Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:9432

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-11-2014
Datum publicatie
20-11-2014
Zaaknummer
10/711117-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling seksueel binnendringen met iemand onder 12 jaar; goede reden voor de afwijzing van het verzoek om een minderjarige te horen; verklaring minderjarige niet doorslaggevend voor bewijs; gelet op gewicht verklaring minderjarige voldoende compensatie geboden voor niet kunnen ondervragen door verdediging; gebruik kennelijk leugenachtige verklaring verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/711117-13

Datum uitspraak: 20 november 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Bondsrepubliek Duitsland) op [geboortedatum] 1964,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres:

[adres en woonplaats],

preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel, te Krimpen aan den IJssel,

raadsman mr. G.S.J. van Gestel, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 13 maart, 25 mei, 21 augustus en 6 november 2014.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. S.S. Hensels-van Straaten heeft gerekwireerd tot:

- vrijspraak van het onder 2. ten laste gelegde;

- bewezenverklaring van het onder 1. primair ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van Reclassering Nederland en zich zal laten behandelen bij het Dok;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

MOTIVERING VRIJSPRAAK

De rechtbank acht, met de officier van justitie en de raadsvrouw niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 2. ten laste is gelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1. primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

primair

hij, in of omstreeks de periode van 1 mei 2013 tot en met 10 mei 2013 te

Spijkenisse, met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [benadeelde partij],

geboren op [geboortedatum 1] 2004, handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit

of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die

[benadeelde partij], namelijk het: betasten van en/of wrijven over de borsten en/of de vagina van die [benadeelde partij] en/of brengen van zijn, verdachtes, penis tegen en/of in de vagina van die

[benadeelde partij] en/of brengen en/of houden van een of meer vinger(s) in de vagina

en/of tussen de schaamlippen van die [benadeelde partij].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen en de voor de bewezenverklaring redengevende inhoud daarvan zijn weergegeven in de aan dit vonnis gehechte bijlage II. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

NADERE BEWIJSOVERWEGINGEN

De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaring van [benadeelde partij] niet voor het bewijs kan worden gebruikt omdat zij de minderjarige niet zelf heeft kunnen horen, waardoor zij [benadeelde partij] niet heeft kunnen confronteren met tegenstrijdigheden in het dossier. Gelet op de jurisprudentie van het EHRM en de recente uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland kan onder die omstandigheden niet van een eerlijk proces gesproken worden en dient die verklaring te worden uitgesloten van het bewijs.

De rechtbank overweegt dat uit de jurisprudentie van het EHRM volgt en meer in het bijzonder uit het arrest D.T. tegen Nederland met nummer 25307/10 van 2 april 2013 dat rekening gehouden zal moeten worden met de vraag of er een goede reden is voor de afwijzing van het verzoek om een minderjarige te horen; of het bewijsmateriaal gegeven door de minderjarige de enige of van doorslaggevende basis is voor de veroordeling van verdachte en of er voldoende compenserende maatregelen zijn getroffen, zodat er een eerlijke en juiste beoordeling van de betrouwbaarheid van bewijs kan plaatsvinden.

Goede reden afwijzing

Allereerst dient de vraag beantwoord te worden of er een goede reden is voor de afwijzing van het verzoek om [benadeelde partij] (nogmaals) te horen. De rechtbank overweegt dat [benadeelde partij] in een studioverhoor is verhoord. Dit verhoor is volgens de regelen der kunst afgenomen. Dat blijkt uit de transcriptie van dit verhoor, maar ook uit het onderzoek dat de deskundige dr. G. Wolters heeft verricht. Hij heeft de verklaring van [benadeelde partij] beoordeeld op betrouwbaarheid, mede in het licht van de overige stukken van het dossier. Daarnaast heeft hij ook een oordeel gegeven ten aanzien van de wenselijkheid van het opnieuw horen van [benadeelde partij]. Betreffende het opnieuw horen van [benadeelde partij], heeft de deskundige overwogen dat het gevaar van het meermaals verhoren van kinderen is dat zij suggesties gaan overnemen en zich onder druk gezet voelen om hun verklaringen aan te passen bij wat zij denken dat de ondervrager wil horen. Daarbij komt dat in dit specifieke geval aan [benadeelde partij] bij de voorbereiding van het studioverhoor nadrukkelijk is verteld dat ze het één keer moet vertellen en dat ze er dan zand over kan doen, aldus de deskundige. In het eerste studioverhoor heeft [benadeelde partij] duidelijke en gedetailleerde uitspraken gedaan en er zijn geen aanwijzingen dat zij daarbij is beïnvloed of gestuurd. Daarom, en mede gelet op de tijd die intussen is verstreken, acht de deskundige een tweede verhoor niet opportuun.

Ten aanzien van de betrouwbaarheid heeft de deskundige eveneens overwogen dat de verklaringen van [benadeelde partij] in het studioverhoor duidelijk en gedetailleerd waren. De deskundige ziet ook geen enkele aanwijzing voor een mogelijke valse verklaring. De verklaringen van [benadeelde partij] zijn consistent met de verklaring van haar moeder bij de aangifte, aldus de deskundige. Geconcludeerd wordt door de deskundige dat de verklaringen afgelegd in het studioverhoor door [benadeelde partij] in hoge mate betrouwbaar zijn.

De hoge mate van betrouwbaarheid van de verklaring van [benadeelde partij] volgens de deskundige, in combinatie met het oordeel van de deskundige dat het niet opportuun is [benadeelde partij] een tweede maal te verhoren, zijn naar het oordeel van de rechtbank helder en duidelijk onderbouwd. De rechtbank neemt de oordelen van de deskundige op deze punten dan ook over. Gelet hierop ziet de rechtbank goede gronden om een nieuw verhoor van [benadeelde partij] af te wijzen.

Enige of doorslaggevende basis

Het studioverhoor van [benadeelde partij] is een belangrijke pijler voor een bewijsconstructie in de zaak tegen verdachte. Het is echter niet de enige pijler. In de eerste plaats vindt de verklaring van [benadeelde partij] steun in de verklaring van de getuige [Getuige 1], de moeder van [benadeelde partij]. Daarnaast hecht de rechtbank zeer grote waarde aan de verklaring van verdachte. Verdachte heeft verklaard dat er nooit iemand bij hem en zijn toenmalige partner heeft gelogeerd en dat hij getuige [Getuige 1] en [benadeelde partij] niet kent. Deze verklaring is naar het oordeel van de rechtbank in strijd met de waarheid, nu getuige [Getuige 2] heeft verklaard dat hij [benadeelde partij] heeft afgezet bij verdachte omdat [benadeelde partij] daar ging logeren. Daarnaast heeft de moeder van [benadeelde partij] eveneens verklaard dat zij en verdachte elkaar kenden, dat verdachte [benadeelde partij] kende en dat [benadeelde partij] begin mei 2013 bij verdachte en zijn toenmalige partner heeft gelogeerd. Dat verdachte over het enkele kennen van [benadeelde partij] en haar moeder en de logeerpartij een – gelet op overige bewijsmiddelen – leugenachtige verklaring aflegt, is dusdanig wezenlijk dat dit naar het oordeel van de rechtbank alleen tot doel kan hebben de waarheid te verdoezelen.

De verklaring van verdachte wordt door de rechtbank dan ook aangemerkt als een kennelijk leugenachtige verklaring. Als zodanig zal deze verklaring dan ook voor het bewijs worden gebezigd als zelfstandig bewijsmiddel.

De verklaring van getuige [Getuige 3] zal de rechtbank niet gebruiken voor het bewijs.

Gelet op het voorgaande is de verklaring van [benadeelde partij] wel belangrijk, maar niet doorslaggevend voor het bewijs.

Compenserende maatregelen

De verdediging heeft [benadeelde partij] niet kunnen ondervragen. Dit kan gecompenseerd worden op diverse wijzen. Gelet op het gewicht dat de rechtbank aan haar verklaring toekent, is de compensatie die aan de verdediging is geboden daarvoor voldoende. Immers, het studioverhoor van [benadeelde partij] is ten aanzien van de betrouwbaarheid door een deskundige onderzocht. Daarnaast is de verdediging in de gelegenheid geweest de getuige [Getuige 1] te ondervragen en, voor zover nog van belang, de getuige [Getuige 3].

Het verzoek van de verdediging om de deskundige te horen, dan wel een tweede deskundige te benoemen om de verklaring van [benadeelde partij] op zijn betrouwbaarheid te beoordelen, heeft de rechtbank ter zitting reeds afgewezen. De rechtbank heeft zelf een oordeel gevormd ten aanzien van de verklaring van [benadeelde partij]. Daarbij heeft de rechtbank het rapport van de deskundige wel betrokken. Zoals hierboven overwogen is het rapport helder en duidelijk. De rechtbank acht zich op grond hiervan dan ook voldoende voorgelicht. Bovendien zijn de nadien afgelegde verklaringen van de getuigen [Getuige 1] en [Getuige 3] op de wezenlijke onderdelen gelijk aan de eerder door hen afgelegde verklaringen, zodat deze na het rapport afgelegde verklaringen, naar het oordeel van de rechtbank, de betrouwbaarheid van de verklaring van [benadeelde partij] niet negatief beïnvloeden.

Zoals hierboven overwogen zal de rechtbank de verklaring van de getuige [Getuige 3] niet als bewijsmiddel bezigen en derhalve behoeft het desbetreffende verweer van de raadsman geen nadere bespreking.

Gelet op de verklaring van [benadeelde partij], de kennelijke leugenachtigheid van de verklaring van de verdachte, de verklaring van de moeder van [benadeelde partij] (getuige [Getuige 1]) en de verklaring van [Getuige 2] is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van de bewezen verklaarde verkrachting van [benadeelde partij]. [benadeelde partij] heeft verklaard dat zij op haar zij lag en dat verdachte achter haar ging liggen. Zij heeft niet gezien dat verdachte zijn kleding uit deed. Zij heeft gevoeld dat er iets in haar zat. Dit wist zij ook omdat verdachte dat tegen haar zei. Ook heeft [benadeelde partij] verklaard dat haar benen niet zijn verplaatst. Met de officier van justitie is de rechtbank dan ook van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte [benadeelde partij] heeft gepenetreerd met zijn penis, maar dat het aannemelijk is dat verdachte met zijn vinger(s) seksueel bij [benadeelde partij] is binnengedrongen.

STRAFBAARHEID FEIT

Het bewezen feit levert op:

1.

primair.

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan

uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ontuchtige handelingen. Verdachte heeft aldus een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en hij heeft diens lichamelijke integriteit aangetast. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan. Uit de toelichting op de vordering benadeelde partij blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is. De verdachte heeft daar onvoldoende oog voor gehad en deze belangen ondergeschikt gemaakt aan zijn eigen lustgevoelens.

Op een dergelijk feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van geruime duur.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in aanmerking genomen dat verdachte blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 15 oktober 2014 niet recentelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt d.d. 16 maart 2014. Dit rapport houdt het volgende in.

Verdachte heeft weliswaar huisvesting, maar het is hem momenteel onduidelijk of hij na zijn hechtenis en een eventuele detentie, deze nog zal hebben. Daarnaast speelt er een aanzienlijke schuldenlast op een beperkt inkomen. Voorts heeft verdachte rond 2010 omwille van persoonlijke omstandigheden zelf ontslag genomen bij zijn toenmalige sociale werkplaats en heeft hij sindsdien geen nieuw werk kunnen vinden. Naast het, wellicht teloor gegane, contact met deze partner heeft verdachte uitsluitend nog contact met zijn op leeftijd en ziek zijnde moeder en geen enkel contact meer met verdere familie en geen vrienden dan wel kennissen, waardoor een sociaal isolement een reële verwachting vormt met alle mogelijke risico's van dien. Behoudens de reeds genoemde verstandelijke beperkingen van verdachte lijkt er geen sprake te zijn van verdere psychische problematiek en lijkt er geen sprake te zijn van problematiek qua middelengebruik. Het recidiverisico wordt als hoog aangemerkt. Ondanks dat verdachte verkiest te zwijgen over onderhavige tenlastelegging en zijn delictgeschiedenis kan wel worden opgemerkt dat, indien veroordeeld, hij zich niet heeft laten remmen in zijn gedrag door meerdere eerdere justitiecontacten als gevolg van seksueel grensoverschrijdend gedrag richting minderjarigen.

Verdachte benadrukt meerdere malen bereid te zijn tot medewerking aan behandeling en begeleiding. Dit echter met de kanttekening dat dit, bekeken in het verlengde van zijn keuze om te zwijgen over eventueel delictgedrag, ook als sociaal wenselijk geïnterpreteerd kan worden dan wel anderszins ingegeven door redenen los van daadwerkelijke motivatie tot gedragsverandering. Geadviseerd wordt verdachte een meldplicht op te leggen en verdachte het Therapieprogramma Seksuele Delictplegers voor mindervaardigen (TSDmv) te laten volgen bij het DOK.

De psychiater H.T.J. Boerboom en klinisch psycholoog E.J. Muller hebben een rapportage pro justitia d.d. 24 oktober 2014 opgemaakt over verdachte. Dit rapport houdt het volgende in. Bij betrokkene is er sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van zwakbegaafdheid tot lichte zwakzinnigheid. Op dit beperkte intellectuele niveau heeft betrokkene zijn hele leven gefunctioneerd, dus ook ten tijde van het ten laste gelegde. Betrokkene heeft niet volledig meegewerkt aan het onderzoek. De ten laste gelegde feiten, maar ook de seksualiteit, konden niet besproken worden. De diagnostiek is derhalve onvolledig en er kan daardoor geen uitspraak worden gedaan over de doorwerking. Alleen de diagnose lichte zwakzinnigheid tot zwakbegaafdheid verklaart niet het seksueel overschrijdende gedrag (indien de ten laste gelegde feiten bewezen worden). Aangezien er te veel onzekerheden zijn over een eventuele doorwerking van de pathologie in de ten laste gelegde feiten, kan ook de kans op recidive, vanuit de pathologie, niet worden onderbouwd.

Gelet op de beperkte intelligentie van verdachte, zijn beperkte coping en zijn behoefte aan contact en ondersteuning zou praktische begeleiding op zijn niveau in zijn dagelijks functioneren bijvoorbeeld in de vorm van wonen in een beschermde woonvorm, vanuit welzijns-overwegingen, aangewezen zijn. Betrokkene heeft begeleiding nodig op het gebied van financiën en zou wellicht beter functioneren als hij wordt ondersteund in het dagelijks functioneren. Of van een dergelijk traject ook een recidive-reducerende werking uitgaat, is echter onduidelijk.

De rechtbank neemt het advies van de reclassering over en zal aan het voorwaardelijk deel de voorwaarden verbinden zoals voorgesteld door de reclassering.

Gezien het door de reclassering genoemde hoge recidiverisico en het feit dat verdachte al eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten, zal de rechtbank de proeftijd vaststellen op drie jaren

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij], wonende te [woonplaats], ter zake van het onder 1. tenlastegelegde feit.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 1.200,00 aan immateriële schade.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 1.200,00, zodat de vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f en 244 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 2. ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1. primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 3 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarden:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarden:

- de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;

- de veroordeelde zal zich ambulant laten behandelen middels het Therapieprogramma Seksuele Delictplegers voor mindervaardigen (TSDmv) van polikliniek ‘Het Dok’ te Rotterdam, of een soortgelijke ambulante forensische zorg-instelling, gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering in overleg met de behandelaar van de verdachte verantwoord vindt;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij], wonende te [woonplaats] toe tot een bedrag van € 1.200,00, bestaande uit € 1.200,00 aan immateriële schade, en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan de benadeelde partij te betalen;

bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 mei 2013 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 1.200,00 (twaalfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 mei 2013 tot aan de dag van de algehele voldoening;

beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van

€ 1.200,00 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 22 dagen;

toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M. van Mourik, voorzitter,

en mrs. S. Tempel en M.A.J.M. Jansen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N.S.M. Alberti, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 november 2014.

Bijlage I. bij vonnis van 20 november 2014

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

Primair

hij, in of omstreeks de periode van 1 mei 2013 tot en met 10 mei 2013 te

Spijkenisse, met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [benadeelde partij],

geboren op [geboortedatum 1] 2004, handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit

of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die

[benadeelde partij], namelijk het: betasten van en/of wrijven over de borsten en/of de vagina van die [benadeelde partij] en/of brengen van zijn, verdachtes, penis tegen en/of in de vagina van die

[benadeelde partij] en/of brengen en/of houden van een of meer vinger(s) in de vagina

en/of tussen de schaamlippen van die [benadeelde partij];

Subsidiair

hij, in of omstreeks de periode van 1 mei 2013 tot en met 10 mei 2013 te

Spijkenisse, met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [benadeelde partij]

(geboren op [geboortedatum 1] 2004), buiten echt ontuchtige handelingen heeft

gepleegd, namelijk het: betasten van en/of wrijven over de borsten en/of de vagina van die [benadeelde partij] en/of brengen van zijn, verdachtes, penis tegen de vagina en/of de

schaamlippen van die [benadeelde partij] en/of brengen en/of houden van een of meer

vinger(s) tegen de vagina en/of de schaamlippen van die [benadeelde partij];

2.

hij, op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 14 maart 2000 tot en met 14 maart 2004 te Spijkenisse en/of Rozenburg (gemeente Rotterdam), althans

in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien had bereikt, te weten met [Getuige 3] (geboren op [geboortedatum 2] 1988), buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd die bestonden uit of mede

bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis en/of vinger(s) in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [Getuige 3].