Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:9642

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-11-2014
Datum publicatie
05-12-2014
Zaaknummer
2920874 CV EXPL 14-14719
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Cessie. Toepasselijk recht. Art. 14 Rome I-Verordening (Rome I-Vo).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

KANTONRECHTER ROTTERDAM

zaaknummer: 2920874 CV EXPL 14-14719

uitspraak: 28 november 2014

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de rechtspersoon naar buitenlands recht [eiser],

gevestigd te [woonplaats], Zweden

eiseres in conventie bij exploot van dagvaarding van 13 maart 2014,
verweerster in reconventie,

gemachtigde: A. Lodder (GGN Mastering Credit),

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,

gemachtigde: mr. G.A. Soebhag.


Eiseres in conventie/verweerster in reconventie zal hierna [eiser] genoemd worden en gedaagde in conventie/eiseres in reconventie [gedaagde].

1 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennis genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 13 maart 2014, met één productie;

  • -

    de conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie, met één productie;

  • -

    de conclusie van repliek in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie, met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie tevens conclusie van repliek in reconventie, met één productie;

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie, met één productie.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De vordering en het verweer in conventie

[eiser] heeft gevorderd bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen tot betaling van:
1. € 714,35, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 585,53 vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening;

2. de proceskosten.

[gedaagde] heeft de vordering betwist.

Op de stellingen van [eiser] respectievelijk [gedaagde] wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De vordering en het verweer in reconventie
[gedaagde] heeft gevorderd bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [eiser] te veroordelen tot betaling van:
1. € 242,69 dan wel € 826,49 althans een zodanig bedrag dat de kantonrechter in goede justitie vermeent te behoren;

2. de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf een datum waarvan de kantonrechter vermeent dat deze behoort.

[eiser] heeft deze vordering betwist.

Op de stellingen van [gedaagde] respectievelijk [eiser] wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling van de vordering

in conventie en in reconventie

4.1

Vanwege de buitenlandse vestigingsplaats van [eiser] heeft deze zaak een internationaal karakter. Daarom moet eerst de vraag beantwoord worden of de kantonrechter internationaal bevoegd is.

4.2

Zowel de vordering in conventie als de reconventionele vordering valt onder het materiële, het formele en het temporele toepassingsbereik van de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: EEX-Vo).

4.3

Aangezien [gedaagde], de gedaagde, woonachtig is in Nederland, is de Nederlandse rechter bevoegd om kennis te nemen van de vordering in conventie op grond van artikel 2 EEX-Vo. Verder is deze kantonrechter relatief bevoegd op grond van artikel 99 lid 1 Rv nu [gedaagde] woonplaats heeft binnen het rechtsgebied van de rechtbank van deze kantonrechter.

4.4

Omdat deze kantonrechter, zoals volgt uit rov. 4.3 hierboven, internationaal bevoegd is kennis te nemen van de vordering in conventie, is zij op grond van artikel 6, aanhef en onder 3, EEX-Vo eveneens internationaal bevoegd kennis te nemen van de reconventionele vordering.

voorts in conventie
4.5 Het primaire - en meest verstrekkende - verweer van [gedaagde] is dat de door [eiser] gestelde cessie niet rechtsgeldig is.

4.6

Volgens [eiser] heeft Essent haar vorderingen op [gedaagde] aan [eiser] gecedeerd. Derhalve is aan de orde een contractuele rechtsbetrekking waarbij partijen betrokken zijn, te weten onder meer Essent en [eiser], die niet beide in hetzelfde land gevestigd zijn. Dit doet de vraag rijzen welk recht van toepassing is op deze beweerdelijke contractuele rechtsverhouding tussen deze partijen.
Ter bepaling van het toepasselijke recht op cessie komt in aanmerking EU-verordening nr. 593/2008, oftewel de “Rome I-verordening” (hierna: Rome I-Vo), nu deze verordening niet alleen materieel maar ook formeel en temporeel van toepassing is.
Welk recht toepasselijk is op de betrekkingen tussen de cedent (de overdrager van de vordering) en de cessionaris (de verkrijger van de vordering) is geregeld in artikel 14 lid 1 Rome I-Vo - aangehaald voor zover relevant:

De betrekkingen tussen cedent en cessionaris […] worden beheerst door het recht dat ingevolge deze verordening op de tussen hen bestaande overeenkomst van toepassing is.

Aan de door [eiser] gestelde cessie door Essent aan [eiser] van de vorderingen op [gedaagde] wordt, zo volgt uit de stellingen van [eiser] (en de in het geding gebrachte producties, waaronder de akte van cessie (prod. 1 bij conclusie van repliek in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie)), ten grondslag gelegd een koopovereenkomst, namelijk een overeenkomst inzake de verkoop door Essent aan [eiser] van verscheidene vorderingen, waaronder de vorderingen op [gedaagde]. Een rechtskeuze in de zin van artikel 3 Rome I-Vo is gesteld noch gebleken. Uit het bepaalde in artikel 4 Rome I-Vo volgt dat in beginsel op deze koopovereenkomst van toepassing is het recht van het land waar de verkoper (zijnde de kenmerkende prestant) zijn gewone verblijfplaats heeft, derhalve in het onderhavige geval Nederlands recht. De in lid 3 van artikel 4 Rome I-Vo opgenomen uitzondering, inhoudende dat een ander recht van toepassing is indien uit alle omstandigheden blijkt dat de overeenkomst een ‘kennelijk nauwere band” heeft met een ander land, doet zich hier niet voor. Op grond van artikel 14 lid 1 Rome I-Vo juncto artikel 4 Rome I-Vo worden de betrekkingen tussen Essent als cedent en [eiser] als cessionaris derhalve beheerst door Nederlands recht.

4.7

De Nederlandse vereisten voor een cessie, een overdracht van een vordering op naam, zijn neergelegd in artikel 3:94 BW. Voor het onderhavige geval is van belang het eerste lid van dit artikel:

Buiten de in het vorige artikel geregelde gevallen worden tegen een of meer bepaalde personen uit te oefenen rechten geleverd door een daartoe bestemde akte, en mededeling daarvan aan die personen door de vervreemder of verkrijger.

Niet vereist is dat de hier genoemde akte een authentieke akte is; een onderhandse akte is voldoende.

4.8

[eiser] heeft een van 20 februari 2013 daterend stuk, dat de titel ‘AKTE VAN CESSIE tussen Essent Retail Energie B.V. en [eiser]’ draagt, als productie 1 bij conclusie van repliek in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie in het geding gebracht. Bij conclusie van dupliek in conventie tevens conclusie van repliek in reconventie heeft [gedaagde] betwist dat deze akte van cessie rechtsgeldig is, met als reden dat de vordering van Essent hierin niet voldoende bepaald zou zijn als bedoeld in artikel 3:94 lid 1 BW.
Ter onderbouwing van haar stelling dat de overdracht van de vorderingen van Essent op [gedaagde] is medegedeeld aan [gedaagde] beroept [eiser] zich op het in persoon betekende onderhavige dagvaardingsexploot alsmede op een brief van 28 maart 2013 van de gemachtigde van [eiser] aan [gedaagde], van welke brief [eiser] een fotokopie van een tekstuitdraai in het geding heeft gebracht als productie 2 bij conclusie van repliek in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie. [gedaagde] heeft op haar beurt bij conclusie van dupliek in conventie tevens conclusie van repliek in reconventie betwist dat zij deze brief heeft ontvangen, zodat, volgens haar, geen sprake is geweest van de in artikel 3:94 lid 1 BW vereiste mededeling.

4.9

Als gezegd, volgens [gedaagde] zou in genoemde akte van cessie de vordering op haar niet voldoende zijn bepaald. In dat verband voert [gedaagde] concreet het volgende aan (onder 5 van de conclusie van dupliek in conventie tevens conclusie van repliek in reconventie):

[gedaagde] stelt zich op het standpunt, dat de akte van cessie van 20 februari 2013 evident niet voldoende bepaald is. Sprekend voorbeeld daarvan is, dat in de desbetreffende akte veelvuldig wordt verwezen naar de mantelovereenkomst maar deze overeenkomst niet als bijlage aan de akte van cessie is toegevoegd. Men dient aldus maar te gissen naar de inhoud hiervan. Derhalve is het ook schier onmogelijk te bepalen welke vorderingen nu door Essent aan [eiser] zijn overgedragen en zijn de stellingen van [eiser] veel te algemeen. Een daarvoor geldend tijdsbestek en specificatie/toelichting van de vorderingen daarbij ontbreekt ook nog eens. Dat de beweerdelijke vordering van Essent op [gedaagde] aan [eiser] middels de akte d.d. 20 februari 2013 zou zijn overgedragen blijkt dan ook nergens uit.

4.10

In reactie hierop voert [eiser] in haar conclusie van dupliek in reconventie aan (a) dat de omstandigheid dat de mantelovereenkomst niet in de procedure is overgelegd of aan [gedaagde] is toegezonden de cessie niet ongeldig maakt omdat in de mantelovereenkomst slechts is vermeld dat [eiser] en Essent zijn overeengekomen dat [eiser] regelmatig vorderingen die Essent heeft op haar klanten zal kopen alsmede (b) dat bij de akte van cessie een overdrachtsbestand was bijgesloten, welk bestand niet bij conclusie van repliek in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie was overgelegd uit privacyoverwegingen maar dat in dit overdrachtsbestand staat welke vorderingen [eiser] van Essent heeft gekocht. Uit privacyoverwegingen heeft [eiser] bij haar genoemde conclusie van dupliek in reconventie het bestand in het geding gebracht dat betrekking heeft op de van Essent gekochte vordering op [gedaagde], uit welk bestand volgens [eiser] blijkt dat [eiser] onder andere drie door [gedaagde] niet betaalde voorschotnota’s heeft gekocht.

4.11

[gedaagde] heeft nog niet de gelegenheid gehad te reageren op hetgeen [eiser] heeft aangevoerd in haar conclusie van dupliek in reconventie als hiervoor in rov. 4.10 is uiteengezet. De zaak zal dan ook naar de rol worden verwezen teneinde [gedaagde] in de gelegenheid te stellen zich hierover bij akte uit te laten.

4.12

In ieder geval voor zover [gedaagde] een en ander bij deze akte ter rolle niet gemotiveerd betwist, moet nog de vraag beantwoord worden of de overdracht van de vorderingen van Essent op [gedaagde] rechtsgeldig is medegedeeld aan [gedaagde], een ander punt dat partijen verdeeld houdt.

4.13

Na de opsomming van de factuurnummers en de bijbehorende openstaande factuurbedragen stelt [eiser] in de dagvaarding met zoveel woorden dat Essent op of omstreeks 19 februari 2013 deze vordering gecedeerd heeft aan [eiser] en dat [gedaagde] in kennis is gesteld van deze cessie overeenkomstig artikel 3:94 BW. Kennelijk meende [eiser] dus dat de cessie al voorafgaande aan het uitbrengen van de dagvaarding was medegedeeld aan [gedaagde]. De kantonrechter ziet hierin aanleiding de betekening van de dagvaarding aan [gedaagde] in persoon niet te beschouwen als een mededeling van de cessie aan [gedaagde], zoals [eiser] thans betoogt, maar uitsluitend als een mededeling aan [gedaagde] dat de cessie aan haar al was medegedeeld voorafgaande aan deze betekening. In zoverre is dan ook niet voldaan aan het mededelingvereiste van artikel 3:94 BW.
In reactie op de betwisting door [gedaagde] van de ontvangst van voornoemde brief van 28 maart 2013 voert [eiser] bij conclusie van dupliek in reconventie aan dat het onaannemelijk is dat [gedaagde] deze brief niet heeft ontvangen. Immers, bij conclusie van repliek in conventie, zo gaat [eiser] verder, zijn kopieën van meerdere brieven van [gedaagde] overgelegd terwijl van geen van deze brieven, met uitzondering van genoemde brief van 28 maart 2013, [gedaagde] heeft gesteld dat zij ze niet had ontvangen.
Voor zover al juist zou zijn dat [gedaagde] door Essent niet behoorlijk in gebreke was gesteld voorafgaande aan de cessie, valt, anders dan [gedaagde] van mening is, niet in te zien waarom dit in de weg zou moeten staan aan de rechtsgeldigheid van de mededeling van de cessie overeenkomstig artikel 3:94 BW. In dit verband is namelijk niet vereist dat het om een opeisbare vordering gaat; ook een niet-opeisbare vordering kan worden gecedeerd.
Uit de als productie 2 bij conclusie van repliek in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie door [eiser] in het geding gebrachte tekst van deze brief van 28 maart 2013 volgt, naar het oordeel van de kantonrechter, dat de gecedeerde vordering van Essent op [gedaagde] voldoende is bepaald. Vraag is echter nog wél, als gezegd, of [gedaagde] deze brief heeft ontvangen.

4.14

[gedaagde] betwist niet, althans niet is in geschil, dat zij, [gedaagde], de andere brieven die [eiser] aan haar vordering ten grondslag legt en die aan [gedaagde] zijn gericht onder vermelding van hetzelfde adres heeft ontvangen. Het gaat hier om in totaal 21 brieven, namelijk 19 brieven van Essent, die dateren van de periode 9 mei 2011-26 december 2012, en twee brieven van (GGN namens) [eiser], die dateren van 24 september en 7 oktober 2013. Met [eiser] is de kantonrechter van oordeel dat het, gelet op de ontvangst door [gedaagde] van al deze brieven wel heel onaannemelijk is dat [gedaagde] nou juist die ene brief van 28 maart 2013 niet heeft ontvangen, temeer omdat deze brief dateert van een dag die gelegen is binnen de periode van 9 mei 2011 tot en met omstreeks 7 oktober 2013, waarin genoemde 21 andere brieven door Essent respectievelijk (GGN namens) [eiser] zijn gestuurd en vervolgens zijn ontvangen door [gedaagde]. Naar het oordeel van de kantonrechter is [eiser] dan ook vooralsnog geslaagd in haar bewijs dat [gedaagde] genoemde brief van 28 mei 2013 heeft ontvangen. [gedaagde] zal daarom worden toegelaten tot het tegenbewijs van het voorshands bewezen geachte feit dat zij de brief van 28 maart 2013 heeft ontvangen. Voor het leveren van tegenbewijs door [gedaagde] is voldoende dat zij dit vermoeden ontzenuwt: zij hoeft niet te bewijzen dat zij de brief niet heeft ontvangen. Indien [gedaagde] in dit tegenbewijs slaagt, dan is het aan [eiser] alsnog te bewijzen dat [gedaagde] de brief van 28 maart 2013 heeft ontvangen. In dit verband wijst de kantonrechter erop dat zij van [eiser] verlangt dat zij - om redenen van proceseconomie - het bewijs van haar stellingen in antwoord op het eventueel door [gedaagde] te leveren tegenbewijs in het geding brengt (bij conclusie na enquête dan wel in contra-enquête).

4.15

Met oog op het geval dat vast is komen te staan dat de vordering van Essent op [gedaagde] rechtsgeldig is gecedeerd aan [eiser] overweegt de kantonrechter als volgt.

4.16

De facturen waarop de onderhavige betalingsvordering van [eiser] betrekking heeft zijn de drie facturen met de volgende factuurnummers:

[factuur] d.d. 9 oktober 2012 (hierna: de oktober2012-factuur),
[factuur] d.d. 11 november 2012 (hierna: de november2012-factuur), en
[factuur] d.d. 9 december 2012 (hierna: de december2012-factuur).


Niet in geschil is dat met betrekking tot de oktober2012-factuur [gedaagde] ten hoogste een bedrag van € 105,53 verschuldigd, dat de november2012-factuur ziet op het standaard maandelijks verschuldigde voorschot van € 285,00 en dat in de december2012-factuur slechts een bedrag van € 195,00 is gefactureerd (wegens de opzegging door [gedaagde] van haar overeenkomst met Essent).

4.17

Als het meest verstrekkende deel van het subsidiaire verweer van [gedaagde] beschouwt de kantonrechter de volgende argumentatie van [gedaagde]. Zoals volgt uit de eindafrekening van Essent van 9 januari 2013 (prod. 1 van [gedaagde]) was destijds Essent en thans [eiser] [gedaagde] nog een bedrag verschuldigd van € 826,49. [gedaagde] doet een beroep op verrekening van het door [eiser] gevorderde bedrag van in totaal € 585,53 (=€ 105,53 (oktober2012-factuur) +
€ 285,00 (november2012-factuur) + € 195,00 (december2012-factuur)) met genoemd beweerdelijk door [eiser] verschuldigde bedrag van € 826,49). Ten aanzien van dit verrekeningsverweer overweegt de kantonrechter als volgt.

4.18

Niet in geschil is dat op genoemde eindafrekening van Essent onmiddellijk na vermelding van het door [gedaagde] “te ontvangen” bedrag van € 826,49 de volgende woorden zijn vermeld, waar [eiser] thans een beroep op doet ter afwering van het verrekeningsverweer van [gedaagde]:

Dit bedrag wordt op 23-01-2013 aan u terugbetaald en is exclusief achterstallige betalingen”.

Bij conclusie van repliek in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie stelt [eiser] dat deze woorden aldus moeten worden begrepen dat eerst indien alle voorschotnota’s door [gedaagde] zijn betaald, zij het hier aan de orde zijnde bedrag van € 826,49 krijgt terugbetaald. [gedaagde] heeft vervolgens bij conclusie van dupliek in conventie tevens conclusie van repliek in reconventie deze stelling van [eiser] niet (gemotiveerd) betwist, zodat zij is komen vast te staan. (Essent in de persoon van) [eiser] is derhalve eerst gehouden tot (terug)betaling van het bedrag van € 826,49 indien [gedaagde] de op 9 januari 2013 - de datum van de eindafrekening - achterstallige betalingen heeft betaald. Bij deze op 9 januari 2013 achterstallige betalingen gaat het, zo volgt uit de stellingen van [eiser], om genoemd bedrag van € 585,53, dat, als gezegd, uitsluitend betrekking heeft op (betaling van) de oktober2012-, de november2012- en de december2012-factuur. Het verrekeningsverweer van [gedaagde] faalt derhalve.

4.19

De vraag die de kantonrechter zich vervolgens stelt, is of [gedaagde] dit door [eiser] gevorderde factuurbedrag van € 585,53 op zichzelf genomen nog betwist, dus afgezien van genoemd verrekeningsverweer. Dit is naar het oordeel van de kantonrechter het geval. In dat verband wordt het volgende overwogen.

4.20

De stelling van [eiser] dat [gedaagde] de oktober2012-, de november2012- en de december2012-factuur niet heeft betaald is door [gedaagde] uiteindelijk niet meer (gemotiveerd) betwist, zodat deze stelling is komen vast te staan. [gedaagde], zo verstaat de kantonrechter haar standpunt, is echter van mening dat zij niet in verzuim verkeert omdat zij niet in gebreke zou zijn gesteld inzake haar verplichting tot betaling van deze facturen. Deze gedachtegang van [gedaagde] kan de kantonrechter niet volgen. Uit deze drie facturen, die [eiser] als productie 4 bij conclusie van repliek in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie in het geding heeft gebracht, is steeds uitdrukkelijk vermeld dat betaling van het desbetreffende gefactureerde voorschotbedrag vóór een bepaalde datum diende te geschieden - vóór 23 oktober 2012, vóór 24 november 2012 respectievelijk vóór 23 december 2012. Nog even daargelaten of [gedaagde] niet gewoon op de juiste wijze in gebreke is gesteld nadat zij weigerachtig bleef deze facturen binnen de opgedragen termijn te betalen, is het verzuim van [gedaagde] zonder ingebrekestelling ingetreden krachtens artikel 6:83, aanhef en onder a, BW (Het verzuim treedt zonder ingebrekestelling in [.] wanneer een voor de voldoening bepaalde termijn verstrijkt zonder dat de verbintenis is nagekomen, tenzij blijkt dat de termijn een andere strekking heeft.).

4.21

Ook het resterende, subsidiair gevoerde, verweer van [gedaagde] tegen de gevorderde hoofdsom faalt derhalve.

4.22

Op zichzelf genomen heeft [gedaagde] de verschuldigdheid van buitengerechtelijke kosten (uiteindelijk) en de gevorderde rente niet betwist. Voor zover, wegens het falen van het ‘cessieverweer’, de gevorderde hoofdsom wordt toegewezen, zal [gedaagde] dan dus ook veroordeeld worden tot betaling van een forfaitair bedrag van € 87,82 (= 15% x € 585,53) aan buitengerechtelijke kosten alsmede tot betaling van de gevorderde rente, waaronder de ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding reeds verschuldigde rente van € 22,55.

4.23

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

voorts in reconventie
4.24 Uit hetgeen hierboven is overwogen in conventie volgt dat, wat er ook zij van het primaire verweer van [gedaagde] inzake de ongeldigheid van de cessie, genoemd subsidiair gevoerd verrekennigsverweer van [gedaagde] in ieder geval faalt. Derhalve is niet voldaan aan de voorwaarde waaronder de vordering van [gedaagde] is ingesteld.

4.25

De vordering van [gedaagde] zal dan ook worden afgewezen.

4.26

Iedere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

De kantonrechter:

in conventie


laat [gedaagde] toe tot het tegenbewijs van het voorshands bewezen geachte feit dat zij de brief van 28 maart 2013 heeft ontvangen,

verwijst de zaak naar de rolzitting van deze rechtbank, team kanton, op:

donderdag 29 januari 2015 om 14.30 uur teneinde [gedaagde] in de gelegenheid te stellen zich uit te laten of zij dit tegenbewijs wenst te leveren en,

indien zij dit tegenbewijs schriftelijk wenst te leveren, dit dadelijk bij akte te doen en,

indien zij dit tegenbewijs wenst te leveren door het doen horen van getuigen, bij deze akte op te geven de namen van de voor te brengen getuigen met opgave van de verhinderdata van alle betrokkenen voor de maanden februari tot en met april 2015, zodat onmiddellijk ter zitting een datum voor het getuigenverhoor kan worden bepaald,

bepaalt dat eventuele getuigenverhoren zullen plaatsvinden in het gerechtsgebouw (gebouw B) aan het Wilhelminaplein 100 te Rotterdam ten overstaan van de hierna genoemde kantonrechter,

wijst [gedaagde] erop dat zij voor te brengen getuigen zelf dient op te roepen,

voor zover [gedaagde] schriftelijk tegenbewijs levert, zal [eiser] in de gelegenheid worden gesteld daarop bij akte te reageren,

bepaalt dat [eiser], indien zij getuigen in contra-enquête wil voorbrengen, bij de opgave van verhinderdata rekening moet houden met de in dat kader (vermoedelijk) te horen getuigen; voor contra-enquête zal een dag/dagen en uur worden gereserveerd na de voor het getuigenverhoor bepaalde dag en tijd,

bepaalt dat [gedaagde] na alle getuigenverhoren en uiterlijk op dezelfde datum als haar eventuele conclusie na enquête zich bij akte ter rolle zal dienen uit te laten over hetgeen [eiser] heeft aangevoerd in haar conclusie van dupliek in reconventie als hiervoor in rov. 4.10 is uiteengezet,

houdt iedere verdere beslissing aan,

in reconventie

houdt iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Sikkel en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

463/16744