Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:9648

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-11-2014
Datum publicatie
27-11-2014
Zaaknummer
10/692137-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek Beker. Veroordeling voor het plegen van openlijk geweld tegen een lexaan(scheidings)wand in Stadion Feijenoord tijdens de KNVB bekerfinale op 20 april 2014. Veroordeling tot een (deels voorwaardelijke) taakstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/692137-14

Datum uitspraak: 19 november 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres:

[adres],

raadsman mr. C.J.J. Visser, advocaat te Amsterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 12 november 2014.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. M.E. Woudman heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis;

- oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel zoals bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende een gebieds- en stadionverbod met daaraan gekoppeld een meldplicht geldend tot 1 juli 2016 en dadelijk uitvoerbaar;

- als bijzondere voorwaarde bij de voorwaardelijke gevangenisstraf het binnen twee maanden na onherroepelijk worden van het vonnis betalen van een bedrag van € 3.400,-- aan AFC Ajax.

BEWIJS

Bewijsverweer

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, nu niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van geweld tegen de lexaan(scheidings)wand.

Beoordeling

Vooropgesteld wordt dat de verdachte heeft ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan het ten laste gelegde. Voor vaststelling van betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde is dan ook, gelet op de (overige) stukken in het dossier, herkenning van de verdachte op de videobeelden die tijdens en rondom het feit zijn gemaakt noodzakelijk.

In het dossier bevindt zich een proces-verbaal van bevindingen, genummerd 1405151123.AMB, waarin door de verbalisant wordt beschreven dat een persoon aangeduid als V20 (volgens de politie de verdachte), samen met V19, aan een scheidingswand hangt en daarbij deze wand heen en weer beweegt, waardoor de wand afbrak. Op de videobeelden - die ter zitting zijn bekeken en overigens deel uitmaken van het dossier - zijn de handelingen van V20 zoals die door de verbalisant in zijn proces-verbaal van bevindingen zijn beschreven waar te nemen. Op de beelden van camera 93 is te zien dat V20 en de persoon links van hem (aangeduid als V19) vanaf 18:05:31 uur de lexaanwand met twee handen beetpakken en vervolgens met kracht heen en weer bewegen, waarna om 18:05:34 te zien is dat de lexaanwand afbreekt. De rechtbank stelt vast dat, gezien het feit dat de lexaanwand afbreekt op het moment dat V20 en V19 de lexaanwand heen en weer bewegen, het handelen van V20 en V19 de oorzaak is geweest dat de lexaanwand is afgebroken.

Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat de persoon, aangeduid als V20, zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van geweld tegen de lexaanwand, ligt de (vervolg)vraag voor of V20 de verdachte betreft. Hierbij verdient opmerking dat de verdachte zich, tijdens zijn verhoor bij de politie op 29 juli 2014 op de afdrukken (stills) van de videobeelden met nummers V20.P129-19.40 en V20.P160-21.06 heeft herkend. Gelet hierop en gelet op het uiterlijk van de verdachte, zoals ter zitting waargenomen, vergeleken met de videobeelden, de zich in het dossier bevindende stills van de videobeelden en de locatie van de verdachte in het vak van het Feijenoordstadion, heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat de verdachte degene is die is aangeduid als V20. De verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan het plegen van openlijk geweld tegen de lexaanwand.

De verdachte heeft door het vernielen van de lexaanwand een wezenlijke en voldoende significante bijdrage geleverd aan het openlijke geweld, om tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde te komen. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

Conclusie

Wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde.

Bewijsmotivering en bewezenverklaring

Op grond van het voorgaande en de overige inhoud van de bewijsmiddelen (als bijlage II aan dit vonnis gehecht en daarvan deel uitmakend) is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 20 april 2014 te Rotterdam op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten in het Feijenoordstadion (‘De Kuip’), openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een lexaanwand, welk geweld bestond uit het gaan hangen aan die lexaanwand en met kracht heen en weer bewegen van die lexaanwand.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID FEIT

Het bewezen feit levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijk geweld. De verdachte is op 20 april 2014, tijdens de KNVB bekerfinale tussen PEC Zwolle en AFC Ajax, betrokken geweest bij ernstige ongeregeldheden in Stadion Feijenoord. De verdachte heeft, samen met een ander, een lexaan(scheidings)wand vernield door deze met kracht heen en weer te bewegen.

De verdachte heeft door zijn gewelddadig handelen gevoelens van onveiligheid opgewekt bij spelers, KNVB-officials en het publiek dat hier ongewild getuige van is geweest. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke gebeurtenissen nogal eens een beangstigende indruk maken op diegenen die daarvan slachtoffer of rechtstreeks getuige zijn. Ook zorgen dergelijke gebeurtenissen voor onrust in de samenleving.

Tegelijkertijd moet worden geconstateerd dat het aandeel van de verdachte in het geheel van de ongeregeldheden beperkt was en veel minder impact heeft gehad dan het gegooide vuurwerk op het veld van Stadion Feijenoord, waar een deel van verdachtes medeverdachten voor is gedagvaard. Daarnaast is de verdachte gezien zijn strafblad, gedateerd 15 oktober 2014, niet eerder met politie en justitie in aanraking gekomen; hij lijkt dan ook niet de typische harde kern voetbalvandaal. Om deze redenen zal aan de verdachte een lagere straf worden opgelegd dan door de officier van justitie is geëist.

De rechtbank acht het opleggen van een taakstraf passend en geboden. Een deel van deze straf zal voorwaardelijk worden opgelegd teneinde de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst (soortgelijke) strafbare feiten te plegen.

Voor het opleggen van de door de officier van justitie gevorderde stadionverbod met daaraan gekoppeld een meldplicht wordt, gelet op de beperkte impact dit het onderhavige feit heeft gehad, geen aanleiding gezien.

Daarnaast wordt de door de officier van justitie gevorderde maatregel van een gebiedsverbod niet opgelegd. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat de verdachte zich buiten het voetbalstadion eerder heeft misdragen of zal gaan misdragen, nu hij niet eerder in verband is gebracht met aan voetbal gerelateerd geweld.

De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat als bijzondere voorwaarde bij de voorwaardelijke straf een betalingsverplichting van € 3.400,-- ten behoeve van AFC Ajax wordt opgelegd. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

AFC Ajax heeft zich niet als benadeelde partij in het strafgeding gevoegd. De regels betreffende het slachtoffer, opgenomen in boek 1, titel IIIA van het Wetboek van Strafvordering, doen daarom geen opgeld. Door de vordering van AFC Ajax aan zich te trekken en deze simpelweg te verdelen over een aantal van de verdachten en deze te koppelen aan een voorwaardelijke straf worden genoemde regels - voor een groot deel - buitenspel gezet. De rechtbank zal hierin niet meegaan.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

bepaalt dat van deze taakstraf een gedeelte, groot 40 (veertig) uren niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, zich schuldig maakt aan enig strafbaar feit;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 38 (achtendertig) uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 19 dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. V. Mul, voorzitter,

en mrs. D.C. van Reekum en J. van den Bos, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. W.A.J.A. Welten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 november 2014.

Bijlage I bij vonnis van 19 november 2014.

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 20 april 2014 te Rotterdam op een voor het publiek

toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten

in het Feijenoordstadion (‘De Kuip’),

openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een lexaanwand, welk geweld

bestond uit het (meermalen) (gaan) hangen aan die lexaanwand en/of (met

kracht) heen en weer bewegen van die lexaanwand;

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht