatum] 1972,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres:

[adres en woonplaats],

raadslieden mr. E. Manders en mr. M.E. Pennings, advocaten te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 28 oktober 2014.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de vordering nadere omschrijving tenlastelegging, waarbij de oorspronkelijke opgave van de feiten als bedoeld in artikel 261, derde lid van het Wetboek van Strafvordering op vordering van de officier van justitie is gewijzigd. Deze vordering nadere omschrijving tenlastelegging is ter terechtzitting d.d. 5 maart 2014 opnieuw gewijzigd. De tekst van de gewijzigde nader omschreven tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie heeft gevorderd:

- bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden met aftrek van voorarrest.

MOTIVERING VRIJSPRAAK

Van de feiten en omstandigheden die – naast de verklaring van [medeverdachte 1] – blijken uit het procesdossier, kan gesteld worden dat deze verdacht zijn, maar niet dat deze een ‘formidable case’ opleveren ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde verdenking dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het feit “opzettelijk niet naar waarheid gegevens verstrekken” door medeverdachte [medeverdachte 1] te instrueren over diens gelogen asielaanvraag. De uitlatingen van verdachte [verdachte] tegen [medeverdachte 1] in een van de getapte telefoon- of chatgesprekken: “I can get you political asylum” en “I will prepare u very well and hopefully u could secure ur residence permit” zijn daarvoor onvoldoende. Deze en andere feiten en omstandigheden passen ook bij de verklaring van verdachte dat hij [medeverdachte 1] van advies heeft voorzien over de Nederlandse asielprocedure en de te verwachten eisen die daarin aan het verhaal van [medeverdachte 1] gesteld zullen worden. Dit maakt dat de verklaring van [medeverdachte 1] over verdachte moet worden aangemerkt als een doorslaggevend bewijsmiddel en dat deze niet tot het bewijs gebezigd mag worden nu de verdediging niet in de gelegenheid is geweest om [medeverdachte 1] te horen. Zonder deze verklaring kan het onder 2 (primair en subsidiair) tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen en de voor de bewezenverklaring redengevende inhoud daarvan zijn weergegeven in de aan dit vonnis gehechte bijlage II. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

NADERE BEWIJSMOTIVERING

Bewijsuitsluiting

Door de raadsman is het verweer gevoerd dat er in het opsporingsonderzoek ten aanzien van verdachte geen verdenking was als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering en dat daarom – kort gezegd – alle onderzoeksresultaten die desondanks zijn verkregen uit het opsporingsonderzoek, uitgesloten dienen te worden van het bewijs.

Dit verweer wordt verworpen. De rechtbank is van oordeel dat de door de verdediging in haar pleidooi aangehaalde feiten en omstandigheden wel degelijk voldoende redengevend zijn en een concrete en specifieke verdenking opleveren in de zin van een redelijk vermoeden van schuld, zodat er geen sprake is geweest van onrechtmatige inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden. Met name is daarvoor van belang dat de verdenking jegens de verdachte is gerezen op het moment dat hij een vermeend slachtoffer van mensenhandel ophaalde van het vliegveld, terwijl de politie over informatie beschikte dat hij tweeëneenhalf jaar eerder in het gezelschap van drie personen reisde die alle drie met gebruikmaking van andermans paspoort poogden vanuit Nigeria naar Nederland te komen én dat hij toen, op het moment dat de vrouwen de toegang tot het vliegtuig werd ontzegd, die paspoorten – waarvan één van zijn echtgenote – heeft meegenomen naar Nederland. Dat uiteindelijk het onderzoek naar mensenhandel niet heeft geleid tot verdere vervolging van de verdachte terzake, doet aan het bestaan van een redelijk vermoeden van schuld niet af.

Ontbreken winstbejag

Daarnaast heeft de raadsman het verweer gevoerd dat ten aanzien van feit 1 er bij verdachte geen sprake is van winstbejag als bedoeld in artikel 197a, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, nu de € 400,- die verdachte heeft gevraagd voor een verblijf van twee maanden slechts een onkostenvergoeding betreft.
De rechtbank stelt het volgende vast. Van winstbejag is sprake indien gestreefd wordt naar een voor verdachte economisch gunstiger toestand dan waarin deze bij het achterwege laten van de gewraakte handeling zou komen te verkeren. Niet is vereist dat verdachte in bedrijfseconomische zin 'winst' heeft nagestreefd of gemaakt.
Verdachte heeft gedurende (bijna) twee maanden woonruimte verhuurd en/of ter beschikking gesteld aan medeverdachte [medeverdachte 1], die wederrechtelijk in Nederland verbleef. Voor dit verblijf betaalde [medeverdachte 1] huur aan verdachte en/of diens echtgenote. Nu verdachte daarmee feitelijk in een economisch gunstiger toestand is komen te verkeren dan waarin hij zou hebben verkeerd indien bedoelde woonruimte niet was verhuurd, is sprake van 'winstbejag' in de zin van het tweede lid van artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht. Het verweer wordt verworpen.

Wetenschap van wederrechtelijk verblijf [medeverdachte 1]

Ten aanzien van feit 1 overweegt de rechtbank dat uit de verklaringen van verdachte blijkt dat hij, op het moment dat hij [medeverdachte 1] onderdak verschafte, wist dat [medeverdachte 1] geen geldige verblijfsvergunning voor Nederland had. Het kan, mede gelet op verdachtes - naar eigen zeggen - ruime ervaring met asielaanvragen in Nederland, dan ook niet anders zijn dan dat hij wist dat [medeverdachte 1] zich terstond bij de Nederlandse autoriteiten behoorde te melden en dat hij dus gedurende de periode van bijna twee maanden tussen zijn aankomst en zijn aanmelding in Ter Apel wederrechtelijk in Nederland verbleef.

Met betrekking tot valsheid in geschrift

Ten aanzien van feit 3 stelt de rechtbank het volgende vast. Een salarisspecificatie is in het maatschappelijke verkeer een geschrift dat mede dient tot het bewijs van het bestaan van (de verplichting tot) periodieke betalingen van een werkgever aan een werknemer uit hoofde van een arbeidsovereenkomst. Op het moment dat de onderhavige salarisspecificaties in 2010 zijn opgemaakt, was van periodieke betaling door de stichting “[stichting]” (handelend onder de naam [handelsnaam]) aan werknemer [verdachte] geen sprake. Hiervan waren zowel [medeverdachte 2] als verdachte op de hoogte. Desondanks zijn deze salarisspecificaties opgemaakt met het voor [medeverdachte 2] en verdachte bekende doel om MVM Wonen te bewegen een huurovereenkomst met de stichting “[stichting]” c.q. [verdachte] aan te gaan.
Aldus handelend heeft verdachte valselijk salarisspecificaties op laten maken.

Vast is komen te staan dat ook de overgelegde arbeidsovereenkomst valselijk is opgemaakt. Het stuk is opgemaakt in het jaar 2010, terwijl wordt vermeld dat het reeds op 7 januari 2008 is ondertekend. Voorts beantwoordt de rechtbank de vraag of er desondanks sprake was van een arbeidsovereenkomst ontkennend. De arbeidsovereenkomst is niet ondertekend door het (voltallige) Stichtingsbestuur, zijnde het orgaan dat de Stichting dient te vertegenwoordigen bij het aanstellen van verdachte als hoofdredacteur. Van maandelijkse salarisbetalingen is niet gebleken. Integendeel: uit de gegevens van de Belastingdienst volgt dat er van salarisbetalingen geen sprake is geweest. Ten slotte is het tijdschrift waarvan verdachte in de periode 2008 tot en met 2010 fulltime hoofdredacteur zou zijn geweest, in de desbetreffende periode in het geheel niet verschenen. Dat verdachte de salarisspecificaties en de valse arbeidsovereenkomst heeft gebruikt teneinde via MVM Wonen een pand te kunnen huren en bij de ABN AMRO Bank een krediet te kunnen aanvragen, is in confesso.

Voor zover verdachte zich erop beroept dat hij niets anders heeft gedaan dan de papieren werkelijkheid in overeenstemming brengen met de feitelijke werkelijkheid in die zin dat er in de nabije toekomst wel degelijk salarisbetalingen te verwachten vielen en dat hij, verdachte, aldus geen opzet heeft gehad op het valselijk opmaken van de bedoelde specificaties en arbeidsovereenkomst, geldt dat het opzet juist volgt uit de omstandigheid dat de verdachte wist dat de feitelijke situatie anders was dan op papier werd weergegeven en hij desondanks deze papieren liet opstellen en ze vervolgens heeft gebruikt.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op één of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2010 tot en met 5 september 2010 te Rotterdam, en/of (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet in de uitoefening van zijn/hun beroep of gewoonte een persoon van Nigeriaanse nationaliteit, genaamd [medeverdachte 1]

-behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door

-uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in

Nederland of die ander(en) daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, terwijl verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat die toegang of die doorreis en/of dat verblijf wederrechtelijk was,

immers heeft verdachte en/of verdachtes mededaders toen aldaar onder meer:

-contact onderhouden met en/of instructies gegeven aan en/of ontvangen van en/of afspraken gemaakt met die bovengenoemde persoon over de wijze van vervoer en/of de inreis in Nederland en/of het verdere vervolg in Nederland en/of

-bovengenoemde persoon één of meer dagen onderdak geboden en daarvoor enig geldbedrag ontvangen en/of in rekening gebracht en/of

-de toegang en/of het verblijf van die bovengenoemde persoon geregeld en/of georganiseerd en/of gecoördineerd en/of gefaciliteerd en/of op één of andere wijze de financiële kant van het transport en/of het verblijf van die persoon geregeld;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 9 november 2010 te gemeente Rotterdam in elk geval in Nederland (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van drie, althans één of meer vals(e) of vervalst(e) salarisspecificatie(s) en/of van een valse of vervalste arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, - zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat/die geschrift(en) echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte die salarisspecificatie(s) over de maanden juli 2010 en/of augustus 2010 en/of september 2010 en die arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft gebruikt om een huurcontract voor het pand [adres] te Rotterdam te verkrijgen van makelaarskantoor MVM Wonen te

Rotterdam en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat op die salarisspecificatie(s) was vermeld dat verdachte medewerker was van [handelsnaam] en een basissalaris had van 3500 euro en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat in die arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd stond vermeld onder meer dat verdachte op 1 januari 2008 als werknemer in dienst was getreden van Stichting [stichting] tegen een salaris van 3500 euro bruto per maand;

4.

hij op of omstreeks 02 december 2010 te gemeente Rotterdam een aanvraagformulier ABN AMRO Flexibel Krediet - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte valselijk op dat formulier ingevuld dat hij, verdachte, een maandinkomen van 3500,00 euro had en/of dat hij, verdachte, op 1 januari 2008 in dienst was getreden van [handelsnaam][handelsnaam], zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1.

EEN ANDER UIT WINSTBEJAG BEHULPZAAM ZIJN BIJ HET ZICH VERSCHAFFEN VAN VERBLIJF IN NEDERLAND, TERWIJL HIJ WEET DAT DAT VERBLIJF WEDERRECHTELIJK IS, IN VERENIGING BEGAAN DOOR MEERDERE PERSONEN;

3.

OPZETTELIJK GEBRUIK MAKEN VAN EEN VALS OF VERVALST GESCHRIFT, ALS BEDOELD IN ARTIKEL 225, LID 1, VAN HET WETBOEK VAN STRAFRECHT, ALS WARE HET ECHT EN ONVERVALST, MEERMALEN GEPLEEGD;

4.

VALSHEID IN GESCHRIFT.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft medeverdachte [medeverdachte 1], van wie hij wist dat deze illegaal in Nederland was, tegen betaling onderdak verschaft. Door aldus te handelen wordt niet alleen overheidsbeleid aangaande bestrijding van illegaal verblijf in Nederland doorkruist, maar wordt ook het draagvlak om asielzoekers ruimhartig op te vangen, ondermijnd. Daarnaast heeft verdachte salarisspecificaties en een aanvraagformulier voor een krediet valselijk opgemaakt, teneinde een pand te kunnen huren en een lening te kunnen verkrijgen. Met dergelijk handelen schaadt verdachte het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer in de juistheid van bepaalde geschriften moet kunnen worden gesteld. Dit heeft een ontwrichtende werking op het economisch verkeer en de rechtbank neemt dit verdachte kwalijk.

Bij het bepalen van de straf neemt de rechtbank in aanmerking dat er sprake is van een lang tijdsverloop sinds de eerste daad van vervolging en de berechting. De redelijke termijn is overschreden en de rechtbank zal de consequenties die dit volgens vaste jurisprudentie met zich mee brengt, verdisconteren in de op te leggen straf. Eveneens houdt de rechtbank bij het opleggen van de straf rekening met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, aangezien de verdachte na de datum waarop de bewezen verklaarde feiten zijn gepleegd een strafbeschikking heeft ontvangen ter zake van rijden onder invloed.

Tevens neemt de rechtbank ten aanzien van de strafmaat in aanmerking de omstandigheid dat aan verdachte aanvankelijk nog een vijfde (ernstig) feit was ten laste gelegd, terwijl dit feit bij nader inzien niet te bewijzen bleek en om die reden bij wijze van wijziging van de tenlastelegging daar vanaf is gehaald, terwijl aannemelijk is dat verdachte als gevolg hiervan enig nadeel heeft ondervonden.

In de regel wordt voor soortgelijke feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. Ook de officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden dient te ondergaan. De rechtbank is echter, gelet op de hiervoor opgesomde omstandigheden en de omstandigheid dat de eis van de officier van justitie is gebaseerd op een veroordeling ter zake van feit 2 (van welk feit de rechtbank verdachte vrijspreekt), van oordeel dat de aan hem op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk dient te zijn aan het voorarrest. Wel zal aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd teneinde hem ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen. Ook acht de rechtbank het geboden dat verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf zal ondergaan voor de duur van 240 uren te vervangen door 120 dagen hechtenis.

IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN

De officier van justitie heeft ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen:

- 1.00 STK Bankpas Postbankpas nr 57 kmar

- 1.00 STK Bankpas Bankpas Abn amro kmar nr 58

- 1.00 STK Bankpas Bankpas ABN AMRO nr 59

- 1.00 STK Bankpas Bankpas Postbank kmar nr 60

- 1.00 STK Bankpas Giropas Postbank kam nr 61

- 1.00 STK Paspoort Nationaal paspoort kmar nr 69

- 1.00 STK Papier Adm.bescheiden kmar nr 72

- 1.00 STK Papier Electronisch ticket air france kmar nr 73

- 1.00 STK Rijbewijs Rijbewijs kmar nr 80

ter terechtzitting geen opmerkingen gemaakt.

Ook door de verdediging zijn geen opmerkingen gemaakt over de in beslag genomen voorwerpen.

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van de vorengenoemde voorwerpen de bewaring dient te worden gelast ten behoeve van de rechthebbende, nu deze op een andere dan verdachtes naam staan, verdachte hierover geen verklaring heeft wensen af te leggen en geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63, 197a en 225 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 2 (primair en subsidiair) ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte (ook) daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 74 (vierenzeventig) dagen;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 60 (zestig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op drie jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;



veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, waarbij Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

- 1.00 STK Bankpas Postbankpas nr 57 kmar

- 1.00 STK Bankpas Bankpas Abn amro kmar nr 58

- 1.00 STK Bankpas Bankpas ABN AMRO nr 59

- 1.00 STK Bankpas Bankpas Postbank kmar nr 60

- 1.00 STK Bankpas Giropas Postbank kam nr 61

- 1.00 STK Paspoort Nationaal paspoort kmar nr 69

- 1.00 STK Papier Adm.bescheiden kmar nr 72

- 1.00 STK Papier Electronisch ticket air france kmar nr 73

- 1.00 STK Rijbewijs Rijbewijs kmar nr 80.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P. Joele, voorzitter,

mrs. M. van Kuilenburg en C.M.A.T. van der Geest, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.J. den Besten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 november 2014.

Bijlage I

TEKST GEWIJZIGDE NADER OMSCHREVEN TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op één of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2010 tot en met 5 september 2010 te Rotterdam, en/of (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet in de uitoefening van zijn/hun beroep of gewoonte een persoon van Nigeriaanse nationaliteit, genaamd [medeverdachte 1]

-behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door

-uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in

Nederland of die ander(en) daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, terwijl verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat die toegang of die doorreis en/of dat verblijf wederrechtelijk was,

immers heeft verdachte en/of verdachtes mededaders toen aldaar onder meer:

-contact onderhouden met en/of instructies gegeven aan en/of ontvangen van en/of afspraken gemaakt met die bovengenoemde persoon over de wijze van vervoer en/of de inreis in Nederland en/of het verdere vervolg in Nederland en/of

-bovengenoemde persoon één of meer dagen onderdak geboden en daarvoor enig geldbedrag ontvangen en/of in rekening gebracht en/of

-de toegang en/of verblijf van die bovengenoemde persoon geregeld en/of georganiseerd en/of gecoördineerd en/of gefacilliteerd en/of op één of andere wijze de financiële kant van het transport en/of het verblijf van die persoon geregeld;

2.

hij op of omstreeks 04 oktober 2010 te gemeente Zevenaar, in elk geval in

Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, anders dan

door valsheid in geschrift, opzettelijk niet naar waarheid één of meer gegevens heeft verstrekt

aan een rapporteur van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), zijnde degene door wie

of door wiens tussenkomst een verstrekking of tegemoetkoming, te weten asiel en/of

verblijfsvergunning, werd verleend, immers heeft verdachte toen aldaar ten

overstaan van die rapporteur in strijd met de waarheid verklaard:

- dat hij lid was van een militante groep in Nigeria en/of

- dat hij niet mee wilde doen aan een demonstratie en derhalve werd gezocht

door die militante groep en/of

- dat hij ondergedoken was geweest en/of

- dat hij door iemand geholpen is om Nigeria te verlaten op een Brits

paspoort,

zulks terwijl dit/deze feit(en) kon(den) strekken tot bevoordeling van

zichzelf of een ander, terwijl verdachte en/of verdachtes mededaderes) wist(en), althans

redelijkerwijze moest( en) vermoeden dat de verstrekte gegevens van belang waren voor de

vaststelling van verdachtes en/of verdachtes mededaderes) of eens anders recht op die

verstrekking of tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of

tegemoetkoming;

subsidiair:

[medeverdachte 1] op of omstreeks 4 oktober 2010 te gemeente Zevenaar, in elk geval

in Nederland, meermalen, althans éénmaal, anders dan door valsheid in geschrift, (telkens)

opzettelijk niet naar waarheid één of meer gegevens heeft verstrekt aan de Immigratie en

Naturalisatie Dienst (IND), zijnde degene door wie of door wiens tussenkomst een

verstrekking of tegemoetkoming, te weten asiel en/of een verblijfsvergunning, werd verleend,

zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een

ander, terwijl die [medeverdachte 1] wist, althans redelijkerwijze moest

vermoeden dat de verstrekte gegevens van belang waren voor de vaststelling van

die [medeverdachte 1]'s of eens anders recht op die verstrekking of

tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of

tegemoetkoming, bestaande die gegevens uit:

- dat [medeverdachte 1] lid was van een militante groep in Nigeria

- dat [medeverdachte 1] niet mee wilde doen aan een demonstratie en derhalve werd

gezocht door die militante groep

- dat [medeverdachte 1] onderdoken is geweest

- dat [medeverdachte 1] door iemand is geholpen om Nigeria te verlaten op een Brits

paspoort,

in elk geval niet naar waarheid verstrekte informatie op grond waarvan de

Immigratie en Naturalisatie Dienst (IND) gemakkelijker asiel zou verlenen aan

die [medeverdachte 1], bij het plegen van welk bovenomschreven misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 1 juni 2010 tot en met 4 oktober 2010 te gemeente Rotterdam, in elk geval in Nederland opzettelijk behulpzaam is geweest enlof tot het plegen van welk

bovenomschreven misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 1 juni 2010 tot en met 4 oktober 2010 te gemeente Rotterdam, in elk geval in Nederland opzettelijk gelegenheid,

middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door toen aldaar opzettelijk één

of meer van bovengenoemde gegevens en/of die informatie aan die [medeverdachte 1]

[medeverdachte 1] door te geven en/of te verstrekken en/of te vertellen en/of door

aan die [medeverdachte 1] ter vertellen en/of mede te delen dat die[medeverdachte 1]

[medeverdachte 1] bovengenoemde gegevens en/of informatie aan de Immigratie en

Naturalisatie Dienst moest vertellen teneinde gemakkelijker in aanmerking te

komen voor asiel en/of een verblijfsvergunning;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 9 november 2010 te gemeente Rotterdam in elk geval in Nederland (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van drie, althans één of meer vals(e) of vervalst(e) salarisspecificatie(s) en/of van een valse of vervalste arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, - zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat/die geschrift(en) echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte die salarisspecificatie(s) over de maanden juli 2010 en/of augustus 2010 en/of september 2010 en die arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft gebruikt om een huurcontract voor het pand [adres] te Rotterdam te verkrijgen van makelaarskantoor NVM Wonen te

Rotterdam en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat op die salarisspecificatie(s) was vermeld dat verdachte medewerker was van [handelsnaam] en een basissalaris had van 3500 en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat in die arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd stond vermeld onder meer dat verdachte op 1 januari 2008 als wernemer in dienst was getreden van Stichting [stichting] tegen een salaris van 3500 euro bruto per maand;

4.

hij op of omstreeks 02 december 2010 te gemeente Rotterdam een aanvraagformulier ABN AMRO Flexibel Krediet - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte valselijk op dat formulier ingevuld dat hij, verdachte, een maandinkomen van 3500,00 had en/of dat hij, verdachte, op 1 januari 2008 in dienst was getreden van [handelsnaam], zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.