Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:9591

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-11-2014
Datum publicatie
25-11-2014
Zaaknummer
C/10/442042 / HA ZA 14-41
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gelet op de arresten van de Hoge Raad van 12 januari 2002 (NJ 2002/371) en 13 juni 2003 (NJ 2004/196) geldt tussen de potentiële rechthebbenden op een bedrag dat is gestort op de rekening van een stichting derdengelden van een advocatenkantoor een gemeenschap als bedoeld in artikel 3:166 BW die het recht op uitkering van het gestorte bedrag omvat. Dat brengt mee dat ingevolge artikel 3:178 lid 1 BW ieder der deelgenoten te allen tijde verdeling kan vorderen en dat recht dus niet aan verjaring onderhevig is. De stichting derdengelden heeft het op haar rekening gestorte bedrag betaald aan een pandhouder, terwijl op dat moment nog niet was voldaan aan de voorwaarden voor uitbetaling. De stichting derdengelden wordt veroordeeld het gestorte bedrag alsnog aan de uiteindelijke rechthebbende te betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/442042 / HA ZA 14-41

Vonnis van 19 november 2014

in de zaak van

1 DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/OOST-BRABANT,

gevestigd te Eindhoven,

2. DE STAAT DER NEDERLANDEN

(Ministerie van Financiën),

gevestigd te ’s-Gravenhage,

eisers,

advocaat mr. M.H. de Boer te Amsterdam,

tegen

de stichting

STICHTING BEHEER DERDENGELDEN ADVOCATUUR NAUTA DUTILH,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. J.D. Loorbach te Rotterdam.

Partijen zullen hierna de Ontvanger, de Staat en de Stichting genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 12 maart 2014 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

  • -

    de bij faxbericht van 15 mei 2014 door mr. De Boer toegezonden productie 20;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 27 mei 2014;

  • -

    de ter zitting door mr. De Boer overgelegde aantekeningen;

  • -

    het faxbericht van mr. De Boer van 12 juni 2014, waarin een opmerking over het proces-verbaal is gemaakt;

  • -

    de akte van de zijde van de Stichting, met één productie;

  • -

    de antwoordakte van de zijde van de Ontvanger en de Staat.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast.

2.1.

Op 4 september 1996 heeft de Ontvanger aan de heer [betrokkene] (verder: [betrokkene]) een voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekering 1996 opgelegd ten bedrage van NLG 481.536,00. Op diezelfde dag is daarvoor een dwangbevel uitgevaardigd en aan [betrokkene] betekend.

2.2.

De Ontvanger heeft op 10 oktober 1997 ten laste van [betrokkene] executoriaal derdenbeslag gelegd onder de Rabobank op een bedrag van NLG 136.547,55. Dat bedrag is op 20 april 1998 door de Ontvanger uitgewonnen.

2.3.

Bij dagvaarding in kort geding van 18 maart 1999 heeft [betrokkene] (onder meer) gevorderd de Ontvanger te veroordelen tot terugbetaling van het uitgewonnen bedrag en tot opheffing van het onder de Rabobank gelegde beslag. Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 29 april 1999 heeft de president van de Rechtbank ’s-Hertogenbosch die vorderingen toegewezen, omdat het dwangbevel naar het oordeel van de president door een onbevoegde ambtenaar was uitgevaardigd en het beslag daarom nietig was. Op 11 mei 1999 heeft de Ontvanger hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 29 april 1999.

2.4.

Op 11 mei 1999 heeft [betrokkene] ten laste van de Ontvanger en de Staat executoriaal derdenbeslag onder de Postbank en de Nederlandsche Bank gelegd.

2.5.

Op 30 juni 1999 is tussen [betrokkene] als pandgever en de heer [betrokkene2] (verder: [betrokkene2]) als pandnemer een akte tot stille verpanding overeengekomen. In de akte, die op 2 juli 1999 is geregistreerd, is onder meer het volgende vermeld:

De Pandgever geeft hierbij in eerste stil pand, welke stille inpandgeving de Pandnemer hierbij verklaart aan te nemen, de vordering(en) welke hij nu heeft of te eniger tijd zal verkrijgen op de Staat der Nederlanden, in het bijzonder de Ontvanger (…), tot restitutie van de door de Ontvanger onrechtmatig jegens de Pandgever verkregen bedragen te vermeerderen met de hierover belopen wettelijke rente, welke onderwerp van geschil zijn geweest in de kort geding procedure voor de President van de arrondissementsrechtbank te ’s-Hertogenbosch (…).

2.6.

Op 12 juli 1999 heeft de Ontvanger ten laste van [betrokkene] conservatoir eigenbeslag gelegd op het bedrag van NLG 136.547,55 dat de Ontvanger ingevolge het hiervoor onder 2.3 bedoelde vonnis aan [betrokkene] verschuldigd was. Bij dagvaarding van 26 juli 1999 heeft de Ontvanger de eis in de hoofdzaak ingesteld.

2.7.

Op 16 juli 1999 en 5 augustus 1999 heeft [betrokkene] ten laste van de Ontvanger en de Staat executoriaal beslag gelegd onder de Dienst der Domeinen.

2.8.

Op 28 juli 1999 heeft het Landelijk instituut sociale verzekeringen (verder: het Lisv) ten laste van [betrokkene] conservatoir derdenbeslag gelegd onder de Ontvanger op al hetgeen de Ontvanger aan [betrokkene] verschuldigd is of zal worden. Op 6 augustus 1999 is dit conservatoir derdenbeslag overgegaan in een executoriaal derdenbeslag.

2.9.

Bij dagvaarding in kort geding van 6 augustus 1999 hebben de Ontvanger en de Staat (onder meer en primair) opheffing gevorderd van de door [betrokkene] gelegde executoriale beslagen. Op 9 augustus 1999 heeft een zitting plaatsgevonden voor de president van de Rechtbank ’s-Hertogenbosch. Uit het proces-verbaal van die zitting blijkt dat partijen het volgende zijn overeengekomen:

1) Eisers (dat wil zeggen: de Staat en/of de Ontvanger) betalen zo spoedig mogelijk een bedrag van f 165.000,-- op de rekening van Stichting Beheer Derdengelden Advocatuur Nauta Dutilh.

2) Gelet op deze verplichting van eisers vindt de veiling op 10 augustus 1999 in opdracht van de Dienst der Domeinen doorgang.

3) Na ontvangst van het onder 1) vermelde bedrag op de daar vermelde rekening heft [betrokkene] alle executoriale beslagen (ingevolge de kortgedingvonnissen van 29 april 1999 en 8 juli 1999) terstond op en ziet hij af van verdere executiemaatregelen terzake.

4) De behandeling van het kort geding wordt voortgezet op maandag 30 augustus 1999 (…). Na eiswijziging zal aan de president (…) (1) de vraag worden voorgelegd of het de onder 1) genoemde stichting vrij staat het onder haar berustende bedrag of een deel daarvan terstond en onvoorwaardelijk door te betalen aan [betrokkene], en (2) de vraag wat er met deze gelden moet gebeuren indien die stichting die vrijheid niet heeft.

Conform deze afspraken heeft de Ontvanger op 10 augustus 1999 een bedrag van NLG 165.000,00 (het uitgewonnen bedrag vermeerderd met rente en kosten) gestort op de rekening van de Stichting.

2.10.

De gewijzigde vordering van de Ontvanger en de Staat in de op 6 augustus 1999 aanhangig gemaakte procedure in kort geding strekte er primair toe dat het bedrag van NLG 165.000,00 aan de Ontvanger zou worden terugbetaald. Subsidiair vorderden de Ontvanger en de Staat dat de Stichting voornoemd bedrag onder zich zou houden zolang het door de Ontvanger onder zichzelf of het door het Lisv onder de Ontvanger gelegde beslag niet zou zijn opgeheven of geëindigd en totdat bij in kracht van gewijsde gegane uitspraak zou zijn beslist over de op 18 maart 1999 door [betrokkene] tegen de Ontvanger ingestelde vordering. De zitting van 9 augustus 1999 is voortgezet op 30 augustus 1999. Op 16 september 1999 heeft de president van de Rechtbank ’s-Hertogenbosch vonnis gewezen. Daarin is als volgt beslist:

De president:

bepaalt dat het door de Ontvanger onder de Stichting Beheer Derdengelden Advocatuur Nauta Dutilh gestorte bedrag van f 165.000,--, vermeerderd met de daarop gekweekte en te kweken rente, onder deze stichting blijft berusten totdat zich een van de dienaangaande in onderdeel 4.11 omschreven gevallen voordoet; (…)

In overweging 4.11 van het vonnis is het volgende vermeld:

De slotsom is dat het derdenbeslag van het Lisv eraan in de weg staat dat het bedrag van f 165.000,- dat thans onder de Stichting berust, aan [betrokkene] wordt doorbetaald. Het verdient de voorkeur dat het daar gedeponeerd blijft totdat partijen een minnelijke regeling hebben getroffen of in een bodemprocedure (dan wel in het hoger beroep van het vonnis van 29 april 1999) definitief, of ten minste in een voor directe tenuitvoerlegging vatbare vorm, een zodanige beslissing is gevallen dat duidelijk is aan wie het bedrag moet worden terug- dan wel doorbetaald. Bepaald zal worden het bedrag, met rente, tot zolang onder de Stichting moet blijven berusten. Onder “rente” is hierbij te verstaan de rente die feitelijk op de desbetreffende rekening is gekweekt of wordt gekweekt. Het op dit punt door [betrokkene] gevoerde verweer wordt verworpen. Weliswaar is in het gedeponeerde bedrag van f 165.000,- alle rente enz. over de hoofdsom verdisconteerd, maar als later mocht komen vast te staan dat de Ontvanger en de Staat dit bedrag ten onrechte hebben gedeponeerd, komt hun -en niet [betrokkene]- vervolgens de daarop gekweekte rente toe.

2.11.

In de brief die op 12 oktober 1999 namens de Ontvanger aan de Stichting is verzonden is onder meer het volgende vermeld:

Bij brief van 7 oktober 1999 heeft [betrokkene3] (…) de Ontvanger meegedeeld dat de heer [betrokkene] bij akte van 30 juni 1999, geregistreerd op 21 juli 1999, tot zekerheid van al hetgeen de heer M.F.Th. [betrokkene2] (…) van hem te vorderen heeft, een stil pandrecht heeft gegeven op de vordering(en) die hij ([betrokkene]) toen had of te eniger tijd zou verkrijgen op de Staat der Nederlanden, meer in het bijzonder op de Ontvanger (…).

[betrokkene3] verzoekt de Ontvanger om onmiddellijk alle medewerking te verlenen aan uitbetaling door de Stichting Beheer Derdengelden Advocatuur Nauta Dutilh aan de heer [betrokkene2] van al hetgeen zij ter zake van de verpande vordering onder zich heeft.

(…) Hierdoor bericht ik u dat de Ontvanger niet bereid is aan het verzoek van[betrokkene3] te voldoen en dat hij van oordeel is dat het de Stichting niet vrij staat om (een gedeelte van) het door de Ontvanger op haar rekening gestorte bedrag uit te betalen totdat aan de door de President in zijn vonnis van 16 september 1999 gestelde voorwaarden is voldaan.

Ik ga ervan uit dat u hoe dan ook niet tot betaling van (een gedeelte van) het onder u rustende bedrag zult overgaan zonder de uitdrukkelijke instemming van de Ontvanger.

2.12.

Bij brief van 21 december 1999 heeft de advocaat van [betrokkene2] de Stichting verzocht over te gaan tot betaling van het bedrag van NLG 165.000,00.

2.13.

Op 30 maart 2000 heeft [betrokkene2] een verklaring van vrijwaring ondertekend. Daarin is onder meer het volgende vermeld:

in aanmerking nemende:

(…) dat na openbaarmaking van het pandrecht de Stichting bij brief van 21 december 1999 zijdens ondergetekende is gesommeerd tot uitbetaling aan ondergetekende van voornoemd bedrag (rechtbank: NLG 165.000,00) over te gaan;

dat de Stichting aan ondergetekende tot betaling van voornoemd bedrag zal over gaan onder vrijwaring van de Stichting door ondergetekende;

verklaart:

de Stichting te vrijwaren voor alle vorderingen van de Ontvanger en/of het Landelijk instituut sociale verzekeringen c.q. hun rechtsopvolgers ter zake van haar betaling van voornoemd bedrag aan ondergetekende, en verbindt zich op eerste schriftelijk verzoek van de Stichting aan deze te zullen betalen hetgeen deze verklaart ter zake van enige vordering van de Ontvanger en/of het Landelijk instituut sociale verzekeringen te vorderen te hebben.

2.14.

Bij arrest van 30 mei 2000 heeft het Hof ’s-Hertogenbosch het vonnis in kort geding van 29 april 1999 (zie hiervoor onder 2.3) vernietigd en de vorderingen van [betrokkene] tot terugbetaling door de Ontvanger van het uitgewonnen bedrag van NLG 136.547,55 en tot opheffing van het onder de Rabobank gelegde beslag alsnog afgewezen. [betrokkene] heeft tegen dit arrest cassatieberoep ingesteld. Bij arrest van 18 oktober 2002 heeft de Hoge Raad dat beroep verworpen.

2.15.

Bij vonnis van 15 maart 2002 heeft de Rechtbank ’s-Hertogenbosch de door de Ontvanger gevorderde verklaring voor recht dat het hem vrijstond conservatoir eigenbeslag te leggen op de vordering van [betrokkene] op de Ontvanger voortvloeiende uit het vonnis van 29 april 1999 (zie hiervoor onder 2.6) toegewezen. In hoger beroep heeft het Hof ’s-Hertogenbosch dat vonnis bij arrest van 28 augustus 2007 vernietigd en de vordering van de Ontvanger afgewezen. Bij arrest van 27 november 2009 heeft de Hoge Raad het arrest van het Hof vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het Hof Arnhem.

2.16.

In de fiscale procedure over de juistheid en rechtmatigheid van de definitieve aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekering 1996, die NLG 615.885,00 bedraagt, heeft de Hoge Raad bij arrest van 27 april 2012 het cassatieberoep van [betrokkene] verworpen.

2.17.

Bij brieven van 6 juni 2012, 22 november 2012 en 25 april 2013 heeft de Ontvanger de Stichting verzocht het op 10 augustus 1999 betaalde bedrag van NLG 165.000,00, vermeerderd met de daarop gekweekte rente sinds de datum van storting, aan de Ontvanger uit te betalen. De Stichting heeft dat geweigerd.

3 Het geschil

3.1.

De Ontvanger en de Staat hebben - samengevat weergegeven - gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de Stichting te veroordelen tot betaling van € 74.873,73, te vermeerderen met de daarover gekweekte rente daarover vanaf 10 augustus 1999 tot 1 juli 2012 en met de wettelijke handelsrente vanaf 1 juli 2012 tot de dag van voldoening, met veroordeling van de Stichting in de kosten van de procedure.

3.2.

De Stichting heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering en geconcludeerd tot afwijzing ervan, met veroordeling van de Ontvanger en de Staat in de kosten van de procedure.

3.3.

Op de stellingen van partijen zal, voor zover van belang, hierna worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze procedure - kort gezegd - om de vraag of de Stichting gehouden is het bedrag van NLG 165.000,00, omgerekend € 74.873,73, dat op 10 augustus 1999 door de Ontvanger op haar (derdengelden)rekening is gestort, aan de Ontvanger of de Staat (terug) te betalen. De Stichting heeft gesteld dat zij voornoemd bedrag in of omstreeks maart 2000 heeft betaald aan pandhouder [betrokkene2], nadat deze de Stichting had gesommeerd om tot uitbetaling over te gaan. Hoewel de Ontvanger en de Staat deze betaling aanvankelijk bij gebrek aan wetenschap hebben betwist, zijn zij daarop niet teruggekomen nadat de Stichting in haar akte na comparitie nader heeft toegelicht dat het bedrag daadwerkelijk aan [betrokkene2] is betaald. De rechtbank gaat daarom uit van het bestaan van die betaling. Dat brengt mee dat de rechtbank er tevens vanuit gaat dat het bedrag van NLG 165.000,00/ € 74.873,73 zich niet meer op de rekening van de Stichting bevindt.

4.2.

De Stichting heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de Ontvanger en de Staat - zo van het bestaan en de juistheid daarvan zou moeten worden uitgegaan - is verjaard. Daartoe heeft de Stichting aangevoerd dat de verjaringstermijn is gaan lopen op 18 oktober 2002 (de dag waarop de Hoge Raad het hiervoor onder 2.14 bedoelde arrest heeft gewezen). Op dat moment is definitief beslist over de rechtmatigheid van de uitwinning door de Ontvanger van het bedrag van NLG 136.547,55 op 20 april 1998 (zie hiervoor onder 2.2) en over het lot van de executoriale titel van [betrokkene] van 29 april 1999 (zie hiervoor onder 2.3). De Ontvanger kwam daarmee te beschikken over een vordering tot terugbetaling van het op de rekening van de Stichting gestorte bedrag. Die vordering is ingevolge artikel 3:307 lid 1 BW onderworpen aan een verjaringstermijn van vijf jaar. De vordering is dus verjaard op 18 oktober 2007, aldus de Stichting.

4.3.

De Ontvanger en de Staat hebben gemotiveerd weersproken dat hun vordering verjaard is. Zij hebben daartoe - primair - aangevoerd dat de vordering niet aan verjaring onderhevig is. Tussen de rechthebbenden op het bedrag van NLG 165.000,00 dat op de rekening van de Stichting is gestort geldt een gemeenschap als bedoeld in artikel 3:166 lid 1 BW, aldus de Ontvanger en de Staat. Artikel 3:178 lid 1 BW bepaalt dat ieder der deelgenoten te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed kan vorderen. Dit houdt in dat een vordering tot verdeling niet aan verjaring onderhevig is. De Stichting heeft de stellingen van de Ontvanger en de Staat op dit punt gemotiveerd betwist.

4.4.

Bij de beoordeling van dit geschilpunt stelt de rechtbank het volgende voorop. In artikel 25 van de Wet op het Notarisambt is een regeling getroffen voor de algemene notariële kwaliteitsrekening, waarbij de notaris als lasthebber van de gerechtigden tegenover de kredietinstelling bij uitsluiting bevoegd is tot het beheer en de beschikking over de bijzondere rekening. Rechthebbenden op het saldo van de bijzondere rekening zijn degenen ten behoeve van wie gelden op die rekening zijn bijgeschreven, onder de voorwaarden die in hun onderlinge verhouding nader gelden. Tussen deze rechthebbenden geldt met betrekking tot die gelden een gemeenschap als bedoeld in artikel 3:166 lid 1 BW. In het arrest van 12 januari 2002 (NJ 2002/371) heeft de Hoge Raad, naar analogie van de in artikel 25 Wet op het notarisambt neergelegde regeling, aangenomen dat ook voor een niet onder die regeling vallende bijzondere notariële kwaliteitsrekening geldt dat de gezamenlijke rechthebbenden deelgenoot zijn in een gemeenschap als bedoeld in artikel 3:166 lid 1 BW. In het arrest van 13 juni 2003 (NJ 2004/196) heeft de Hoge Raad bepaald dat overeenkomstige toepassing van de regeling opgenomen in artikel 25 Wet op het notarisambt (en artikel 19 Gerechtsdeurwaarderswet) op de door advocaten en accountants met het oog op het ontvangen van voor derden bestemde gelden aangehouden rekeningen mogelijk is, als passend binnen het stelsel van de wet en aansluitend bij de wel in de wet geregelde gevallen. Advocaten zijn krachtens de Boekhoudverordening 1998 (thans de Verordening op de administratie en de financiële integriteit) verplicht zo’n rekening te doen houden door een daartoe opgerichte stichting. De Hoge Raad heeft toegelicht dat de beroepsgroepen van advocaten en accountants in een, wat derdengelden betreft, vergelijkbare vertrouwenspositie verkeren als de beroepsgroepen van notarissen en gerechtsdeurwaarders.

4.5.

In het onderhavige geval is sprake van een storting op een rekening van de stichting derdengelden van een advocatenkantoor als bedoeld in voormeld arrest van 13 juni 2003. Gelet op de hiervoor weergegeven jurisprudentie gaat de rechtbank er vanuit dat ook in het onderhavige geval de rechthebbenden op het bedrag dat op 10 augustus 1999 op de rekening van de Stichting is gestort hebben te gelden als deelgenoten in een gemeenschap die het recht op uitkering van het gestorte bedrag omvat. Dat brengt mee dat ingevolge artikel 3:178 lid 1 BW (en, naar analogie, artikel 25 lid 4 Wet op het Notarisambt) ieder der deelgenoten te allen tijde verdeling kan vorderen en dat recht dus niet aan verjaring onderhevig is.

4.6.

Uit de arresten van de Hoge Raad blijkt dat ook sprake kan zijn van een gemeenschap ingeval van twee potentieel rechthebbenden met ieder een voorwaardelijk recht op hetzelfde bedrag (zoals ook in de onderhavige situatie het geval is). Voor zover de Stichting anders heeft bepleit, gaat dat dus niet op. Datzelfde geldt voor het standpunt van de Stichting dat van een gemeenschap in ieder geval met ingang van 18 oktober 2002 geen sprake meer was, omdat de Ontvanger vanaf dat moment de enige rechthebbende was. Een gemeenschap eindigt immers eerst door verdeling ervan, gevolgd door levering van het toegedeelde (artikel 3:186 BW). De rechtbank volgt de Stichting evenmin in haar stelling dat voldoende analogie met het systeem van de notaris-kwaliteitsrekening ontbreekt, nu de Hoge Raad daarover in het arrest van 13 juni 2013 anders heeft geoordeeld. De Stichting heeft in dit kader ten slotte aangevoerd dat het “te allen tijde”-principe alleen geldt tussen de deelnemers aan een gemeenschap en niet tegen de debiteur van een in die gemeenschap verblijvende vordering. Deze opvatting kan, als strijdig met de strekking van de wet, niet als juist worden aanvaard.

4.7.

Conclusie van het voorgaande is dat het verjaringsverweer van de Stichting niet slaagt. Aldus wordt toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil tussen partijen. Voor een goed begrip van het inhoudelijke geschil stelt de rechtbank voorop dat het daarbij - verkort weergegeven - om de volgende (meest) relevante feiten gaat:

  • -

    Naar aanleiding van een aan [betrokkene] opgelegde voorlopige belastingaanslag heeft de Ontvanger ten laste van [betrokkene] executoriaal beslag gelegd onder de Rabobank en een bedrag van NLG 136.547,55 uitgewonnen.

  • -

    Bij vonnis in kort geding van 29 april 1999 heeft de president van de Rechtbank ’s-Hertogenbosch de Ontvanger veroordeeld voornoemd bedrag aan [betrokkene] terug te betalen. De Ontvanger heeft hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis.

  • -

    [betrokkene] heeft vervolgens diverse beslagen gelegd ten laste van de Ontvanger en de Staat.

  • -

    Op 30 juni 1999 heeft [betrokkene] de vorderingen op de Ontvanger en de Staat die hij “nu heeft of te eniger tijd zal verkrijgen” verpand aan [betrokkene2].

  • -

    Op 12 juli 1999 heeft de Ontvanger ten laste van [betrokkene] conservatoir eigenbeslag gelegd op het bedrag van NLG 136.547,55 dat de Ontvanger ingevolge het vonnis van 29 april 1999 aan [betrokkene] verschuldigd was.

  • -

    Op 28 juli 1999 heeft het Lisv ten laste van [betrokkene] conservatoir derdenbeslag gelegd onder de Ontvanger op al hetgeen de Ontvanger aan [betrokkene] verschuldigd is of zal worden.

  • -

    Op 6 augustus 1999 heeft de Ontvanger in kort geding opheffing van de door [betrokkene] gelegde beslagen gevorderd. Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat de Ontvanger een bedrag van NLG 165.000,00 zal betalen op de rekening van de Stichting. Die betaling heeft op 10 augustus 1999 plaatsgevonden.

  • -

    Bij vonnis van 16 september 1999 heeft de president van de Rechtbank ’s-Hertogenbosch beslist dat voornoemd bedrag onder de Stichting blijft berusten totdat “zich een van de dienaangaande in onderdeel 4.11 omschreven gevallen voordoet” (zie hiervoor onder 2.10 voor een weergave van onderdeel 4.11).

  • -

    In of omstreeks maart 2000 heeft de Stichting het bedrag van NLG 165.000,00 betaald aan [betrokkene2].

  • -

    Bij arrest van 30 mei 2000 heeft het Hof ’s-Hertogenbosch het vonnis van 29 april 1999 vernietigd. Het cassatieberoep van [betrokkene] is door de Hoge Raad bij arrest van 18 oktober 2002 verworpen.

  • -

    Met het arrest van de Hoge Raad van 27 april 2012 is de juistheid van de definitieve aan [betrokkene] opgelegde belastingaanslag, die NLG 615.885,00 bedraagt, vastgesteld. De Ontvanger heeft vervolgens aanspraak gemaakt op (terug)betaling door de Stichting van het op 10 augustus 1999 gestorte bedrag.

4.8.

De Stichting heeft weersproken het bedrag van NLG 165.000,00/€ 74.873,73 aan de Ontvanger en/of de Staat verschuldigd te zijn. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de storting van voornoemd bedrag op haar rekening nooit heeft geleid tot enige (voorwaardelijke) aanspraak van de Ontvanger en/of de Staat op de Stichting tot uitbetaling van dat bedrag. Ten tijde van de storting van het bedrag had de Ontvanger een betalingsplicht jegens [betrokkene] op grond van het vonnis van 29 april 1999. Doel van de storting was niet om de Ontvanger betalingszekerheid te bieden voor het geval hij ooit tegen [betrokkene] in een bodemprocedure alsnog zijn gelijk zou kunnen halen in het geschil over de belastingclaim waarvoor naar het voorlopig rechterlijk oordeel van 29 april 1999 onrechtmatig was geëxecuteerd. Uitgangspunt was dat het uitgewonnen bedrag moest worden terugbetaald aan [betrokkene]. Dat was echter niet mogelijk, omdat het Lisv derdenbeslag had gelegd onder de Ontvanger voor een vordering op [betrokkene]. Uitsluitend die complicatie stond aan terugbetaling aan [betrokkene] in de weg. Daarom is voor de constructie van de storting op de derdengeldenrekening gekozen. Op het gestorte bedrag hadden dus slechts twee partijen een voorwaardelijke aanspraak: [betrokkene] en het Lisv. Toen naderhand moest worden vastgesteld dat het beslag van het Lisv van lagere orde/geringere kracht was dan het (oudere) pandrecht van [betrokkene2], bleef [betrokkene2] als onvoorwaardelijk geworden enige gerechtigde tot uitbetaling over. Er is dan ook kwijtend betaald aan [betrokkene2], aldus de Stichting. De Ontvanger en de Staat hebben dit verweer van de Stichting gemotiveerd weersproken.

4.9.

Bij de beantwoording van de vraag of de Stichting het op haar rekening gestorte bedrag op goede gronden aan [betrokkene2] heeft betaald, komt het aan op de uitleg van het vonnis van 16 september 1999. In dat vonnis is immers bepaald tot welk moment de Stichting het bedrag onder zich moest houden. Naar het oordeel van de rechtbank kan het vonnis niet anders worden uitgelegd dan dat daarin tevens rekening is gehouden met een mogelijke aanspraak van de Ontvanger en/of de Staat op het gestorte bedrag. Volgens het vonnis moest het gestorte bedrag onder de Stichting blijven berusten totdat zich één van de volgende in overweging 4.11 genoemde gevallen zou voordoen:

  1. een minnelijke regeling tussen partijen, of

  2. een zodanige beslissing in een bodemprocedure (of in het hoger beroep van het vonnis van 29 april 1999) dat duidelijk zou zijn aan wie het bedrag moet worden terug- dan wel doorbetaald.

Partijen in de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 16 september 1999 zijn enerzijds de Ontvanger en de Staat als eisers en anderzijds [betrokkene] als gedaagde. Met een minnelijke regeling tussen deze partijen zal de president van de rechtbank ’s-Hertogenbosch hebben gedoeld op het geschil over de vraag of het door de Ontvanger uitgewonnen bedrag aan [betrokkene] moest worden terugbetaald. Dat sluit ook aan bij het hiervoor onder b) genoemde tweede geval, waarbij expliciet wordt benoemd dat het gaat om duidelijkheid over de vraag aan wie het bedrag toekomt. Daarbij gaat het om het op de rekening van de Stichting gestorte bedrag, maar dat bedrag betreft het door de Ontvanger ten laste van [betrokkene] uitgewonnen bedrag (vermeerderd met rente en kosten). Ook de verwijzing naar het door de Ontvanger ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van 29 april 1999 en het woord “terugbetalen” duiden erop dat een mogelijke aanspraak van de Ontvanger en/of de Staat op het gestorte bedrag door de president in zijn overwegingen is meegenomen. In het slot van overweging 4.11 is de mogelijkheid dat het bedrag ten onrechte door de Ontvanger is gedeponeerd nog eens expliciet vermeld. Deze uitleg van het vonnis van 16 september 1999 is ook te rijmen met de aan dat vonnis ten grondslag liggende (gewijzigde) vordering, die hiervoor onder 2.10 is weergegeven. Al met al ligt het niet voor de hand dat de president voor ogen had dat uitsluitend [betrokkene] en het Lisv de mogelijke rechthebbenden op het gestorte bedrag waren. De rechtbank gaat er vanuit dat in het vonnis is bedoeld dat het geld onder de Stichting moest blijven tot duidelijk zou zijn of het aan [betrokkene] (of, in dat geval, het Lisv) of aan de Ontvanger en/of de Staat toekwam.

4.10.

Aan het voorgaande doet, anders dan de Stichting heeft betoogd, niet af dat in het vonnis is overwogen dat (uitsluitend) het derdenbeslag van het Lisv eraan in de weg stond dat het gestorte bedrag aan [betrokkene] zou worden doorbetaald. Dat betekent immers nog niet dat de Ontvanger en/of de Staat in het geheel geen aanspraak (meer) zou(den) kunnen maken op dat bedrag. Dat oordeel is niet te lezen in het vonnis. Zoals ook blijkt uit het proces-verbaal van de zitting van 9 augustus 1999 (zie hiervoor onder 2.9 onder 4) staat de vraag of het de Stichting vrijstond het bedrag terstond en onvoorwaardelijk door te betalen aan [betrokkene] los van de vraag wat er met het geld moest gebeuren indien de Stichting die vrijheid niet zou hebben. In het vonnis is verder nog geoordeeld dat de Ontvanger ter afwering van verdere executiemaatregelen van [betrokkene] geen beroep toekwam op het eigenbeslag. Ook dat oordeel brengt niet mee dat het gestorte bedrag daarmee zonder meer aan [betrokkene] (of het Lisv) zou toekomen. Nergens in het vonnis wordt de conclusie getrokken dat [betrokkene] (en het Lisv) - met uitsluiting van de Ontvanger en/of de Staat - de enige mogelijke rechthebbenden op het bedrag zijn. Integendeel, met een mogelijke aanspraak van de Ontvanger en/of de Staat is juist wel rekening gehouden, zoals blijkt uit hetgeen hiervoor onder 4.9 is overwogen. In het vonnis van 16 september 1999 is weliswaar overwogen dat de beslissing in het vonnis van 29 april 1999 - dat het uitgewonnen bedrag moet worden terugbetaald aan [betrokkene] - uitgangspunt is, maar daaraan is vervolgens (uitsluitend) de conclusie verbonden dat het ongerijmd en onaanvaardbaar zou zijn als de Ontvanger dat bedrag onder zich zou kunnen houden op grond van het eigenbeslag. Door de storting op de rekening van de Stichting was al geen sprake meer van de situatie dat de Ontvanger het bedrag onder zich hield.

4.11.

Conclusie van het voorgaande is dat de Stichting het op haar rekening gestorte bedrag van NLG 165.000,00 niet aan [betrokkene2] had mogen uitbetalen, omdat nog niet voldaan was aan de in het vonnis van 16 september 1999 geformuleerde voorwaarden voor uitbetaling. Tussen partijen is niet in geschil dat inmiddels duidelijk is dat het bedrag aan de Ontvanger toekomt en dat daarmee wel aan die voorwaarden is voldaan. Evenmin is tussen partijen in geschil dat de Stichting, zoals iedere derdengeldenstichting, de verplichting heeft om de gelden te houden voor de mogelijke rechthebbenden en - wanneer genoegzaam vaststaat wie de (uiteindelijk enige) onvoorwaardelijke rechthebbende is - de gelden aan deze rechthebbende uit te betalen. Door het gestorte bedrag niet aan de Ontvanger als uiteindelijke rechthebbende te betalen, is de Stichting tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens de Ontvanger. Daarmee is de grondslag voor toewijzing van de vordering gegeven. Nu het bedrag zich niet meer op de rekening van de Stichting bevindt, is de primaire vordering tot nakoming van de verplichting om het bedrag aan de Ontvanger te voldoen echter niet toewijsbaar. Toegewezen zal worden de subsidiaire vordering tot betaling van vervangende schadevergoeding ter hoogte van het gestorte bedrag.

4.12.

De Ontvanger en de Staat hebben gesteld dat de Staat slechts zekerheidshalve ook als eisende partij in deze procedure optreedt, omdat de Staat in een aantal procedures tussen de Ontvanger en [betrokkene] betrokken is geraakt doordat [betrokkene] ten laste van de Staat beslag(en) heeft gelegd. Voor het overige heeft de Staat geen bemoeienis met deze zaak. Gelet hierop ontbreekt een grondslag voor toewijzing van de vordering jegens de Staat. De Stichting zal dan ook worden veroordeeld om het bedrag van € 74.873,73 aan de Ontvanger te betalen.

4.13.

De vordering tot vergoeding van de over het gestorte bedrag gekweekte rente vanaf de datum van storting tot 1 juli 2012 is als onweersproken gebleven toewijsbaar. De gevorderde wettelijke handelsrente vanaf 1 juli 2012 is niet toewijsbaar, nu gesteld noch gebleken is dat sprake is van een handelsovereenkomst als bedoeld in artikel 6:119a BW. In plaats daarvan zal worden toegewezen de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW.

4.14.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal de Stichting worden veroordeeld in de kosten van de procedure. De kosten aan de zijde van de Ontvanger worden begroot op:

- dagvaarding € 15,00

- griffierecht € 1.892,00

- salaris advocaat € 2.235,00 (2,5 punten × tarief € 894,00)

Totaal € 4.142,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt de Stichting om aan de Ontvanger te betalen een bedrag van € 74.873,73, te vermeerderen met de daarover gekweekte rente vanaf 10 augustus 1999 tot 1 juli 2012 en met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 1 juli 2012 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt de Stichting in de proceskosten, aan de zijde van de Ontvanger tot op heden begroot op € 4.142,00, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A. Muilwijk-Schaaij en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2014.

1977/2053