Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:9128

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-11-2014
Datum publicatie
11-11-2014
Zaaknummer
ROT 14-7249
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

In de bedrijfspanden van verzoekers zijn van diefstal afkomstige goederen aangetroffen. Voorts is gebleken dat verzoekers niet beschikken over een in- en verkoopregister als bedoeld in artikel 437, eerste lid, onder a, van het WvSr en artikel 2.80 van de APV. Op 16 juli 2014 is verzoekers een termijn gegund tot 22 oktober 2014 om aan de verplichtingen van het in- en verkoopregister te voldoen. Zij zijn pas een paar dagen voor afloop van de termijn begonnen met het registreren van de bedrijfsvoorraad. Verweerder heeft hieruit de conclusie kunnen trekken dat verzoekers onvoldoende bereidheid hebben getoond tot het tegengaan van heling.

Sluiting voor de duur van zes maanden is in het belang van de openbare orde. Verzoekers kunnen deze periode benutten om orde op zaken te stellen in hun bedrijfsvoering. Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 14/7249

uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 november 2014 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

1. [verzoeker 1],

2. [verzoeker 2],

3. [verzoeker 3],

4. [verzoeker 4],

5. [verzoeker 5],

te [plaats], verzoekers,

gemachtigde: mr. P. Willems,

en

de burgemeester van Vlaardingen, verweerder,

gemachtigde : mr. L. van Schie-Kooman.

Procesverloop

Bij besluit van 23 oktober 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de sluiting voor de duur van zes maanden bevolen van de panden met bijbehorende erven aan de [adres 1] en [adres 2 en 3], alsmede de panden, loodsen en terreinen voor opslag ten behoeve van de bedrijven van verzoekers aan de [adres 4 en 5] (voor zover niet reeds gesloten), [adres 6]en [adres 7] te [plaats].

Tegen dit besluit hebben verzoekers bezwaar gemaakt. Tevens hebben verzoekers de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2014. Namens verzoekers zijn verschenen [verzoeker 5] ([A]) en [B], bijgestaan door de gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen E.J. Vruggink, M. El Bouzidi en M. Nijdam, bijgestaan door de gemachtigde.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak.

2 Verzoekers houden zich onder meer bezig met de groothandel in auto’s en autosloopmaterialen en het verrichten van reparatiewerkzaamheden. Zij kopen auto’s en auto-onderdelen in, soms in grote aantallen en partijen. Bij een bestuurlijke integrale handhavingsactie op 14 januari 2014 op het industriegebied “de Vergulde Hand” te [plaats] zijn in een aantal aan verzoekers toebehorende panden steekproefsgewijs controles uitgevoerd naar de herkomst van complete voertuigen alsmede motorblokken en andere onderdelen. De politie heeft in het pand [adres 1] vijf motorblokken, in het pand [adres 2] twee motorblokken en een dashboard, in het pand [adres 6]één motorblok en in het pand [adres 7] één motorblok in beslag genomen, die alle afkomstig waren van diefstal. Tevens is gebleken dat verzoekers geen doorlopend in- en verkoopregister als bedoeld in artikel 2:80, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2014 (de APV), artikel 2:81 van de APV en artikel 437, eerste lid onder a, van het Wetboek van Strafrecht (WvSr) aanwezig was. Bij een controle op 6 mei 2014 was een dergelijk register nog steeds niet aanwezig.

Bij brief van 24 februari 2014 heeft verweerder zijn voornemen tot sluiting van de panden aan de [adres 1] en de [adres 2] voor een periode van 12 maanden aan verzoekers toegezonden. Bij brief van 3 maart 2014 heeft verweerder het voornemen tot sluiting van het pand aan de [adres 6]voor een periode van 12 maanden toegezonden. Bij een nacontrole op 17 januari 2014 zijn wederom onregelmatigheden geconstateerd in het pand [adres 7]. Naar aanleiding hiervan heeft de districtschef verweerder op 30 maart 2014 aanvullend verzocht een bestuurlijke maatregel te treffen ten aanzien van dit pand.

3. Naar aanleiding van de door verzoekers tegen deze voornemens ingediende zienswijzen heeft verweerder verzoekers op 16 juli 2014 een gewijzigde vooraankondiging toegezonden, waarbij verweerder verzoekers tot 22 oktober 2014 de gelegenheid heeft gegeven om alsnog een in- en verkoopregister als bedoeld in artikel 2.80, eerste lid, van de APV en artikel 437, eerste lid onder a, van het WvSr in orde te maken. Daarbij zijn verzoekers erop gewezen dat indien na afloop van deze termijn nog steeds geen register aanwezig is dat voldoet aan de geldende regelgeving, de panden voor de duur van zes maanden zullen worden gesloten. Verzoekers zijn nogmaals in de gelegenheid gesteld hun zienswijze kenbaar te maken. Hiervan hebben zij op 29 juli 2014 gebruik gemaakt.

4. Op 23 juli 2014 heeft een medewerker van verzoekers de politie verzocht om registratie in het Digitaal Opkoperregister (DOR) en is door de politie uitleg gegeven hoe de goederen in het DOR moeten worden geregistreerd. Hierbij is er nadrukkelijk op gewezen dat ook de voorraad moet worden ingevoerd. Op 7 oktober 2014 hebben twee politiemedewerkers de locatie [adres 3] bezocht en gesproken met [A] en een medewerkster. De politiemedewerkers hebben hun zorgen uitgesproken over de registratie in het DOR. [A] gaf aan dat alleen de nieuw ingekochte goederen worden geregistreerd en dat het ondoenlijk is de hele bedrijfsvoorraad te registreren. Verzoekers hebben [verzoeker 4], gevestigd in het pand [adres 2], op 23 juli 2014 ingeschreven in het DOR. Bij een controle op dit adres op 22 oktober 2014 waren 983 unieke goederen ingevoerd. Bij een eerdere controle op 18 oktober 2014 waren 182 producten geregistreerd.

5. Verweerder heeft bij het bestreden besluit besloten tot effectuering van de aangekondigde last onder bestuursdwang, omdat in de hiervoor genoemde panden van verzoekers gestolen goederen zijn aangetroffen en verzoekers slechts een beperkt gedeelte van de producten hebben geregistreerd en onvoldoende moeite hebben gedaan om de bestaande voorraad te registreren. Door de geconstateerde strafbare feiten is de openbare orde in de omgeving van de panden ernstig aangetast. Een sluiting voor de duur van zes maanden is noodzakelijk en passend om handel in gestolen goederen ongedaan te maken, het gebruik en de bekendheid van de panden als panden waar strafbare feiten worden gepleegd te doorbreken, recidive te voorkomen, de openbare orde in de omgeving van de bedrijven te herstellen en verdere nadelige effecten van de handel op het openbare leven en andere lokale omstandigheden ongedaan te maken. De periode van zes maanden kan benut worden om orde op zaken te stellen in de bedrijfsvoering en de bedrijfsvoering te verbeteren om herhaling van strafbare feiten te voorkomen.

6. Verzoekers hebben aangevoerd dat het ondoenlijk is om de gehele bedrijfsvoorraad te registreren, aangezien het gaat om honderdduizenden onderdelen. Ten aanzien van de beweerdelijk van diefstal afkomstige onderdelen heeft het Openbaar Ministerie (OM) grondig, langdurig en met inzet van veel personeel onderzoek gedaan en uiteindelijk geen aanleiding gezien om tot strafvervolging over te gaan. Verzoekers zijn van mening dat het niet aan verweerder is om in afwijking van het oordeel van het OM een besluit te baseren op beweerdelijke strafbare feiten. Verzoekers hebben voorts aangevoerd dat er in Nederland waarschijnlijk geen autosloperij te vinden is waar géén van diefstal afkomstige goederen worden aangetroffen en dat het aantal beweerdelijk van diefstal afkomstige goederen dat is aangetroffen, gezien het totaal aantal goederen, te verwaarlozen is. Verzoekers zijn één van de grootste demontagebedrijven van Europa en het is praktisch gezien onmogelijk om te voorkomen dat tussen de enorme aantallen onderdelen en voertuigen foute goederen zitten. Het DOR is in 2011 landelijk ingevoerd en er zijn volgens verzoekers tot op de dag van vandaag weinig sloopbedrijven in Nederland die van dit register gebruik maken. Het DOR is geen waterdicht systeem omdat daarin alleen het chassisnummer en/of kenteken wordt geregistreerd en het motornummer niet. Het is dan ook mogelijk dat een motorblok van diefstal afkomstig is, maar dat het in- en verkoopregister niet aanslaat. Verzoekers zijn in juli 2014 begonnen met alle nieuwe goederen in DOR te registreren. De gegunde periode van drie maanden is te kort om de gehele voorraad te registreren en van een groot deel van de goederen is de herkomst niet meer te achterhalen. Verweerder heeft in zijn voornemen van 16 juli 2014 zelf aangegeven dat van verzoekers wordt verwacht dat zij zich binnen redelijke grenzen inspannen om de voor registratie benodigde gegevens te achterhalen. In het bestreden besluit is van een inspanningsverplichting geen sprake meer, maar is het verwijt dat is geconstateerd dat niet de gehele voorraad is geregistreerd. Bovendien legt verweerder verzoekers een verplichting op waarvan op voorhand duidelijk is dat zij die niet kunnen nakomen. Verzoekers zijn voorts van mening dat geen evenredige belangenafweging heeft plaatsgevonden. Zij zijn al tientallen jaren actief in de autobranche en dat heeft nooit problemen gegeven. De gevolgen van de bedrijfssluiting zijn zeer ingrijpend en verzoekers lijden aanzienlijke schade. Verzoekers hebben tien man personeel en bedrijfssluiting brengt het risico mee dat het bedrijf ophoudt te bestaan, aangezien klanten na zes maanden niet zullen terugkomen. Verzoekers lijden ook schade door een persbericht dat verweerder heeft doen uitgaan waarin [A] wordt beschuldigd van heling en illegale handel.

7.1.

Op grond van artikel 437, eerste lid, aanhef en onder a, van het WvSr wordt de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen handelaar die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf niet met inachtneming van de bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels aantekening houdt van alle gebruikte en ongeregelde goederen die hij heeft verworven dan wel voorhanden heeft gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.

7.2.

Op grond van artikel 1, eerste lid, van het Besluit van 6 januari 1992 ter uitvoering van artikel 437, eerste lid van het WvSr (het Besluit), zijn de handelaren bedoeld in artikel 437, eerste lid, van het WvSr opkopers en handelaren in onder meer ongeregelde goederen, auto’s en motorfietsen.

7.3.

Op grond van artikel 2, tweede lid, van het Besluit voldoet de handelaar, aangewezen in artikel 1 van dit besluit, aan de verplichting ingevolge artikel 437, eerste lid, onder a, van het WvSr tot het aantekening houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij heeft verworven of voorhanden heeft indien hij een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register houdt en daarin onverwijld vermeldt:

a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

b. de datum van verkrijging van het goed;

c. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voor zover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed;

d. de koopprijs of andere voorwaarden van verkrijging van het goed;

e. de naam en het adres van degene van wie het goed is verkregen;

f. zowel een omschrijving als het nummer van het document bedoeld in het eerste lid waarmee hij de identiteit van de aanbieder heeft vastgesteld, voor zover het de inkoop van koper en koperlegeringen betreft en de koopprijs van dat goed in contant geld wordt uitbetaald.

7.4.

Op grond van artikel 2.54 van de APV kan de burgemeester, indien de openbare orde dit naar zijn oordeel vereist, de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van een voor het publiek openstaand gebouw - niet zijnde een openbare inrichting als bedoeld in afdeling 8 - of een bij dat gebouw behorend erf.

7.5.

Volgens de toelichting op artikel 2.54 van de APV doet zich een situatie als bedoeld in dit artikel onder meer voor indien in of vanuit het voor het publiek openstaand gebouw strafbare feiten worden gepleegd.

7.6.

Op grond van artikel 2.80 van de APV is de handelaar verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij onverwijld:

a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

b. de datum van verkoop of overdracht van het goed;

c. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voor zover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed;

d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed;

e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.

Op grond van het tweede lid is de burgemeester bevoegd vrijstelling te verlenen van deze verplichtingen.

8. Ter zitting hebben verzoekers naar voren gebracht dat zij niet begrijpen dat het bestreden besluit ook is gericht aan [verzoeker 2] en [verzoeker 5] in persoon. De voorzieningenrechter laat de vraag of verweerder dat terecht heeft gedaan in deze procedure in het midden, nu in ieder geval vaststaat dat [verzoeker 1], [verzoeker 3] en [verzoeker 4] wel als eigenaar betrokken zijn van bij de hier in geding zijnde panden en terreinen.

9. De voorzieningenrechter stelt voorop dat verweerder op grond van artikel 2.54 van de APV beoordelingsvrijheid toekomt, zodat de voorzieningenrechter het bestreden besluit terughoudend dient te toetsen. Dit betekent dat beoordeeld moet worden of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft mogen stellen dat de openbare orde de sluiting van de panden en terreinen vereist. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit het geval is en overweegt daartoe het volgende.

10. De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat in een aantal panden van verzoekers gestolen goederen zijn aangetroffen. Dat het OM van strafvervolging heeft afgezien betekent niet dat de in beslag genomen goederen niet van diefstal afkomstig waren. Dit laatste blijkt ook uit het feit dat aan verzoekers een transactie is aangeboden.

Voorts is de voorzieningenrechter niet gebleken dat verzoekers over een inkoop- en verkoopregister waarin alle gebruikte en ongeregelde goederen zijn opgenomen, beschikken. Verzoekers zijn reeds in 2011 gewaarschuwd dat zij over een in- en verkoopregister moesten beschikken en waren hiervan door middel van de vooraankondigingen van 24 februari en 3 maart 2014 op de hoogte en zijn hier tijdens de controle van 6 mei 2014 op gewezen. In de vooraankondiging van 16 juli 2014 heeft verweerder verzoekers een termijn gegund tot 22 oktober 2014 om naast hun normale ondernemersactiviteiten aan de verplichtingen van het in- en verkoopregister te voldoen. Gebleken is dat verzoekers een groot gedeelte van deze periode onvoldoende hebben benut en pas vlak voor afloop van de termijn zijn begonnen om de bestaande voorraad in het DOR te registreren. Bij een controle op 18 oktober 2014 waren 182 producten geregistreerd, bij een controle op 22 oktober 2014 waren 983 unieke goederen ingevoerd. Dit betekent dat verzoekers in staat waren in een paar dagen ongeveer 800 producten in het DOR in te voeren. Wanneer verzoekers meteen na het voornemen van 16 juli 2014 waren begonnen met de registratie, hadden inmiddels enige duizenden producten kunnen zijn ingevoerd. Voorts is gebleken dat verzoekers de invoer in het DOR laten uitvoeren door slechts één medewerkster. Door deze keuze hebben verzoekers het risico genomen dat zij niet binnen de termijn hun bedrijfsvoering op orde zouden hebben. Bovendien zijn verzoekers extra kwetsbaar wanneer deze ene persoon, zoals ter zitting is gebleken, wegens persoonlijke omstandigheden tijdelijk uitvalt. Verweerder heeft uit het feit dat verzoekers zo laat zijn begonnen met de registratie de conclusie kunnen trekken dat verzoekers onvoldoende bereidheid hebben getoond tot het tegengaan van heling. Door het bijhouden van een register wordt voorkomen dat een afzetmarkt voor dieven wordt gecreëerd. Heling gaat bovendien vaak gepaard met andere vormen van criminaliteit. Hierdoor worden de openbare orde en veiligheid en de rechtsorde ernstig geschaad. Verweerder heeft daarom de belangen die hiermee gemoeid zijn zwaarder mogen laten wegen dan het belang van verzoekers bij het geopend blijven van de ondernemingen.

11. Verzoekers zijn dus ruimschoots in de gelegenheid geweest om orde op zaken te stellen. Door pas in de laatste paar dagen voor afloop van de termijn serieus werk te maken van de registratie hebben zij het risico genomen dat verweerder daadwerkelijk tot sluiting van de panden zou overgaan. De stelling van verzoeker ter zitting dat de termijn te kort zou zijn geweest om alle goederen te registeren kan de voorzieningenrechter dan ook niet volgen. Bovendien hebben verzoekers in hun zienswijze van 29 juli 2014 niet gevraagd om de begunstigingstermijn te verlengen.

12. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder gelet op de stand van zaken op 22 oktober 2014, namelijk de beperkte hoeveelheid in het DOR ingevoerde goederen, in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot een sluiting van de panden van verzoekers voor een periode van zes maanden, zodat zij deze periode kunnen benutten om orde op zaken te stellen in de bedrijfsvoering en de bedrijfsvoering te verbeteren om herhaling van strafbare feiten te voorkomen. Gelet hierop komt de voorzieningenrechter aan een oordeel over de vraag of verweerder in redelijkheid van verzoekers kan verlangen dat zij hun totale bedrijfsvoorraad, met inbegrip van honderdduizenden losse onderdelen, in DOR invoeren, in het kader van het onderhavige verzoek niet toe.

13. Uit het voorgaande volgt dat in bezwaar het bestreden besluit naar verwachting in stand zal blijven, zodat er geen aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

15. De voorzieningenrechter wil partijen nog in overweging geven met elkaar in overleg te treden zodat het verzoekers duidelijk wordt aan welke vereisten hun bedrijfsvoering moet voldoen om problemen als de onderhavige in de toekomst te voorkomen en om te onderzoeken of bij verweerder de bereidheid bestaat om na registratie door verzoekers van een substantieel aantal goederen de mogelijkheid van een voortijdige beëindiging van de sluiting te onderzoeken.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.M.P. Meijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

10 november 2014.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.