Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:9113

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-07-2014
Datum publicatie
07-11-2014
Zaaknummer
450657/JE RK 14-1487 en 450654/JE RK 14-1486
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verblijf minderjarige op een gesloten groep binnen een behandelcentrum jeugdzorgplus met een machtiging voor een AWBZ-plaatsing. Z

ie ECLI:NL:RBROT:2014:9114 voor eindbeslissing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Jeugd

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 17 juli 2014

Zaak-/rekestnummer: C/10/450657 / JE RK 14-1487 en C/10/450654 / JE RK 14-1486

Beschikking in de zaak van:

de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht, hierna: de raad,

met betrekking tot de minderjarige:

[naam minderjarige], geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] Kameroen

kind van de met het gezag belaste ouder,

[naam moeder], wonende te [adres].

Het verloop van de procedure

Bij beschikking van 2 mei 2014 is de minderjarige voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden.

Bij beschikking van 28 mei 2014 is machtiging verleend tot plaatsing van de minderjarige in een AWBZ-instelling tot 2 augustus 2014.

Van de zijde van de raad is een brief ingekomen, gedateerd 1 juli 2014, waarin de raad zijn verzoek tot ondertoezichtstelling van de minderjarige handhaaft, en tevens verzoekt om verlenging van een machtiging tot plaatsing van de minderjarige in een AWBZ-instelling.

Het raadsrapport van 27 juni 2014 is daarbij gevoegd.

De zaak is behandeld op 17 juli 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder;

  • -

    William Schrikker Stichting (hierna: de stichting), vertegenwoordigd door
    [naam];

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door[naam] en

  • -

    de minderjarige, bijgestaan door zijn advocaat mr. G.A. Dorsman.

De beoordeling

De raad heeft ter zitting het verzoek gehandhaafd en als volgt toegelicht. De problematiek die de minderjarige vertoonde was heel groot. Het is positief dat hij binnen de instelling structuur in zijn leven heeft kunnen inbouwen en dat hij gefocust is op zijn opleiding. De raad is van mening dat de minderjarige gebaat is bij de begeleiding van de gezinsvoogd. De minderjarige verblijft thans bij Schakenbosch en het is de bedoeling dat er toegewerkt wordt naar een plaatsing in een kamertrainingscentrum waar hij ook na zijn meerderjarigheid kan verblijven.

De stichting heeft zich ter zitting aangesloten bij hetgeen de raad naar voren heeft gebracht. De minderjarige heeft de wens geuit om naar een kamertrainingscentrum te gaan. Om daar te komen zullen binnen de huidige instelling stappen voor moeten worden ondernomen. Gelet op de verstandelijke beperking van de minderjarige zullen dit kleine stapjes zijn. Hij heeft nu nog veel begeleiding en structuur nodig. Het traject om geplaatst te worden binnen een kamertrainingscentrum zal daarom langer duren. Daarin wordt de minderjarige ook begeleid.

De moeder heeft desgevraagd ter zitting aangegeven dat zij wil dat de minderjarige naar een kamertrainingscentrum gaat.

Namens en door de minderjarige is naar voren gebracht dat hij op dit moment op een gesloten groep zit binnen Schakenbosch. Dit zou niet mogen aangezien er een machtiging ligt voor een AWBZ instelling. Daarnaast wordt de minderjarige weinig geboden binnen Schakenbosch. Het onderwijs dat hij volgt is nagenoeg niets. De minderjarige wil duidelijkheid en hij wil naar een open groep. De minderjarige heeft recht op helderheid en een geconcretiseerd plan voor de komende maanden tot aan zijn meerderjarigheid. Op dit moment wordt dat niet geboden. Gelet hierop verzoekt mr. Dorsman namens de minderjarige afwijzing van het verzoek.

De kinderrechter overweegt als volgt.

Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is besproken, komt naar voren dat er bij de minderjarige sprake is van forse problematiek. Vanwege deze problematiek is hij uit huis geplaatst. De kinderrechter acht het van belang dat de minderjarige in de komende maanden tot aan zijn meerderjarigheid de begeleiding en ondersteuning van de gezinsvoogd zal ontvangen. De gezinsvoogd kan de minderjarige helpen in zijn traject naar een kamer-trainingscentrum en andere hulp indiceren indien dat nodig blijkt te zijn. Het verzoek om de minderjarige onder toezicht te stellen zal om die reden worden toegewezen.


Ten aanzien van het verzoek tot het verlengen van de machtiging tot plaatsing van de minderjarige is de kinderrechter van oordeel dat zij op dit moment onvoldoende geïnformeerd is om te kunnen beslissen op het onderhavige verzoek. Ter zitting is namelijk gebleken dat de minderjarige nog op een gesloten groep binnen Schakenbosch verblijft terwijl er een machtiging voor een AWBZ plaatsing is afgegeven. De raad en de stichting hebben aangegeven dat hij wel op een open groep verblijft, maar dat de deuren wel worden gesloten. Het is een vreemde situatie dat er al geruime tijd geen machtiging voor gesloten jeugdzorg meer is, doch een machtiging tot plaatsing in een AWBZ-instelling, terwijl er blijkbaar in de woonsituatie van de minderjarige, qua geslotenheid, geen verandering is gekomen. De minderjarige is gemotiveerd om naar een kamertrainingscentrum te gaan, maar hij wil perspectief zien. Op dit moment krijgt hij dat niet geboden. Om de minderjarige wel het perspectief te bieden dat hij verdient, zal de kinderrechter de machtiging tot plaatsing in een AWBZ-instelling tot 15 oktober 2014 verlengen en het verzoek voor het overige verzochte aanhouden. De kinderrechter is van oordeel dat er zo spoedig mogelijk een plan moet worden opgesteld waarin naar voren komt naar welke school de minderjarige kan gaan, waar hij stage kan lopen, welke certificaten hij moet halen en waar en wanneer hij aangemeld zal worden voor een kamertrainingscentrum. Bovendien dient er informatie te komen vanuit Schakenbosch over de vraag of de minderjarige nu op een gesloten, besloten of open groep verblijft. De raad dient hierover vóór nader te noemen datum te rapporteren.

Op grond van de overgelegde stukken, de afgelegde verklaringen en het bovenstaande is de kinderrechter van oordeel dat de gronden voor de ondertoezichtstelling, zoals gesteld in artikel 1:254, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek, aanwezig zijn en dat verlenging van de duur van de machtiging tot plaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige.

De beslissing

Stelt de minderjarige onder toezicht tot 5 februari 2015 met benoeming van Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam, gevestigd te Rotterdam, tot stichting in de zin van de Wet op de jeugdzorg.

Verstaat dat de ondertoezichtstelling zal worden uitgevoerd door:

de William Schrikker Jeugdbescherming, gevestigd te Amsterdam.

Verlengt met ingang van 2 augustus 2014 de duur van de machtiging tot plaatsing van de minderjarige in een AWBZ-instelling tot 15 oktober 2014.

Verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

En alvorens verder te beslissen:

Bepaalt dat het verhoor van de raad en belanghebbenden in deze zaak zal plaatsvinden op

26 september 2014 te 10:30 uur in het gerechtsgebouw te Rotterdam, Wilhelminaplein 100/125.

De zaak zal op genoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter.

Bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van de raad en belanghebbenden.

Verzoekt de raad uiterlijk twee weken voor de genoemde datum de kinderrechter en de belanghebbenden de verzochte rapportage te doen toekomen.

Gelast de oproeping van de minderjarige tegen voormelde zittingsdatum en tijdstip.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in bijzijn van

L.J. van Heel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.