Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:9129

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-08-2014
Datum publicatie
07-11-2014
Zaaknummer
2996885
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

:685 BW directeur-bestuurder woningbouwvereniging; rechtspersonenrechtelijke en arbeidsrechtelijke relatie; in arbeidsovereenkomst voorziening in geval ontslag; WNT niet van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0761
AR 2014/836

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 2996885 VZ VERZ 14-4394

uitspraak: 7 augustus 2014

beschikking ex artikel 7:685 Burgerlijk Wetboek van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de vereniging

Woningbouwvereniging [X]

gevestigd te [X] ,

verzoekster,

gemachtigde: mr. A. van der Kolk, te Rotterdam,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats],

verweerder,

gemachtigde: mr. J.S. van der Landen, te Utrecht.

Partijen worden hierna aangeduid als “[Woningbouwvereniging]” respectievelijk [verweerder]

1 Het verloop van de procedure

1.1

Van de volgende processtukken is kennisgenomen:

  • -

    het verzoekschrift, met bijlagen, ontvangen op 18 april 2014;

  • -

    het verweerschrift, met bijlagen, ontvangen op 4 juli 2014;

  • -

    de faxbrief d.d. 7 juli 2014 aan de zijde van [Woningbouwvereniging] met bijlage;

  • -

    de bij gelegenheid van de mondelinge behandeling overgelegde pleitaantekeningen

aan de zijde van de [Woningbouwvereniging].

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 juli 2014.

Aan de zijde van de [Woningbouwvereniging] zijn verschenen de heer[A]en mevrouw
[B], voorzitter, respectievelijk vicevoorzitter van de Raad van Commissarissen en de heer[C] vicevoorzitter van de Raad van Afgevaardigden, bijgestaan door de gemachtigde van [Woningbouwvereniging]. [verweerder] is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten doen toelichten door hun respectievelijke gemachtigden, de gemachtigde van [Woningbouwvereniging] heeft dit gedaan aan de hand van pleitaantekeningen. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier aantekening gehouden.

1.3

De kantonrechter heeft de datum van de uitspraak bepaald op heden.

2 De feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende relevante feiten:

2.1

[Woningbouwvereniging] is een toegelaten woninginstelling in de zin van de Woningwet. Zij wordt bestuurd door een bestuur dat bestaat uit één natuurlijk persoon, in de statuten “de directeur” genoemd. Deze statutair bestuurder is tevens directeur van de werkorganisatie.

2.2

Conform haar statuten kent [Woningbouwvereniging] een Raad van Commissarissen (RvC), bestaande uit
5 leden, die worden benoemd door de Raad van Afgevaardigden (RvA). De RvC heeft de bevoegdheid de bestuurder te benoemen, te schorsen en te ontslaan. Hij houdt toezicht op het beleid van de bestuurder en op de algemene gang van zaken bij [Woningbouwvereniging] en de met haar verbonden onderneming. De RvC vervult de rol van werkgever waar het de uitoefening van de taken van de directeur betreft.

2.3

De RvA wordt benoemd door en uit de leden van de vereniging en fungeert namens hen als adviseur voor het bestuur. De RvA adviseert de RvC bij benoeming, schorsing of ontslag van de directeur-bestuurder

2.4

[verweerder], geboren op [geboortedatum]is op 1 februari 2001 in dienst getreden bij [Woningbouwvereniging] en per 30 juni 2003 benoemd tot statutair directeur. Laatstelijk bekleedde hij de functie van directeur-bestuurder. Zijn bruto maandsalaris bedraagt € 9.045,82 ex 8% vakantietoeslag.

2.5

De arbeidsovereenkomst van [verweerder] houdt onder artikel 3 lid 3 in geval van beëindiging de volgende voorziening in:

“[Woningbouwvereniging] is verplicht de heer [verweerder] bij tussentijdse ongevraagde beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de Raad van Commissarissen (…) zonder dat ontslag zijn uitsluitende of voornaamste reden vindt in handelingen of nalatigheid van de heer [verweerder], rekening houdend met alle omstandigheden van het geval, ter zake van schadeloosstelling te voldoen een bedrag ineens (lump sum), berekend volgens het uitgangspunt van de kantonrechtersformule zoals deze toegepast wordt bij een ontbindingsprocedure.”

2.6

De conclusie van het verslag van de beoordeling d.d. 29 november 2013 van [verweerder] luidt:

“De [verweerder]vervult een zware en verantwoordelijke functie als directeur/bestuurder. Het beheersmatige deel van de functie wordt naar tevredenheid vervuld. De RvC heeft waardering voor hetgeen tot stand is gebracht bij de [Woningbouwvereniging]. Echter de bestuurlijke en relationele aspecten van de functie zijn minder goed tot ontwikkeling gekomen en de groei hierin stagneert. De functie vraagt om een meer extern georiënteerde, open en verbindende basishouding.

Op grond van de thans geldende governancecode voor de volkshuisvestingsbranche wordt een bestuurder voor een periode van 4 jaar benoemd. Daarna wordt bezien of verlenging al dan niet aan de orde is. [verweerder] is inmiddels bijna 13 jaar werkzaam als bestuurder in dezelfde functie en in feite dus bezig aan zijn 4e termijn.

Merkbaar is – ook voor hemzelf- dat relaties met veel stakeholders in de loop der jaren zijn “verzuurd”. Het gaat daarbij ook om zeer cruciale relaties zoals met de eigen RvA, de bewonersorganisatie en de RvC. Dit acht de RvC een ongewenste situatie.

De RvC is van mening dat het aanbeveling verdient dat de heer [verweerder] op korte termijn omziet naar een andere functie. Zij biedt de heer [verweerder] hulp en steun bij het vinden van een nieuwe werkkring.“

2.7

Bij besluit van 11 april 2014 heeft de RvC [verweerder] ontslagen als bestuurder. Dit ontslag is hem bevestigd bij brief van 14 april 2014. Aan dit ontslag is de non-actiefstelling van [verweerder] gekoppeld, in afwachting van een beslissing met betrekking tot de arbeidsovereenkomst tussen partijen.

2.8

Vanaf 13 juli 2013 en ook ten tijde van dit ontslagbesluit was de RvC niet voltallig, maar bestond uit 2 leden.

2.9

Na het ontslag van [verweerder] is in de drie vacatures in de RvC voorzien. Per 13 mei 2014 is de RvC weer voltallig.

3 Het verzoek en de grondslag daarvan

3.1

Het verzoek strekt tot ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen, gelegen in een wijziging in de omstandigheden, met ingang van de vroegst mogelijke datum, onder toekenning van een vergoeding aan [verweerder] van
€ 108.550,00 bruto, met zijn veroordeling in de kosten van het geding.

3.2

Aan het verzoek heeft [Woningbouwvereniging] naast de hiervoor onder 2.1 tot en met 2.7 weergegeven vaststaande feiten, voor zover van belang en samengevat weergegeven, het volgende ten grondslag gelegd.

3.3

De verhouding tussen de RvC en [verweerder] als directeur-bestuurder is blijvend verstoord. Ditzelfde geldt voor de verhouding tussen de RvA en [verweerder] en ook tussen de huurdersorganisatie Houdt Zicht (HZ) en [verweerder] moet een constructieve samenwerking uitgesloten worden geacht.

3.3.1

Met name op bestuurlijk en communicatief terrein heeft de RvC, gesteund door de RvA, geen vertrouwen meer in [verweerder]. Dit speelt al geruime tijd en het niet naar behoren functioneren van [verweerder] is meermalen voorwerp van overleg geweest tussen de RvC en [verweerder]. Op 29 november 2013 heeft een beoordeling van [verweerder] plaatsgevonden, waarvan een verslag is opgemaakt. Ondanks gesprekken over verbeterpunten in de afgelopen periode en de [verweerder] geboden gelegenheid zijn functioneren te verbeteren heeft dit niet tot enig positief en waarneembaar resultaat geleid. [verweerder] heeft daarentegen de verhoudingen met de RvC en de RvA verder op scherp gesteld. Bij hem is er niet de wil c.q. de intentie geweest zich te conformeren aan de redelijke wensen en verlangens van de RvC als toezichthouder.

3.3.2

Evenmin is hij er in geslaagd om de verhouding en de samenwerking met de RvA en HZ te verbeteren, terwijl van hem als directeur-bestuurder verwacht mag worden dat hij een verbindende factor binnen de onderneming zou moeten en kunnen zijn. Verder beschikt [verweerder] niet over het vermogen om samenwerkingsrelaties met derden op te bouwen. Over dergelijke kerncompetenties moet een directeur-bestuurder zeker bij een maatschappelijk georiënteerde onderneming als een woningbouwcorporatie juist beschikken.

3.4

Daar waar de directeur-bestuurder niet langer het vertrouwen geniet van de RvC en de RvA ziet de RvC geen andere mogelijkheid dan zijn verantwoordelijkheid te nemen en gebruik te maken van de hem toekomende ontslagbevoegdheid ten aanzien van de directeur-bestuurder en te komen tot beëindiging van de arbeidsrelatie met [verweerder].

3.5

Aan de arbeidsovereenkomst kan geen zinvolle invulling meer worden gegeven nu [verweerder] met het per 14 april 2014 geëindigd zijn van zijn functionele relatie met [Woningbouwvereniging] geen bestuurder meer is. De arbeidsovereenkomst die als gevolg hiervan inhoudsloos is geworden dient dan ook tot een einde te komen.

3.6

Een vergoeding conform de kantonrechtersformule met een C-factor van 1 is niet passend omdat de noodzaak om de arbeidsovereenkomst te beëindigen geheel in de risicosfeer van [verweerder] ligt en aan hem toerekenbaar is. Verder is de RvC van oordeel dat hij een maatschappelijke verantwoordelijkheid heeft die mede bezien moet worden in het kader van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semi publieke sector (WNT). Een vergoeding van 12 maanden bruto salaris wordt daarom passend geacht.

4 Het verweer

4.1

Het verweer strekt primair tot afwijzing van het ontbindingsverzoek, subsidiair, in geval van toewijzing, daarbij een in goede justitie vast te stellen vergoeding toe te kennen, met veroordeling van [Woningbouwvereniging] in de kosten van de procedure.

Daartoe heeft [verweerder] voor zover van belang en zakelijk weergegeven het volgende aangevoerd:

4.2

Niet het gestelde disfunctioneren, maar het van [verweerder] af willen vanwege de door hem -in het belang van [Woningbouwvereniging]- genomen verantwoordelijkheid om de verhouding tussen de onderscheiden stakeholders binnen de vereniging aan te pakken en te optimaliseren is de werkelijke reden voor het ontbindingsverzoek. Het feit dat [verweerder] de RvC er in 2012 op heeft gewezen dat herbenoeming van 2 commissarissen voor een derde termijn in strijd zou zijn met de statuten van [Woningbouwvereniging], is door de nog resterende twee commissarissen aangegrepen als reden voor ontslag. De RvC heeft in korte tijd geprobeerd een ontslagdossier op te bouwen door een gefingeerde beoordeling over 2013 en het op onrechtmatige wijze schorsen en ontslaan van hem als bestuurder per 14 april 2014.

4.3

In de statuten wordt geen onderscheid gemaakt tussen ontheffing uit de bestuursfunctie en beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Dit heeft tot gevolg dat ook de beslissing van [Woningbouwvereniging] tot het indienen van het onderhavige ontbindingsverzoek door de nietigheidsanctie wordt geraakt, die het besluit om [verweerder] te ontslaan als bestuurder treft.

Laatstbedoeld besluit is nietig ex artikel 2:14 BW, althans vernietigbaar ex artikel 2:15 BW.

In de eerste plaats wegens strijd met de statuten, omdat het ontslagbesluit is genomen door twee commissaris, niet zijnde een RvC, bestaande uit 5 leden, zoals gedefinieerd in de statuten. De statuten houden geen bepaling in waaruit blijkt dat het ook een niet-voltallige RvC is toegestaan om een bestuurder te ontslaan.

Bovendien is het ontslagbesluit in strijd met de redelijkheid en billijkheid, want genomen in strijd met de statuten, een “disfunctioneringsdossier” ontbreekt en omdat de beide commissarissen ten tijde van de besluitvorming samen niet een qua kennis en achtergrond gelegitimeerde toezichthouder vormden.

4.4

Het handelen en de besluitvorming van de RvC worden niet gerechtvaardigd door de feiten. [verweerder] betwist te hebben gedisfunctioneerd; de verwijten in het verslag van
29 november 2013 worden niet met feiten onderbouwd. [verweerder] is ruim 13 jaar in functie en heeft tot dan toe altijd goede beoordelingen gehad. Voorts zijn er door [Woningbouwvereniging] geen inspanningen verricht om daadwerkelijk te investeren in voortzetting van de samenwerking met [verweerder].

4.5

Door de onrechtmatige althans onzorgvuldige handelwijze van de RvC worden de belangen van [verweerder] onevenredig geschaad. De diffamerende wijze waarop [verweerder] de toegang tot zijn werk is ontzegd en de beoogde ontbinding van de arbeidsovereenkomst hebben ingrijpende (financiële) consequenties voor hem. Gelet op zijn leeftijd en zijn eenzijdige arbeidsverleden is zijn arbeidsmarkt perspectief uiterst onzeker. Vindt hij geen baan in de sector, dan verliest [verweerder] zijn aanspraak op voorwaardelijk pensioen, waardoor hij een bedrag van ruim € 6.000,00 bruto per jaar misloopt.

4.6

De door [Woningbouwvereniging] genoemde vergoeding wordt niet gerechtvaardigd door de feiten. Er is nadrukkelijk geen sprake van een neutrale situatie of een situatie waarin de grond voor het ontbindingsverzoek in overwegende mate aan [verweerder] verwijtbaar is. De verzochte ontbinding ligt, ook gelet op de tekst en ratio van de afvloeiingsregeling in de arbeidsovereenkomst tussen partijen, in de risicosfeer van [Woningbouwvereniging].

4.7

Voor wat de hoogte van het salaris geldt dat [verweerder] ook aanspraak maakt op een structurele bijdrage in de pensioenpremie en structurele vergoeding van zijn onkosten, (waaronder reis- en telefoonkosten).

5 De beoordeling

5.1

De kantonrechter heeft zich er ingevolge het bepaalde in artikel 7:685 lid 1 BW van vergewist dat het verzoek geen verband houdt met het bestaan van een opzegverbod.

5.2

Als meest verstrekkend verweer heeft [verweerder] aangevoerd dat (ook) de beslissing tot het indienen van het ontbindingsverzoek nietig althans vernietigbaar is.

5.2.1

In de zogenoemde15-april arresten (HR 15 april 2005, NJ 2005, 483 Bartelink/Ciris en 484 Unidek/Volumebouw) heeft de HR geoordeeld dat een vennootschapsrechtelijk ontslagbesluit in beginsel tevens beëindiging van de dienstbetrekking van de bestuurder tot gevolg heeft, tenzij er sprake is van een wettelijk opzegverbod of een andersluidende partijafspraak. Deze regels zijn ook van toepassing op de situatie dat, naast de rechtspersonenrechtelijke verhouding tussen een vereniging en de bestuurder, een arbeidsovereenkomst bestaat.

Op grond van deze 15-april arresten en gelet op de verwevenheid tussen de rechtspersonenrechtelijke- en arbeidsrechtelijke rechtsbetrekking kan worden aangenomen dat een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een bestuurder niet mogelijk is zonder een geldig ontslagbesluit van een verenigingsorgaan (zie ook P.A. Boontje en S. Bouman 2014, Sdu Commentaar Arbeidsrecht, 116 BW boek 2 artikel 8 C9 pag 2163 en mr. M.D. Ruizeveld in haar noot bij de 15-april arresten in SR 2005,54).

5.2.2

[verweerder] heeft om hem moverende redenen het besluit van de RvC van 14 april 2014 om hem te ontslaan als bestuurder niet (eerder) in rechte aangevochten in de daartoe geëigende dagvaardingsprocedure. De onderhavige ontbindingsprocedure is niet de juiste procedure om de rechtsgeldigheid van besluiten van een verenigingsorgaan aan de orde te stellen, ook niet bij wijze van verweer.

5.2.3

Het voorgaande betekent dat in de onderhavige ontbindingsprocedure uitgegaan wordt van een rechtsgeldig ontslagbesluit van [verweerder] als bestuurder. Het betoog van [verweerder] dat het ontbindingsverzoek reeds afgewezen dient te worden wegens het ontbreken van een rechtsgeldig besluit daartoe wordt dan ook gepasseerd.

5.3

Op grond van de processtukken en uit hetgeen partijen tijdens de mondelinge behandeling hebben aangevoerd, is naar het oordeel van de kantonrechter genoegzaam gebleken dat de vertrouwensrelatie tussen partijen zo zeer onder druk is komen te staan dat niet valt in te zien hoe zij nog vruchtbaar met elkaar zouden kunnen samenwerken.

In zoverre is sprake van een verandering in de omstandigheden van dien aard dat deze een gewichtige reden vormt voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst met ingang van
1 september 2014.

5.3.1

Tussen partijen is in wezen niet in discussie dat de verhoudingen binnen [Woningbouwvereniging] al geruime tijd niet goed zijn en dat samenwerking uitermate stroef verloopt of zelfs ontbreekt. [verweerder] spreekt zelf over ‘De relatie met de raad van afgevaardigden en huurdersorganisatie Houdt Zicht (HZ) staat inderdaad onder druk” (productie 9 verzoekschrift, bijlage 1, pagina 1). Ook leden van het managementteam spreken over “langlopende problemen” en “steeds terugkerende problemen”(productie 5 verzoekschrift).

Door [Woningbouwvereniging] is onweersproken gesteld dat de slechte verhoudingen de gang van zaken binnen de onderneming van [Woningbouwvereniging] belemmert.

5.3.2

Om aan deze voor [Woningbouwvereniging] negatieve en onwenselijke situatie een einde te maken is eind 2012 een extern bureau, Gerrichhauzen & Partners ingeschakeld om een onderzoek te doen naar de relaties binnen de [Woningbouwvereniging] en de wijze waarop de directeur-bestuurder, de RvA en de HZ functioneren en met elkaar communiceren. De resultaten van zijn onderzoek heeft dit bureau neergelegd in het rapport met de -veelzeggende- titel “Een kluwen vol spanning en conflicten” d.d. 28 maart 2013. In het verzoek- respectievelijk verweerschrift wordt niet ingegaan op de bevindingen en conclusies van dit bureau en geen van partijen heeft het rapport of delen daarvan als productie in het geding gebracht. Slechts uit de door partijen overgelegde producties komt beperkt iets van de bevindingen van het onderzoek naar voren. Kennelijk in vervolg op dit rapport zijn partijen onder leiding van een mediatior / gespreksleider nog met elkaar in overleg getreden om te komen tot een duurzame oplossing en of verbetering van de verhoudingen. Tot verbetering van de slechte verhoudingen hebben deze gesprekken echter niet geleid. [verweerder] heeft aangevoerd dat hij zich hiervoor wilde inzetten, maar dat bij de RvA die inzet en wil ontbrak. Hij heeft echter niet weersproken dat de ingeschakelde mediator/gespreksleider de voorzitter van de RvC heeft laten weten dat voortzetting van de gesprekken niet zinvol was.

5.3.3

Hetgeen [verweerder] heeft aangevoerd over de naar zijn mening werkelijke reden voor het indienen van het ontbindingsverzoek, zoals hiervoor onder 4.2 weergegeven -wat hier ook van zij- behoeft geen verdere bespreking en beslissing, want maakt het oordeel dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen tot een einde dient te komen niet anders.

5.4

Nu vastgesteld is dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden dient te worden is aan de orde welke vergoeding daarbij voor [verweerder] ten laste van [Woningbouwvereniging] op zijn plaats is. Tussen partijen is immers niet in geschil dat, in geval van ontbinding van de arbeidsovereenkomst, een vergoeding voor [verweerder] ten laste van [Woningbouwvereniging] passend is. Beide partijen hebben in dit verband gewezen op de bepaling in de tussen hen geldende arbeidsovereenkomst (hiervoor onder 2.5) met betrekking tot een ontslagvergoeding. Wel verschillen zij van mening over de hoogte daarvan.

5.5

Bij de vaststelling van de hoogte van een aan [verweerder] ten laste van [Woningbouwvereniging] toe te kennen vergoeding is van belang vast te stellen of de ontbindingsgrond al dan niet geheel in de risicosfeer van één van partijen valt alsmede of van de opgetreden verandering in de omstandigheden aan één van partijen in (overwegende) mate een verwijt valt te maken. In dat verband wordt het volgende overwogen.

5.6

Tijdens de vergadering van de RvC van 11 april 2014 met als enige agendapunt het voorgenomen ontslag van [verweerder] als bestuurder stelt de RvC vast dat in een verandering van bestuurder de kern van de oplossing ligt om een doorbraak in de vastgelopen verhoudingen en de oplossing van al lang bestaande problemen te bewerkstelligen (productie 8 verzoekschrift).

5.7

De keuze van de RvC om de directeur-bestuurder te ontslaan met als doel de impasse te doorbreken in de vastgelopen verhoudingen - ook gesprekken onder leiding van de mediator/gespreksleider werden immers niet langer zinvol geacht- is een bedrijfsorganisatorische keuze, waartoe de RvC gerechtigd is binnen het kader van de hem ingevolge de statuten opgedragen taken en waartoe de RvC als werkgever -binnen de grenzen van de redelijkheid- een grote mate van beleidsvrijheid heeft.

Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de positie van een werknemer als directeur-statutair bestuurder niet vergelijkbaar is met die van een “gewone” werknemer en een zeker afbreukrisico inherent is aan die functie. De persoonlijke kwaliteiten van de directeur-bestuurder vormen immers in belangrijke mate de basis voor zijn opereren als gezicht van de organisatie naar buiten en voor de acceptatie van zijn handelen en zijn keuzes binnen de organisatie. Wanneer een directeur-bestuurder niet langer over voldoende draagvlak beschikt zal een gebrek aan vertrouwen veelal leiden tot zijn vertrek, zelfs in een geval dat hem hiervan geen verwijt kan worden gemaakt. Daarom wordt met dit afbreukrisico in het algemeen rekening gehouden bij de vaststelling van de arbeidsvoorwaarden, zoals een relatief hoge beloning, een bonus en of een langere opzegtermijn.

5.8

De hiervoor als bedrijfsorganisatorisch getypeerde keuze ligt in beginsel in de risicosfeer van [Woningbouwvereniging] als werkgever. In dat geval is in beginsel een vergoeding op zijn plaats waarbij uitgegaan wordt van de zogenaamde neutrale factor C=1.

5.9

[Woningbouwvereniging] heeft bepleit dat deze factor naar beneden moet worden bijgesteld, [verweerder] is daarentegen van mening dat de factor naar boven bijgesteld dient te worden, naar mening van elk van partijen vanwege redenen en omstandigheden die verwijtbaar zijn aan de ander.

5.10

[Woningbouwvereniging] stelt zich op het standpunt dat de noodzaak om te komen tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst geheel in de risicosfeer van [verweerder] ligt en aan hem toerekenbaar is.

[verweerder] functioneert in haar visie niet naar behoren en is niet in staat gebleken de in het rapport van Gerrichhauzen & Partners genoemde oorzaken van het niet functioneren van de interne structuur en cultuur van [Woningbouwvereniging] op te lossen. [Woningbouwvereniging] erkent dat de bestuurder niet de enige “schuldige” is in de vastgelopen verhoudingen, maar acht het te behoren tot de professionele verantwoordelijkheid van [verweerder] als directeur-bestuurder om daarin verandering te brengen. Dat dit hem niet is gelukt is te wijten aan zijn op bestuurlijk en communicatief terrein onvoldoende krachtig functioneren en opereren, waardoor al langere tijd sprake is van een negatief krachtenveld, het ontbreken van goede samenwerkingsrelaties en ernstige kritiek op zijn optreden en stijl van besturen, aldus [Woningbouwvereniging]. [verweerder] heeft betwist dat bij hem de oorzaak van de vastgelopen verhoudingen moet worden gelegd. Hij wijst er op dat een deel van de problemen al dateren van voor zijn aantreden, hetgeen door [Woningbouwvereniging] niet wordt betwist, maar [Woningbouwvereniging] acht het tot de professionele verantwoordelijkheid van [verweerder] behoren dat hij die problemen oplost.

[Woningbouwvereniging] heeft gesteld dat in de afgelopen periode met regelmaat is gesproken over verbeterpunten van [verweerder], laatstelijk nog bij de beoordeling op 29 november 2013 en dat [verweerder] de gelegenheid is geboden zijn functioneren te verbeteren. [verweerder] heeft dit betwist en gesteld dat [Woningbouwvereniging] geen inspanningen heeft verricht om daadwerkelijk te investeren in voortzetting van de samenwerking.

Naar het oordeel van de kantonrechter had het op de weg van [Woningbouwvereniging] gelegen om, gelet op de betwisting door [verweerder], een en ander nader met stukken te onderbouwen.

Het is weliswaar begrijpelijk dat het functioneren in een functie zoals door [verweerder] wordt uitgeoefend op een andere manier wordt besproken dan het functioneren van een “gewone” werknemer, maar het kritisch volgen van iemands functioneren is iets anders dan hem daarop uitdrukkelijk aanspreken. Van [Woningbouwvereniging] als werkgever had mogen worden verwacht dat zij aan [verweerder] concreet en specifiek kenbaar had gemaakt op welke punten zij kritiek heeft ten aanzien van de wijze waarop hij zijn bestuursfunctie uitoefent en een termijn te stellen waarbinnen zij verbetering verwacht, met de heldere boodschap dat bij gebreke van verbetering beëindiging van de arbeidsrelatie onontkoombaar zal zijn.

Niet gebleken is dat een en ander in de periode vóór de beoordeling van 29 november 2013 concreet en specifiek aan de orde is gesteld door [Woningbouwvereniging], dit is niet gebeurd bij de beoordeling en evenmin is gesteld of gebleken dat [Woningbouwvereniging] dit na 29 november 2013 aan de orde heeft gesteld. Een en ander dient voor rekening en risico van [Woningbouwvereniging] als werkgever te blijven. Het ontbreken van een deugdelijk disfunctioneringsdossier terwijl [Woningbouwvereniging] onvoldoende functioneren van [verweerder] mede aan het ontslag als bestuurder en het besluit om te komen tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] ten grondslag heeft gelegd is niet zorgvuldig jegens [verweerder]. Met de aankondiging bij de beoordeling van
29 november 2013, dat [verweerder] op korte termijn moest omzien naar een andere functie, zonder dat dit eerder door [Woningbouwvereniging] aan de orde is gesteld -stukken waaruit blijkt dat dit wel is gebeurd ontbreken immers- heeft [Woningbouwvereniging] in wezen de stekker uit de samenwerking met [verweerder] als directeur-bestuurder getrokken en heeft zij bestaande spanningen tussen partijen vergroot. Met deze gang van zaken heeft [Woningbouwvereniging] bijgedragen aan het komen te ontvallen van de noodzakelijke vertrouwensbasis tussen partijen, hetgeen haar te verwijten valt en hetgeen tot uitdrukking dient te komen in de hoogte van de aan [verweerder] toe te kennen vergoeding door verhoging van de C-factor.

5.11

Het voorgaande brengt de kantonrechter tot het oordeel dat niet is komen vast te staan dat het ontstaan van de vertrouwensbreuk tussen partijen in overwegende mate te wijten of toe te rekenen is aan disfunctioneren van [verweerder]. Wel is duidelijk dat [Woningbouwvereniging] in een ongelukkige situatie is terechtgekomen waarin verhoudingen zijn vastgelopen en niet meer voldoende tussen de verschillende stakeholders kon worden gecommuniceerd.

Het gaat niet aan om de verantwoordelijkheid hiervoor uitsluitend bij [verweerder] te leggen, onder het mom dat op hem als directeur-bestuurder een zware professionele verantwoordelijkheid ruste om de problemen op te lossen.

Nu partijen elkaar op dit punt gemotiveerd tegenspreken, kan de kantonrechter niet vaststellen of het aan een van de actoren in het bijzonder ligt dat de verhoudingen verstoord zijn. Zij houdt het er dan ook op dat de wijze waarop partijen (inclusief de stakeholders) al langere tijd met elkaar communiceerden, of juist niet, uiteindelijk heeft bijgedragen aan het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde verhoudingen, wat ingrijpen in het belang van [Woningbouwvereniging] noodzakelijk maakte.

5.12

Ter onderbouwing van zijn standpunt dat de neutrale vergoeding naar boven bijgesteld dient te worden heeft [verweerder] gesteld dat zijn belangen door de onrechtmatige althans onzorgvuldige handelwijze van de RvC onevenredig worden geschaad.

Voor zover [verweerder] hierbij betrekt hetgeen hij als verweer heeft aangevoerd en hiervoor onder 4.3 is weergegeven, overweegt de kantonrechter het volgende.

5.12.1

Anders dan [verweerder] heeft betoogd brengt de omstandigheid dat de statuten geen bepaling inhouden waaruit blijkt dat het ook een niet-voltallige RvC is toegestaan een bestuurder te ontslaan, niet zonder meer met zich dat het onderhavige besluit genomen door twee commissarissen niet rechtsgeldig is. Niet gesteld of gebleken is dat voor de RvC beperkingen gelden voor het (rechtsgeldig) kunnen nemen van besluiten in geval van vacatures in de RvC. Dat het besluit van de RvC tot het indienen van het onderhavige ontbindingsverzoek, in het verlengde van het besluit om hem als bestuurder te ontslaan, onrechtmatig dan wel onzorgvuldig is jegens [verweerder], is derhalve niet aan de orde. [verweerder] heeft zich er voorts op beroepen dat de twee commissarissen ten tijde van de besluitvorming samen niet een qua kennis en achtergrond gelegitimeerde toezichthouder vormden. Dat de kwaliteit van de RvC als toezichthouder in het geding zou zijn is door [Woningbouwvereniging] betwist. [verweerder] heeft zijn stellingen op dit punt verder niet onderbouwd.

5.13

[verweerder] heeft voorts nog gewezen op de diffamerende wijze waarop hem de toegang tot het werk is ontzegd. Nu hij dit niet verder heeft onderbouwd zal de kantonrechter hieraan voorbij gaan.

5.14

Met een beroep op haar maatschappelijke verantwoordelijkheid tegen de achtergrond van de WNT heeft [Woningbouwvereniging] bepleit dat de door haar aangeboden vergoeding passend is. Aan dit argument gaat de kantonrechter voorbij. Nu de tussen partijen overeengekomen voorziening (hiervoor onder 2.5) is overeengekomen voor inwerkingtreding van de WNT, is deze wet niet van toepassing op de situatie tussen partijen. De kantonrechter ziet geen reden hier anders, ook niet bij wijze van analoge toepassing, over te oordelen.

5.15

Bij het bepalen van de hoogte van de aan [verweerder] op basis van de kantonrechtersformule toe te kennen vergoeding gaat de kantonrechter naast hetgeen hiervoor is overwogen uit van een salaris van € 9.045,82 bruto per maand te vermeerderen met 8% vakantietoeslag. In lijn met aanbeveling 3.3 van de Aanbevelingen van de Kring van Kantonrechters worden bij de factor beloning niet betrokken de werkgeversbijdrage in de pensioenpremie en de onkostenvergoedingen, zoals door [verweerder] bepleit. De omstandigheid dat [verweerder], zoals hij stelt, pensioenschade lijdt door ontbinding van de arbeidsovereenkomst is als onderdeel van de C-factor meegewogen. Daarbij is van belang dat een ontbindingsvergoeding een billijkheidsafweging is en geen schadevergoeding.

De lange duur van zijn dienstverband komt tot uitdrukking in het aantal gewogen dienstjaren, de factor A uit de Aanbevelingen. [verweerder] heeft niet onderbouwd dat hij, hoewel hij beschikt over jarenlange ervaring als directeur-bestuurder bij een woninginstelling als [Woningbouwvereniging] met -onbetwist- een woningbezit van ruim 2.000 woningen met een waarde van € 65.000,00 en een jaarlijkse begroting van € 9.000.000,00, onzekere arbeidsmarktperspectieven heeft. Voor iemand met zijn functie en het bij zo’n functie gebruikelijke netwerk, lijkt dit niet zonder meer voor de hand te liggen. In ieder geval is er geen reden in gelegen om te komen tot een hogere C-factor. Verder neemt de kantonrechter in aanmerking het afbreukrisico dat inherent is aan de functie van directeur-bestuurder, zoals hiervoor overwogen.

5.16

Bij haar billijkheidsafweging betrekt de kantonrechter uitdrukkelijk dat partijen in de onderhavige procedure beiden hebben gewezen op de bepaling (hiervoor onder 2.5) in de arbeidsovereenkomst met betrekking tot de berekening volgens de kantonrechtersformule van een financiële voorziening in geval van ontslag. Partijen worden daarmee geacht aan de kantonrechter in het kader van de ontbindingsprocedure zoals deze thans ter beslissing voorligt over te laten welke billijke vergoeding passend is en daarmee invulling te geven aan bedoelde bepaling uit de arbeidsovereenkomst. Hierbij geldt dat de in deze procedure toe te kennen vergoeding in de plaats treedt van de voorziening die partijen zijn overeengekomen in de arbeidsovereenkomst.

5.17

Het voorgaande brengt de kantonrechter tot de slotsom dat aan [verweerder] ten laste van [Woningbouwvereniging] een billijke vergoeding dient te worden toegekend uitgaande van de C-factor 1,15 van

afgerond € 247.000,00 bruto.

5.18

Nu [verweerder] een hogere vergoeding wordt toegekend dan [Woningbouwvereniging] heeft aangeboden, wordt aan [Woningbouwvereniging] op de voet van artikel 7:685 lid 9 BW een termijn geboden om het verzoek in te trekken.

5.19

Indien [Woningbouwvereniging] het verzoek niet of niet tijdig intrekt, bestaat er gelet op de aard van de zaak en de gebleken omstandigheden aanleiding de kosten van het geding te compenseren in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

Indien [Woningbouwvereniging] het verzoek intrekt, zal zij in de proceskosten worden veroordeeld, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 600,00 aan salaris voor zijn gemachtigde.

5.20

Hetgeen partijen overigens nog hebben aangevoerd behoeft geen beoordeling en beslissing, nu dit niet tot een ander oordeel leidt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

stelt [Woningbouwvereniging] in de gelegenheid het verzoek in te trekken door middel van een uiterlijk op
21 augustus 2014 te 12.00 uur ter griffie te ontvangen schriftelijke mededeling met gelijktijdige toezending van een afschrift daarvan aan de wederpartij;

veroordeelt in dat geval [Woningbouwvereniging] in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] vastgesteld op € 600,00 aan salaris voor de gemachtigde;

en voor het geval het verzoek niet of niet tijdig wordt ingetrokken:

ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van

1 september 2014;

kent aan [verweerder] ten laste van [Woningbouwvereniging] een vergoeding toe van €247.000,00 bruto en veroordeelt [Woningbouwvereniging] deze vergoeding te betalen;

en in dat geval:

bepaalt dat elk der partijen de eigen kosten van deze procedure draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

362