Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:9165

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-10-2014
Datum publicatie
10-11-2014
Zaaknummer
10/770002-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verduistering, bij stichting derdengelden van een advocatenkantoor. Vermenging van derdengeld en eigen geld.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/770002-08

Datum uitspraak: 30 oktober 2014

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[VERDACHTE],

geboren te [geboorteplaats en datum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres:

[adres],

gemachtigd raadsman mr. M.P. Kloppenburg, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 10 september en 30 oktober 2014.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. S. Sleeswijk Visser heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met een proeftijd van 2 jaar.

GELDIGHEID DAGVAARDING

De raadsman heeft betoogd dat de toevoeging ‘en/of aan een ander of anderen’ na ‘de Stichting Derdengelden [rechtspersoon]Advocaten [nummer KvK]’ in de slotalinea van feit 1, onvoldoende bepaald is. Dit betoog slaagt niet. Dit deel van de tenlastelegging gaat om gelden gehouden door de Stichting Derdengelden [rechtspersoon]. Het is voldoende duidelijk dat de verwijzing naar ‘aan een ander of anderen’ – voor zover relevant gelet op de hierna volgende bewijsbeoordeling – in ieder geval ziet op de uiteindelijk gerechtigde(n) tot die gelden. Dat de namen van die rechthebbenden niet uit het dossier blijken, is niet nodig voor een tenlastelegging inzake verduistering.

De raadsman heeft ten aanzien van diverse andere onderdelen van de tenlastelegging gesteld dat deze te onbepaald zijn en dat de dagvaarding daarmee partieel nietig is. De rechtbank zal dit verweer voor het overige onbesproken laten, nu het betrekking heeft op die delen van de tenlastelegging waarvan de verdachte, zoals hierna wordt overwogen, wordt vrijgesproken.

MOTIVERING VRIJSPRAAK FEIT 2

Anders dan de officier van justitie komt de rechtbank tot de conclusie dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte dit feit heeft begaan, mede gelet op hetgeen hierna ten aanzien van het moment van het plegen van het bewezenverklaarde onder feit 1 wordt overwogen. Voor het oordeel dat sprake is van het valselijk opmaken van de in de tenlastelegging aangeduide Eigen Verklaring 2005 ontbreekt in het dossier een feitelijke onderbouwing.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud van de bewijsmiddelen.

NADERE BEWIJSMOTIVERINGEN

Bewijsmotivering feit 1

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag:

  1. Het advocatenkantoor [rechtspersoon]bestond uit de vennootschappen [rechtspersoon]Holding B.V, [rechtspersoon]B.V., [rechtspersoon]Barendrecht B.V., [rechtspersoon]Rotterdam B.V. en [rechtspersoon]Arnhem B.V.. [rechtspersoon] was bestuurder en enig aandeelhouder van de overige vennootschappen uit deze groep.

  2. Aan het advocatenkantoor waren twee stichtingen derdengeld verbonden, de Stichting Beheer Derdengelden [rechtspersoon] (hierna: de Stichting) en de Stichting Beheer Derdengelden [rechtspersoon] (hierna: de Stichting Rotterdam).

  3. De verdachte was de enige bestuurder van [rechtspersoon]. De verdachte was tevens bestuurder van de beide stichtingen derdengeld. De medeverdachte was kantoordirecteur en feitelijk leidinggevende van het advocatenkantoor [rechtspersoon]. Hij leidde ook de financiële administratie en deed de betalingen.

  4. Op de derdengeldrekening van de Stichting kwamen, naast bedragen voor derden, ook substantiële bedragen binnen die bedoeld waren voor het advocatenkantoor [rechtspersoon]. Dit betrof onder meer betalingen voor toevoegingen en betalingen voor declaraties.

  5. Vanaf de derdengeldrekening van de Stichting zijn betalingen gedaan ten behoeve van het advocatenkantoor [rechtspersoon].

Tot zover zijn de feiten en omstandigheden niet in geschil. De officier van justitie en de raadsman verschillen wel van mening over de vraag of de in de tenlastelegging genoemde bedragen zijn verduisterd.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie stelt dat al het geld op de derdengeldrekening van de Stichting als gevolg van de vermenging tussen geld dat toebehoorde aan het advocatenkantoor [rechtspersoon](hierna: eigen geld) en geld voor derden (hierna: derdengeld) aangemerkt moet worden als derdengeld. Daarmee zijn de in de tenlastelegging genoemde betalingen door [medeverdachte] ten behoeve van het advocatenkantoor gepleegde verduisteringen: met die betalingen gedroeg [medeverdachte] zich als heer en meester over deze gelden en wendde hij deze aan voor een ander dan het beoogde doel (te weten: het houden voor de derden). In de visie van de officier van justitie hoeft vanwege deze vermenging niet onderzocht te worden of de tenlastegelegde betalingen op zich gedaan hadden kunnen worden uit bedragen die de Stichting had verkregen ten behoeve van het advocatenkantoor. De officier van justitie verwijt de verdachte dat hij de aanmerkelijke kans heeft genomen dat regelgeving werd overtreden en strafbaar gehandeld zou kunnen worden. Er was een bewuste en nauwe samenwerking door de wijze waarop het advocatenkantoor administratief werd geleid door [medeverdachte] en de randvoorwaarden om [medeverdachte], in strijd met regelgeving, volledig zeggenschap te geven over betalingen ook van de derdenrekening, zijn geschapen met instemming van de verdachte.

Standpunt verdediging
De raadsman betwist deze benadering. Voor zover thans van belang betoogt hij – zakelijk weergegeven – het volgende. De Stichting was nimmer rechthebbende op de gelden van de derdengeldrekening, maar ontving deze slechts ten behoeve van en beheerde deze voor rekening en risico van de rechthebbenden. Niet vast staat welke bedragen toebehoorden aan het advocatenkantoor of aan derden, nu bijvoorbeeld geïncasseerde proceskosten konden worden verrekend met facturen. Verder valt niet aan te tonen dat de in de tenlastelegging genoemde betalingen afkomstig waren uit derdengelden en niet uit eigen gelden van [rechtspersoon]. Er was geen sprake van handelen in strijd met het objectieve recht omdat er geen wettelijke verplichting was om een derdengeldrekening te hebben. Ten aanzien van de aan de verdachte verweten medeplichtigheid geldt – zakelijk weergegeven – dat er geen reden was om toezicht te houden; er was sprake van een werkverdeling en er waren lange tijd geen problemen. De verdachte had ook geen opzet op verduistering van derdengelden.

Beoordeling
Vaststaat dat over de derdengeldrekening van de Stichting zowel eigen gelden als derdengelden liepen. Het betoog dat derdengelden na verrekening wel aan het kantoor toekwamen, zou hierin alleen verandering kunnen brengen als voor alle voor derden betaalde bedragen minst genomen aannemelijk is dat er een recht op verrekening was ten aanzien van de rechthebbende en dat verrekening kon plaatsvinden tot het totale bedrag van de ontvangen derdengelden. Dit is niet het geval. In dit verband wijst de rechtbank er – ter illustratie – op dat in de overeenkomst met de grootste opdrachtgever van [rechtspersoon], [opdrachtgever], een verplichting van [rechtspersoon] tot doorbetaling was opgenomen (zie p. 452, onder punt 10). Voor die klant gold dus in ieder geval geen verrekeningsbevoegdheid.

Geoordeeld moet daarom worden dat er op de derdengeldrekening van de Stichting continu een vermenging plaatsvond tussen eigen gelden van het advocatenkantoor en derdengelden, waarbij omvang en aandeel van de beide geldstromen over de tijd kunnen (en naar aan te nemen is ook: zullen) hebben gefluctueerd.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat bij een dergelijke vermenging van eigen gelden en derdengelden, niet daarmee al het geld als derdengelden gezien moet worden. Als de derdengeldrekening is gebruikt als ware het de kantoorrekening, dan is dat tuchtrechtelijk verwijtbaar. Echter, van verduistering in strafrechtelijke zin is eerst sprake indien derdengeld wordt onttrokken aan de daarvoor geldende bestemming en zo, tijdelijk of definitief, wordt toegeëigend. Indien het geld van de derden wordt aangewend conform de bestemming, dan is het feit dat het advocatenkantoor haar eigen gelden aanwendt voor haar eigen doelen, geen verduistering. Dat eigen geld is immers geen ‘goed van een ander’ als bedoeld in art. 321 e.v. Sr. De vaste jurisprudentie waarnaar de officier van justitie in dit verband verwijst, concludeert naar het oordeel van de rechtbank niet dat bij vermenging eigen gelden als derdengelden aangemerkt moeten worden, maar gaat ervan uit dat bij een dergelijke vermenging derdengelden, hoewel civielrechtelijk mogelijk eigendom van de bewaarnemer, toch kwalificeren als ‘een goed van een ander’ in de zin van art. 321 e.v. Sr. (zie onder meer HR 12 februari 1952, NJ 1952/700 en T&C Strafrecht, aant. 7.b op art. 321 Sr).

De vraag is dus of er derdengelden door [medeverdachte] zijn toegeëigend, bezien tegen deze achtergrond. Deze vraag moet bevestigend worden beantwoord. Uit het onderzoek van drs. C.J. Bokslag, registeraccountant, blijkt dat de twee derdengeldstichtingen op 14 juni 2007 per saldo een schuld uit hoofde van ontvangen en betaalde derdengelden hadden van € 172.639,79 (zie p. 158 voor de saldi van de grootboekrekening 2130 en de uitleg op p. 305 dat grootboekrekening 2130 de registratie behelst van de ontvangen en betaalde derdengelden). Tegenover die schuld stond per 14 juni 2007 op de bankrekeningen van de stichtingen in totaal € 35.872,49 (zie p. 158). Per saldo was er op die datum dus een bedrag van € 136.767,30 aan derdengelden verdwenen.12 Het is dan ook niet zo dat [medeverdachte] alleen over eigen gelden heeft beschikt.

[medeverdachte] was binnen [rechtspersoon]degene die de betalingen deed en daarvoor ook verantwoordelijk was. Hij is daarin tekort geschoten. Tekenend in dit verband zijn de substantiële betalingen die [medeverdachte] kort voor het faillissement heeft gedaan ten laste van de derdengeldrekening van de Stichting aan de aan hem gelieerde vennootschap [rechtsperoon] B.V.. Het betreft in totaal een bedrag van € 159.404,91 (zie p. 1783). [medeverdachte] had nooit op deze wijze het risico mogen nemen dat derdengelden niet terugbetaald konden worden. Evenmin is relevant of de stichtingen nog vorderingsrechten hebben of hadden tot terugbetaling van deze bedragen of dat zij een vordering in rekening-courant (zouden) hebben met de [rechtspersoon]vennootschappen: het gaat erom dat een stichting derdengelden op ieder moment kan voldoen aan haar verplichtingen uit hoofde van de aan haar toevertrouwde derdengelden en dat derdengelden nimmer buiten hun bestemming mogen worden aangewend, ook niet tijdelijk. Met een negatief saldo als hiervoor is vastgesteld is gegeven dat in ieder geval in een periode tot 14 juni 2007 misbruik van derdengelden heeft plaatsgevonden. Hieraan doet niet af dat er geen wettelijke verplichting bestond tot het hebben van een derdengeldrekening.

Uit het strafdossier blijkt niet nauwkeurig welk deel van de in de tenlastelegging genoemde betalingen afkomstig waren uit derdengelden. Nu wel duidelijk is dat het saldo per 14 juni 2007 € 136.767,30 negatief was, en gesteld noch gebleken is (of zelfs maar aannemelijk geworden) dat er derdengelden zijn verdwenen door toeval of domme pech, gaat de rechtbank uit van een totale verduistering tot aan die datum van (in ieder geval) € 136.767,30. In dit bedrag is inbegrepen het bedrag van € 757,52 van [klant] (zie p. 1729 e.v. van het dossier). Het is om deze reden dat de rechtbank bewezen verklaart de verduistering van ‘een geldbedrag, toebehorende aan een ander of anderen’.

Anders dan de raadsman heeft betoogd, acht de rechtbank voorts wettig en overtuigend bewezen dat de verduistering door [medeverdachte] heeft plaatsgevonden in dienstbetrekking. [medeverdachte] was immers de kantoordirecteur en feitelijk leidinggevende van het advocatenkantoor [rechtspersoon]. Uit hoofde van die dienstbetrekking was hij in staat te beschikken over de derdengeldrekening van de Stichting. Dat hij geen salaris betaald kreeg, doet daaraan niet af.

De medeplichtigheid van de verdachte bestaat hieruit dat hij bij de bovenstaande handelingen van [medeverdachte] ondanks signalen van het personeel geen vraagtekens heeft geplaatst ondanks dat hij formeel de bestuurder was van [rechtspersoon], beheerder van beide stichtingen derdengeld en advocaat. Zo is door [medewerker] in haar functioneringsgesprek expliciet gesproken over gedragingen van [medeverdachte] ten opzichte van overschrijvingen en dat zij daar niet voor verantwoordelijk gehouden wilde kunnen worden. Dit functioneringsverslag is door de verdachte ondertekend. Dat de verdachte een volmacht had afgegeven aan [medeverdachte] ontsloeg hem niet van verantwoordelijkheid controle te houden op zijn functioneren en daarmee dus de handelingen die [medeverdachte] verrichtte.

Hetgeen overigens is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

[Medeverdachte], in de periode van 15 oktober 2004 tot en met 10 juli 2007, te Barendrecht,

opzettelijk een geldbedrag,

dat toebehoorde aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte],

welk geldbedrag die [medeverdachte] uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als directeur van [rechtspersoon], en/of uit hoofde van zijn werkzaamheden bij [rechtspersoon] Holding B.V. en/of [rechtspersoon] B.V. onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

bij het plegen van welke misdrijf hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 augustus 2005 tot en met 9 juli 2007 in de gemeente Barendrecht opzettelijk gelegenheid heeft verschaft,

welke medeplichtigheid hierin bestond dat hij, verdachte, opzettelijk

-als bestuurder van de Stichting Derdengelden [rechtspersoon]heeft nagelaten (voldoende en/of deugdelijke) controle uit te oefenen op overschrijvingen die zijn verricht vanaf de derdengeldrekening met nr [nummer] door die [medeverdachte], en

-als bestuurder van de Stichting Derdengelden [rechtspersoon]heeft nagelaten (adequate) actie te ondernemen naar aanleiding berichten (van een of meer medewerker(s) van zijn, verdachtes, kantoor) inzake het oneigenlijk gebruik van de bankrekening [nummer] van netgenoemde stichting door [medeverdachte], en

-als bestuurder van de Stichting Derdengelden [rechtspersoon] heeft nagelaten (voldoende en/of deugdelijke) controle uit te oefenen op de administratie van de Derdengeldenrekening.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID FEIT

Het bewezen feit levert op:

1.

medeplichtigheid aan verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte is medeplichtig geweest aan verduistering van derdengelden. Dit is zeer laakbaar gedrag voor een advocaat en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou gerechtvaardigd zijn.

Met de officier van justitie houdt de rechtbank rekening met het feit dat de verdachte civielrechtelijk aansprakelijk is gesteld en een schadevergoeding dient te betalen en dat zijn gezondheid te wensen overlaat.

Namens de verdachte is voorts een beroep gedaan op overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Bij de berechting van een zaak, waarbij geen sprake is van bijzondere omstandigheden heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn. Deze termijn begint op het moment dat de verdachte redelijkerwijs kan verwachten dat er strafvervolging tegen hem wordt ingesteld. Dit moment stelt de rechtbank in dit geval op de datum van het eerste verhoor op 16 december 2008.

Tussen de datum van het eerste verhoor van de verdachte en de datum van het eindvonnis ligt een periode van ruim zeventig maanden. Uitgaande van de termijn van twee jaar, zoals hiervoor is overwogen, is er in de onderhavige zaak sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM van ruim zesenveertig maanden. Nu deze overschrijding niet is toe te rekenen aan de verdachte, dient dit gecompenseerd te worden door vermindering van de op te leggen straf. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank daarom geen onvoorwaardelijke maar een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.

Die straf is, gelet op het bewezen verklaarde, iets lager dan de officier heeft geëist. Tevens houdt de rechtbank rekening met de rolverdeling tussen de verdachte en de medeverdachte.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Behalve op het reeds genoemde artikel, is gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c7 en 322 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarde overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig zal maken.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.J. Bade, voorzitter,

en mrs. J.F. Koekebakker en N. Doorduijn, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.H. Eelderink, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 oktober 2014.

1 De hier bedoelde bedragen zijn cumulatief voor de twee stichtingen. Onderkend wordt dat de tenlastelegging en het processuele debat zich hebben toegespitst op de Stichting en niet tevens op de Stichting Rotterdam. Indien de saldi van de Stichting Rotterdam uit het overzicht worden weggedacht, dan resteert er een groter tekort. In het voordeel van de verdachte wordt uitgegaan van het bedrag van € 136.767,30.

2 Dat getuige (p. 447) heeft verklaard dat er op de faillissementsdatum een groter banksaldo zou zijn geweest, doet er niet aan af dat per 14 juni 2007 een tekort was en dat op dat moment er dus derdengelden aangewend waren voor een ander doel dan waarvoor deze bestemd waren. Het kan dus in het midden blijven of op de faillissementsdatum niet alleen het banksaldo, maar ook het saldo van grootboekrekening 2130 was veranderd.