Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:9659

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-11-2014
Datum publicatie
27-11-2014
Zaaknummer
10/994524-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden;

Artikel 28 Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen.

De verdachte heeft opzettelijk een aanzienlijke hoeveelheid, niet toegelaten gewasbeschermingsmiddelen op de markt gebracht. Het verweer dat geen sprake is van gewasbeschermingsmiddelen als bedoeld in de Verordening wordt verworpen.

Gelet op de samenstelling en de verpakking van de middelen en de bij de middelen behorende gebruikersinformatie, is naar het oordeel van de rechtbank de conclusie gerechtvaardigd dat deze middelen geschikt zijn om aan de gebruiker te worden geleverd.

Aan de verdachte is opgelegd een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, met een proeftijd van twee jaar. De gewasbeschermingsmiddelen die onder de verdachte in beslag zijn genomen, zijn onttrokken aan het verkeer. Daarnaast is als maatregelregel opgelegd, de verplichting tot tenietdoening van hetgeen wederrechtelijk is verricht op grond van artikel 8 en 10 van de Wet economische delicten. De wederrechtelijke verrichting is het op de markt brengen van niet-toegelaten gewasbeschermingsmiddelen. De tenietdoening is de vernietiging van de gewasbeschermingsmiddelen (door de Staat wegens onttrekking) op kosten van de verdachte. De kosten zijn vastgesteld op € 44.000,--.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/994527-14

Datum uitspraak: 12 november 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige economische kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te[geboorteplaats]op [geboortedatum],

wonende te [adres],

raadsman mr. G.J.M. de Jager, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 29 oktober 2014.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. R. de Rijck heeft gerekwireerd:

- de bewezenverklaring van het onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde;

- de veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden met aftrek van voorarrest;

- de gevangenneming van de verdachte bij einduitspraak;

- primair de oplegging van de maatregel op grond van artikel 8 van de Wet op de economische delicten tot oplegging van de verplichting om voor zijn rekening de staat de in beslaggenomen 800 en 350 colli gewasbeschermingsmiddelen als vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen te doen vernietigen, waarbij de kosten hiervan twee euro per kilo bedragen, en subsidiair onttrekking aan het verkeer.

ONTVANKELIJKHEID OFFICIER VAN JUSTITIE

De raadsman van de verdachte heeft een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. De strafrechtelijke opsporing en de vervolging van de verdachte zijn in strijd met de “Sanctiestrategie Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden”, zoals deze door de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA), in overleg met het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie, op 9 maart 2011 is vastgesteld. Kort gezegd, houdt deze in dat overtredingen met betrekking tot de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden in principe worden afgehandeld door middel van het opleggen van een bestuurlijke boete en/of bestuursdwang- of dwangsombesluit. Proces-verbaal wordt slechts opgemaakt indien voldaan wordt aan ten minste één van de onderstaande criteria:

 overtreding met ernstige gevolgen voor mens, dier of milieu, dat wil zeggen de overtreding heeft ernstige gevolgen veroorzaakt voor mens, dier of milieu, dan wel dreigt die te veroorzaken;

 het is een overtreding begaan in georganiseerd verband;

 het is een overtreding begaan met behulp van malversaties zoals frauduleuze constructies, omkoping of geweld om wederrechtelijk voordeel te behalen of de kans op ontdekking te minimaliseren;

 (tweede) recidive.

Aan geen van die criteria is voldaan, aldus de raadsman.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Op grond van artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering berust de beslissing omtrent vervolging bij de officier van justitie. Vast staat dat de NVWA een sanctiestrategie heeft opgesteld zoals door de raadsman weergegeven. Hoewel deze kennelijk in overleg met het Functioneel Parket tot stand is gekomen, is dit geen sanctiestrategie van het Openbaar Ministerie, zodat de officier van justitie daaraan in beginsel niet is gebonden. Omstandigheden die tot een andere conclusie zouden moeten leiden, zijn gesteld noch gebleken. Maar ook overigens is gehandeld in overeenstemming met de handhavingsstrategie, nu tijdens het voorbereidende onderzoek aanwijzingen zijn gevonden dat een inbreuk op een merkrecht werd begaan. Aldus is er in elk geval sprake van een verdenking van een malversatie als bedoeld in de sanctiestrategie.

MOTIVERING VRIJSPRAAK FEIT 2

Uit het dossier volgt dat er 600 5-liter jerrycans zijn binnenkomen bevattende het gewasbeschermingsmiddel azoxystrobin. Deze jerrycans waren wit met een groene dop en op de bodem voorzien van het merkteken ’S-Pac’. Zowel de wit-groene verpakking als het ’S-Pac’-logo zijn gecombineerde woord/beeldmerken van de [bedrijf 1] Nu de bewuste jerrycans niet afkomstig zijn van [bedrijf 1] is aldus sprake van merkinbreuk.

Voor een bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde is echter niet voldoende dat een merkinbreuk wordt vastgesteld, doch dient ook komen vast te staan dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op deze merkinbreuk.

De verdachte heeft in dat verband verklaard, dat hij bij zijn Chinese leverancier een bestelling heeft gedaan voor een bepaald aantal liters azoxystrobin, doch dat hij geen vorm heeft voorgeschreven waarin deze gewasbeschermingsstof diende te worden geleverd. Voorafgaand aan de verzending van de lading heeft hij weliswaar een foto gezien van een witte jerrycan met groene dop, maar hij was zich er niet van bewust dat op die verpakking een merk rustte. Het ’S-Pac’ logo op de bodem van de flessen heeft hij tot aan de inbeslagneming van de partij gewasbeschermingsmiddelen nooit gezien, aldus verdachte.

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de verdachte door het zien van de foto van de witte jerrycan met groene dop voorafgaand aan de verzending, zich had moeten realiseren dat op vormen van verpakkingen nagenoeg altijd een merk rust. Door desondanks akkoord te gaan met deze zending, heeft verdachte voorwaardelijk opzet gehad op de merkinbreuk, aldus de officier van justitie.

De rechtbank stelt vast dat het dossier geen bewijsmiddel bevat waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte op een eerder moment dan na de inbeslagneming op de hoogte was van het feit dat op de bodem van de jerrycans het merkteken ’S-Pac” was aangebracht. Het opzettelijk inbreuk maken op dat woord/beeldmerk ’S-Pac’ kan dus niet bewezen worden verklaard. Wel is ter zitting duidelijk geworden dat de verdachte voorafgaand aan de verzending van de lading azoxystrobin een foto van een witte jerrycan met groene dop heeft gezien. Dit gegeven acht de rechtbank echter op zichzelf onvoldoende om voorwaardelijk opzet op merkinbreuk van de ’S-Pac’-verpakking aan te nemen, nu deze uiterlijke kenmerken onvoldoende onderscheidend zijn. De verdachte wordt daarom vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, op die wijze dat:

1.

dat de [verdachte rechtspersoon] in de periode van 13 tot en met 18 maart 2013 te Rotterdam opzettelijk een aanzienlijke hoeveelheid gewasbeschermingsmiddelen, te weten

400, jerrycans à 5 liter met onder meer tebuconazole en

200, jerrycans à 5 liter met onder meer imidacloprid en pencycuron en

600, jerrycans à 5 liter met onder meer azoxystrobin en

1.200, jerrycans à 5 liter met onder meer thiophanate-methyl en

1.000, flacons à 1 liter met onder meer clopyralid en

400, jerrycans à 5 liter met onder meer lambda-cyhalotrin,

op de markt heeft gebracht terwijl deze niet in Nederland als betrokken lidstaat overeenkomstig de Verordening (EG) Nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG

en 91/414/EEG van de Raad waren toegelaten, aan welke verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.

3.

dat [verdachte rechtspersoon] in de periode van 8 tot en met 15 maart 2013 te Rotterdam en/of te Nieuwerkerk aan den IJssel opzettelijk een hoeveelheid gewasbeschermingsmiddelen, te weten

15.000 liter met onder meer propiconazole en

4.000 liter met onder meer fluroxypyr en

1.000 kilogram met onder meer thiamethoxam en

2.000 liter met onder meer propiconazole en cyproconazole en

4.000 liter met onder meer clorypalid,

op de markt heeft gebracht terwijl deze niet in Nederland als betrokken lidstaat overeenkomstig de Verordening (EG) Nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad waren toegelaten, aan welke verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging kennelijke verschrijvingen voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen en de voor de bewezenverklaring redengevende inhoud daarvan zijn weergegeven in de aan dit vonnis gehechte bijlage II. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

NADERE BEWIJSMOTIVERING

Aan de verdachte wordt - kort weergegeven - verweten dat hij opzettelijk op de markt heeft gebracht een aanzienlijke hoeveelheid gewasbeschermingsmiddelen, terwijl deze overeenkomstig de Verordening (EG) Nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (hierna: de verordening), in Nederland niet waren toegelaten. Dit is strafbaar gesteld in artikel 20 lid 1 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (hierna: Wgb).

Volgens de verdediging dient de verdachte te worden vrijgesproken van dit feit, onder meer, omdat de verordening slechts van toepassing is op producten die worden geleverd aan de gebruiker en daarvan is geen sprake. Het handelen van de verdachte valt dus buiten de werkingssfeer van de verordening. Ook is geen sprake van gewasbeschermingsmiddelen als bedoeld in de verordening, althans is voor deze gewasbeschermingsmiddelen op grond van artikel 28 lid 2 van de verordening geen toelating vereist. Alle genoemde werkzame stoffen zijn goedgekeurd en vrij verhandelbaar, terwijl wettig en overtuigend bewijs ontbreekt dat aan deze werkzame stoffen formuleringsstoffen zijn toegevoegd, aldus de verdediging.

Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

De verdachte handelt onder meer in gewasbeschermingsmiddelen. Hij importeert deze vanuit China en levert deze vervolgens aan[bedrijf 2] in Litouwen. Wat [bedrijf 2] er vervolgens mee doet, is bij de verdachte niet bekend.

Aan de orde is allereerst de vraag of de door de verdachte verhandelde middelen, moeten worden aangemerkt als gewasbeschermingsmiddelen als bedoeld in de verordening.

Volgens artikel 2 van de verordening zijn gewasbeschermingsmiddelen, middelen in de vorm waarin zij aan de gebruiker worden geleverd, die geheel of gedeeltelijk bestaan uit werkzame stoffen, beschermstoffen of synergisten en die bestemd zijn voor een van de volgende toepassingen:

a. a) de bescherming van planten….

b) het beïnvloeden van de levensprocessen van planten….

c) de bewaring van plantaardige producten…..

d) de vernietiging van ongewenste planten….

e) de beperking of voorkoming van de ongewenste groei van planten…..

De aan de verdachte geleverde goederen zijn in de hier van belang zijnde vrachtbrieven (bill of lading SHSY28525500 en bill of lading OOLU2531000190) als volgt omschreven:

tebuconazole 6% FS (flowable suspension)

Imidacloprid 140/G/L en pencycuron 150G/L FS

Azoxystrobin 250G/L SC (Suspension concentrate)

Thiophanate-Methyl 500 G/L SC

Clopyralid 300G/L SL (Soluble concentrate)

Lambda-cyhalotrin 2,5 EC (Emulsifiable Concentrate)

Flurorxipir 25% EC

Thiametoxam 25% WDG

Gegeven is derhalve steeds de naam van de werkzame stof en de verhouding waarin die aanwezig is. Hieruit volgt dat, anders dan gesteld, geen sprake is van 100% werkzame stoffen, maar dat daaraan een of meer andere stoffen zijn toegevoegd, zodat sprake is van geformuleerde stoffen.

Daarnaast wordt in de meegezonden material safety data scheets, zoals vermeld in de bijlagen 29 tot en met 34 bij het proces-verbaal 72742 van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit van 29 november 2013, betreffende de verschillende middelen, informatie gegeven, die kan worden aangemerkt als gebruikersinformatie, gelet op bijvoorbeeld aanduidingen als: When using, do not eat and drink; advice on safe handling; caution, keep out or reach of children; en users should wash hands before eating.

Voorts zijn de verschillende gewasbeschermingsmiddelen geleverd in jerrycans of flessen met een inhoud variërend tussen één en vijf liter. Opvallend detail daarbij is dat de jerrycans waarin zich het gewasbeschermingsmiddel met azoxystrobin bevindt, zoals ter zitting aan de verdachte is getoond (bijlage 64), grote gelijkenis vertonen met de jerrycans waarin door het bedrijf [bedrijf 1] het gewasbeschermingsmiddel met azoxystrobin op de markt wordt gebracht.

Gelet op de samenstelling en verpakking van de middelen en bij de middelen behorende gebruikers informatie, is naar het oordeel van de rechtbank de conclusie gerechtvaardigd dat deze middelen geschikt zijn om aan de gebruiker te worden geleverd, en is sprake van gewasbeschermingsmiddelen als bedoeld in de verordening. De vraag of de verdachte of [bedrijf 2] zelf gebruiker is van de middelen is in binnen dit kader niet van betekenis.

Voor de stelling van de verdachte dat de door hem verhandelde gewasbeschermingsmiddelen geen eindproducten zijn, maar nog een bewerking dienen te ondergaan, bieden noch het dossier noch het verhandelde ter zitting aanknopingspunten, ook gelet op hetgeen hierboven is overwogen.

De door de verdachte verhandelde gewasbeschermingsmiddelen zijn dan ook aan te merken als gewasbeschermingsmiddelen als bedoeld in de verordening.

Ingevolge artikel 28, lid 1, van de verordening mogen gewasbeschermingsmiddelen alleen op de markt worden gebracht wanneer zij zijn toegelaten. In de onderhavige zaak staat vast dat weliswaar de genoemde werkzame stoffen in de gewasbeschermingsmiddelen zijn goedgekeurd, maar dat van een toelating van deze gewasbeschermingsmiddelen geen sprake is. De verdediging beroept zich evenwel op de in artikel 28, tweede lid, onder a van de verordening genoemde uitzonderingssituatie, waarin een toelating niet vereist is indien het gaat om gebruik van een middel die uitsluitend één of meer basisstoffen bevat. Dit beroep kan niet slagen. Immers, behoudens de werkzame stof is de samenstelling van de onderhavige gewasbeschermingsmiddelen niet kenbaar. De verpakking van de verschillende gewasbeschermingsmiddelen is niet voorzien van een etiket, terwijl ook uit de meegezonden bescheiden, waaronder analyse certificaten, de samenstelling van de verschillende gewasbeschermingsmiddelen niet kan blijken. In die situatie, waarin de samenstelling van een middel niet kenbaar is, kan niet worden beoordeeld of zich de situatie voordoet als bedoeld in artikel 28, tweede lid, onder a van de verordening. Het is daarbij overigens niet aan het openbaar ministerie om in de samenstelling van het middel inzicht te verschaffen, zoals bepleit, maar aan de verdachte die zich op de uitzonderingssituatie beroept. Dit geldt ook voor de uitzonderingssituaties als bedoeld in artikel 28, tweede lid, onder c en e van de verordening, waar eveneens een beroep op is gedaan. Immers indien de samenstelling van een gewasbeschermingsmiddel niet kenbaar is, kan evenmin worden beoordeeld of dat gewasbeschermingsmiddel in een andere lidstaat is toegelaten, dan wel of daarvoor een vergunning voor parallelhandel is verleend.

Nu de verdachte de onderhavige gewasbeschermingsmiddelen op de markt heeft gebracht, door deze in Nederland in te voeren met het oog op verkoop daarvan aan [bedrijf 2] in Litouwen, heeft de verdachte gehandeld in strijd met artikel 28, eerste lid, van de verordening en is het onder feit 1 en feit 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

STRAFBAARHEID FEIT

De bewezen feiten leveren op:

1.

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

3.

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, opzettelijk begaan, door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

MOTIVERING VAN DE STRAF EN MAATREGEL

De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk op de Nederlandse markt brengen van diverse niet-toegelaten (geformuleerde) mengsels van gewasbeschermingsmiddelen. Hij heeft drie containers met gewasbeschermingsmiddelen, bestemd voor onmiddellijk gebruik, uit China ingevoerd en deze op de markt gebracht. Een deel is naar een bedrijf in Litouwen verzonden. De verdachte heeft met zijn handelen in strijd gehandeld met de Wgb en met de Verordening.

De teelt van planten neemt in de Gemeenschap een zeer belangrijke plaats in. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is een van de belangrijkste methoden om planten en plantaardige producten tegen schadelijke organismen, met inbegrip van onkruid, te beschermen en de landbouwproductie te verbeteren. Gewasbeschermingsmiddelen kunnen ook ongunstige uitwerkingen hebben op de teelt van planten. Het gebruik ervan kan risico’s en gevaren voor mens, dier en milieu inhouden, vooral wanneer zij zonder officieel te zijn getest en zonder officiële toelating op de markt worden gebracht of verkeerd worden gebruikt.

De verdachte heeft met zijn handelen het bovenstaande gevaar in het leven geroepen door niet toegelaten gewasbeschermingsmiddelen op de markt te brengen. Dit rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan, gelet op de grote risico’s voor mens, dier en milieu. Dit zijn dan ook ernstige strafbare feiten, waarop zal worden gereageerd met het opleggen van een gevangenisstraf.

Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf is in aanmerking genomen dat de verdachte blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 21 juli 2014 niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De rechtbank weegt bij het bepalen van de strafmaat ook mee dat uit het verhandelde ter terechtzitting en uit het dossier het beeld naar voren is gekomen dat de verdachte heeft gehandeld louter vanuit handelsmotieven. Hij heeft echter de complexe regelgeving waarmee gewasbeschermingsmiddelen zijn omgeven niet overzien, evenals risico’s die zijn verbonden aan de ongecontroleerde handel van gewasbeschermingsmiddelen. Toen hem duidelijk werd dat de activiteiten met de onderhavige gewasbeschermingsmiddelen verboden waren, is hij daarmee direct gestopt.

Gelet op het vorenoverwogene en nu er minder feiten bewezen zijn verklaard dan waarmee de officier van justitie bij zijn eis rekening heeft gehouden, wordt aanleiding gezien de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf aanzienlijk te matigen en deze geheel voorwaardelijk op te leggen. Met de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt beoogd een passende sanctie op te leggen op de normovertreding en de verdachte ervan te weerhouden om dergelijke strafbare feiten in de toekomst nogmaals te plegen.

Alles afwegend wordt na te noemen straf en maatregel passend en geboden geacht.

VORDERING GEVANGENNEMING

Nu slechts een voorwaardelijke gevangenisstaf wordt opgelegd wordt de vordering tot gevangenneming van de verdachte bij einduitspraak afgewezen.

IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN

Het standpunt van de verdediging:

De verdediging heeft - kort zakelijk weeggeven - bepleit de afwijzing van de gevorderde maatregel en de teruggave van de gewasbeschermingsmiddelen om deze terug te voeren naar het land van herkomst, indien nodig onder de voorwaarde dat de azoxystrobin op kosten van de verdachte wordt overgegoten in neutrale houders.

De beoordeling:

De in beslag genomen voorwerpen zoals vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen in bijlage III zullen worden onttrokken aan het verkeer.

Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet en het algemeen belang.

De bewezen feiten zijn met betrekking tot voornoemde voorwerpen begaan.

MAATREGEL

De rechtbank ziet zich geplaatst voor de vraag of de door de officier van justitie gevorderde maatregel opgelegd kan worden. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend op grond van de artikelen 8 en 10 van de Wet economische delicten (WED). Blijkens artikel 8 onder c WED kan de maatregel tot het opleggen van de verplichting tot tenietdoening van hetgeen wederrechtelijk is verricht worden opgelegd, waarbij ingevolge artikel 10 WED de rechter bij de oplegging van de maatregel alle bijzonderheden en de gevolgen daarvan regelt naar behoefte.

De hier vastgestelde wederrechtelijke verrichting is het op de markt brengen van niet-toegelaten gewasbeschermingsmiddelen. De tenietdoening is de vernietiging van die middelen. Nu deze eerder onder de verdachte inbeslaggenomen middelen worden onttrokken aan het verkeer en derhalve de verdachte hierover niet meer kan beschikken, zal de Staat zorgdragen voor vernietiging. De kosten daarvan zullen ingevolge artikel 8 WED voor rekening komen van de verdachte.

In totaal dient 22.000 liter aan gewasbeschermingsmiddelen vernietigd te worden. Dit is blijkens bijlagen 37, 38, 42 en 43 te herleiden tot een gewicht van 22.000 kilogram. De rechtbank volgt de in het requisitoir opgenomen berekening van de officier van justitie van

€ 2,-- per kilogram. Dit betekent dat de kosten van vernietiging voor de verdachte in totaal worden berekend op € 44.000,--.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd:[bedrijf 1], gevestigd te[adres], ter zake van het onder 2 tenlastegelegde feit.

De benadeelde partij vordert een bedrag van in totaal € 28.003,-- aan materiële schade, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 14 dagen na de datum van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening en verzoekt de schadevergoedingsmaatregel op te leggen voor deze schadepost.

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde feit.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [bedrijf 1],

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36c, 36d, 51 en 57, van het Wetboek van Strafrecht, artikel 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, artikel 1a, 2, 6, 8 en 10 van de Wet op de economische delicten en artikel 28 Verordening (EG) Nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad, zoals deze golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit 2 heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes (6) maanden;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaren, na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

wijst af de vordering tot gevangenneming van de verdachte bij einduitspraak.

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- verklaart onttrokken aan het verkeer: de inbeslaggenomen gewasbestrijdingsmiddelen vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers 1 en 2

legt de verdachte op de maatregel tot tenietdoening van hetgeen wederrechtelijk is verricht, inhoudende;

vernietiging van de inbeslaggenomen gewasbestrijdingsmiddelen vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers 1 en 2, wegens onttrekking uit te voeren door de Staat;

betaling door de verdachte aan de Staat van de kosten van de vernietiging van de inbeslaggenomen gewasbestrijdingsmiddelen vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers 1 en 2, berekend op een bedrag van € 44.000,-- (zegge: vierenveertig duizend euro);

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.C. Franken, voorzitter,

en mrs. M.V. Scheffers en J.L.M. Boek, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R. van Puffelen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 november 2014.

Bijlage I bij vonnis van 12 november 2014:

TEKST TENLASTELEGGING.

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

Feit 1 Op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen zonder toelating

(container HJCU 2191383)

dat [verdachte rechtspersoon] op of omstreeks 13 maart 2013, althans

in of omstreeks de periode van 13 tot en met 18 maart 2013 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk

een aanzienlijke hoeveelheid gewasbeschermingsmiddelen, te weten

400, althans een aantal jerrycans à 5 liter tebuconazole en/of

200, althans een aantal jerrycans à 5 liter imidacloprid en pencycuron en/of

600, althans een aantal jerrycans à 5 liter azoxystrobin en/of

1.200, althans een aantal jerrycans à 5 liter thiophanate-methyl en/of

1.000, althans een aantal flacons à 1 liter clopyralid en/of

400, althans een aantal jerrycans à 5 liter lambda-cyhalotrin,

op de markt heeft gebracht terwijl deze niet in Nederland als betrokken

lidstaat overeenkomstig de Verordening (EG) Nr. 1107/2009 van het Europees

Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen

van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG

en 91/414/EEG van de Raad waren of was toegelaten,

hebbende zij aldus gehandeld in strijd met artikelen 28, eerste lid van

verordening (EG) 1107/2009, welk economisch delict opzettelijk is begaan,

tot welk strafbaar feit verdacht opdracht heeft gegeven dan wel aan welke

verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven,

waarbij de begrippen 'gewasbeschermingsmiddelen' en 'op de markt brengen' zijn

gebruikt in de betekenis die zij hebben in verordening (EG) 1107/2009

(artikel 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, artikel 28 van

de Verordening (EG) 1107/2009, artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht en de

artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten)

art 20 lid 1 Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden

2.

Feit 2 Inbreuk op merken van[bedrijf 1]

dat [verdachte rechtspersoon] op of omstreeks 13 maart 2013, althans

in of omstreeks de periode van 13 tot en met 18 maart 2013 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

opzettelijk

waren, die zelf en/of op hun verpakking valselijk waren voorzien van merken of

een merk waarop een ander recht had, althans

waren, waarop en/of op de verpakking waarvan merken of een merk waarop een

ander recht had, waren of was nagebootst,

te weten 600 witte kunststof jerrycans van vijf liter met een groene dop

(zijnde een verpakkingsvormmerk) bevattende het gewasbeschermingsmiddel

azoxystrobin, welke jerrycans waren voorzien van een logo met het merk S-pac

(ingeschreven als Gemeenschapsmerk en internationaal merk met

inschrijvingsnummer [nummer]), op welke merken of op welk merk[bedrijf 1]

[adres],[adres] recht had,

uit China heeft ingevoerd en/of in voorraad heeft gehad,

welk misdrijf zij als bedrijf heeft uitgeoefend,

tot welk strafbaar feit verdacht opdracht heeft gegeven dan wel aan welke

verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;

(artikelen 51 en 337 van het Wetboek van Strafrecht)

art 337 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

3.

Feit 3 Op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen zonder toelating

(containers OOLU 178957 en OOLU 105881)

dat [verdachte rechtspersoon] op of omstreeks 8 maart 2013, althans in

of omstreeks de periode van 8 tot en met 15 maart 2013 te Rotterdam en/of te

Nieuwerkerk aan den IJssel tezamen en in vereniging met anderen of een ander,

althans alleen, opzettelijk

een aanzienlijke hoeveelheid gewasbeschermingsmiddelen, te weten

15.000 liter propiconazole en/of

4.000 liter fluroxypyr en/of

1.000 kilogram thiamethoxam en/of

2.000 liter propiconazole en cyproconazole en/of

4.000 liter clorypalid (bijlagen 41 en 62),

in ieder geval 1.400 althans een aantal jerrycans à 5 liter propiconazole,

op de markt heeft gebracht terwijl deze niet in Nederland als betrokken

lidstaat overeenkomstig de Verordening (EG) Nr. 1107/2009 van het Europees

Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen

van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG

en 91/414/EEG van de Raad waren of was toegelaten,

hebbende zij aldus gehandeld in strijd met artikelen 28, eerste lid van

verordening (EG) 1107/2009, welk economisch delict opzettelijk is begaan,

tot welk strafbaar feit verdacht opdracht heeft gegeven dan wel aan welke

verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven,

waarbij de begrippen 'gewasbeschermingsmiddelen' en 'op de markt brengen' zijn

gebruikt in de betekenis die zij hebben in verordening (EG) 1107/2009

(artikel 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, artikel 28 van

de Verordening (EG) 1107/2009, artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht en de

artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten);

art 20 lid 1 Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden