Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:9534

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-11-2014
Datum publicatie
27-11-2014
Zaaknummer
ROT 14/2282
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Telecommunicatiewet. Bestuurlijke boete. Eiser is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar. Artikel 6:9, tweede lid, van de Awb is naar analogie van toepassing op het aanvullen van de gronden van een bezwaar- of beroepschrift en machtiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 14/2282

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 november 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: A.J. Veninga,

en

de minister van Economische Zaken, Agentschap Telecom, verweerder,

gemachtigden: mr. F. de Jong en mr. S. Hamstra.

Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 20 december 2013 (het primaire besluit) niet-ontvankelijk verklaard vanwege het niet tijdig indienen van de bezwaargronden en een machtiging waaruit blijkt dat A.J. Veninga (Veninga) bevoegd is namens eiser bezwaar in te dienen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2014. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Bij besluit van 20 december 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser een bestuurlijke boete opgelegd van € 11.377,- en een last onder dwangsom wegens illegale uitzendingen in de FM-omroepband.

2. Bij brief van 19 januari 2014, bij verweerder ingekomen op 22 januari 2014, heeft

Veninga namens eiser bezwaar gemaakt.

3. Bij brief van 31 januari 2014 heeft verweerder eiser een ontvangstbevestiging gestuurd, waarin is gevraagd om een machtiging, waaruit blijkt dat Veninga bevoegd is namens eiser bezwaar in te dienen. Voorts is in deze brief aangegeven dat de gronden ontbreken. Hierbij is verder aangegeven dat deze verzuimen uiterlijk 24 februari 2014 door de afdeling Juridische Zaken moeten zijn ontvangen. Verweerder heeft daarbij vermeld dat indien eiser hieraan niet voldoet, eiser er rekening mee moet houden dat het bezwaar niet-ontvankelijk wordt verklaard.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard onder de overweging dat de bezwaargronden en een machtiging niet tijdig zijn ingediend.

5. In beroep heeft eiser – kort samengevat – aangevoerd dat de nadere gronden bij verweerder, en niet bij de afdeling Juridische Zaken, ingediend hadden moeten worden. Het tijdig ontvangen van de post kan niet afhankelijk worden gesteld van eventuele vertraging bij de interne postbezorging van verweerder. Volgens eiser is de door verweerder gestelde termijn te kort geweest. Daarnaast is er geen rekening gehouden met het feit dat 24 februari 2014 een maandag is. Volgens eiser is de postbezorging in het weekend niet meer op het niveau van eerdere tijden. Wellicht wordt er op een maandag ook geen post bij verweerder bezorgd. Verweerder heeft eiser geen afschrift uit het postregister overgelegd waaruit zou blijken dat de brief bij verweerder op 25 februari 2014 is ingekomen. Als de brief door PostNL op 24 februari 2014 is gestempeld heeft eiser het geheel der handelingen verricht die noodzakelijk zijn geweest om de brief in het postcircuit te laten komen, aldus eiser. Volgens eiser heeft verweerder de toepassing van de ‘kan-bepaling’ in het kader van een niet-ontvankelijkverklaring niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd. Tijdens het opstellen van de brief van 22 februari 2014 kon eiser geen redenen opgeven om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten, omdat hij niet wist dat het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard zou worden. Eiser is van mening dat de brief wel tijdig is ingediend.

6. Op grond van artikel 2:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een ieder zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.

Op grond van het tweede lid van dit artikel kan het bestuursorgaan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen.

Op grond van artikel 6:5, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, wordt het beroepschrift ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van het besluit waartegen het beroep is gericht;

d. de gronden van het beroep.

Op grond van artikel 6:6 van de Awb kan, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, dit bezwaar of beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

Op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Op grond van het tweede lid van artikel 6:9 van de Awb is een bezwaar-of beroepschrift bij verzending per post tijdig ingediend, indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

7. Gelet op de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 29 juli 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU2587, is artikel 6:9, tweede lid, van de Awb naar analogie van toepassing op het aanvullen van de gronden van een bezwaar- of beroepschrift. De rechtbank vermag niet in te zien waarom dat anders zou zijn voor de gevraagde machtiging.

8. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 augustus 2011 in zaak nr. 201011168/1/H3) hanteert de Afdeling als uitgangspunt dat een via PostNL verzonden poststuk in ieder geval geacht wordt tijdig ter post te zijn bezorgd als het de eerste of tweede werkdag na de laatste dag van de bezwaar- of beroepstermijn is ontvangen, tenzij op grond van de vaststaande feiten aannemelijk is dat het later dan de laatste dag van de termijn ter post is bezorgd.

De Afdeling heeft voorts overwogen (uitspraak van 12 oktober 2011 in zaak nr. 201102385/1/R4) dat terpostbezorging plaatsvindt op het moment waarop een poststuk in een brievenbus van PostNL wordt gedeponeerd dan wel op het moment waarop het op een postvestiging van PostNL wordt aangeboden. Het poststempel van PostNL is veelal het enige vaststaande gegeven met betrekking tot het tijdstip van postbezorging. In verband daarmee moet in gevallen waarin op de enveloppe een leesbaar poststempel is geplaatst, als bewijsrechtelijk uitgangspunt worden genomen dat terpostbezorging heeft plaatsgevonden op de dag waarop het desbetreffende poststuk door PostNL is afgestempeld.

9. Nu verweerder bij brief van 31 januari 2014 eiser in de gelegenheid heeft gesteld tot uiterlijk 24 februari 2014 de gronden van het bezwaar en een machtiging in te dienen, moet eisers brief van 20 februari 2014, gelet op het voorgaande, uiterlijk op

24 februari 2014 ter post zijn bezorgd, welke brief in dat geval niet later dan een week na afloop van de termijn moet zijn ontvangen.

10. Aangezien eisers brief van 20 februari 2014 door PostNL op 24 februari 2014 is afgestempeld en op 25 februari 2014 door verweerder is ontvangen, is naar het oordeel van de rechtbank de bezwaargronden en machtiging tijdig ingediend. Verweerder heeft eiser ten onrechte op die grond niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaren. Eisers beroep slaagt.

11. Gelet op het bovenstaande dient het beroep gegrond te worden verklaard.

12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond,

  • -

    vernietigt het bestreden besluit,

  • -

    bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak,

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 165,- vergoedt,

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 974,-, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.I. van Strien, rechter, in aanwezigheid van

R.P. Evegaars, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 november 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.