Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:9527

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-11-2014
Datum publicatie
12-01-2015
Zaaknummer
ROT 14-2904
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2016:2616, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wbad eindigt het recht op wachtgeld met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgende op die waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. De omstandigheid dat de rechtspositie van defensiepersoneel is afgescheiden van die van rijksambtenaren, op wie het Rijkswachtgeldbesluit 1959 van toepassing is, waarbij de AOW-gerechtigde leeftijd is opgeschoven tot 67 jaar, maakt het voorgaande niet anders. Het opschuiven van de AOW-gerechtigde leeftijd naar 67 jaar vormt op zichzelf geen beletsel voor ongewijzigde toepassing van het Wbad, ook omdat het ABP-pensioen nog steeds ingaat bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar. Eiser zou er desgewenst voor kunnen kiezen gebruik te maken van de overbruggingsregeling van het ABP. Dat de beëindiging van het recht op wachtgeld is gekoppeld aan het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd volgt niet uit artikel 17 van het Wbad. De situatie van eiser kan niet worden gezien als een bijzonder geval als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van het Wbad, nu deze geldt voor alle rechthebbenden op wachtgeld, die wachtgeld ontvangen tot hun 65e jaar en pas AOW ontvangen vanaf hun 67e jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2015/46
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 14/2904

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 november 2014 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

gemachtigde: mr. A. van der Plas,

en

de minister van Defensie, verweerder,

gemachtigde: H. Hendriks.

Procesverloop

Bij besluit van 25 maart 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 15 november 2013 (het primaire besluit) ongegrond verklaard. Het primaire besluit strekt tot toekenning van wachtgeld op grond van het Wachtgeldbesluit burgerlijke ambtenaren defensie (Wbad), over de periode van 1 november 2013 tot 1 maart 2026.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is bij besluit van [datum 1] eervol ontslag verleend wegens overtolligheid in de zin van artikel 116, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie (Bard), met ingang van 1 november 2013. Op 29 oktober 2013 heeft eiser een aanvraag om wachtgeld ingediend.

2. Verweerder handhaaft in het bestreden besluit het standpunt dat de einddatum van het wachtgeld terecht op 1 maart 2026 is gesteld omdat eiser op [datum 2] de leeftijd van 65 jaar bereikt.

3. De rechtbank stelt vast dat de hoogte van het wachtgeld tussen partijen niet langer in geschil is.

4. De beroepsgrond dat eiser ten onrechte slechts wachtgeld tot 1 maart 2026 wordt toegekend, faalt.

4.1.

Op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wbad eindigt het recht op wachtgeld met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgende op die waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Voor eiser betekent dit dat zijn recht op wachtgeld eindigt met ingang van 1 maart 2026. Verweerder heeft eiser dan ook terecht tot die datum wachtgeld toegekend. De omstandigheid dat de rechtspositie van defensiepersoneel is afgescheiden van die van rijksambtenaren, op wie het Rijkswachtgeldbesluit 1959 van toepassing is, waarbij de AOW-gerechtigde leeftijd is opgeschoven tot 67 jaar, maakt het voorgaande niet anders. Het opschuiven van de

AOW-gerechtigde leeftijd naar 67 jaar vormt op zichzelf geen beletsel voor ongewijzigde toepassing van het Wbad, ook omdat het ABP-pensioen nog steeds ingaat bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar. Eiser zou er desgewenst voor kunnen kiezen gebruik te maken van de overbruggingsregeling van het ABP. Dat de beëindiging van het recht op wachtgeld is gekoppeld aan het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd volgt niet uit artikel 17 van het Wbad.

4.2.

De rechtbank merkt verder nog op dat momenteel overleg gaande is tussen het ministerie van Defensie en de centrales van overheidspersoneel om voor betrokkenen met een AOW-gat van drie maanden of meer naar een structurele oplossing te zoeken. Daarbij is met de centrales besproken dat bij deze oplossing de brede discussie over de pensioen- en diensttijdregelingen wordt betrokken. Tot die tijd worden volgens verweerder geen individuele regelingen getroffen. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat men ernaar streeft om uiterlijk 1 januari 2016 tot een akkoord te komen.

5. De beroepsgrond dat eiser inkomensschade lijdt, omdat hij niet tijdig in de gelegenheid is gesteld financiële maatregelen te treffen, faalt.

5.1.

Eiser heeft zich al voor de aanvraag om wachtgeld kunnen oriënteren op zijn rechtspositie en de gevolgen van het ontslag voor zijn inkomen. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij op dit moment (weer) werk heeft en daarnaast gebruik kan maken van de loonsuppletieregeling.

6. Het beroep van eiser op de hardheidsclausule van artikel 9, zesde lid, van het Wbad faalt.

6.1.

Op grond van deze bepaling kan verweerder in bijzondere gevallen na afloop van de in het eerste en tweede lid bedoelde termijnen de duur van het wachtgeld verlengen. Niet ten onrechte heeft verweerder erop gewezen dat met bijzondere gevallen wordt bedoeld dat in een individuele situatie van een betrokkene de uitkeringsduur kan worden verlengd, en dat de situatie van eiser niet kan worden gezien als een bijzonder geval, nu deze geldt voor alle rechthebbenden op wachtgeld, die wachtgeld ontvangen tot hun 65e jaar en pas AOW ontvangen vanaf hun 67e jaar.

7. Het beroep is daarom ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Woudstra, rechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 november 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.