Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:9326

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-11-2014
Datum publicatie
15-11-2014
Zaaknummer
10/811199-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor witwassen van ruim 60.000 euro. De verdachte heeft, op verzoek van haar partner, geld uit haar woning gepakt en vervolgens meegenomen met het kennelijke doel opbrengsten uit misdrijf aan het zicht van justitie te onttrekken. Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/811199-12

Datum uitspraak: 12 november 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres:

[adres],

raadsman mr. S. Lodder, advocaat te Capelle aan den IJssel.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 29 oktober 2014.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. M. Vreugdenhil heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van witwassen van een geldbedrag van € 63.050,--, een BMW (met kenteken [kenteken]) en meerdere horloges;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 47 dagen met aftrek van voorarrest, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis;

- onttrekking aan het verkeer van de op de lijst van in beslag genomen voorwerpen onder 32 tot en met 37 vermelde voorwerpen;

- verbeurdverklaring van de op de lijst van in beslag genomen voorwerpen onder 2, 4, 5, 6, 9, 10, 11 en 12 vermelde voorwerpen;

- teruggave aan de verdachte van de op de lijst van in beslag genomen voorwerpen onder 1, 8, 16 tot en met 31 en 38 tot en met 72 vermelde voorwerpen.

BEWIJSOVERWEGINGEN

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het witwassen van het ten laste gelegde geldbedrag, nu zij wist, noch redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dit geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Beoordeling

Naar inmiddels bestendige jurisprudentie kan, in een geval zoals dat zich hier voordoet, waarin geen direct bewijs voor inkomsten uit brondelicten aanwezig is, witwassen bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld of de goederen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het ligt op de weg van het openbaar ministerie om zicht te bieden op het bewijs waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid.

De toetsing door de zittingsrechter dient daarbij de volgende stappen te doorlopen.

Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien deze omstandigheid zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat zij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld of de goederen. Die verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn.

Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat zij pas in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet.

Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld en de goederen. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Ook het onderhavige verwijt zal aan de hand van dit toetsingskader worden beoordeelt.

Vermoeden van witwassen

Op basis van de bewijsmiddelen, die als bijlage II aan dit vonnis zijn gehecht, wordt van het volgende uitgegaan. Op 1 oktober 2012 heeft er een observatie plaatsgevonden van het pand aan de [adres]. Verbalisanten hebben toen waargenomen dat de verdachte, na eerst in eerdergenoemde BMW te zijn weggereden, terugkeert naar de woning, naar binnen loopt, met een grote zwarte tas weer naar buiten komt en vervolgens in een andere auto weer wegrijdt. De verdachte is vervolgens staande gehouden en in de zwarte tas zijn zes (waardevolle) horloges en een bedrag van € 63.050,-- aangetroffen. Dit geldbedrag bestond voor het grootste gedeelte uit € 500,-- biljetten die door middel van een wikkel bij elkaar zaten.

De handelwijze van de verdachte ten aanzien van het geldbedrag vond plaats onder omstandigheden die, in de context van de gebeurtenissen en in samenhang bezien, als zogenoemde typologieën van - en daarmee kenmerkend voor - witwassen zijn aan te merken. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld, vaak bestaande uit € 500,-- biljetten. Het in een tas zonder enige verdere bescherming vervoeren van grote hoeveelheden legaal chartaal geld is ongebruikelijk, onder meer vanwege de veiligheidsrisico’s. Crimineel geld maakt het kennelijk de moeite waard dat risico te lopen.

Daarbij komt dat het besteedbaar inkomen van de verdachte over de jaren 2009 tot en met 2012 blijkens de zich in het dossier bevindende gegevens € 33.378,00 bedroeg. Voorts volgt uit de door de belastingdienst verstrekte gegevens dat de partner van de verdachte, [medeverdachte], over de periode 2009 tot en met 2011 een besteedbaar inkomen van in totaal € 25.424,-- heeft gehad en hij volgens het Regionale Opsporingsteam Sociale Recherche in de periode van 1 januari 2012 tot en met 18 februari 2013 helemaal geen inkomsten uit loon of uitkering heeft genoten. Tegenover het (grote) aangetroffen geldbedrag staat aldus het gegeven dat de verdachte, evenals haar partner, in de jaren voorafgaande aan het tenlastegelegde feit slechts een laag legaal inkomen heeft gehad.

Gelet hierop mag van de verdachte worden verlangd dat zij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft aangaande haar handelen met betrekking tot het voornoemde geldbedrag.

Verklaring herkomst geld

De verdachte heeft verklaard dat zij op 1 oktober 2012 is gebeld door [medeverdachte], die haar heeft verzocht om geld uit de woning aan de [adres] te halen. Het geld zou zich bevinden in een jaszak van [medeverdachte], alsmede in een schoenendoos. De verdachte heeft vervolgens voldaan aan dit verzoek. Zij is de woning binnen gegaan, heeft het geld in een zwarte tas gestopt en heeft de woning vervolgens verlaten. Over de herkomst van het aangetroffen geldbedrag heeft de verdachte geen verklaring gegeven. Zij heeft slechts verklaard dat zij niets wist van het geld dat zich in de woning bevond. Vastgesteld wordt dan ook dat de verklaring van de verdachte omtrent de herkomst van het geldbedrag, niet voldoet aan de eerdergenoemde vereisten. De rechtbank concludeert gelet hierop dat het niet anders zijn dan dat het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag - middellijk of onmiddellijk - afkomstig is uit enig misdrijf.

Wetenschap

De vraag die vervolgens voorligt is of de verdachte wist, dan wel redelijkerwijs diende te vermoeden dat het door haar meegenomen geldbedrag - middellijk of onmiddellijk - afkomstig is uit enig misdrijf. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Op het moment dat de verdachte gebeld werd met het verzoek om direct (grote) geldbedragen uit haar woning aan de [adres] te halen - van welk geld zij volgens haar eigen verklaring niets wist -, welk geld voornamelijk bestond uit € 500,-- biljetten die waren verstopt/aan het directe zicht onttrokken waren, had zij in ieder geval redelijkerwijs dienen te vermoeden dat dit geld geen legale herkomst had.

Conclusie

Wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het (schuld)witwassen van € 63.050,--. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

MOTIVERING PARTIËLE VRIJSPRAAK

Het witwassen van de BMW met kenteken [kenteken] en (meerdere) horloges is - anders dan de officier van justitie heeft gevorderd - niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Zowel de verdachte, haar vader als [medeverdachte] hebben verklaard dat de vader van de verdachte de BMW heeft aangeschaft met geld dat hij had verkregen uit een erfenis. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting kan niet worden afgeleid dat deze - op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring - onjuist is en dat het niet anders kan dan dat de BMW is aangekocht met geld afkomstig uit enig misdrijf.

Met betrekking tot de ten laste gelegde horloges is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de verdachte wist, dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze horloges aangekocht zijn met geld afkomstig uit enig misdrijf. In dat kader heeft de rechtbank acht geslagen op de verklaring van de verdachte dat zij niet veel wist van de inkomsten van haar man, in de veronderstelling leefde dat hij een succesvolle ondernemer was en hem altijd heeft gekend ‘als een man met horloges’.

Bewezenverklaring

Op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande en de overige inhoud van de bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden (als bijlage II aan dit vonnis gehecht) is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

zij op 1 oktober 2012, te Rotterdam, een voorwerp te weten een geldbedrag van in totaal 63.050,-- euro voorhanden heeft gehad, terwijl zij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID FEIT

Het bewezen feit levert op:

schuldwitwassen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van ruim € 60.000,--. Zij heeft, op verzoek van haar partner, geld uit haar woning gepakt en vervolgens meegenomen met het kennelijke doel opbrengsten uit misdrijf aan het zicht van justitie te onttrekken. Dit betreft een ernstig feit. Door het witwassen van crimineel vermogen wordt de onderliggende criminaliteit gefaciliteerd. Het vormt een aantasting van de legale economie en is, mede vanwege de ondermijnende invloed ervan op het legale handelsverkeer, een bedreiging voor de samenleving.

Op een dergelijk feit kan dan ook niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf.

Bij de concrete straftoemeting is allereerst gelet op de landelijke (LOVS-)oriëntatiepunten voor straftoemeting in fraudezaken. Daarin staat dat bij benadelingsbedrag gelegen tussen € 10.000,-- tot € 70.000,-- een gevangenisstraf van 2 tot 5 maanden als oriëntatiepunt voor straftoemeting geldt.

Daarnaast is bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf in aanmerking genomen dat de verdachte blijkens het op haar naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie, d.d. 10 oktober 2014 niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Gelet op de beperkte bewezenverklaarde periode van het witwassen en de beperkte rol van de verdachte, ziet de rechtbank er van af om, zoals door de officier van justitie is gevorderd, naast een onvoorwaardelijk gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest ook een forse onvoorwaardelijke taakstraf op te leggen. De verdachte heeft het onderhavige feit gepleegd mede op verzoek van haar partner en deze relatie duurt nog altijd voort. Om die reden zal de rechtbank naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen teneinde de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst wederom (soortgelijke) strafbare feiten te plegen.

De raadsman heeft aangevoerd dat in strafmatigende zin rekening dient te worden gehouden met het feit dat de aanhouding van de verdachte onrechtmatig is geweest. De rechtbank verwerpt dit verweer. Op het feitelijke moment van aanhouding van de verdachte was er sprake van een redelijk vermoeden van schuld. Kort nadat in het garagebedrijf van de partner van de verdachte een zeer groot bedrag aan contant geld is gevonden, ziet de politie de verdachte terug gaan naar haar huis en korte tijd later wegrijden in een auto. Verder zien de verbalisanten na staandehouding van de verdachte in haar tas een aanzienlijke hoeveelheid bankbiljetten en horloges. Op grond hiervan is de verdachte aangehouden. Niet gezegd kan worden dat dit handelen op enige wijze onrechtmatig is geweest.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN

Ten aanzien van de op de lijst van in beslag genomen voorwerpen onder 1, 8, 16 tot en met 31 en 38 tot en met 72 vermelde voorwerpen zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte, nu niet vast is komen te staan dat deze voorwerpen door middel van het strafbare feit zijn verkregen, dan wel het bewezen feit met behulp van deze voorwerpen is begaan dan wel is voorbereid

Blijkens het requisitoir van de officier van justitie rust op de op de lijst van in beslag genomen voorwerpen onder 3, 7, 13, 14 en 15 vermelde voorwerpen conservatoir beslag, zodat ten aanzien van die voorwerpen geen beslissing door de rechtbank zal worden genomen.

Ook voor wat betreft de op de lijst van in beslag genomen voorwerpen onder 2, 4, 5, 6, 9 tot en met 12 en 32 tot en met 37 zal de rechtbank geen beslissing nemen, nu die voorwerpen reeds bij vonnis van de rechtbank van heden in de zaak van medeverdachte [medeverdachte] met parketnummer 10/810062-13 verbeurd zijn verklaard, dan wel zijn onttrokken aan het verkeer.

De hierboven bedoelde lijst van in beslag genomen voorwerpen is als bijlage III aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c en 420quater van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 (honderdzeven) dagen;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 60 (zestig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, zich schuldig maakt aan enig strafbaar feit;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

- gelast de teruggave aan verdachte van de onder 1, 8, 16 tot en met 31 en 38 tot en met 72 vermelde voorwerpen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.F. Koekebakker, voorzitter,

en mrs. W.A.F. Damen en E. Fels, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. W.A.J.A. Welten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 november 2014.

Bijlage I bij vonnis van 12 november 2014.

TEKST TENLASTELEGGING

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

zij op of omstreeks 1 oktober 2012, (op verschillende locaties) te Rotterdam,

althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) (van

in totaal (ongeveer) 579.170,00 euro) en/of een BMW (met kenteken: [kenteken])

en/of een of meer horloge(s), heeft/hebben verworven, voorhanden heeft/hebben

gehad, heeft/hebben overgedragen en/of omgezet, terwijl zij wist dan wel

redelijkerwijs had moeten vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) -

onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

(artikel 420bis Wetboek van Strafrecht)