Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:9537

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
31-07-2014
Datum publicatie
24-11-2014
Zaaknummer
3002705
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst niet op grond van dringende reden maar op grond van verandering van omstandigheden.

Vergoeding is C=0,50

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-1004
AR 2014/893

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 3002705 VZ VERZ 14-4512

uitspraak: 31 juli 2014

beschikking ex artikel 7:685 van het Burgerlijk Wetboek van de kantonrechter,
zitting houdende te Rotterdam

in de zaak van

de stichting Stichting Onderwijscentrum Binnenvaart,

gevestigd te Rotterdam,

verzoekster,

gemachtigde: mr. E.M. Bevers,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats],

verweerder,

gemachtigde: mr. M. Stiebner Bergman.

Partijen worden hierna ook aangeduid als OCB en [verweerder].

1.Het verloop van de procedure

Dat blijkt uit de volgende stukken:

  • -

    het verzoekschrift, met bijlagen, ontvangen op 23 april 2014 dat strekt tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen voor zover komt vast te staan dat het op 16 april 2014 gegeven ontslag op staande voet nietig is;

  • -

    het verweerschrift, met bijlagen;

  • -

    de bij gelegenheid van de mondelinge behandeling overgelegde pleitaantekeningen;

  • -

    de door elk van partijen nog overgelegde producties.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 mei 2014.

Van hetgeen ter zitting is verhandeld is aantekening gehouden.

Op verzoek van partijen is de zaak toen aangehouden voor schikkingsonderhandelingen.


Op 17 juni 2014 hebben de gemachtigden van partijen de kantonrechter bericht dat de onderhandelingen niet tot een schikking hebben geleid en om beschikking verzocht.


De uitspraak van de beschikking is bepaald op 1 juli 2014 en vervolgens nader op heden.

2 De feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende feiten, die enerzijds zijn gesteld en anderzijds erkend, althans onvoldoende zijn weersproken, dan wel blijken uit de overgelegde stukken, voor zover (ook) die niet zijn weersproken:

2.1

[verweerder], geboren op 7 mei 1953, is op 1 mei 2008 in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) OCB; hij is laatstelijk werkzaam geweest in de functie van directeur.

Het loon van [verweerder] bedraagt laatstelijk €5.232,00 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en dertiende maand.

[verweerder] was werkzaam in Rotterdam.

2.2

[verweerder] was vanaf de oprichting van de Stichting Onderwijscentrum Binnenvaart (akte van 21 september 2012) bestuurder van OCB. Tijdens de bestuursvergadering van 27 februari 2014 is hij uit die functie ontslagen.

2.3

[verweerder] heeft zich 11 maart 2014 ziek gemeld.

De bedrijfsarts heeft [verweerder] op 18 maart 2014 beoordeeld op het spreekuur en was van oordeel dat [verweerder] niet arbeidsongeschikt was en dat er sprake is van een arbeidsconflict.

[verweerder] heeft op 2 april 2014 een deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV.
De verzekeringsgeneeskundige van het UWV heeft op 25 april 2014 geoordeeld dat [verweerder] op deze datum alsmede op 11 maart 2014 niet in staat was zijn eigen werk te doen en dat [verweerder] “lijdt aan een objectiveerbare medische aandoening en als zodanig een plausibele claimklacht heeft waaruit beperkingen ten aanzien van arbeid voortvloeien. Zijn psychische beperkingen zijn thans zodanig dat hij (nog) niet in staat is zijn maatgevende werk te verrichten. Op de geschildatum 11 maart 2014 was hij evenmin in staat zijn eigen werk te doen. Er is een onbalans tussen belasting en belastbaarheid. Het psychische ziektebeeld is op zich redelijk mild maar de belasting van de functie is toch te zwaar voor zijn psychische belastbaarheid en hiermee niet in evenwicht. Er bestaat geen discrepantie tussen de beleving van betrokkene en het resultaat van het onderzoek.”.

2.4

OCB heeft [verweerder] bij (aangetekend verzonden) brief van 13 maart 2014 op
non-actief gesteld. Aan bedoelde brief wordt het volgende ontleend:

“(…) Het bestuur van stichting OCB heeft besloten u per direct, donderdag 13 maart 2014 09:30 uur tot nader order op non-actief te stellen en wel om de volgende redenen:
Het bestuur heeft u op 7 februari 2014, op 4 maart 2014 en in de laatste brief van 10 maart 2014 verzocht om uiterlijk 13 maart 2014 voor 09:00 uur inzage te geven in de financiën van stichting OCB. Hierbij is gevraagd om de volgende zaken:
- een overzicht van de crediteuren per 1 januari 2014 en het verloop van de crediteuren vanaf 1 januari 2014 tot op heden;
- een overzicht van de debiteuren per 1 januari 2014 en het verloop van debiteuren vanaf 1 januari 2014 tot op heden;
- alsmede een overzicht van de rekeningsaldi van betaal- en spaarrekeningen per 1 januari 2014 en het verloop daarvan tot op heden.
Omdat u vandaag 13 maart 2014 09:00 uur niet aan dit verzoek heeft voldaan, bent u met onmiddellijke ingang met behoud van loon op non-actief gesteld.

Het bestuur stelt verder vast dat u zich per email op 11 maart 2014 ziek heeft gemeld. U heeft op woensdag 12 maart 2014 om 12:25 geantwoord op een email die ondergetekende namens het bestuur naar u gestuurd heeft. In deze email heeft het bestuur er bij u op aangedrongen afstand te nemen van OCB.
U heeft dit verzoek echter genegeerd en heeft daarnaast zonder eerst een oordeel van een arbo-arts af te wachten besloten om door te gaan met uw werkzaamheden om zoals u zelf zegt op therapeutische basis zaken voor volgende week woensdag afgerond te hebben.

Hiermee stelt het bestuur vast dat gezien het feit dat u geen advies van een arbo-arts hebt ingewonnen, u het advies van het bestuur negeert en u gewoon aan het werk bent gegaan, u op dit moment niet arbeidsongeschikt bent.

Omdat er naast het bovengenoemde nog een aantal kwesties zijn waar het bestuur stichting OCB duidelijkheid over wenst te verkrijgen, zal per direct een onderzoek ingesteld worden naar uw handelen. (…)” .

2.5

Bij aangetekend verzonden brief van 16 april 2014 heeft OCB [verweerder] op staande voet ontslagen. De brief behelst onder meer het volgende:

“(…) OCB kan uit de feitelijke bevindingen en uw stilzwijgen daarover niet anders concluderen dan dat u zonder voorafgaande kennisgeving aan, laat staan toestemming van OCB (en nog voordat de begroting voor 2014 rond was):

  1. namens OCB voor de duur van (ten minste) een jaar een huurovereenkomst bent aangegaan van bedrijfsruimte ten behoeve van uw privé ondernemingen ‘[onderneming 1]’ en ‘[onderneming 2]’, welke ondernemingen blijkens het Handelsregister van de Kamer van Koophandel beide zijn gevestigd aan het adres waar de huurovereenkomst betrekking op heeft, te weten aan de [adres onderneming 1]. OCB ontplooit voor zover bij het bestuur bekend geen enkele activiteit te [plaatsnaam]en (dus) ook niet aan dit adres. De op deze huurovereenkomst betrekking hebbende facturen voor de huurtermijnen van € 335,- per maand zijn aan OCB gericht. Bovendien blijkt uit e-mailverkeer dat u de boekhouder van OCB heeft verzocht deze facturen bij het opstellen van de jaarrekening voor het boekjaar 2013 van OCB te betrekken. Als contracterende partij is OCB gehouden de huurtermijnen te voldoen. Zij is hier dan ook reeds op aangesproken. Voorts is de huur van de betreffende bedrijfsruimte blijkens de huurovereenkomst en de bijbehorende facturen met ingang van 1januari 2014 voor de duur van (ten minste) een jaar verlengd;

  2. op 11 maart 2013, te weten de dag waarop u zich bij OCB heeft ziek gemeld, in strijd met uw ziekmelding, op kosten van OCB voor € 350,- een auto heeft gehuurd bij autoverhuurbedrijf [naam bedrijf en vestigingsplaats], uw woonplaats en tevens de plaats waar uw privé ondernemingen zijn gevestigd. Onduidelijk is voorts welk belang van OCB met deze transactie gediend zou zijn;

  3. namens OCB een overeenkomst met [reclamebedrijf] bent aangegaan betreffende de inkoop en uitzending in 2014 van een STER tv reclame ten bedrage van € 26.000,- (exclusief BTW), terwijl (1) het bestuur van OCB u reeds had laten weten niet met deze inkoop akkoord te gaan vanwege de daaraan verbonden kosten en (2) reeds tijdens de bestuursvergadering op 17 mei 2013 is besloten dat u voor betalingen van bedragen hoger dan € 5.000,- en boven begroting voorafgaande toestemming van het bestuur behoeft;

  4. op 21 februari 2014 namens OCB een betaling aan [reclamebedrijf] heeft verricht van € 7.460,00 (en aldus een betaling van een bedrag hoger dan € 5.000,- en boven begroting, want die was nog niet rond), welke betaling verband houdt met bovenbeschreven overeenkomst die u tegen de mededeling van OCB in met [reclamebedrijf] bent aangegaan;

  5. op 21 februari 2014 namens OCB een betaling van € 7.460,00 aan uw privé onderneming de [onderneming 2]heeft verricht die pas op 10 maart 2014 door de [onderneming 2]op de bankrekening van OCB is teruggestort, bij welke transactie geen enkel (financieel) belang van OCB is gediend, maar juist lijkt te zijn geschaad;

  6. u namens OCB op 5 maart 2014 een arbeidsovereenkomst met [werkneemster]met ingang van 1 maart 2014 bent aangegaan voor het opzetten van het project “MATE”, terwijl u daags daarvoor herhaaldelijk (te weten per e-mail d.d. 26 januari 2014, 6 februari 2014, 11 februari 2014 en 25 februari 2014) aan het bestuur van OCB had gemeld dat OCB wat u betreft in betalingsnood verkeerde en het bovendien niet aan u, maar aan het bestuur van OCB is het beleid van de stichting inzake personeel en organisatie vast te stellen. [werkneemster]heeft in het kader van haar arbeidsovereenkomst reeds werkzaamheden voor OCB verricht

Uit het vorenstaande blijkt dat u niet steeds in het (financiële) belang van OCB heeft gehandeld, maar mede in uw privé belang. Door uw hardnekkige weigering openheid van zaken te geven, wekt u minst genomen de schijn dat u zichzelf ten koste van OCB heeft verrijkt, althans gepoogd heeft te verrijken.
In elk geval heeft u de goede naam en/of financiële positie van OCB beschadigd, door overeenkomsten aan te gaan die door OCB niet zullen (kunnen) worden nagekomen.

Bovendien heeft u OCB misleid door enerzijds uzelf ziek te melden en voorts te dreigen met de aanvraag van een surseance van betaling, en anderzijds op de dag van uw ziekmelding op kosten van OCB een auto te huren en daarnaast met ingang van 1 maart 2014 namens OCB een nieuwe arbeidsovereenkomst en daarmee gepaard gaande (betalings)verplichtingen aan te gaan.

Door uw handelwijze heeft u niet alleen in strijd gehandeld met uw statutaire verplichtingen
(tot 27 februari 2014), maar ook met de verplichtingen die u op grond van het directiereglement heeft. Voorts is uw handelwijze niet in overeenstemming te brengen met de verplichtingen die krachtens artikel 2.1 van uw arbeidsovereenkomst en artikel 7:611 BW (goed werknemerschap) op u rusten.

Voor OCB is uw handelwijze onacceptabel. OCB acht zich genoodzaakt uw dienstverband met onmiddellijke ingang (met ingang van gisteren) te beëindigen vanwege een dringende reden, gelegen in een grovelijke veronachtzaming van uw plichten zoals hierboven uiteengezet.
De genoemde redenen vormen ieder op zich en/of in onderlinge samenhang een voldoende grondslag om uw ontslag op staande voet in de zin van artikel 7:677 BW te rechtvaardigen. (…)”.

2.6

[verweerder] heeft bij dagvaarding van 23 april 2014 een kort geding aanhangig gemaakt, waarin hij, kortweg, toelating tot zijn werkzaamheden heeft gevorderd en doorbetaling van salaris c.a. vanaf 15 april 2014. Die vordering is afgewezen bij vonnis van 9 mei 2014.

Dragende overwegingen voor die beslissing zijn:

“4.3 Voldoende gebleken is dat het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven.

[verweerder] is op 10 april 2014 verzocht om binnen een (verlengde) termijn van vijf dagen openheid van zaken te geven over een aantal bevindingen. [verweerder] heeft niet binnen die termijn gereageerd waarna OCB hem, vanwege het uitblijven van een reactie, bij brief van 16 april 2014 op staande voet heeft ontslagen. Het ontslag is daarmee onverwijld gegeven.

Voorts is voldoende gebleken dat de dringende reden gelijktijdig aan [verweerder] is medegedeeld. Dat in de brief van 16 april 2014 staat “met ingang van gisteren”, maakt dit niet anders. Immers de woorden zijn tussen haakjes geplaatst en worden voorafgegaan door de op ondubbelzinnige wijze voor geen andere uitleg vatbare zinsnede “OCB acht zich genoodzaakt uw dienstverband met onmiddellijke ingang (...) te beëindigen”.

4.4

Vooropgesteld wordt dat de in de brief van 16 april 2014 genoemde gedragingen, dit met uit-zondering van onderdeel 2 van de ontslagbrief, ieder voor zich dan wel in onderlinge samenhang bezien, een dringende reden zouden kunnen vormen voor een ontslag op staande voet. [verweerder] heeft gemotiveerd weersproken dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan genoemde gedragingen dan wel [betoogd] dat hij bevoegd was om uit hoofde van zijn functie als directeur dergelijke handelingen c.q. gedragingen te verrichten. OCB heeft ter mondelinge behandeling het verweer van [verweerder] uitvoerig gemotiveerd en met een groot aantal stukken weersproken. Vooralsnog kan niet met een aan waarschijnlijkheid grenzende zekerheid [bedoeld is: met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid] worden geconcludeerd dat in een eventuele bodemprocedure de bodemrechter tot het oordeel komt dat het ontslag op staande voet geen stand zal houden. Bewijslevering is noodzakelijk, maar daar leent deze procedure zich niet voor.”.

3 Het verzoek en de grondslag daarvan

Aan het verzoek is – zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd.

OCB heeft [verweerder] op 16 april 2014 op staande voet ontslagen.

Slechts voor het geval in rechte – dat wil zeggen in hoogste en laatste instantie, alsmede onherroepelijk – zal komen vast te staan dat het gegeven ontslag op staande voet nietig is
en de arbeidsovereenkomst tussen partijen dus niet geëindigd is, verzoekt OCB de
arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn te ontbinden, primair op grond van dringende redenen en subsidiair op grond van een verandering in de omstandigheden.


Onder erkenning van hetgeen [verweerder] voor OCB heeft bereikt, constateert zij dat [verweerder] bepaalde projecten niet heeft uitgevoerd, of dat deze ‘over de kop zijn gegaan’ en dat [verweerder] vaak een beroep heeft gedaan op (dure) externen voor het realiseren van projecten.

Haar bezwaren, die zij met producties zegt te onderbouwen, houden vooral verband met:

a. a) de zes constateringen op grond waarvan OCB [verweerder] op 16 april 2014 op staande voet heeft ontslagen;

b) het uitgavenpatroon van [verweerder], dat structureel afwijkt van de inkomsten die OCB genereert;

c) het zonder reden dreigen door [verweerder] met een aanvraag van surseance van betaling;

d) de oneigenlijke voorwaarde die [verweerder] plotseling verbond aan zijn vrijwillige aftreden als bestuurslid;

e) de grove en beledigende manier waarop [verweerder] communiceert: niet alleen met en over het bestuur van OCB, maar ook met en over haar belangrijkste geldschieter (Stichting CAO Binnenvaart) en andere betrokken partijen;

f) de hardnekkige weigering van [verweerder] openheid van zaken te geven en controle mogelijk te maken, alsmede verantwoording af te leggen voor zijn handelwijze als directeur;

g) het negeren door [verweerder] van de instructie van OCB tijdens zijn non-actiefstelling niet met externen te communiceren over OCB-aangelegenheden.

OCB heeft in dit verband gesteld dat [verweerder] zijn eigen (financiële) belangen vaak heeft laten prevaleren boven die van OCB. Door zijn hardnekkige weigering om openheid van zaken te geven heeft [verweerder] minst genomen de schijn gewekt dat hij zichzelf ten kosten van OCB heeft bevoordeeld, althans gepoogd heeft zich te bevoordelen. In elk geval heeft [verweerder] de goede naam en/of financiële positie van OCB beschadigd, alsmede het vertrouwen dat OCB in hem stelde, door een aantal handelingen te verrichten zonder medeweten of toestemming van het bestuur.

Aldus heeft [verweerder] zijn plichten uit hoofde van de arbeidsovereenkomst grovelijk veronachtzaamd en is de relatie tussen partijen daardoor ernstig en duurzaam verstoord.

Als gevolg hiervan heeft OCB geen enkel vertrouwen meer in een verdere samenwerking met [verweerder], welke situatie wat OCB betreft onomkeerbaar is.

Volgens OCB is er geen ontslagverbod van toepassing. Zij plaatst vraagtekens bij de gestelde ziekte en bij het deskundigheidenoordeel van het UWV, omdat [verweerder] na de ziekmelding aan derden heeft geschreven dat hij zich had ziekgemeld om de strategie te bepalen, dat hij na de ziekmelding nog werkzaamheden heeft verricht, dat de bedrijfsarts geen medische beperkingen heeft geconstateerd en [verweerder] in kort geding (onvoorwaardelijk) op werkhervatting heeft aangestuurd.

Maar in haar ogen houdt het verzoek in ieder geval geen enkel verband met de gedragingen van [verweerder] die OCB hem verwijt, en [verweerder] heeft dat ook niet gesteld.

4 Het verweer

Het verweer strekt primair tot afwijzing van het verzoek en subsidiair, voor het geval het verzoek wordt toegewezen, tot toekenning aan [verweerder] ten laste van OCB van een vergoeding van € 110.186,00 bruto, dan wel een in goede justitie te bepalen vergoeding, met bepaling dat de vergoeding direct opeisbaar zal zijn, telkens met veroordeling van OCB in de kosten van het geding.

[verweerder] doet primair een beroep op de reflexwerking van het opzegverbod tijdens ziekte ex artikel 7:670 lid 1 BW op grond waarvan het verzoek dient te worden afgewezen.
Hij verwijst naar het deskundigenoordeel van 28 april 2014 (rechtsoverweging 2.3).
De bedrijfsarts heeft aangegeven dat oordeel te volgen en OCB heeft geen second opinion aangevraagd. Ontbinding is prematuur.

Inhoudelijk geldt dat de aan de op non-actiefstelling en aan het ontslag (en aan de ontbinding) ten grondslag gelegde verwijt dat hij niet de gevraagde informatie verschafte, direct verband houdt met zijn ziekmelding: omdat hij ziek was kon hij niet aan allerlei verzoeken van zijn werkgever voldoen.

Voorts is geen sprake van een dringende reden die grond oplevert voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. [verweerder] betwist ook de aanwezigheid van gewijzigde omstandigheden die een ontbinding van de arbeidsovereenkomst op korte termijn zouden rechtvaardigen. Slechts voor het geval de kantonrechter van oordeel zou zijn dat er grond bestaat voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst, verzoekt [verweerder] aan hem een vergoeding toe te kennen met een correctiefactor 1,5 en voorts om rekening te houden met de fictieve opzegtermijn van twee maanden. Hij baseert dat, in één begrip samengevat, op het in zijn ogen slechte werkgeverschap / onzorgvuldig handelen van OCB.

[verweerder] benadrukt wat hij de afgelopen jaren voor OCB heeft betekend.

Nadat [verweerder] zich mede als gevolg van de ontstane situatie ziek had gemeld op 11 maart 2014 heeft OCB hem desondanks op non-actief gesteld, en weigerde zij dit ongedaan te maken.

Tijdens de op non-actiefstelling heeft zij twee onderzoeken ingesteld (een intern onderzoek en een accountantsonderzoek), maar die waren niet beperkt tot de aangevoerde punten:
zij betroffen de hele handelwijze van [verweerder] en hebben dus te gelden als een
“fishing-expedition”. Een uitkomst van die onderzoeken geeft OCB echter niet.

[verweerder] heeft op 18 april 2014 (dus 2 dagen na de gestelde termijn) extensief geantwoord op de 6 gestelde vragen. Hij heeft toen ook een beroep gedaan op de vernietig-baarheid van het ontslag op staande voet. OCB heeft hem niet voorafgaand aan de ontslag-verlening gehoord en heeft hem (dus) ontslagen zonder hem de kans op verbetering te geven.

[verweerder] acht de beslissing op zijn vordering in kort geding onjuist en verwacht dat in een bodemprocedure anders wordt beslist.

Nu [verweerder] de dringende reden betwist en die reden onvoldoende is gebleken, kan die niet als grond voor een (voorwaardelijke) ontbinding dienen.

Ook anderszins zijn er geen wijzigingen in de omstandigheden die ontbinding rechtvaardigen.

Er bestond voor [verweerder] bij OCB geen omschrijving van zijn taken en verantwoordelijkheden. Hij had grote vrijheid bij het uitvoeren van alle werkzaamheden die behoren tot de functie van directeur, een vrijheid die ook is benoemd in het bestuurs- en directiereglement, dat de status van concept nooit is ontstegen.

Het kan niet zo zijn dat de komst van een nieuw bestuur leidt tot het “zomaar rücksichtslos aan de stoelpoten van de directeur gaan zagen” en ineens van oordeel te zijn dat er sprake is van disfunctioneren. Terwijl juist [verweerder] zich heeft ingespannen om de taakverdeling en de bevoegdheden binnen het nieuwe bestuur vast te leggen. [verweerder] heeft steeds aangegeven dat het niet zijn voorkeur had èn bestuurder èn directeur te zijn en heeft zich steeds bereid getoond dat te veranderen.

Dat [verweerder] een geheel eigen wijze van doen en laten heeft, moge zo zijn, maar dat maakt niet dat er sprake is van ernstig disfunctioneren. Bovendien had kritiek van de werkgever moeten leiden tot een gesprek en een verbetertraject. Dat heeft OCB in het geheel niet gedaan.

Het ontstaan van de vertrouwensbreuk is derhalve grotendeels aan haar te wijten.

Op de hem gemaakte verwijten reageert [verweerder] als volgt, verkort weergegeven:

a) 1) Hij is bevoegd tot het aangaan van een huurovereenkomst: uit niets blijkt dat dit niet
het geval is. Hij heeft eerder in 2013 een andere huurovereenkomst gesloten.
Bovendien is hier nooit een schriftelijke huurovereenkomst door partijen ondertekend.
Er zijn ook niet op maandelijkse basis nota’s door OCB ontvangen die zijn te herleiden
tot de verhuurder. Er is nooit sprake geweest van verhuur. De ruimte is nooit gebruikt.
[verweerder] heeft de boekhouder slechts willen informeren over een mogelijke
claim.

2. De auto was gehuurd in het kader van twee werkafspraken voor OCB en [verweerder] heeft getracht die nog na te komen. In voorgaande jaren heeft Van Rozendaal ook reiskosten gedeclareerd en die zijn hem vergoed.

3. De Ster-spot ([reclamebedrijf]): [verweerder] was net als in voorgaande jaren bevoegd dergelijke overeenkomsten aan te gaan. In de begroting was ook voor dit jaar de Ster-spot opgenomen;

4. Met deze betalingen is niet het belang van OCB geschaad, [verweerder] heeft juist

5. en onbaatzuchtig en ten nadele van zichzelf persoonlijk ingestaan voor de betaling door
OCB aan [reclamebedrijf]. [verweerder] had [reclamebedrijf] aangeboden haar uit privé middelen te betalen, hetgeen uiteindelijk niet nodig bleek te zijn. [reclamebedrijf] heeft de dubbele betaling teruggestort;

6. Als directeur is [verweerder] bevoegd arbeidsovereenkomsten aan te gaan met derden, hetgeen hij ook met andere werknemers heeft gedaan. Bovendien gaat het om een oproepovereenkomst, waaruit geen betalingsverplichting voortvloeit, en tenslotte zullen de kosten op termijn bij een andere stichting kunnen worden gedeclareerd.

  1. OCB heeft niet onderbouwd dat er in 2013 € 60.000,00 meer is uitgegeven dan aan inkomsten is gegenereerd, en nog minder dat dit het gevolg is van handelen van [verweerder]. Als gevolg van een politiek conflict is de begroting voor 2014 nog niet formeel rond: er zijn echter wel toezeggingen gedaan over het niveau van de toe te kennen subsidie van Stichting CAO Binnenvaart.

  2. Toen [verweerder] er achter kwam dat de gelden voor OCB indirect door het

  3. eigen bestuur werden geblokkeerd, heeft hij ‘surseance’ genoemd in een emotionele poging om beweging in de patstelling tussen partijen te krijgen. De reden was dan ook dat hij voor het personeel diende op te komen, zodat er in voorkomend geval een deugdelijke afvloeiingsregeling kon worden getroffen. Dat [verweerder] verlangde dat een onjuiste brief van het CBRB zou worden gerectificeerd was terecht en zeer redelijk: de brief was onjuist en beschadigde de reputatie van OCB en van [verweerder].

  4. [verweerder] had een zeer zwaar jaar achter de rug, zowel privé als in het werk. Gezien de handelingen en beperkte kennis en expertise alsmede de dubbelrol van de overige bestuursleden voelde hij zich steeds machtelozer, en die machteloosheid ligt ten grondslag aan zijn manier van communiceren. Daaruit blijkt ook dat de mentale gesteldheid van [verweerder] al maanden onder druk stond. Rekening gehouden moet worden met de wijze van communiceren binnen de binnenvaartbranche. Het bestuur van OCB treft hier ook schuld omdat zij bij voortduring ronduit onbeschoft niet eens heeft gereageerd op talloze e-mails van [verweerder].

  5. Deze stelling wordt door OCB niet gemotiveerd of onderbouwd. [verweerder] herkent zich daar ook niet in. Uit de notulen van de bestuursvergadering blijkt dat hij onder meer wel inzicht heeft gegeven in financiële stromen en wel cijfers heeft aangeleverd.

  6. De afspraak met de Scheepvaartkrant was al gemaakt en dus heeft [verweerder] deze afgezegd, onder opgave van de reden daarvoor. Hij heeft het persbericht niet verspreid.

[verweerder] begrijpt niet wat OCB bedoelt met haar beschuldiging dat hij niet steeds in het financiële belang van OCB heeft gehandeld, maar mede in zijn privé belang. Datzelfde geldt voor de beschuldiging dat hij (de schijn heeft gewekt dat) hij zichzelf ten koste van OCB heeft verrijkt. Integendeel, hij heeft meerdere malen uit eigen middelen een deel van de kantoor-inventaris van OCB betaald en is bereid geweest contractuele verplichtingen jegens derden voor te schieten.

Ook de gestelde beschadiging van goede naam en/of financiële positie van OCB wordt niet onderbouwd.

Tenslotte geldt dat [verweerder] niet heeft gehandeld in strijd met zijn verplichtingen op grond van een niet toepasselijk (concept) bestuurs- en directiereglement en niet met de arbeidsovereenkomst of met artikel 7:611 BW.

5 De beoordeling

5.1

De kantonrechter heeft zich ervan vergewist of het ontbindingsverzoek verband houdt met een opzegverbod en komt tot de conclusie dat dit niet in zodanige mate het geval is dat dit behoort te leiden tot afwijzing van het verzoek.

Het ontbindingsverzoek is gedaan tijdens ziekte. De deskundige komt tot het oordeel dat [verweerder] vanaf 11 maart 2014 (de dag van ziekmelding) arbeidsongeschikt is.

Dat oordeel is duidelijk en OCB kan er niet mee volstaan daar ‘een vraagteken bij te plaatsen’.

Dat is niet een gemotiveerde betwisting: zij had uiteraard voor een contra-expertise moeten zorgdragen.

Daarmee is echter, in ieder geval in deze zaak, nog niet gezegd dat het verzoek is gedaan wegens die arbeidsongeschiktheid.

Noch direct uit de bewoordingen van het verzoek, noch indirect uit de aard van de verwijten die OCB hem maakt, blijkt van een dergelijk verband. [verweerder] heeft van zijn kant evenmin concrete argumenten aangedragen, op grond waarvan zou moeten worden aan-genomen dat de hem verweten gedragingen (met uitzondering van de wijze van communiceren per e-mail) zijn veroorzaakt door de aandoening c.q. het ziektebeeld, waarvan is vastgesteld dat zich dat op 11 maart 2014 voordeed.

Dat betekent dat nu verder zal worden onderzocht of er zich andere omstandigheden voordoen die een gewichtige reden vormen voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

5.2

[verweerder] heeft de vele aan zijn adres geuite verwijten alle gemotiveerd tegen-gesproken. Ondanks de uitvoerige toelichting en de vele schriftelijke bescheiden die OCB heeft overgelegd, is, gelet op evenzeer uitvoerige betwisting door [verweerder], vooralsnog onvoldoende aannemelijk dat bedoelde verwijten terecht zijn, dan wel dat, voor zover de geuite verwijten al feitelijk juist zijn, daaraan het gewicht kan worden toegekend dat OCB meent daaraan te mogen of zelfs te moeten hechten (namelijk dat er sprake is van een dringende reden). Voor een nader onderzoek naar de feiten leent deze ontbindingsprocedure zich niet, zodat onvoldoende aannemelijk is dat sprake is van een dringende reden. Daarom is het verzoek niet toewijsbaar op de primaire grond.

5.3

Op grond van de inhoud van de stukken en hetgeen partijen ter zitting hebben verklaard is echter wel aannemelijk dat de verhoudingen tussen partijen zo ernstig en zo blijvend verstoord zijn geraakt, dat een vruchtbare samenwerking tussen hen in het kader van de onderhavige arbeidsovereenkomst uitgesloten moet worden geacht. Er is mitsdien sprake van zodanige veranderingen in de omstandigheden, dat de arbeidsovereenkomst dadelijk of op korte termijn behoort te eindigen. De arbeidsovereenkomst zal daarom, voor zover zij nog bestaat, worden ontbonden.

5.4

In verband hiermee moet aan de orde komen het verzoek van [verweerder] hem ten laste van OCB een vergoeding toe te kennen, en dus (het antwoord op) de vraag of – en, zo ja, in hoeverre – [verweerder] dan wel juist OCB aan het ontstaan van de huidige situatie een verwijt treft. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

5.5

Met betrekking tot een aantal in de ontslagbrief vermelde verwijten, zoals het huren van een auto, het sluiten van een overeenkomst voor het huren van reclamezendtijd op televisie en het verrichten van betalingen daarvoor, alsmede het sluiten van een arbeidsovereenkomst met een oproepkracht, zijn partijen verdeeld over de vraag of [verweerder] wel bevoegd was uit hoofde van zijn functie om de betreffende rechtshandelingen te verrichten.

Zogeheten ‘harde gegevens’ in de vorm van schriftelijke bescheiden die zouden dwingen tot het in ontkennende zin beantwoorden van deze vraag naar de omvang van zijn bevoegdheid zijn niet overgelegd, terwijl de arbeidsovereenkomst van [verweerder] veeleer - in de bijna als een imperatief geformuleerde bewoordingen: “en verricht daartoe alle benodigde werkzaamheden”- ruimte lijkt te bieden voor het zelfstandig aangaan van dit soort transacties.

Daargelaten wat nu de status in de praktijk was van het ‘concept bestuurs- en directie-reglement van 12 augustus 2012’, geeft ook dat stuk geen concrete regels over de bevoegdheid van de directeur op deze punten.

Wat hier verder ook van zij, de hiervoor aangehaalde gedragingen leveren op zichzelf bezien geen ernstige verwijten op aan het adres van [verweerder].

Ten aanzien van de overeenkomst met [reclamebedrijf] over de huur van zendtijd op tv voor het vertonen van een reclamespot van OCB heeft [verweerder] aangevoerd, dat dit een sinds enkele jaren jaarlijks terugkerende transactie betreft, waarmee steeds een substantieel bedrag is gemoeid dat telkens is opgevoerd op de jaarlijkse begroting van OCB en waarvan het bestuur van OCB steeds heeft geweten of heeft kunnen weten en door het bestuur nimmer is becommentarieerd. Deze stelling van [verweerder] is door OCB niet, althans onvoldoende weersproken.

Ook dit levert in de gegeven omstandigheden geen ernstig verwijt jegens [verweerder] op.

Voor de op zich niet te plaatsen betaling van een bedrag van € 7.460,00 aan [onderneming 2], een privéonderneming van [verweerder], geldt hetzelfde, nu dit bedrag binnen enkele weken en kennelijk eigener beweging is terugbetaald aan OCB en niet aannemelijk is dat [verweerder] heeft gepoogd zich hierbij ten koste van OCB te verrijken. Niet uit te sluiten is dat daarmee in de tussentijd de dubbele betaling is gedaan, waarover [reclamebedrijf] spreekt.

Voor het sluiten van een huurovereenkomst als zodanig wordt ten aanzien van de bevoegdheid van [verweerder] (of het overschrijden daarvan) niet anders geoordeeld.

Wel moet ten aanzien van deze huurovereenkomst worden vastgesteld dat op grond van de nu overgelegde stukken (een uitgewerkt, zij het niet ondertekend, huurcontract, de maandelijkse rekeningen over het jaar 2013 en 2014, hetgeen [verweerder] daarover heeft bericht aan de accountant van OCB en een bevestigingsbrief van de verhuurder over de gevolgen van de kennelijk door [verweerder] begin 2014 gedane opzegging, het meer dan aannemelijk lijkt dat er daadwerkelijk een huurovereenkomst door [verweerder] op naam van OCB met betrekking tot de in het contract vermelde ruimte is gesloten en dat de huurbetalingen ten laste van OCB moesten worden gebracht. [verweerder] heeft geen enkele verklaring gegeven voor het feit dat zijn privéondernemingen op datzelfde adres stonden ingeschreven.

Zowel het een als het ander draagt wezenlijk bij aan het ontstaan van een vertrouwensbreuk tussen een directeur en zijn bestuur, zelfs als, zoals dus aangenomen, het sluiten van dergelijke overeenkomsten wel tot zijn bevoegdheid behoorde. Dat is hier dus ook het geval tussen [verweerder] en OCB.

5.6

Ook de in het verzoekschrift opgevoerde verwijten b. tot en met g. gaan, zelfs als rekening wordt gehouden met hetgeen [verweerder] ter verdediging heeft aangevoerd, verder dan kan worden getolereerd van een (loyaal) bestuurder van een kleine organisatie.

Het meermalen dreigen met een aanvraag van surseance van betaling (van de ‘eigen’ organisatie) moet, net als het plotseling verbinden van een oneigenlijke voorwaarde door [verweerder] aan zijn vrijwillig aftreden als bestuurslid, als dat ten minste niet kan worden toegeschreven aan de naderende arbeidsongeschiktheid van [verweerder] (en hij heeft dat verband niet gelegd), worden beschouwd, zo al niet als tekenen van kwade wil van [verweerder] tegenover het bestuur, dan toch als ongepaste en onaanvaardbare gedragingen, c.q. provocaties.

5.7

De kantonrechter acht niet aannemelijk ‘dat het uitgavenpatroon van [verweerder] structureel afwijkt van de inkomsten van OCB’ (voor zover al duidelijk geworden is wat OCB hier precies mee bedoelt), althans valt dit niet uitsluitend op basis van de overschrijding van de begroting van 2013 te concluderen. Gelet op de problemen om voldoende subsidie-inkomsten binnen te halen is bovendien aannemelijk dat 2013 in dit opzicht een uitzonderlijk jaar in het bestaan van OCB is geweest.

5.8

Wel treft [verweerder] weer een verwijt ten aanzien van de twee resterende kwesties in het verzoekschrift, die beide te maken hebben met de wijze waarop hij heeft gecommuniceerd.

Lezing van de e-mails in kwestie kan niet tot een ander oordeel leiden dan dat de wijze waarop [verweerder] met en over bestuurders en de belangrijkste geldschieter van OCB heeft gecommuniceerd in elk geval het laatste halfjaar voor de escalatie het betamelijke met regelmaat in aanzienlijke mate heeft overschreden (zeker indien dit gepaard is gegaan met het ‘lekken’ van een bericht, waarvan [verweerder] wist of had moeten weten dat dit niet naar de pers mocht). Op dit punt heeft [verweerder] zich, in de ogen van de kantonrechter waarschijnlijk met reden, overigens wel beroepen op zijn (te zware) mentale belasting.

5.9.1

De conclusie luidt dan dat [verweerder] in belangrijke mate verwijt treft van het feit dat de arbeidsovereenkomst nu moet eindigen (als de voorwaarde wordt vervuld, dat het ontslag nietig wordt verklaard).

5.9.2

In die (nu nog hypothetische) situatie dat dit ontslag nietig wordt verklaard, treft OCB dan wel het verwijt dat zij met het ontslag op staande voet naar een te zwaar middel heeft gegrepen (de kantonrechter is net als de rechter die de beslissing in kort geding heeft genomen van oordeel dat het ontslag op staande voet niet op formele gronden nietig lijkt te zijn).

Daar komt dan bij dat zij ook ten tijde van de mondelinge behandeling van dit verzoek niet beschikte over de resultaten van de door haar ingestelde onderzoeken, hetgeen van haar als goed werkgever toch had mogen worden verwacht.

5.9.3

Dit, in het licht van het door OCB erkende feit dat [verweerder] jarenlang tot volle tevredenheid heeft gefunctioneerd en er in is geslaagd ‘OCB binnen en buiten de sector op de kaart te zetten’ en gelet op de overige omstandigheden van het geval, waaronder de lengte van het dienstverband, de leeftijd van [verweerder] en diens positie op de arbeidsmarkt, geeft de kantonrechter aanleiding om aan [verweerder] een vergoeding toe te kennen van, afgerond € 36.500,00 bruto, overeenkomend met een C factor van 0,5.

5.10

Anders dan [verweerder] heeft bepleit zal de kantonrechter bepalen dat die vergoeding pas behoeft te worden uitgekeerd, nadat is vast komen te staan dat het ontslag op staande voet nietig is, en dus pas als deze ontbindingsbeschikking effect sorteert.

Met (de gemachtigde van OCB) ziet de kantonrechter de jurisprudentie aldus dat de datum van voorwaardelijke ontbinding wel bepalend is voor het berekenen van wettelijke rente, maar dat er, gezien het voorwaardelijk karakter van het verzoek en daarmee van deze beslissing, geen aanleiding is om vooruit te lopen op de uitkomst van de door partijen al aanhangig gemaakte bodemprocedure met betrekking tot het ontslag op staande voet.

5.11

Nu aan [verweerder] genoemde vergoeding zal worden toegekend dient aan OCB een termijn te worden verleend, waarbinnen zij bevoegd is het verzoek in te trekken.

5.12

Gelet op de aard van de procedure zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te melden wijze. Indien OCB het verzoek intrekt, zal zij evenwel in de proceskosten worden veroordeeld.

6 De beslissing

De kantonrechter:

  • -

    stelt OCB in de gelegenheid het verzoek in te trekken door middel van een uiterlijk op donderdag 14 augustus 2014 te 12.00 uur ter griffie te ontvangen schriftelijke mededeling met gelijktijdige toezending van een afschrift daarvan aan de wederpartij;

  • -

    veroordeelt in dat geval OCB in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] vastgesteld op € 1.500,00 aan salaris voor de gemachtigde;

en voor het geval het verzoek niet wordt ingetrokken:

  • -

    ontbindt - uitsluitend voor geval dat later tussen partijen onaantastbaar komt vast te staan dat de arbeidsovereenkomst nog voortduurt na 16 april 2014 - deze overeenkomst met ingang van 1 september 2014;

  • -

    kent in dat geval aan verweerder [verweerder] ten laste van OCB een vergoeding toe ten bedrage van € 36.500,00 bruto en veroordeelt OCB deze aan [verweerder] te betalen nadat voormelde voorwaarde is vervuld;

  • -

    bepaalt dat elk der partijen de eigen kosten van deze procedure draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.F. Lubberink en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

443/551