Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:9302

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
31-10-2014
Datum publicatie
14-11-2014
Zaaknummer
10/730245-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Cold case. Verkrachting en diefstal met geweld uit 1993.

Tegelijk berecht met (orale) verkrachting uit 2014 waarbij het gepleegde geweld afzonderlijk was ten laste gelegd. Dit geweld is door de rechtbank als poging tot doodslag gekwalificeerd.

Opgelegde straf: 7 jaar gevangenisstraf met aftrek van voorarrest.

DNA-bewijswaarde aangetroffen spermaspoor. Verweer dat oudere broer van verdachte de dader kan zijn van de feiten uit 1993 wordt verworpen op basis van de statistisch bepaalde waarde van de kans op een identiek DNA-profiel bij broers die geen eeneiige tweeling zijn (1 op 3 miljoen) en de omstandigheid dat verdachte past in het (toen) door het slachtoffer opgegeven signalement van de dader en verdachte in die periode in Rotterdam (pleegplaats van de feiten uit 1993) woninginbraken pleegde.

Idem DNA-bewijswaarde nieuwe zaak. Waardering sporenbeeld op beide slagvoorwerpen die volgens aangeefster waren gebruikt door verdachte.

Vordering benadeelde partij civielrechtelijk verjaard, oplegging van de schadevergoedingsmaatregel is niet mogelijk omdat deze maatregel ten tijde van plegen in het arrondissement Rotterdam nog niet was ingevoerd.

Afwijzing vordering tenuitvoerlegging omdat ten tijde van plegen van nieuw feit in januari 2014 het eerder gewezen verstekvonnis nog niet betekend was aan veroordeelde en hij niet op de hoogte was van de hem opgelegde voorwaardelijke straf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/730245-14

Parketnummer vordering TUL: 10/731254-13

Datum uitspraak: 31 oktober 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres:

[GBA-adres],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de P.I. Krimpen aan den IJssel,

raadsman mr. le Cocq d’Armandville, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 17 oktober 2014.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

ONTVANKELIJKHEID OFFICIER VAN JUSTITIE

Ter terechtzitting van 17 oktober 2014 is de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging ten aanzien van de feiten 3 en 4 aan de orde geweest. Dit in het kader van mogelijke verjaring van deze feiten, welke dateren uit 1993.

De officier van justitie heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging ten aanzien van deze feiten.

Ten aanzien van feit 3 is, voor zover in deze zaak relevant, de verjaringstermijn sinds de pleegdatum in 1993 verlengd door twee wetswijzigingen. Op 1 januari 2006 is de verjaringstermijn van feiten met een strafdreiging van meer dan 10 jaar verhoogd van 15 jaar naar 20 jaar. Feiten met een maximale strafbedreiging van meer dan 12 jaar kunnen niet meer verjaren. Deze laatstgenoemde wetswijzing heeft als ingangsdatum 1 april 2013. Ten aanzien van feit 4 is door de officier van justitie een wijziging van de tenlastelegging voorgesteld, welke is toegewezen, waardoor de maximale strafdreiging voor dat feit 12 jaar bedraagt (diefstal met geweld in een woning gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd). Hierdoor is op basis van dezelfde redenering geen sprake van verjaring van dit feit.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging ten aanzien van feit 4 nu

dit feit in de vorm zoals het aan de verdachte ten laste was gelegd reeds verjaard was. Ten aanzien van een reeds verjaard feit kan geen wijziging van de tenlastelegging meer worden ingediend.

De verdediging heeft zich ten aanzien van de niet-ontvankelijkheid voor wat betreft feit 3 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Ten aanzien van feit 3

Onder feit 3 is artikel 242 Wetboek van Strafrecht ten laste gelegd met een maximum strafbedreiging van 12 jaren. De huidige wettelijke bepaling van artikel 70 Wetboek van Strafrecht geeft aan dat het recht tot strafvordering niet verjaart voor misdrijven waarop een gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld. Eerder, in 2006, was de verjaringstermijn voor feiten met een maximale strafbedreiging van meer dan 10 jaar verhoogd naar twintig jaar Er was op 1 april 2013 nog geen termijn van 20 jaar verstreken vanaf de ingangsdatum van de verjaringstermijn, de dag na het plegen van het feit. Daarmee is het recht tot strafvordering niet verjaard. Ook anderszins is niet gebleken van feiten en omstandigheden die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan, zodat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging ten aanzien van feit 3.

Ten aanzien van feit 4

Uit het bepaalde in de artikelen 283 en 284 Wetboek van Strafvordering volgt dat binnen de grenzen aangegeven in de artikelen 313 en 314 Wetboek van Strafvordering een wijziging van de tenlastelegging door de officier van justitie tot de mogelijkheden behoort, ook indien er een ontvankelijkheidsverweer wordt gevoerd. De rechtbank heeft de door de officier van justitie voorgestelde wijziging toelaatbaar geacht. Na deze wijziging behelst feit 4 een delict met een maximum strafbedreiging van 12 jaren, zodat hetgeen hierboven door de rechtbank is geoordeeld over de ontvankelijkheid bij feit 3 ook geldt voor feit 4.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Boender heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1,2 primair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van voorarrest.

VORDERING TENUITVOERLEGGING VOORWAARDELIJKE VEROORDELING

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de tenuitvoerlegging zal worden gelast van de straf, te weten gevangenisstraf van 3 weken, die aan de verdachte voorwaardelijk is opgelegd bij vonnis d.d. 4 december 2013 van de politierechter in deze rechtbank.

Bewijsoverweging feiten 1 en 2

De rechtbank stelt vast dat de aangifte van [aangeefster 1] past bij het aangetroffen en door een arts beschreven letsel. Aangeefster heeft verder, zeer kort na de delicten, hetgeen haar was overkomen gedetailleerd verteld aan [getuige]. Wezenlijk voor de waardering het totale bewijs is verder het aangetroffen (DNA-)sporenbeeld. In de woning van verdachte zijn een hamer en honkbalknuppel aangetroffen. Het op die voorwerpen vastgestelde sporenbeeld stemt overeen met de aangifte. Op zowel het handvat van de hamer als de knuppel is een DNA-profiel aangetroffen dat overeenkomt met dat van verdachte. Op het gedeelte waarmee in geval van een slag de andere persoon wordt geraakt, is op deze (slag)voorwerpen een mengprofiel aangetroffen. Dit mengprofiel past binnen de DNA-profielen van aangeefster en dat van verdachte. Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen.

BEWIJSOVERWEGING FEITEN 3 EN 4

Namens de verdachte is aangevoerd dat het sporenmateriaal dat in 1993 op de plaats delict veilig is gesteld en waarmee later vergelijkend DNA-onderzoek is uitgevoerd mogelijk van de broer van verdachte afkomstig is geweest. Deze broer was destijds, net als verdachte zelf, verslaafd aan verdovende middelen, hield zich waarschijnlijk ook op in Rotterdam, en pleegde strafbare (verwervings-) feiten, zoals woninginbraken.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgt.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zijn broer een stuk ouder is dan hijzelf, in ieder geval enkele jaren. Daarmee staat vast dat het geen eeneiige tweelingbroer van de verdachte kan betreffen. Uit het aanvullende NFI-rapport van 6 oktober 2014 blijkt dat de kans dat het DNA-profiel van een ‘gewone’ broer volledig matcht met het aangetroffen DNA-profiel op de plaats delict ongeveer 1 op 3 miljoen bedraagt. Gelet op die getalsverhouding kan het op de plaats delict aangetroffen sporenmateriaal met de wettelijk vereiste hoge mate van zekerheid aan de verdachte worden gelinkt. Daarnaast is de alternatieve lezing, dat het feit mogelijk zou zijn gepleegd door de inmiddels overleden broer van verdachte, door de verdediging niet nader onderbouwd. De opmerking dat de broer van de verdachte waarschijnlijk ook in Rotterdam soortgelijke inbraken pleegde in die periode is daartoe onvoldoende. De rechtbank kent naast de DNA-match tevens bewijswaarde toe aan het op verdachte passende, door de aangeefster gegeven, signalement van de persoon die haar heeft verkracht en de omstandigheden dat de verdachte in de bewuste periode in zijn onderhoud en verslaving voorzag door het plegen van vermogensdelicten, waaronder –zo blijkt uit het uittreksel van de justitiële documentatie van verdachte- ook woninginbraken. Op grond van deze feiten en omstandigheden acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de verkrachting van mevrouw [aangeefster 2].

Uit de inhoud van de aangifte volgt dat degene die aangeefster [aangeefster 2] heeft verkracht ook degene is geweest die goederen uit de woning heeft ontvreemd. Aangezien de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte de dader van deze verkrachting is, het ook verdachte is geweest die de diefstal met geweld heeft gepleegd zoals omschreven in feit 4 van de dagvaarding.

BEWIJSOVERWEGING FEIT 5

De aangetroffen bloedsporen kunnen als delict gerelateerde dadersporen worden aangemerkt. Deze zijn immers aangetroffen op het kozijn aan de binnenzijde van de kapperszaak en op de buitenzijde van de verbroken voordeur van de computerwinkel. Deze aangetroffen sporen kunnen via DNA-onderzoek aan de verdachte worden gelinkt. De door de verdachte gegeven verklaring dat hij in beide gevallen toevallig net langs kwam en wel geprobeerd heeft binnen te komen om te kijken of er nog iets van zijn gading was, is dermate onwaarschijnlijk dat deze door de rechtbank terzijde wordt geschoven.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij in de periode van 9 mei 2014 tot en met 10 mei 2014 te

Rotterdam door geweld en andere feitelijkheden iemand, te weten [aangeefster 1], heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen

die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het

lichaam, namelijk

- het brengen en houden van zijn, verdachtes, penis in de mond van die

[aangeefster 1],

bestaande het geweld en andere feitelijkheden hierin dat verdachte meermalen, althans éénmaal

- op dreigende toon tegen die [aangeefster 1] heeft gezegd dat zij hem moest pijpen en

- in het gezicht van die [aangeefster 1] heeft geslagen en- de handen van die [aangeefster 1] met een (telefoon)snoer achter haar rug heeft vastgebonden

en

- met een (telefoon)snoer die [aangeefster 1] heeft proberen te wurgen en

- met een hamer, tegen het hoofd en het lichaam

van die [aangeefster 1] heeft geslagen en

- met een honkbalknuppel, tegen het hoofd van die [aangeefster 1] heeft geslagen en

- aldus voor die [aangeefster 1] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

2.

hij in de periode van 9 mei 2014 tot en met 10 mei 2014 te

Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk een persoon genaamd [aangeefster 1] van het leven te beroven, met dat

opzet

- met een (telefoon)snoer (gedurende enige tijd) omsnoerend geweld heeft uitgeoefend op de hals/keel van die [aangeefster 1] en

- meermalen, met een hamer en een honkbalknuppel, tegen het hoofd van die [aangeefster 1] heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en

dat hij in of omstreeks de periode van 9 mei 2014 tot en met 10 mei 2014 te

Rotterdam aan een persoon genaamd [aangeefster 1] zwaar lichamelijk

letsel (gebroken oogkas en gebroken neus en gebroken neusbijholte),

heeft toegebracht, door deze opzettelijk meermalen,

- met een hamer en een honkbalknuppel, tegen het hoofd

te slaan en

- ( met kracht) in het gezicht te slaan

3.

hij op 19 juni 1993 te Rotterdam

door geweld en andere feitelijkheden en bedreiging met geweld [aangeefster 2] heeft gedwongen tot

het ondergaan van handelingen die mede bestonden

uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk:

- het brengen en houden van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [aangeefster 2],

en bestaande dat geweld en andere feitelijkheden en de

bedreiging met geweld

hierin dat verdachte

- de slaapkamer waarin die [aangeefster 2] sliep is binnengegaan en- die [aangeefster 2] een groot mes heeft getoond en- de dekens van die [aangeefster 2] heeft afgetrokken envervolgens

- het mes tegen de hals van die [aangeefster 2] heeft gezet en daarbij tegen die [aangeefster 2] heeft gezegd "houd je kop, want anders steek ik

je kapot" en vervolgens

- met dat mes de slip van die [aangeefster 2] heeft

kapotgesneden en daarna

- het mes tegen de hals van die [aangeefster 2] geplaatst en

- aldus voor die [aangeefster 2] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan

4.

hij op 19 juni 1993 te Rotterdam, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning gelegen aan de [X]laan,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen 200 gulden,

een horloge en een paspoort (ten name van

[aangeefster 2]) en een pinpas en een bos sleutels en een

portemonnee (met inhoud) en een zakagenda, toebehorende aan [aangeefster 2],

welke diefstal werd voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen [aangeefster 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden ,

welke bedreiging met geweld bestond uit het

- binnendringen van die woning en de slaapkamer waarin die [aangeefster 2] zich

bevond en

- tonen van een (groot) mes aan die [aangeefster 2] en

- leggen van een kussen op het hoofd van die [aangeefster 2] en

- tegen die [aangeefster 2] zeggen (zakelijk weergegeven) dat zij zich niet

mocht bewegen omdat hij haar anders zou doodsteken en

- de deur van de slaapkamer waarin die [aangeefster 2] zich bevond dicht

doen en op slot draaien

5.

hij in de periode van 17 februari 2013 tot en met 1 februari 2014

te Rotterdam,

telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

één of meer van de hierna te noemen goederen, toebehorende aan anderen dan aan verdachte,

- in de periode van 17 februari 2013 tot en met 18 februari 2013

(uit een personenauto van het merk Opel Agila, kenteken [kenteken] geparkeerd

staande aan de [X]straat) een kabel van een TomTom, toebehorende aan [aangever 3]

en- in de periode van 23 september 2013 tot en met 24 september

2013 (uit kapsalon [naam kapsalon] gevestigd aan de [X]straat) een flatscreen van

het merk LG en een DVD-speler van het merk Samsung en

kappersartikelen, toebehorende aan kapsalon [naam kapsalon] en

- op 1 februari 2014 (uit computerwinkel [naam computerwinkel]

gevestigd aan de [X]weg) 23 laptops toebehorende aan [aangever 5]

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen en de voor de bewezenverklaring redengevende inhoud daarvan zijn weergegeven in de aan dit vonnis gehechte bijlage II. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

Feit 1

Verkrachting

Feit 2

Poging tot doodslag

en

Zware mishandeling

Feit 3

Verkrachting

Feit 4

Diefstal, voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning

Feit 5

Diefstal, meermalen gepleegd

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn derhalve strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft twee verkrachtingen gepleegd. In de zaak uit 2014 was het geweld tegen het slachtoffer zodanig dat dit geweld zelfstandig als poging tot doodslag is gekwalificeerd.

In de zaak uit 1993 heeft verdachte, na haar te hebben verkracht, zijn slachtoffer opgesloten en heeft hij geld, sieraden en andere goederen van haar gestolen. Uit het gedrag van verdachte spreekt een volstrekte minachting voor de lichamelijke en psychische integriteit van beide vrouwen.

Verdachte heeft zijn eigen lusten botgevierd, zonder zich iets aan te trekken van de gevolgen van zijn handelen voor zijn slachtoffers. Uit de slachtofferverklaringen blijken deze gevolgen ook duidelijk. De slachtofferverklaring die ziet op de verkrachting uit 1993 getuigt ervan hoe sterk het gebeurde heeft doorgewerkt in het latere leven van dit slachtoffer en hoe haar leven hierdoor diepgaand in nadelige zin is (en wordt) beïnvloed. Alleen al op grond van de ernst van beide verkrachtingen is een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats.

Voor een (aanzienlijke) strafmatiging vanwege tijdverloop en/of een milder strafklimaat in 1993, zoals betoogd door de raadsman, ziet de rechtbank geen aanleiding. Op dit punt wil de rechtbank volstaan met de vaststelling dat ook in 1993 de bestraffing voor een combinatie van een nachtelijke woninginbraak en een verkrachting van een bewoonster eerder werd bestraft in jaren dan in maanden. Beide slachtoffers zijn niet alleen van de verkrachting maar ook van een ander ernstig strafbaar feit slachtoffer geworden, te weten resp. een diefstal met geweld en een poging tot doodslag. Deze omstandigheid heeft de rechtbank in strafverzwarende zin meegewogen. De drie overige (gekwalificeerde) vermogensmisdrijven zijn, gelet op de mate van recidive van verdachte, evenmin anders af te doen dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in aanmerking genomen dat de verdachte blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 25 september 2014 reeds eerder veelvuldig is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder vermogens- en geweldsfeiten.

Alles afwegend acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren met aftrek van voorarrest passend en geboden.

VORDERINGEN BENADEELDE PARTIJEN / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij 1],

ter zake van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 392,16 aan materiële schade en een bedrag van € 5.000,- aan immateriële schade.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door de onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de vordering genoegzaam is onderbouwd, zal deze, ondanks de betwisting door de verdachte, worden toegewezen.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door de onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 5.000,--, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij2],

ter zake van de onder 3 en 4 tenlastegelegde feiten.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 470,10 aan materiële schade en een bedrag van € 4.000,- aan immateriële schade.

De rechtbank overweegt ten aanzien van deze vordering als volgt.

De voor benadeelde partij [benadeelde partij 2] schadeveroorzakende gebeurtenis heeft zich voorgedaan in 1993. Op dat moment bestond wel al de mogelijkheid voor een benadeelde partij zich in een strafproces te voegen en een vordering tegen de verdachte in te stellen, maar anders dan thans was aan deze vordering een maximum gesteld, te weten Hfl. 1.500,00

(€ 680,67).

De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 2] overschrijdt dit maximum, om welke reden de Officier van Justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de ingediende vordering tot een bedrag van € 680,67 en de niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het overige.

De verdediging heeft betoogd dat, nu het gaat om een civiele vordering, primair moet worden gekeken of deze naar civiel recht wel toewijsbaar is. Nu meer dan twintig jaar zijn verstreken na de schadeveroorzakende gebeurtenis, is de vordering verjaard.

Dit betoog van de verdediging slaagt. Alle civiele vorderingen anders dan ziende op milieuschade verjaren twintig jaar na het moment waarop de schade is veroorzaakt. In 2004 heeft een wetswijziging plaatsgevonden die die termijn in bepaalde gevallen verlengt, maar deze verlengde verjaarstermijn geldt slechts voor schadeveroorzakende gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan na 1 februari 2004.

In dit geval heeft de schadeveroorzakende gebeurtenis zich voorgedaan in 1993. De ‘nieuwe’ regeling is niet van toepassing en de verjaringstermijn is dus 20 jaar. Deze verstreek derhalve in 2013. De door [benadeelde partij 2] in 2014 ingediende vordering is dan ook verjaard. Hoewel de rechtbank de vordering in al haar aspecten gegrond en gerechtvaardigd voorkomt, brengt het wettelijke stelsel met zich mee dat de vordering door [benadeelde partij 2] niet in rechte kan worden afgedwongen. Zij dient dan ook in haar vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard. Volledigheidshalve zal worden bepaald dat zij deze vordering nog bij de burgerlijke rechter zal kunnen aanbrengen. Hoewel de door deze toe te passen wetgeving niet anders zal luiden, valt in dit strafproces immers op basis van de voorhanden zijnde gegevens niet te overzien of er wellicht sprake is van feiten en omstandigheden die maken dat de toetsing en weging anders zou dienen uit te vallen. Het thans doen van nader onderzoek hiernaar zou het strafproces te zeer belasten.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten worden begroot op nihil.

Voor het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel aan verdachte bestaat geen mogelijkheid, gelet op het navolgende. De wet waarbij de schadevergoedingsmaatregel werd ingevoerd in Wetboek van Strafrecht (zie Stb. 1993, 29 in combinatie gelezen met Stb. 1995,160) is voor wat betreft het (toenmalige) arrondissement Rotterdam pas ingevoerd op 1 april 1995.1

VORDERING TENUITVOERLEGGING

In het bij verstek gewezen vonnis d.d. 4 december 2013 van de politierechter van deze rechtbank, locatie Dordrecht, is de verdachte ter zake van diefstal met braak veroordeeld voor zover van belang tot een gevangenisstraf van 3 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

De proeftijd is ingegaan op 5 juni 2014.

De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van deze aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke straf.

Bij het beoordelen van deze vordering acht de rechtbank het volgende van belang.

De voorwaardelijke gevangenisstraf van drie weken is aan de verdachte opgelegd bij vonnis van de politierechter d.d. 4 december 2013. Dit vonnis is bij verstek gewezen, op basis van een niet in persoon betekende dagvaarding. Het verstekvonnis is op 21 mei 2014 in persoon aan verdachte betekend. De beslissing van de politierechter is 14 dagen daarna onherroepelijk geworden.

Verdachte wordt in het huidige vonnis -onder andere- veroordeeld voor een bedrijfsinbraak, gepleegd op 1 februari 2014 te Rotterdam.

De officier van justitie heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging kan worden toegewezen, omdat deze bedrijfsinbraak is gepleegd voor einde van de proeftijd van het bovengenoemde (politierechter)vonnis.

De rechtbank stelt vast dat het politierechtervonnis op de datum van het nieuwe strafbare feit nog niet aan verdachte was betekend. De ratio van het opleggen van een voorwaardelijke straf is (met name) het (proberen te) voorkomen dat een veroordeelde opnieuw (een) strafbare feit(en) zal plegen, omdat hij weet dat de kans bestaat dat de eerder voorwaardelijk opgelegde straf alsnog zal moeten worden ondergaan. Om dit effect te bereiken dient de latere rechter, die moet oordelen over de vordering tot tenuitvoerlegging, er redelijkerwijs van te kunnen gaan dat een veroordeelde ook kennis draagt van het vonnis waarbij een voorwaardelijke straf of een voorwaardelijk strafdeel is opgelegd. Dit dient dan te volgen uit feiten of omstandigheden die moeten blijken uit het dossier. Dat is in deze zaak niet het geval, omdat uit niets blijkt dat verdachte ten tijde van het plegen van het nieuwe misdrijf op de hoogte was van het tegen hem gewezen verstekvonnis. Dit alles leidt er toe dat de vordering dient te worden afgewezen.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 45, 57, 63, 242, 287, 302, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;



wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1], toe tot een bedrag van € 5.392,16, bestaande uit € 392,16 aan materiële schade en € 5.000,- aan immateriële schade en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan de benadeelde partij te betalen;

bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 mei 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 5.392,16 (hoofdsom), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 mei 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 5.392,16 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 61 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt en begroot deze kosten op nihil;

wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis d.d. 4 december 2013 van de politierechter in deze rechtbank, locatie Dordrecht, aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Damen, voorzitter,

en mrs. Engbers en Van Breevoort-de Bruin, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Van Wingerden, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 31 oktober 2014.

Zijnde de jongste rechter buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I bij vonnis van 31 oktober 2014:

TEKST GEWIJZIGDE TENLASTELEGGING.

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 9 mei 2014 tot en met 10 mei 2014 te

Rotterdam door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door

bedreiging met geweld en/of bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en)

iemand, te weten [aangeefster 1], heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen

die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het

lichaam, namelijk

- het brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis in de mond van die

[aangeefster 1],

bestaande het geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de

bedreiging met geweld en/of de bedreiging met (een) ander feitelijkhe(i)d(en)

hierin dat verdachte meermalen, althans éénmaal

- op dreigende toon tegen die [aangeefster 1] heeft gezegd dat zij hem moest pijpen en/of

- in het gezicht van die [aangeefster 1] heeft geslagen en/of gestompt en/of

- de handen van die [aangeefster 1] met een (telefoon)snoer achter haar rug heeft (vast)gebonden

en/of

- met een (telefoon)snoer die [aangeefster 1] heeft proberen te wurgen en/of

- met een hamer, althans een hard voorwerp, tegen het hoofd en/of het lichaam

van die [aangeefster 1] heeft geslagen en/of

- met een honkbalknuppel, althans een hard voorwerp, tegen het hoofd en/of

het lichaam van die [aangeefster 1] heeft geslagen en/of

- ( aldus) voor die [aangeefster 1] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

(art 242 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij in of omstreeks de periode van 9 mei 2014 tot en met 10 mei 2014 te

Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk een persoon genaamd [aangeefster 1] van het leven te beroven, met dat

opzet

- met een (telefoon)snoer (gedurende enige tijd) omsnoerend en/of samendrukkend geweld heeft uitgeoefend op de hals/keel van die [aangeefster 1] en/of

- meermalen, althans eenmaal, met een hamer en/of een honkbalknuppel,

althans met een hard voorwerp, tegen het hoofd en/of het lichaam van die [aangeefster 1]

heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art 287/45 Wetboek van Strafrecht)

en/of

dat hij in of omstreeks de periode van 9 mei 2014 tot en met 10 mei 2014 te

Rotterdam aan een persoon genaamd [aangeefster 1], opzettelijk zwaar lichamelijk

letsel (gebroken oogkas en/of gebroken neus en/of gebroken neusbijholte),

heeft toegebracht, door deze opzettelijk meermalen, althans eenmaal,

- met een hamer en/of een honkbalknuppel, althans een hard voorwerp, tegen het hoofd

en/of het lichaam te slaan en/of

- (met kracht) (met de vuist(en)) in/op het gezicht te slaan en/of te stompen;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 9 mei 2014 tot en met 10 mei 2014 te Rotterdam

opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [aangeefster 1]), meermalen, althans eenmaal,

- met een hamer en/of een honkbalknuppel, althans met een hard voorwerp,

tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen en/of

- (met kracht) (met de vuist(en)) in/op het gezicht heeft geslagen en/of gestompt,

ten gevolge waarvan deze [aangeefster 1] zwaar lichamelijk letsel (te weten een gebroken oogkas en/of een gebroken neus en/of een gebroken neusbijholte), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(artikel 300 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 19 juni 1993 te Rotterdam

door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of

(een) andere feitelijkhe(i)d(en) [aangeefster 2] heeft gedwongen tot

het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en)

uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk:

- het brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die

[aangeefster 2],

en bestaande dat geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de

bedreiging met geweld of de bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en)

hierin dat verdachte

- de (slaap)kamer waarin die [aangeefster 2] sliep is binnengegaan en/of

- die [aangeefster 2] een (groot) mes heeft getoond en/of (vervolgens)

- de dekens van die [aangeefster 2] heeft afgetrokken en/of (vervolgens)

- het/een mes tegen/op de hals/keel van die [aangeefster 2] heeft gezet en/of

(daarbij) tegen die [aangeefster 2] heeft gezegd "houd je kop, want anders steek ik

je kapot", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

(vervolgens)

- met dat/een mes het nachthemd en/of de slip van die [aangeefster 2] heeft

kapotgesneden en/of (daarna)

- het/een mes tegen de keel/hals van die [aangeefster 2] geplaatst en/of

- ( aldus) voor die [aangeefster 2] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

(artikel 242 Wetboek van Strafrecht)

4.

hij op of omstreeks 19 juni 1993 te Rotterdam, tussen de uren 00.00 en 02.00 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in/uit een woning gelegen aan de [X]laan,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen 200 gulden,

althans een geldbedrag en/of een horloge en/of een paspoort (ten name van

[aangeefster 2]) en/of een pinpas en/of een bos sleutels en/of een

portemonnee (met inhoud) en/of een zakagenda, in elk geval enig goed, geheel

of ten dele toebehorende aan [aangeefster 2], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte,

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen [aangeefster 2], gepleegd met het oogmerk

om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij

betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken,

hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- binnendringen van die woning en/of de slaapkamer waarin die [aangeefster 2] zich

bevond en/of

- tonen van een (groot) mes aan die [aangeefster 2] en/of

- leggen van een kussen op het hoofd van die [aangeefster 2] en/of

- tegen die [aangeefster 2] zeggen (zakelijk weergegeven) dat zij zich niet

mocht bewegen omdat hij haar anders zou doodsteken en/of

- de deur van de (slaap)kamer waarin die [aangeefster 2] zich bevond dicht

doen en/of op slot draaien;

(artikel 312 Wetboek van Strafrecht)

5.

hij in of omstreeks de periode van 17 februari 2013 tot en met 1 februari 2014

te Rotterdam,

(telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

één of meer van de hierna te noemen goederen, in elk geval enig goed, geheel

of ten dele toebehorende aan één of meer van de hierna te noemen personen, in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

waarbij verdachte het goed/de goederen (telkens) onder zijn bereik heeft

gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

- in of omstreeks de periode van 17 februari 2013 tot en met 18 februari 2013

(uit een personenauto van het merk Opel Agila, kenteken [kenteken] geparkeerd

staande aan de [X]straat) een kabel van een TomTom, toebehorende aan [aangever 3] en/of

- in of omstreeks de periode van 23 september 2013 tot en met 24 september

2013 (uit kapsalon [naam kapsalon] gevestigd aan de [X]straat) een flatscreen van

het merk LG en/of een DVD-speler van het merk Samsung en/of één of meer

kappersartikel(en), toebehorende aan [aangever 4] en/of kapsalon

[naam kapsalon] en/of

- op of omstreeks 1 februari 2014 (uit computerwinkel [naam computerwinkel]

gevestigd aan de [X]weg) 23, althans één of meer laptop(s)

toebehorende aan [aangever 5]

(artikel 311 Wetboek van Strafrecht)

art 310 Wetboek van Strafrecht

1 Zie HR 1 februari 2011 ECLI:NL:PHR:2011:BO4019