Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:9512

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-11-2014
Datum publicatie
26-11-2014
Zaaknummer
- 14 _ 1798, -14_ 2110
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Berisping: Verdergaande privécontacten met een leerling dan gebruikelijk is. Eiser (een leraar) had gelet op het ongebruikelijke karakter van deze privécontacten verweerder in ieder geval over de gezamenlijke reis met de leerling moeten informeren, juist ter vermijding van de schijn van een niet-geoorloofde relatie. Terecht aan eiser verweten dat (mede) door het niet-melden van de privécontacten de schijn van een ongeoorloofde relatie is ontstaan. Dat niet is gebleken van grensoverschrijdend gedrag in de relatie tot de leerling en dat de verdenking van een seksuele relatie naar eiser stelt slechts is ontstaan door een melding van een rancuneuze collega, doet niet af aan eisers verantwoordelijkheid om verweerder te informeren over de (voorgenomen) reis. Verweerder heeft in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegd eiser disciplinair te straffen wegens plichtsverzuim, schriftelijke berisping is evenredig aan de aard en ernst van het plichtsverzuim.

Ongeschiktheidsontslag: Er was geen sprake van nieuwe omstandigheden waaruit volgt dat verweerder, die eerder volstond met een berisping, in de door eiser bij brief van 26 november 2013 herhaalde visie op het gebeurde, nu grond kon zien hem te ontslaan wegens ongeschiktheid voor zijn functie. Niet onbegrijpelijk dat eiser hangende het onderzoek van het Openbaar Ministerie bereid was mee te werken aan overplaatsing, maar de noodzaak daartoe niet meer zag nadat was gebleken dat het Openbaar Ministerie van verder onderzoek en/of vervolging naar aanleiding van de aangifte zou afzien. Daarnaast meende eiser dat hij zich reeds tot verbetering had verbonden door de aanvaarding van de opdracht van verweerder van 3 juli 2013. Eiser heeft geen handtekening gezet onder enig document terwijl evenmin is gebleken dat hij heeft toegezegd dat te doen, zodat het intrekken door eiser van zijn oorspronkelijk instemming met een (tijdelijke) overplaatsing naar een andere locatie en zijn weigering om het verbeterplan te ondertekenen, niet verweerders conclusie wettigt dat eiser ongeschikt is voor zijn functie. Eiser heeft daarnaast gesteld dat hij de opdracht om zich te houden aan hetgeen in de gedragscode is opgenomen over privécontacten met leerlingen zal respecteren en naleven. In dat licht is de constatering van verweerder dat eiser geen zelfreflectie toont, althans niet bereid is zich voortaan te voegen naar verweerders visie op (bijvoorbeeld) contacten met leerlingen, onvoldoende onderbouwd.

Ontslag op andere gronden, bestaan impasse: Verweerder heeft de verwijtbaarheid van de gedraging reeds verdisconteerd in de opgelegde disciplinaire maatregel van een schriftelijke berisping, zodat deze gedraging in beginsel niet ook aan een ontslag wegens gewichtige redenen ten grondslag kan worden gelegd. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over het ontbreken van wezenlijk nieuwe elementen in de aanvullende gronden van bezwaar van 26 november 2013 kan uit het indienen van deze gronden niet worden geconcludeerd dat een impasse is ontstaan. Eiser heeft voorts gesteld dat hij zich heeft geconformeerd aan de gedragscode en zich daaraan voortaan ook zal blijven houden. Verweerder heeft niet voldoende onderbouwd waarom hij aan deze toezegging van eiser geen waarde (meer) hecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Zittingsplaats Dordrecht

Team Bestuursrecht 2

zaaknummers: ROT 14/1798 en ROT 14/2110

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 november 2014 in de zaken tussen

[eiser]

gemachtigde: mr. J.J.M. Vrancken,

en

het College van Bestuur van [school], te [plaats], verweerder,

gemachtigde: mr. S.A. Geerdink.

Procesverloop

Bij besluit van 17 september 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser wegens plichtsverzuim de disciplinaire straf van een schriftelijke berisping opgelegd.

Bij besluit van 27 januari 2014 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit I op 7 maart 2014 beroep ingesteld (zaaknummer AWB 14/1798).

Bij besluit van 22 januari 2014 (het bestreden besluit II) heeft verweerder de aanstelling van eiser per 1 februari 2014 beëindigd wegens ongeschiktheid voor de functie, dan wel wegens gewichtige redenen bestaande uit een impasse die een succesvol functioneren in de weg staat.

Eiser heeft met instemming van verweerder tegen het bestreden besluit II op 26 februari 2014 rechtstreeks beroep ingesteld (zaaknummer AWB 14/2110).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door [a], voorzitter van het College van Bestuur en[b], adjunct directeur.

Overwegingen

1.1

Eiser is door de rechtsvoorganger van verweerder in 1998 aangesteld als leraar aan [school] te [plaats] (de school).

1.2

Naar aanleiding van een melding van de externe vertrouwenspersoon dat eiser mogelijk betrokken is bij een zedendelict, heeft er op 31 mei 2013 een gesprek met eiser plaatsgevonden, waarvan een verslag is gemaakt. Bij besluit van 31 mei 2013 heeft verweerder eiser bij wijze van ordemaatregel geschorst. De school heeft aangifte gedaan bij de politie.

1.3

Eiser heeft op 12 juni 2013 in een schriftelijke reactie op de schorsing gemeld het met de schorsing niet eens te zijn en de aangevoerde gronden daarvoor te bestrijden. Voorts heeft eiser zich beschikbaar gesteld voor werk. Op 21 juni 2013 heeft er tussen verweerder en eiser een gesprek plaats gevonden, waarvan geen verslag is gemaakt.

1.4

Bij brief van 3 juli 2013 heeft verweerder het voornemen tot het opleggen van een disciplinaire sanctie, inhoudend een schriftelijke berisping, aan eiser verzonden. Daarbij is aan eiser de opdracht gegeven zich met ingang van 3 juli 2013 te onthouden van elk één‑op‑één‑contact met leerlingen op school en daarbuiten. Daarnaast dient eiser zich te houden aan de gedragscode 2013 van de medewerker op [school] (gedragscode). In deze gedragscode is onder meer vermeld dat de[medewerker] leerlingen op een prettige respectvolle wijze behandelt, maar niet als vrienden; dat hij zorgt voor een gezonde professionele afstand tot leerlingen, en dat hij vermenging voorkomt van privé en beroepsmatig handelen.

1.5

Bij besluit van 9 juli 2013 heeft verweerder de schorsing van eiser beëindigd.

1.6

Eiser heeft op 18 juli 2013 zijn zienswijze gegeven op het voornemen van 3 juli 2013.

1.7

Eiser heeft met ingang van 1 september 2013 zijn werkzaamheden weer hervat.

Op verzoek van verweerder heeft eiser na ongeveer 1,5 week zijn werkzaamheden gestaakt en is hem betaald verlof verleend.

1.8

Vervolgens heeft verweerder op 17 september 2013 het besluit genomen eiser te berispen.

1.9

Bij brief van 27 september 2013 heeft eiser gemotiveerd betwist dat er sprake is van plichtsverzuim en heeft hij verweerder verzocht opnieuw te werk gesteld te worden.

Na overleg tussen partijen heeft de gemachtigde van verweerder per e-mail, verzonden op 18 oktober 2013, aan de gemachtigde van eiser de mondelinge afspraak bevestigd over overplaatsing naar een andere locatie.

1.10

Bij brief van 29 oktober 2013 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

1.11

Partijen hebben geen overeenstemming bereikt over de door verweerder op 7 november 2013 aan eiser voorgelegde concept-vaststellingsovereenkomst, het concept van het gezamenlijk communiqué voor de medewerkers van de school en het concept verbeterplan schooljaar 2013-2014.

1.12

Verweerder heeft eiser op 22 november 2014 telefonisch gemeld dat het Openbaar Ministerie geen aanleiding ziet om verder onderzoek te doen naar de aangifte tegen eiser.

1.13

Bij brief van 26 november 2013 heeft eiser de gronden van zijn bezwaar tegen het primaire besluit aangevuld.

1.14

Bij brief van 29 november 2013 heeft eiser gesteld geen reden meer te zien om mee te werken aan de tewerkstelling op een andere locatie of aan een verbetertraject.

1.15

Op 16 december 2013 heeft voornemen tot ontslag bekend gemaakt.

1.16

De hoorzitting in verband met het bezwaar tegen de berisping heeft op 18 december 2013 plaatsgevonden.

1.17

Vervolgens heeft verweerder op 22 januari 2014 het ontslagbesluit (bestreden besluit II) genomen.

1.18

De beslissing op bezwaar inzake de berisping heeft verweerder op 27 januari 2014 genomen (bestreden besluit I).

De schriftelijke berisping

2. Aan het bestreden besluit I heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim door het onderhouden van privécontacten met een minderjarige leerling van de school, onder meer door het maken van een gezamenlijke reis naar de Verenigde Staten van Amerika, zonder dat de ouders daarbij aanwezig waren. Eiser heeft door zijn handelen de schijn van een niet-passende relatie gewekt, die een negatieve uitstraling heeft op de professionaliteit van eiser en op de school.

3. Volgens artikel 9.a.7, tweede lid, van de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor het voortgezet onderwijs (de CAO VO) wordt onder plichtsverzuim verstaan het overtreden van de voor de werknemer geldende voorschriften, het niet nakomen van hem opgelegde verplichtingen, alsmede het doen of nalaten van datgene dat de werknemer bij een goede uitoefening van zijn functie behoort na te laten of te doen.

4. Eiser betoogt tevergeefs dat hij zich niet aan plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt.

Het contact van eiser met de minderjarige leerling ging naar het oordeel van de rechtbank verder dan in het algemeen gebruikelijk is in een verhouding tussen leraar en minderjarige leerling, zoals met name blijkt uit het ondernemen van een gezamenlijke reis buiten Europa zonder de ouders van de minderjarige. Dat deze contacten voortkwamen uit de vriendschap van eiser met de moeder van de leerling maakt het ontstaan van dit contact wellicht verklaarbaar, maar doet niet af aan het ongebruikelijke karakter ervan. Eiser had gelet op het ongebruikelijke karakter van deze privécontacten verweerder in ieder geval over de gezamenlijke reis met de leerling moeten informeren, juist ter vermijding van de schijn van een niet-geoorloofde relatie. Voor een goede uitoefening van zijn functie was dit melden noodzakelijk, zoals eiser had kunnen en moeten begrijpen. Dat de ouders van de minderjarige leerling toestemming hadden gegeven voor de reis en op de hoogte waren van de overige privécontacten van eiser met de minderjarige leerling, zoals eiser stelt, leidt volgens de rechtbank niet tot een andere conclusie, nu eiser hierin ook een verantwoordelijkheid had jegens de school.

Verweerder heeft terecht aan eiser verweten dat (mede) door het niet-melden van de privécontacten de schijn van een ongeoorloofde relatie is ontstaan. Eiser heeft nagelaten hetgeen hij als goed werknemer bij de uitoefening van zijn functie had behoren te doen, zodat verweerder terecht heeft geconstateerd dat er sprake is van plichtsverzuim. Gesteld noch gebleken is dat eiser daarvan geen verwijt kan worden gemaakt. Dat niet is gebleken van grensoverschrijdend gedrag in de relatie tot de leerling en dat de verdenking van een seksuele relatie naar eiser stelt slechts is ontstaan door een melding van een rancuneuze collega, doet niet af aan eisers verantwoordelijkheid om verweerder te informeren over de (voorgenomen) reis.

Verweerder heeft in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegd eiser disciplinair te straffen wegens plichtsverzuim en stelt zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt dat een schriftelijke berisping evenredig is aan de aard en ernst van het plichtsverzuim.

5. Hetgeen eiser overigens tegen het bestreden besluit I heeft aangevoerd, behoeft in dit licht geen bespreking. Het beroep tegen het bestreden besluit I is ongegrond.

Het ontslag

6. Aan het bestreden besluit II heeft verweerder ten grondslag gelegd dat er sprake is van een impasse, nu uit de gronden van het bezwaar van 26 november 2013 en de brief van eiser van 29 november 2013 voortvloeit dat eiser meent dat het bij de uitoefening van zijn functie past (of geoorloofd is) om buiten schooltijd één op één contacten te onderhouden met een leerling en met een minderjarige leerling op vakantie te gaan buiten de aanwezigheid van diens ouders. Dit geeft verweerder geen vertrouwen dat herhaling kan worden voorkomen en verbetering kan worden gerealiseerd, nu eiser wezenlijk anders denkt over hetgeen zich heeft voorgedaan dan verweerder en over wat de school van eiser verwacht. Daar komt bij dat eiser geen zelfreflectie toont, zodat een verbetering van zijn functioneren niet kan worden verwacht. Een verbetertraject acht verweerder daarom niet opportuun. Eiser is ongeschikt voor zijn functie. Volgens verweerder is gebleken dat de noodzakelijke basis van vertrouwen dat eiser voortaan zijn functie zal vervullen op een wijze die de school van een goed docent verwacht, conform het binnen de school geldende beleid, ontbreekt. De school kan daarom niet instaan voor een veilige werk- en leeromgeving vanwege de opvattingen van eiser over de omgang met een minderjarige, op grond waarvan niet kan worden verwacht dat zij de aanstelling van eiser continueert.

7. Op grond van artikel 9.b.3., aanhef en onder 7 en 12 van de CAO VO, voor zover hier van belang, kan de werknemer ontslag worden verleend wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het verrichten van zijn functie uit anderen hoofde dan ziekte of gebreken dan wel op grond van andere met name genoemde en aan de betrokkene schriftelijk meegedeelde redenen van gewichtige aard.

Het ongeschiktheidsontslag

8. De beroepsgrond dat het ongeschiktheidsontslag op onvoldoende gronden berust, slaagt.

8.1.

Ten tijde van het bekendmaken van het voornemen tot ontslag lag de vraag nog bij verweerder ter heroverweging in bezwaar voor of eiser zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim door geen melding te maken van de voorgenomen reis met een minderjarige leerling. Eiser heeft in zijn aanvullende gronden van bezwaar van 26 november 2013 geen wezenlijk andere standpunten naar voren gebracht dan hij eerder reeds had ingenomen, waarbij de rechtbank met name verwijst naar eisers brief van 27 september 2013 en de schriftelijke zienswijze van eiser op het voornemen tot berisping. Nu verweerder in de eerdere uitingen van eiser geen reden heeft gezien om af te zien van overleg over een regeling, waarbij onder meer tewerkstelling op een andere locatie is besproken, kan de inhoud van de aanvullende gronden van 26 november 2013 geen grondslag vormen voor het besluit tot ongeschiktheidsontslag. Dat eiser meende dat zijn contacten met de minderjarige leerling passend waren en niet gemeld hoefden te worden, wist verweerder al toen hij eiser berispte. Er was geen sprake van nieuwe omstandigheden waaruit volgt dat verweerder, die eerder volstond met een berisping, in de door eiser bij brief van 26 november 2013 herhaalde visie op het gebeurde, nu grond kon zien hem te ontslaan wegens ongeschiktheid voor zijn functie.

8.2.

Evenmin kan in eisers brief van 29 november 2013 een grondslag worden gevonden voor het ongeschiktheidsontslag. De rechtbank acht het niet onbegrijpelijk dat eiser hangende het onderzoek van het Openbaar Ministerie bereid was mee te werken aan overplaatsing, maar de noodzaak daartoe niet meer zag nadat was gebleken dat het Openbaar Ministerie van verder onderzoek en/of vervolging naar aanleiding van de aangifte zou afzien. De rechtbank acht het niet onredelijk dat eiser nader overleg wenste met verweerder in het licht van deze nieuwe ontwikkeling. Daarnaast meende eiser dat hij zich reeds tot verbetering had verbonden door de aanvaarding van de opdracht van verweerder van 3 juli 2013. Eiser heeft geen handtekening gezet onder enig document terwijl evenmin is gebleken dat hij heeft toegezegd dat te doen, zodat het intrekken door eiser van zijn oorspronkelijk instemming met een (tijdelijke) overplaatsing naar een andere locatie en zijn weigering om het verbeterplan te ondertekenen, niet verweerders conclusie wettigt dat eiser ongeschikt is voor zijn functie.

8.3.

Eiser heeft daarnaast gesteld dat hij de opdracht om zich te houden aan hetgeen in de gedragscode is opgenomen over privécontacten met leerlingen zal respecteren en naleven. In dat licht is de constatering van verweerder dat eiser geen zelfreflectie toont, althans niet bereid is zich voortaan te voegen naar verweerders visie op (bijvoorbeeld) contacten met leerlingen, onvoldoende onderbouwd. De rechtbank merkt hierbij terzijde op dat eiser geen bezwaar heeft gemaakt tegen de opdracht van 3 juli 2013 van verweerder of tegen de toepassing van de gedragscode.

8.4.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het ongeschiktheidsontslag geen stand houdt.

Het ontslag wegens gewichtige redenen

9. De beroepsgrond dat er geen sprake is van een impasse tussen partijen waardoor het ontslag wegens gewichtige redenen geen stand houdt, slaagt eveneens.

9.1.

Er is sprake van een impasse indien een voldoende mate van vruchtbare samenwerking tussen partijen niet meer tot de mogelijkheden behoort. Dat daarvan ten tijde van het voornemen tot het ontslag of het bestreden besluit II sprake was, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gebleken.

Verweerder heeft de verwijtbaarheid van de gedraging reeds verdisconteerd in de opgelegde disciplinaire maatregel van een schriftelijke berisping, zodat deze gedraging in beginsel niet ook aan een ontslag wegens gewichtige redenen ten grondslag kan worden gelegd.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over het ontbreken van wezenlijk nieuwe elementen in de aanvullende gronden van bezwaar van 26 november 2013 kan uit het indienen van deze gronden niet worden geconcludeerd dat een impasse is ontstaan.

Eiser heeft voorts gesteld dat hij zich heeft geconformeerd aan de gedragscode en zich daaraan voortaan ook zal blijven houden. Verweerder heeft niet voldoende onderbouwd waarom hij aan deze toezegging van eiser geen waarde (meer) hecht. Dat eiser in het verleden meerdere malen is aangesproken op het opnemen van verlof tijdens schooltijden, is daartoe niet voldoende, nu uit de discussies met eiser in het verleden niet kan worden afgeleid dat eiser zich in dit geval (dat van een andere orde is) niet zou houden aan de door verweerder gewenste houding van een leraar.

Evenmin volgt het ontstaan van de impasse uit de brief van eiser van 29 november 2013. Weliswaar volgt uit deze brief dat eiser niet bereid meer was om mee te werken aan overplaatsing naar een andere locatie en dat eiser geen nut zag in het ondertekenen van schriftelijke afspraken over een verbetertraject, doch deze mededelingen staan in de context van het nieuws dat het Openbaar Ministerie eiser niet strafrechtelijk zou vervolgen. Door vervolgens, zonder enig nader overleg met eiser, te concluderen dat er geen gesprek meer mogelijk was over de voorwaarden waaronder eiser opnieuw te werk gesteld zou kunnen worden, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onzorgvuldig gehandeld.

9.2.

Gelet op het voorgaande houdt ook het ontslag wegens gewichtige redenen omdat sprake zou zijn van een impasse die een succesvol functioneren in de weg staat, geen stand. Het beroep tegen het bestreden besluit II is gegrond.

10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser in zaak AWB 14/2110 gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,- en wegingsfactor 1). De overige door eiser genoemde kosten, te weten € 180,- aan reis-en verblijfskosten, komen bij gebrek aan onderbouwing slechts gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking, te weten tot een bedrag van (twee maal € 5,82) € 11,64 aan reiskosten openbaar vervoer.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I (zaak AWB 14/1798) ongegrond;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II (zaak AWB 14/2110) gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit II;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 985,64 te voldoen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.C. van Nifterick, voorzitter, en mr. B. van Velzen en mr. A.G. van Malenstein, leden, in aanwezigheid van mr. M.L. Bosman-Schouten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 november 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.