Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:9382

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-11-2014
Datum publicatie
21-11-2014
Zaaknummer
141764
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering om ontheffing te verlenen van een parkeerverbod voor vrachtwagens.

Wetsverwijzingen
APV Rotterdam 2012 5:8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Zittingsplaats Dordrecht

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 14/1764

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 november 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [plaatsnaam], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 juli 2013 (het primaire besluit) heeft het dagelijks bestuur van de deelgemeente Hoogvliet geweigerd om eiser een ontheffing te verlenen voor het parkeren van een vrachtwagen.

Bij besluit van 4 februari 2014 (het bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur van de deelgemeente Hoogvliet eisers bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 september 2014. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. M.A.C. Kooy.

Overwegingen

1. Verweerder heeft geweigerd eiser ontheffing te verlenen van het verbod voor het parkeren van zijn vrachtwagen aan de [straatnaam] in [plaatsnaam]. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de door eiser aangevoerde omstandigheden niet nopen tot het maken van een uitzondering.

2. In beroep heeft eiser aangevoerd dat hij voor zijn werkgever met zijn vrachtwagen stand-by staat in geval van calamiteiten en preventief strooien, wat hij met documenten kan onderbouwen. Eiser stelt dat hij deze oproepwerkzaamheden niet meer kan doen als hij zijn vrachtwagen moet parkeren op de daartoe aangewezen vrachtwagenparkeerplaatsen op het bedrijvenpark Gadering, omdat hij dan eerst tenminste 15 minuten moet fietsen om zijn vrachtwagen te bereiken en hij dan niet meer tijdig aan de oproepen van zijn werkgever kan voldoen. Eiser stelt dat hij niets meer heeft gehoord over de vraag van de bezwaarschriftencommissie aan verweerder of er een tussenoplossing mogelijk was. Verder stelt eiser dat door het parkeren van zijn vrachtwagen aan de [straatnaam] het openbaar groen niet wordt aangetast, omdat er achter deze parkeerplek een gasstation en weinig openbaar groen is. Eiser stelt dat hij zijn vrachtwagen al dertig jaar aan de [straatnaam] parkeert en daar nooit klachten over heeft gehad. Eiser wijst er tenslotte op dat een andere vrachtwagen (een ‘glasbus’) wel geparkeerd staat aan de [straatnaam].

3. Op grond van artikel 5:8 van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012 (APV) en artikel 9 van het Algemeen aanwijzingsbesluit Hoogvliet bij APV 2012 (Aanwijzingsbesluit) is met het oog op de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente het gehele grondgebied van de deelgemeente Hoogvliet aangewezen als plaats waar geen voertuigen mogen worden geparkeerd die, met inbegrip van de lading, langer dan 6 meter of hoger dan 2,4 meter zijn, met uitzondering van de voor het parkeren van vrachtwagens als geschikt aangegeven plaatsen in het bedrijvenpark Gadering.

4. Op grond van artikel 5:8, zesde lid, van de APV kan verweerder ontheffing verlenen van het parkeerverbod. In de toelichting bij dit artikellid is gesteld dat verzoeken om ontheffing van geval tot geval moeten worden bekeken. Omstandigheden die in beginsel door alle bedrijven – ongeacht de aard – kunnen worden aangevoerd, rechtvaardigen op zich nog geen ontheffing.

5. Nu over het gebruik van de bevoegdheid tot ontheffingsverlening geen verdere regels zijn gesteld in de APV, heeft verweerder bij zijn besluit om al dan niet ontheffing te verlenen een grote mate van beleidsvrijheid. Het besluit om de ontheffing al dan niet te verlenen, kan door de rechter slechts terughoudend worden getoetst. Dat betekent voor deze zaak dat de rechtbank zich bij de toetsing moet beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot afwijzing van de ontheffing.

6. Blijkens het in bezwaar gehandhaafde besluit, zoals toegelicht in het verweerschrift en ter zitting, stelt verweerder zich op het standpunt dat het belang van bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente niet is gediend met een ontheffing. Daartoe heeft verweerder gewezen op de natuurlijke en ecologische waarde van het natuur- en recreatiegebied waarin de [straatnaam] is gelegen. Met dit bijzondere karakter strookt dat voor grote voertuigen een parkeerverbod geldt. Verder acht verweerder het van belang dat de [straatnaam] een van de twee calamiteitenroutes in het gebied is voor onder meer de brandweer, en dat brede voertuigen van de brandweer zich dus snel zonder veel hinder over alle delen van de [straatnaam] moeten kunnen verplaatsen. Eisers belang om zijn vrachtwagen aan de [straatnaam] – zo dicht mogelijk bij zijn huis – te kunnen parkeren om zo in geval van calamiteiten iets eerder (10 à 15 minuten) ter plaatse te kunnen zijn, weegt daar volgens verweerder niet tegenop. Verweerder ziet ook geen mogelijkheden voor een tussenoplossing.

7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de ontheffing na afweging van de betrokken belangen, mede gelet op het door haar te behartigen belang van bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, aldus in redelijkheid kunnen weigeren.

8. Voor zover eiser zich beroept op het gelijkheidsbeginsel, slaagt zijn betoog niet, nu ten behoeve van de door eiser genoemde glasbus evenmin een ontheffing is verleend. Zou sprake zijn van overtreding van het parkeerverbod door deze glaswagen dan is dit een kwestie van (een gebrek aan) handhaving door de politie. Daarover gaat deze procedure niet.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, voorzitter, en mr. J.M.M. Bancken en mr. R.H. Dallinga, leden, in aanwezigheid van mr. M.B. van Zantvoort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 november 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.