Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:9325

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-11-2014
Datum publicatie
15-11-2014
Zaaknummer
10/810062-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor witwassen en het voorhanden hebben van een vuurwapen. Op basis van de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting heeft de verdachte geen geloofwaardige verklaring gegeven omtrent de herkomst van het aangetroffen geld om het vermoeden van witwassen te ontkrachten. Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/810062-13

Datum uitspraak: 12 november 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres:

[adres],

raadsman mr. S. Urcun, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 29 oktober 2014.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. M. Vreugdenhil heeft gerekwireerd tot:

- vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde;

- bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest;

- onttrekking aan het verkeer van de op de lijst van in beslag genomen voorwerpen onder 32a en 33 tot en met 37 vermelde voorwerpen;

- verbeurdverklaring van de op de lijst van in beslag genomen voorwerpen onder 2a, 2b, 3b, 4b, 5a, 6b, 9b, 10b, 11b en 12b vermelde voorwerpen;

- teruggave aan de verdachte van de op de lijst van in beslag genomen voorwerpen onder 1b, 5a, 6a, 7a, 8a, 8b, 9a, 10a, 11a, 12a, 13a, 14a, 15a, 16 tot en met 27a, 28 tot en met 31, 32b en 45 tot en met 72 vermelde voorwerpen.

MOTIVERING VRIJSPRAAK FEITEN 3 EN 4

Feit 3

Het onder 3 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Nu de officier van justitie dit ook heeft gevorderd, terwijl het eveneens is bepleit door de raadsman, zal dit oordeel niet nader worden gemotiveerd. De in beslag genomen harddrugs zullen worden onttrokken aan het verkeer. Artikel 13a van de Opiumwet in samenhang met art. 36b lid 1 onder 3 van het Wetboek van Strafrecht geeft daartoe de mogelijkheid.

Feit 4

Standpunt officier van justitie

Aangevoerd is dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van € 5300,--. De verdachte heeft dit geldbedrag op 30 juli 2013 voorhanden gehad, terwijl hij voor de herkomst van dit geldbedrag geen concrete, min of meer verifieerbare en waarschijnlijke verklaring heeft gegeven. Het kan dan ook niet anders dan dat dit geldbedrag afkomstig is uit enig misdrijf.

Beoordeling

Naar inmiddels bestendige jurisprudentie kan, in een geval zoals dat zich hier voordoet, waarin geen direct bewijs voor inkomsten uit brondelicten aanwezig is, witwassen bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld of de goederen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het ligt op de weg van het openbaar ministerie om zicht te bieden op het bewijs waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid.

De toetsing door de zittingsrechter dient daarbij de volgende stappen te doorlopen.

Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien zulks zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld of de goederen. Die verklaring dient te voldoen aan de vereisten dat zij concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij pas in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet.

Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld of de goederen. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Ook het onderhavige verwijt zal aan de hand van dit toetsingskader worden beoordeeld.

Vermoeden van witwassen

Op basis van de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting wordt van het volgende uitgegaan.

Op 30 juli 2013 is de verdachte aangehouden in een auto. In deze auto wordt een zwarte schoudertas aangetroffen met daarin in totaal € 900,--. Tijdens de insluitingsfouillering wordt bij de verdachte nog eens € 4650,-- aangetroffen, een bedrag dat onder meer bestond uit (negen) biljetten van € 500,--.

Bovenstaande handelswijze ten aanzien van het geld vond plaats onder omstandigheden die, in de context van de gebeurtenissen en in samenhang bezien, als zogenoemde typologieën van - en daarmee kenmerkend voor - witwassen zijn aan te merken. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote bedragen in contant geld, vaak bestaand uit € 500,-- biljetten. Het zonder bescherming vervoeren van (grote) hoeveelheden legaal chartaal geld is ongebruikelijk, onder meer vanwege de veiligheidsrisico’s. Crimineel geld maakt het kennelijk de moeite waard dat risico te lopen.

Gelet hierop mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft aangaande zijn handelen met betrekking tot het voornoemde geldbedrag.

Verklaring herkomst geld

De verdachte heeft tijdens zijn politieverhoor op 7 augustus 2013 aangegeven dat het geld dat bij hem is aangetroffen geld betreft dat zijn partner de dag vóór zijn aanhouding uit Turkije heeft meegenomen. De verdachte heeft deze verklaring ter zitting herhaald en hieraan toegevoegd dat dit geld betrof dat hij van zijn dochter uit Turkije had geleend.

Deze verklaring is niet zo hoogst onwaarschijnlijk dat deze op voorhand als ongeloofwaardig terzijde dient te worden geschoven. Gelet hierop had het op de weg van het openbaar ministerie gelegen deze verklaring van de verdachte nader te onderzoeken. Dergelijk onderzoek is echter niet verricht, althans resultaten van een dergelijk onderzoek zijn niet in het dossier terechtgekomen.

Conclusie

Nu niet met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag een legale herkomst heeft, zodat een criminele herkomst van het geldbedrag niet als enige aanvaardbare verklaring van de waargenomen feiten en omstandigheden kan gelden. Dat betekent dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder 4 ten laste is gelegd, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

BEWIJSOVERWEGINGEN FEITEN 1 EN 2

Feit 1

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Niet bewezen kan worden dat het ten laste gelegde geld, de horloges en de BMW direct of indirect afkomstig zouden zijn uit een misdrijf.

Beoordeling

Het witwassen van de ten laste gelegde BMW wordt, zoals ook door de officier van justitie is gevorderd, niet bewezen geacht.

De vraag die derhalve thans nog voorligt is of het overige ten laste gelegde kan worden aangemerkt als witwassen. Bij beantwoording van die vraag zal de rechtbank hetzelfde stappenplan doorlopen als hierboven, onder de vrijspraakmotivering van feit 4, is geschetst.

Vermoeden van witwassen

Op basis van de bewijsmiddelen, die als bijlage II aan dit vonnis zijn gehecht, wordt van het volgende uitgegaan.

Op 1 oktober 2012 heeft er een observatie plaatsgevonden van het pand aan de [adres]. Verbalisanten hebben toen waargenomen dat [medeverdachte], na eerst in een auto te zijn weggereden, terugkeert naar de woning, naar binnen loopt, met een grote zwarte tas weer naar buiten komt en vervolgens wegrijdt. [medeverdachte] is vervolgens staande gehouden en in de zwarte tas zijn zes horloges en een bedrag van € 63.050,-- aangetroffen. Het geldbedrag bestond veelal uit € 500,-- biljetten die door middel van een wikkel aan elkaar vastzaten. De aangetroffen horloges heeft het openbaar ministerie laten taxeren bij twee juweliers, die de horloges hebben geschat op een gezamenlijke verkoopwaarde van tussen de € 24.200,-- en € 31.275,--. [medeverdachte] heeft verklaard dat zij op verzoek van de verdachte dit geld en de horloges uit de woning heeft gehaald.

Daarnaast zijn op diezelfde dag in het garagebedrijf van de verdachte, in zijn (afgesloten) kantoor in een reistas een geldbedrag van € 389.580,-- en in een plastic boodschappentasje een geldbedrag van € 125.000,-- aangetroffen. Beide geldbedragen bestonden voornamelijk uit coupures van € 50,- en € 20,--.

De handelwijze ten aanzien van het geld vond plaats onder omstandigheden die, in de context van de gebeurtenissen en in samenhang bezien, als zogenoemde typologieën van - en daarmee kenmerkend voor - witwassen zijn aan te merken. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld, vaak ook bestaande uit € 500,-- biljetten en/of zeer grote hoeveelheden kleine coupures van 20 en/of 50 euro. Het zonder bescherming voor handen hebben en/of vervoeren van (grote) hoeveelheden legaal chartaal geld is ongebruikelijk, onder meer vanwege de veiligheidsrisico’s. Crimineel geld maakt het kennelijk de moeite waard dat risico te lopen.

Daarbij komt dat uit de door de belastingdienst verstrekte gegevens volgt dat de verdachte over de periode 2009 tot en met 2011 een besteedbaar inkomen van in totaal € 25.424,-- heeft gehad en hij volgens het Regionale Opsporingsteam Sociale Recherche in de periode van 1 januari 2012 tot en met 18 februari 2013 helemaal geen inkomsten uit loon of uitkering heeft genoten. Het inkomen van zijn partner, [medeverdachte], over de jaren 2009 tot en met 2012 bedroeg blijkens de zich in het dossier bevindende gegevens € 33.378,00. Tegenover de (grote) aangetroffen geldbedragen en de (waardevolle) horloges staat aldus het gegeven dat de verdachte in de jaren voorafgaande aan tenlastegelegde feiten, evenals zijn partner, slechts een laag legaal inkomen heeft gehad.

Gelet op het voorgaande mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft aangaande de geldbedragen en de horloges die zijn aangetroffen.

Verklaring herkomst horloges

Ten aanzien van de horloges die op 1 oktober 2012 bij [medeverdachte] zijn aangetroffen heeft de verdachte verklaard dat hij deze in de jaren voorafgaand aan de tenlastegelegde feiten tweedehands heeft aangekocht en dat deze gezamenlijk maximaal een waarde vertegenwoordigen van € 4.000,--. De verdachte heeft deze verklaring niet nader onderbouwd.

Het openbaar ministerie heeft de bij verdachte aangetroffen horloges laten taxeren bij twee juweliers. In deze taxaties is de (totale) (verkoop)waarde geschat op 24.200 euro, resp. 31.275 euro. Mede in het licht van de bovengenoemde taxaties acht de rechtbank de verklaring van verdachte ongeloofwaardig. De verdachte is kennelijk niet bereid om aan te geven op welke wijze en met welke legale financiële middelen hij deze horloges heeft verkregen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat deze horloges – middellijk of onmiddellijk – afkomstig zijn uit enig misdrijf en dat de verdachte daarvan op de hoogte was.

Verklaring herkomst geld

De verdachte heeft ten aanzien van de bestemming en de bron van het geld zoals dat bij [medeverdachte] en in zijn garagebedrijf is aangetroffen, kort samengevat, het volgende verklaard.

Het geld is afkomstig van het [bedrijf], gevestigd te [plaats] in Irak. De verdachte zou voor dit bedrijf optreden als adviseur en onderhandelaar bij het aankopen van vrachtauto’s. Voor dat doel heeft [bedrijf] geld naar de verdachte gebracht. Vanwege het zwakke bancaire systeem in Noord-Irak waar [bedrijf] is gevestigd, heeft [bedrijf] dit geld cash naar de verdachte gebracht. Het geld dat op 1 oktober 2012 in het garagebedrijf en bij [medeverdachte] is aangetroffen, is afkomstig van [bedrijf]. Ter onderbouwing van deze verklaring heeft de verdachte verwezen naar de stukken die de raadsman van [bedrijf] aan het verzoek tot teruggave van het onder de verdachte en/of [medeverdachte] inbeslaggenomen geld ten grondslag heeft gelegd. Deze stukken bevinden zich in het dossier.

Deze verklaring van de verdachte is weliswaar opmerkelijk maar niet zo hoogst onwaarschijnlijk dat deze op voorhand als ongeloofwaardig terzijde dient te worden geschoven. Gelet hierop ligt het op de weg van het openbaar ministerie de verklaring van de verdachte verder te onderzoeken.

Dit onderzoek heeft plaatsgevonden en de resultaten hiervan zijn vervat in (onder meer) het proces-verbaal van bevindingen met nummer 2012487077-113. Uit dit proces-verbaal volgt onder andere dat uit de door de raadsman van [bedrijf] overlegde stukken blijkt dat:

- op de Receipt-documenten niet staat genoteerd op welke wijze, in welke coupures, voor welk doel en op welke locatie de geldbedragen zouden zijn overgedragen, hetgeen een zeer ongebruikelijke handelwijze is binnen het reguliere bedrijfsleven;

- er geen enkel aangifteformulier is aangetroffen waarop aangifte wordt gedaan door [bedrijf] of de verdachte van het invoeren van contant geld in Nederland;

- er geen documenten zijn aangetroffen waaruit zou blijken dat de verdachte goederen heeft aangekocht voor [bedrijf].

Daarnaast blijkt uit het hiervoor vermelde proces-verbaal dat uit de in het garagebedrijf van de verdachte in beslag genomen ordners met administratie geen enkele relatie naar voren komt tussen de verdachte en [bedrijf]. Uit de inhoud van de andere gegevensdragers, welke in beslag zijn genomen bij de doorzoekingen in het garagepand en de woning van de verdachte, is evenmin een dergelijke relatie gebleken.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op:

- het proces-verbaal van het Korps landelijke politiediensten van 15 november 2013

(proces-verbaal met nummer 30-442773) waarin, mede gelet op resultaten uit een ander opsporingsonderzoek, uitgebreid en gemotiveerd wordt aangegeven dat [bedrijf] vermoedelijk als dekmantel is gebruik om te doen voorkomen alsof grote sommen contant geld van legale handel afkomstig zijn;

- het proces-verbaal van het Korps landelijke politiediensten 20 januari 2014

(proces-verbaal met nummer 30474288) waaruit blijkt dat acht van de negen pro forma facturen die bij het klaagschrift van [bedrijf] waren gevoegd per bankoverschrijving zijn betaald, zodat het op 1 oktober 2012 aangetroffen contante geldbedrag niet bestemd kan zijn geweest voor de aankoop van de in die facturen genoemde voertuigen.

De rechtbank concludeert gelet op voornoemde processen-verbaal dat de verklaring van de verdachte omtrent de herkomst van het geld als ongeloofwaardig terzijde moet worden geschoven. De verdachte heeft aldus geen aannemelijke verklaring gegeven waaruit zou kunnen worden afgeleid dat het geld - ondanks het vermoeden van witwassen - toch een legale herkomst heeft. Dat betekent dat het niet anders kan dan dat de geldbedragen die zijn aangetroffen in het garagebedrijf en bij [medeverdachte] - middellijk of onmiddellijk - uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte daarvan wetenschap heeft gehad.

Het onder 1 ten laste gelegde is derhalve wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde, nu niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte het vuurwapen voorhanden heeft gehad. Dat het vuurwapen is aangetroffen in het garagebedrijf van de verdachte betekent niet dat het vuurwapen aan hem toebehoort.

Beoordeling

Op basis van de inhoud van de bewijsmiddelen, die als bijlage II aan dit vonnis zijn gehecht, wordt van het volgende uitgegaan. Op 1 oktober 2012 heeft er een doorzoeking in [garage], gevestigd aan de [adres] te Rotterdam plaatsgevonden. De verdachte is eigenaar van dit garagebedrijf. In een afgesloten kantoor wordt in een ladenblok van een bureau, een vuurwapen aangetroffen. Door de aanwezige werknemers van het garagebedrijf is verklaard dat dit kantoor alleen wordt gebruikt door de verdachte, het afgesloten is als de verdachte niet aanwezig is en alleen de verdachte een sleutel van deze ruimte heeft. Tijdens de doorzoeking van de garage is door de verbalisanten ook geconstateerd dat het kantoor op slot was, en de verdachte niet aanwezig was, en hebben zij een slot moeten verbreken om de kantoorruimte binnen te kunnen gaan.

Voor een bewezenverklaring ter zake van het voorhanden hebben van een (vuur)wapen in de zin van artikel 26 van de Wet Wapens en munitie is naast de aanwezigheid van het wapen (al dan niet in de onmiddellijke nabijheid van de verdachte) en een meer of mindere mate van bewustheid bij de verdachte omtrent de aanwezigheid van dat wapen, een zekere macht van de verdachte over het wapen vereist.

Zoals hiervoor is overwogen, is het vuurwapen aangetroffen in het kantoor van de verdachte, waar alleen hij gebruik van maakte en waar ook alleen hij een sleutel van had. Het vuurwapen was bij opening van de lade onmiddellijk zichtbaar. De verklaring van de getuigen over het afsluiten van het kantoor door de verdachte strookt met de waarneming van de verbalisanten, die tijdens de doorzoeking van de garage op 1 oktober 2012 immers hebben geconstateerd dat de verdachte niet aanwezig was en het kantoor op slot was.

Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat de verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van dat wapen en hier ook de beschikkingsmacht over had. De verklaring van de verdachte dat er meerdere mensen van zijn kantoor gebruik maakten en één van hen mogelijk het wapen in het bureauladenblok heeft gelegd, wordt op grond van diezelfde bewijsmiddelen niet geloofwaardig geacht.

Het onder 2 ten laste gelegde is dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande en de overige inhoud van de bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden (als bijlage II aan dit vonnis gehecht) is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 1 oktober 2012, op verschillende locaties te Rotterdam, geldbedragen van in totaal 577.630,00 euro en horloges, voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

2.

hij op 01 oktober 2012 te Rotterdam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk Makarov, kaliber 9 mm, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1.

witwassen;

2.

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van ruim een half miljoen euro en een aantal dure horloges. Door zijn handelen heeft hij kennelijk opbrengsten uit misdrijf aan het zicht van justitie willen onttrekken. De rechtbank acht dit een ernstig strafbaar feit. Door het witwassen van crimineel vermogen wordt de onderliggende criminaliteit gefaciliteerd. Het vormt een aantasting van de legale economie en is, mede vanwege de ondermijnende invloed ervan op het legale handelsverkeer, een bedreiging voor de samenleving.

Daarnaast heeft de verdachte een vuurwapen voorhanden gehad. Door het bezit van vuurwapens kan de algemene veiligheid van personen ernstig in gevaar worden gebracht, in het bijzonder omdat er altijd een kans bestaat dat een wapen daadwerkelijk zal worden gebruikt. Het gebruik van een vuurwapen heeft ingrijpende, vaak dodelijke, gevolgen en veroorzaakt gevaar en ernstige gevoelens van onveiligheid. Daarom moet streng worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van vuurwapens.

Op dergelijke feiten kan dan ook niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf.

Bij de concrete straftoemeting is allereerst gelet op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS, meer in het bijzonder die voor fraude en voor vuurwapenbezit. Daarin staat dat bij fraude met een benadelingsbedrag gelegen tussen € 500.000,-- tot € 1.000.000,-- een gevangenisstraf van respectievelijk 18 tot 24 maanden als oriëntatiepunt voor straftoemeting geldt en voor het voorhanden hebben van een revolver een gevangenisstraf van 3 maanden.

Daarnaast is bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 10 oktober 2014 reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor overtreding van de Wet wapens en munitie.

Voorts is gelet op het door het Leger des Heils, afdeling reclassering, over de verdachte opgemaakte rapport, d.d. 18 maart 2014.

Gelet op het voorgaande, alsmede gelet op de vrijspraak voor feit 4, komt de rechtbank tot een lagere straf dan door de officier van justitie is gevorderd.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN

Evenals de officier van justitie in haar requisitoir heeft de rechtbank met behulp van a en b kenbaar gemaakt of zij in het onderstaande doelt op het eerste of tweede genoemde in beslag genomen voorwerp in het geval er twee voorwerpen bij een cijfer op de beslaglijst zijn genoemd.

De op de lijst van in beslag genomen voorwerpen onder 2a, 2b, 5b, 6b, 9b, 10b, 11b en 12b vermelde voorwerpen zullen worden verbeurd verklaard. De voorwerpen behoren aan de verdachte toe. Het onder 1 bewezenverklaarde feit is met behulp van deze voorwerpen begaan.

De op de lijst van in beslag genomen voorwerpen onder 32a en 33 tot en met 37 vermelde voorwerpen zullen worden onttrokken aan het verkeer. Voor wat betreft de harddrugs, wordt verwezen naar hetgeen de rechtbank hiervoor reeds heeft overwogen. Ten aanzien van het vuurwapen geldt dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd met de wet, en het bewezenverklaarde feit 2 met behulp van dit voorwerp is begaan.

Ten aanzien van de op de lijst van in beslag genomen voorwerpen onder 1a en 4b vermelde voorwerpen zal een last worden gegeven tot teruggave aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, nu niet vast is komen te staan dat deze voorwerpen door middel van de strafbare feiten zijn verkregen, dan wel de bewezenverklaarde feiten met behulp van deze voorwerpen zijn begaan dan wel zijn voorbereid.

Ten aanzien van de op de lijst van in beslag genomen voorwerpen onder 1b, 3b, 5a, 6a, 7a, 8a, 8b, 9a, 10a, 11a, 12a, 13a, 14a, 15a, 16 tot en met 27a, 28 tot en met 31, 32b en 38 tot en met 72 vermelde voorwerpen zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte, nu niet vast is komen te staan dat deze voorwerpen door middel van de strafbare feiten zijn verkregen, dan wel de bewezenverklaarde feiten met behulp van deze voorwerpen zijn begaan dan wel zijn voorbereid.

Blijkens het requisitoir van de officier van justitie rust op de op de lijst van in beslag genomen voorwerpen onder 3a, 4a, 7b, 13b, 14b, 15b en 27b vermelde voorwerpen conservatoir beslag, zodat ten aanzien van die voorwerpen geen beslissing door de rechtbank zal worden genomen.

De hierboven bedoelde lijst van in beslag genomen voorwerpen is als bijlage III aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 57 en 410bis van het Wetboek van Strafrecht en artikel 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;



beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

  • -

    verklaart verbeurd als bijkomende straf voor feit 1 de onder 2a, 2b, 5b, 6b, 9b, 10b, 11b en 12b vermelde voorwerpen;

  • -

    verklaart onttrokken aan het verkeer de onder 32a en 33 tot en met 37 vermelde voorwerpen;

  • -

    gelast de teruggave aan verdachte van de onder 1b, 3b, 5a, 6a, 7a, 8a, 8b, 9a, 10a, 11a, 12a, 13a, 14a, 15a, 16 tot en met 27a, 28 tot en met 31, 32b en 38 tot en met 72 vermelde voorwerpen;

  • -

    gelast de teruggave aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt van de onder 1a en 4b vermelde voorwerpen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.F. Koekebakker, voorzitter,

en mrs. W.A.F. Damen en E. Fels, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. W.A.J.A. Welten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 november 2014.

Bijlage I bij vonnis van 12 november 2014.

TEKST TENLASTELEGGING

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

hij op of omstreeks 1 oktober 2012, (op verschillende locaties) te Rotterdam,

althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) (van

in totaal (ongeveer) 577.670,00 euro) en/of een BMW (met kenteken: [kenteken])

en/of een of meer horloge(s), heeft/hebben verworven, voorhanden heeft/hebben

gehad, heeft/hebben overgedragen en/of omgezet, terwijl hij en zijn

mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of

middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

(artikel 420bis Wetboek van Strafrecht)

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 01 oktober 2012 te Rotterdam

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet

wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van

die wet in de vorm van een pistool van het merk Makarov, kaliber 9 mm

voorhanden heeft gehad;

(artikel 26 jo 55 Wet wapens en munitie)

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

3.

hij op of omstreeks 01 oktober 2012 te Rotterdam

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 46,8 gram, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel

als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(artikel 2C Opiumwet)

art 2 ahf/ond C Opiumwet

art 10 lid 3 Opiumwet

4.

hij op of omstreeks 30 juli 2013, te Rotterdam, (een) voorwerp(en), te weten

een of meer geldbedrag(en) van in totaal 5.300 euro, heeft verworven,

voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, terwijl hij wist dat

bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig

was/waren uit enig misdrijf;

(artikel 420bis Wetboek van Strafrecht)

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht