Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:9000

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-11-2014
Datum publicatie
10-11-2014
Zaaknummer
rot 14/2950
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2016:1897, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wajong, vervoersvoorziening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummer: ROT 14/2950

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2014 in de zaak tussen

[eiser] te Rotterdam, eiser,

[wettelijk vertegenwoordiger] wettelijk vertegenwoordiger van eiser,

gemachtigde: mr. R.S. Wijling,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,

gemachtigde: J.M. van der Graaf.

Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser geen vervoersvoorziening op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong) toegekend.

Bij besluit van 21 maart 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 16 oktober 2014 heeft de gemachtigde van eiser nog een aanvullende reactie en stukken van de gemeente Rotterdam overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2014. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn wettelijk vertegenwoordiger en zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser ontvangt een Wajong-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Zijn uitkering is verhoogd wegens hulpbehoevendheid.

Op 18 november 2013 is namens eiser een aanvraag vergoeding vervoer ingediend voor het vervoer naar de dagbesteding in [plaats] in het kader van de zorgovereenkomst met Visio.

Bij het primaire besluit heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich hierbij gebaseerd op een rapportage van 20 maart 2014 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. Verweerder heeft hierbij overwogen dat er gelet op de door eiser verrichte activiteiten op de dagbesteding er geen sprake is van een dienstbetrekking en/of betaalde werkzaamheden dan wel scholing of opleiding. Verder concludeert verweerder dat de dagbesteding niet gelijkgesteld kan worden met een opleiding of scholing ter bevordering van de inschakeling in het arbeidsproces. Voor het overige wijst verweerder naar de rapportage van de arbeidsdeskundige in bezwaar van 20 maart 2014.

2. In beroep stelt eiser dat er strijd is met artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat de rapportage van de arbeidsdeskundige in bezwaar en beroep niet voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit aan eiser is voorgelegd.

Voorts stelt eiser dat artikel 2:22, eerste en tweede lid, van de Wajong voldoende grondslag bieden om aan eiser wel een vervoersvoorziening te verstrekken. Dat eiser werkzaam is op basis van een CIZ-indicatie doet hieraan niet af. Voor eiser is onduidelijk welke instantie de vervoerskosten van eiser zou kunnen vergoeden. Weliswaar kan niet worden gesteld dat de werkzaamheden van eiser op basis van een CIZ-indicatie een loonwaarde vertegenwoordigen, dit doet niet af aan het gegeven dat eiser in het kader van dagbesteding werkzaamheden verricht anders dan op WSW-basis. Deze werkzaamheden dragen bij aan het dagelijks welbevinden van eiser en leiden (hoe gering ook) tot verbetering van zijn arbeidsmarktpositie.

3. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (bijvoorbeeld de uitspraak van 17 januari 2007 (ECLI:NL:CRVB:2007: AZ7525) levert de advisering als geschied in nadere rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep als zodanig niet een nieuw feit of een nieuwe omstandigheid op als bedoeld in artikel 7:9 van de Awb. Wel kan een dergelijk rapport nieuwe feiten of omstandigheden bevatten, die aanleiding geven om de betrokkene nogmaals te horen. De rechtbank is van oordeel dat hier in dit geval niet van is gebleken. Overigens is niet gebleken dat eiser in zijn belangen is geschaad, te meer omdat tijdens de hoorzitting naar voren is gekomen dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep een heroverweging zou verrichten. Deze grief van eiser slaagt niet.

4.1

De rechtbank gaat van de volgende feiten en omstandigheden uit. Eiser heeft een persoonsgebonden budget (PGB) van netto € 90.958,00 over 2013 toegekend gekregen. De dagopvang en zorg (thuis en op de opvang) worden bekostigd vanuit de Awbz. Er is een CIZ- indicatie in de vorm van een zorgzwaartepakket. In dit zorgzwaartepakket is een vervoerscomponent opgenomen. Deze is echter onvoldoende dekkend. Gelet op de specifieke aandoeningen van eiser is hij aangewezen op speciaal vervoer van en naar [plaats]. Gewoon taxivervoer biedt te weinig regelmaat en begeleiding. Eiser heeft om het vervoer te kunnen bekostigen aanvragen ingediend bij verweerder, het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, in het kader van de bijzondere bijstand of de WMO alsmede om ondersteuning te bieden vanuit de Verordening Leerlingenvervoer. Alle instanties hebben tot op heden afwijzend beschikt.

4.2

Voor zover eiser stelt dat hij aanspraak maakt op een vervoersvoorziening in het kader van de Wajong overweegt de rechtbank het volgende.

4.3

Artikel 2:22, eerste lid, van de Wet Wajong luidt als volgt: “UWV kan voorzieningen verstrekken aan de persoon met een naar het oordeel van UWV structurele functionele beperking, en die arbeid in dienstbetrekking verricht of die arbeid in dienstbetrekking gaat verrichten doch niet werkzaam is of zal zijn als werknemer in de zin van de Wet sociale werkvoorziening, of die scholing of opleiding in het kader van de bevordering van de inschakeling in het arbeidsproces volgt of gaat volgen of arbeid op een proefplaats verricht of gaat verrichten, met uitzondering van de persoon, bedoeld in artikel 34, tweede lid, op aanvraag voorzieningen toekennen die strekken tot behoud, herstel, of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid, het volgen van de scholing of opleiding of het verrichten van arbeid op die proefplaats.

2. Onder voorzieningen als bedoeld in het eerste lid worden uitsluitend verstaan:

a. vervoersvoorzieningen die ertoe strekken dat de persoon, bedoeld in het eerste lid, zijn werkplek of opleidingsplek kan bereiken.(…)”

4.4

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in de rapportage van 20 maart 2014, die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, geconcludeerd dat eiser is aangewezen op volledige verzorging en begeleiding en functioneert op het niveau van een tweejarige. Het is dan ook niet mogelijk om een vervoersvoorziening toe te kennen aan eiser op grond van de Wajong omdat eiser nooit in staat zal zijn reguliere arbeid te verrichten of een opleiding te volgen die toegang geeft tot de arbeidsmarkt. De stelling van de gemachtigde van eiser dat eiser op de dagbesteding wel vaardigheden aanleert die tot verbetering van zijn arbeidsmarktpositie kunnen leiden, maakt volgens de rechtbank niet dat eiser aanspraak heeft op een vervoersvoorziening in het kader van de Wajong. De rechtbank betrekt hierbij dat gelet op de medische beperkingen van eiser het allerminst aannemelijk is dat eiser ooit zal kunnen functioneren in reguliere arbeid en dit wel een voorwaarde is om voor een vervoersvoorziening in het kader van de Wajong in aanmerking te komen. De rechtbank volgt de conclusie van de arbeidsdeskundige in bezwaar en beroep. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor eiser om in het kader van de Wajong voor een vervoersvoorziening in aanmerking te komen. Dat andere instanties eveneens afwijzend beschikken danwel beschikt hebben maakt niet dat aan eiser een vervoersvoorziening in het kader van de Wajong verstrekt dient te worden.

5. Het beroep van eiser dient ongegrond te worden verklaard.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van 't Laar, rechter, in aanwezigheid van mr. H. van der Waal-de Vries, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 november 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.