Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:8993

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-11-2014
Datum publicatie
04-11-2014
Zaaknummer
10/700354-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling medeplegen van moord.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van de moord op zijn tante. De verdachte woonde bij zijn oom en tante in huis en was daardoor op de hoogte van de relationele strubbelingen binnen dit gezin. De medeverdachte en de verdachte waren het er over eens dat het zo niet langer kon. Er was een vooropgezet plan. De verdachte heeft zijn tante de volgende dag in haar eigen woning, terwijl zij op bed lag, negenentwintig keer gestoken met een mes, aan welk steekletsel zij is overleden. Er is geen sprake van noodweer, psychische overmacht, dan wel verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Hoewel het motief voor de moord niet geheel duidelijk is geworden, gaat de rechtbank er van uit dat de culturele achtergrond van de verdachte een rol heeft gespeeld bij het bepalen van zijn wil en bij het maken van de keuze om zijn oom te helpen. Echter, een eigenrichting van deze soort en ernst is binnen de in de Nederlandse rechtsorde volstrekt onaanvaardbaar en de verdachte zal hebben te accepteren dat de handhaving van die rechtsorde een zware strafrechtelijke reactie eist. De beperking van de keuzevrijheid die de verdachte op basis van zijn culturele achtergrond naar alle waarschijnlijkheid ervaren heeft, kan dan ook niet in zijn voordeel meewegen bij het bepalen van de op te leggen straf. Voor zover de druk van de oom van wie de verdachte in meerdere opzichten afhankelijk was - los van iedere culturele context - enigszins matigend op de straf zou moeten uitwerken, staat hiertegenover de beschreven wrede uitvoering van het delict.

Gevangenisstraf van 15 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

zitting houdende te ‘s-Gravenhage

Team straf 2

Parketnummer: [parketnummer]

Datum uitspraak: 4 november 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel,

raadsman: mr. J.C. Spigt, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 7 en 8 oktober 2014 en 4 november 2014.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. W.B.J. ten Have heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het impliciet primair ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren met aftrek van voorarrest.

OORDEEL VAN DE RECHTBANK OVER HET BEWIJS

Feiten

De rechtbank concludeert op grond van de bewijsmiddelen tot het volgende feitelijk verloop.

Op 27 juni 2013 spraken de verdachte (verder ook: [verdachte]) en zijn oom, de medeverdachte (verder ook: [medeverdachte]), met elkaar over het in hun ogen ontoelaatbare gedrag van de vrouw van [medeverdachte], genaamd [slachtoffer]. [verdachte] en [medeverdachte] waren het er met elkaar over eens dat het gedrag van [slachtoffer] beschamend was voor [medeverdachte] en zijn familie en dat er iets moest gebeuren. In dat gesprek is aan de orde gekomen dat [medeverdachte] zelf niets kon doen omdat hij de zorg voor zijn kinderen had en daarom geen risico wilde lopen. Besloten werd dat [verdachte] wat moest doen. Afgesproken werd dat [verdachte] [slachtoffer] de volgende dag zou doden. Op 28 juni 2013 troffen [verdachte] en [medeverdachte] elkaar in het bedrijf waar zij beiden werkten. [medeverdachte] gaf [verdachte] de sleutel van zijn woning en hij regelde dat een collega van hen [verdachte] naar de bushalte zou brengen, waar diens fiets stond, en dat zij hem daar later weer zou ophalen.

De afspraak was dat [verdachte] naar de woning van [medeverdachte] en [slachtoffer] zou gaan waar [slachtoffer] zich bevond. Hij zou een mes uit de keuken pakken en een handdoek gebruiken om op de mond van [slachtoffer] te leggen als zij zou gaan schreeuwen. Blijkens de verklaring van de collega van [verdachte] en [medeverdachte] ging [verdachte], die op de achterbank zat van de auto waarin de collega hem wegbracht, bij het verlaten van het bedrijfsterrein liggen. Aangekomen bij de woning, bemerkte [verdachte] dat [slachtoffer] in de slaapkamer op bed lag. Hij trok een latex handschoen aan, waarover hij verklaart dat hij die handschoen speciaal had meegenomen van zijn werk, hij betrad de slaapkamer waar [slachtoffer] zich bevond en hij stak [slachtoffer] veelvuldig met het mes, waarbij de eerste messteek [slachtoffer] in de buik trof. Verder werd zij getroffen door een reeks messteken, met onder meer doorklieving van de halsslagaders en samenvallen van de longen als gevolg. De dood is ingetreden door bloedverlies in combinatie met functieverlies van de longen.

Na de steekpartij ontdeed [verdachte] zich van zijn bebloede kleding, het mes en de handdoek. [verdachte] belde vervolgens, zoals afgesproken, met de telefoon van een voorbijganger naar [medeverdachte] op het werk en gaf door dat hij weer ‘daar’ was, waarop [medeverdachte] aan dezelfde collega vroeg om [verdachte] op te halen bij de bushalte.

[medeverdachte] gaf deze collega daarbij instructies over hoe zij moest rijden en vroeg haar om een rondje te rijden. Ook op de terugweg ging [verdachte] bij aankomst bij het bedrijf op de achterbank liggen. [verdachte] en [medeverdachte] spraken elkaar vervolgens op het werk waarbij [verdachte] vertelde dat hij het gedaan had, met het mes, dat het niet gemakkelijk was en dat hij andere kleding had aangetrokken.

[medeverdachte] is vervolgens naar zijn woning gegaan. Hij trof daar zijn vrouw [slachtoffer] aan die in de slaapkamer in het bloed lag en hij alarmeerde de hulpdiensten via een buurvouw.

Op het moment dat de hulpdiensten arriveerden was [slachtoffer] reeds overleden. Bij de sectie bleek dat [slachtoffer] negenentwintig steekwonden in haar lichaam had.

Nader over de verweren aangaande het feitelijk verloop

De raadsman heeft aangevoerd dat er bij het steken van [slachtoffer] door [verdachte] twee fases zijn aan te wijzen. In fase één heeft [verdachte] de slaapkamer betreden en de eerste steek in de buik van [slachtoffer] toegebracht. Na het toebrengen van deze eerste steekwond hebben [verdachte] en [slachtoffer] een gesprek gehad, waarna de gemoederen waren bedaard. [verdachte] heeft toen de slaapkamer verlaten om medische hulp te zoeken voor [slachtoffer] en liet daarbij het mes achter bij [slachtoffer]. Toen hij weer terugkwam in de slaapkamer is er vervolgens een worsteling ontstaan tussen [verdachte] en [slachtoffer] (de tweede fase), bij welke worsteling [slachtoffer] verder is verwond door het mes. Bij het toebrengen van de eerste steek in de buik was sprake van een poging tot moord, echter het overige letsel is in de tweede fase ontstaan waarbij [verdachte] trachtte te voorkomen dat hij zelf zou worden verwond door [slachtoffer]. Nu niet vaststaat dat de eerste steekwond in de buik dodelijk was en een poging tot moord niet ten laste is gelegd, dient [verdachte] te worden vrijgesproken.

Subsidiair, als aangenomen wordt dat het opzet van [verdachte] wel steeds gericht is geweest op het doden van [slachtoffer], was in de eerste fase sprake van een poging tot moord en in de tweede fase van doodslag.

Het oordeel van de rechtbank

Mede gelet op het feit dat [slachtoffer] door de eerste steekwond in haar buik reeds ernstig was verwond, acht de rechtbank het niet geloofwaardig dat de (vele) latere verwondingen zijn ontstaan in een worsteling waarbij de verdachte zich tegen [slachtoffer] moest verweren. De verklaring die [verdachte] bij de politie geeft, zoals later ter zitting herhaald en gedemonstreerd, acht de rechtbank onlogisch en onverenigbaar met de plaats, aard en hoeveelheid van die letsels en de omstandigheid dat bij [verdachte] zelf geen enkel (steek)letsel is geconstateerd. Met name de (meervoudige) doorklievingen van de halsslagaders en perforaties van het middenrif bij het slachtoffer laten zich niet geloofwaardig verklaren als onopzettelijk door [verdachte] en/of het slachtoffer zelf veroorzaakte verwondingen. Zo er al sprake zou zijn geweest van een gesprek tussen [verdachte] en [slachtoffer] na het toebrengen van de eerste steekwond in de buik, heeft [verdachte] niettemin aan het vooropgezette plan om [slachtoffer] te doden, vastgehouden. Ook als die uitvoering veel meer moeite heeft gekost dan [verdachte] en [medeverdachte] eerst hadden voorzien, is er steeds sprake geweest van opzet op de dood. De verweren worden dan ook verworpen.

Nader over de beschuldiging van medeplegen

Van medeplegen is sprake indien een of meer verdachten een feit gezamenlijk hebben gepleegd. Medeplegen veronderstelt een bewuste en nauwe samenwerking gericht op de totstandkoming van het strafbare feit. De medepleger dient een substantiële bijdrage te leveren om als zodanig te kunnen worden aangemerkt. Niet vereist is dat alle medeplegers uitvoeringshandelingen plegen. Wel dient de samenwerking intensief te zijn.

Zoals hiervoor reeds overwogen, zijn [verdachte] en [medeverdachte] er in samenspraak op uit gekomen dat er iets aan de bestaande situatie rond [slachtoffer] moest veranderen en dat [verdachte] dit zou gaan doen, waarbij het voor zowel [verdachte] als [medeverdachte] duidelijk was dat gedoeld werd op het doden van [slachtoffer]. Op 27 juni 2013 en 28 juni 2013 spraken [verdachte] en [medeverdachte] het plan door. Volgens de verdachte hadden zij “aan alle kleine dingen gedacht”. [medeverdachte] wees [verdachte] er onder meer op dat hij in de keuken een mes kon vinden. Op 28 juni 2013 regelde [medeverdachte] voor [verdachte] het vervoer naar de bushalte, vanwaar [verdachte] met de aldaar door hem geplaatste fiets naar de woning van [medeverdachte] en zijn vrouw ging. Na het plegen van het feit nam [verdachte] contact op met [medeverdachte] en regelde [medeverdachte] dat [verdachte] weer werd opgehaald bij de bushalte, dit kennelijk in een poging om de afwezigheid van [verdachte] op het werk onopgemerkt te laten en [verdachte] aldus een alibi te verschaffen.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat sprake was van een dusdanig nauwe samenwerking, zowel bij de voorbereiding van het feit als bij hetgeen daarna nog is gebeurd, dat er sprake is geweest van medeplegen.

Nader over de beschuldiging van voorbedachte raad

Op basis van het bovenbeschreven feitelijk verloop is de rechtbank van oordeel dat vast is komen te staan dat de verdachte en zijn medeverdachte met voorbedachte raad hebben gehandeld. Er was sprake van een vooropgezet plan. De verdachte en zijn medeverdachte zijn volgens het gemaakte plan te werk gegaan. Dat dit plan door [verdachte] mogelijk is bijgesteld als gevolg van een worsteling met het slachtoffer doet aan de opzet noch de voorbedachte raad af. Contra-indicaties voor het aannemen van de voorbedachte raad ziet de rechtbank niet. Aangenomen wordt dan ook dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om zich op zijn voorgenomen daad te beraden en dat hij dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.

Op grond van het hiervoor overwogene komt de rechtbank tot de volgende bewezenverklaring.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het impliciet primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 28 juni 2013 te Barendrecht

tezamen en in vereniging met een ander

opzettelijk en met voorbedachten rade,

een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte

opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg,

meermalen met een mes

in de hals en buik en andere delen van het lichaam van die

[slachtoffer] gestoken en geprikt en gesneden,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen en de voor de bewezenverklaring redengevende inhoud daarvan zijn weergegeven in de aan dit vonnis gehechte bijlage II. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

STRAFBAARHEID FEIT

(Putatief) Noodweer

De raadsman heeft een beroep gedaan op (putatief) noodweer. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de bedoeling van [verdachte] om zijn tante [slachtoffer] te doden, na het toebrengen van de eerste messteek in de buik niet meer aanwezig was, dat hij vervolgens zoekende was naar een oplossing om hulp voor zijn tante in te roepen en dat [slachtoffer] toen [verdachte] de kamer weer betrad, het mes wilde pakken zodat er sprake was van een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding waartegen [verdachte] zich wilde verdedigen.

Het volgende wordt overwogen.

Vooropgesteld wordt dat indien door of namens de verdachte een beroep is gedaan op noodweer, de rechter zal moeten onderzoeken of de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer zijn vervuld. Die houden volgens artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht in dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding. Voor putatief noodweer moet het gaan om een verontschuldigbare dwaling ten aanzien van die situatie.

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de door verdachte gestelde toedracht ondersteunen en die verdachte redelijkerwijs aanleiding konden geven te veronderstellen dat het slachtoffer, aan wie de verdachte reeds met een mes ernstig letsel in de buik had toegebracht, verdachte zou kunnen aanranden danwel dat verdachte mocht menen dat zij hem zou aanranden, zoals bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Daarbij neemt de rechtbank voorts, zoals hiervoor overwogen, de plaats, aard en hoeveelheid van de steekletsels in aanmerking, waaronder ook steekwonden op de rug, terwijl bij de verdachte geen enkel (steek)letsel is geconstateerd. Deze bevindingen staan haaks op de door de verdediging geschetste toedracht dat er langdurig is geworsteld, onder meer om een mes.

Het beroep op (putatief) noodweer wordt dan ook verworpen.

Het bewezen feit levert op:

Medeplegen van moord.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

(Putatief) Noodweerexces

Nu de rechtbank in het bovenstaande heeft geoordeeld dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie of een door de verdachte veronderstelde noodweersituatie, wordt ook het gedane beroep op (putatief) noodweerexces verworpen.

Overmacht

De verdediging doet een beroep op overmacht en heeft daartoe - verkort weergegeven - het navolgende aangevoerd.

De keuzevrijheid van de verdachte was beperkt omdat hij handelde onder een wezenlijke en buitennormale, met name psychische, druk, waardoor er onvoldoende sprake is geweest van een voor strafbaarheid noodzakelijke wilsvrijheid. Immers, de verdachte werd geconfronteerd met een keuze tussen twee kwaden, te weten ofwel het geen gehoor geven aan het verzoek van zijn oom - de medeverdachte [medeverdachte] - hetgeen in zijn cultuur door de familie als respectloos zou worden gezien ofwel het doden van zijn tante. De verdachte werd moreel gechanteerd door [medeverdachte], van wie de verdachte afhankelijk was, die zware morele druk op hem uitoefende. Van de verdachte kon redelijkerwijs niet worden gevergd dat hij weerstand zou bieden aan die druk. Daardoor ontbrak bij hem de wilsvrijheid. Dit leidt ertoe dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De rechtbank overweegt als volgt.

Een beroep op psychische overmacht kan slechts slagen, indien de verdachte heeft gehandeld onder een van buiten komende drang waaraan hij redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. In het onderhavige geval zou de drang, het betoog van de verdediging volgend, hebben bestaan in het feit dat de verdachte, gelet op zijn culturele achtergrond en door de afhankelijkheid van de verdachte van zijn oom [medeverdachte], geen andere uitweg zag dan te handelen zoals hij heeft gedaan.

De rechtbank ziet in het dossier geen aanknopingspunten om te (kunnen) komen tot het oordeel dat in het onderhavige geval sprake was van een zodanige van buiten komende kracht, dwang of drang dat van de verdachte - mede gelet op zijn persoonlijkheid - niet meer redelijkerwijs gevergd kon worden dat hij daaraan weerstand kon bieden. De rapportage van het Nederlands Instituut voor Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum (verder: ‘het PBC-rapport’), van 21 februari 2014 biedt evenmin steun voor die stelling. In die rapportage worden cultureel bepaalde factoren benoemd en uitgebreid besproken. De verdachte heeft in het onderzoek aangegeven in de door het rapport geschetste culturele context extreem onder druk te hebben gestaan. Echter, de onderzoekers hebben de hieruit eventueel voortvloeiende beperkingen van zijn handelingsvrijheid niet in pathologische zin kunnen duiden. De strafrechtelijk relevantie van die factoren hebben de onderzoekers niet binnen hun expertise kunnen wegen en beoordelen. Zij komen dan ook niet tot een advies van verminderde toerekeningsvatbaarheid1. Anderzijds wordt in genoemd rapport het volgende opgemerkt:

“Tijdens dit onderzoek heeft betrokkene blijk gegeven van een scherp moreel besef, van zicht op dat wat kan en niet kan, zicht op dilemma's en ook een eigenstandige positie in afwegingen hierin. De gewetensontwikkeling kan als ongestoord bestempeld worden, waarbij zo mogelijk meer nadruk ligt op het goede voor de ander dan op het goede voor zichzelf.”2

Gelet op de beschouwingen van de gedragskundigen is er naar het oordeel van de rechtbank geen grond om een door de verdachte gevoelde, uit de cultuur voortvloeiende beperking in zijn wils- of handelingsvrijheid aan te merken als een vorm van psychische overmacht. Van de verdachte kon en mocht derhalve wel degelijk weerstand worden gevergd tegen de op hem liggende druk vanuit zijn oom om zijn tante te doden, dit geldt temeer omdat het meest absolute recht in onze rechtsorde in het geding was, namelijk het recht op leven.

Het beroep op (psychische) overmacht wordt dan ook verworpen.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van de moord op zijn tante. De verdachte woonde bij zijn oom en tante in huis en was daardoor op de hoogte van de relationele strubbelingen binnen dit gezin. De medeverdachte en de verdachte waren het er over eens dat het zo niet langer kon. Op de opmerking van de medeverdachte dat hij de situatie niet kon veranderen, heeft verdachte te kennen gegeven het doden van zijn tante voor zijn rekening te nemen. De verdachte heeft zijn tante de volgende dag in haar eigen woning, terwijl zij op bed lag, negenentwintig keer gestoken met een mes, aan welk steekletsel zij is overleden.

Door aldus te handelen heeft de verdachte blijk gegeven van een volstrekt gebrek aan respect voor het leven van zijn tante. Uit het grote aantal steekwonden blijkt dat de verdachte op uiterst wrede wijze te werk is gegaan. De vrouw moet ongekende pijn en angst ervaren hebben tijdens de aanval van de verdachte, te meer nu die aanval, afgemeten aan de aard en hoeveelheid van de verwondingen, kennelijk enige tijd heeft geduurd.

De verdachte heeft de nog jonge kinderen van het slachtoffer hun moeder afgenomen. Hij heeft door zijn handelen deze kinderen, en de overige familieleden en vrienden van het slachtoffer, groot en onherstelbaar leed berokkend. Dit blijkt ook uit de schriftelijke slachtofferverklaring van de hand van de dochter van het slachtoffer.

Hoewel het motief voor de moord niet geheel duidelijk is geworden, gaat de rechtbank er van uit dat de culturele achtergrond van de verdachte een rol heeft gespeeld bij het bepalen van zijn wil en bij het maken van de keuze om zijn oom te helpen. De verdachte heeft – naar de rechtbank begrijpt – in Nederland zijn toevlucht gezocht. Echter, een eigenrichting van deze soort en ernst is binnen de in de Nederlandse rechtsorde volstrekt onaanvaardbaar en de verdachte zal hebben te accepteren dat de handhaving van die rechtsorde een zware strafrechtelijke reactie eist. De beperking van de keuzevrijheid die de verdachte op basis van zijn culturele achtergrond naar alle waarschijnlijkheid ervaren heeft, kan dan ook niet in zijn voordeel meewegen bij het bepalen van de op te leggen straf.

Voor zover de druk van de oom van wie de verdachte in meerdere opzichten afhankelijk was - los van iedere culturele context - enigszins matigend op de straf zou moeten uitwerken, staat hiertegenover de beschreven wrede uitvoering van het delict. De rechtsorde is zeer ernstig geschokt. Moord behoort tot de zwaarste delicten die het Wetboek van Strafrecht kent en is naar zijn aard een misdrijf dat oplegging van een gevangenisstraf van zeer lange duur rechtvaardigt. De rechtbank is van oordeel dat het feit volledig aan de verdachte kan worden toegerekend.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat gelet op de straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd.

De rechtbank heeft acht geslagen op het PBC-rapport betreffende de verdachte van

21 februari 2014.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is het op naam van verdachte gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 25 juli 2014 in aanmerking genomen.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen goederen, zoals op de beslaglijst vermeld onder de nummers 1, 2, 4, 5, 7, 8, 9 en 10 verbeurd te verklaren en de in beslag genomen goederen, zoals op de beslaglijst vermeld onder de nummers 3, 6 en 11 terug te geven aan de verdachte.

De in beslag genomen goederen, zoals op de beslaglijst vermeld onder de nummers 1, 2, 4, 5, 7, 8, 9 en 10 zullen worden verbeurd verklaard. De voorwerpen behoren aan de verdachte toe. Het bewezen feit is met behulp van deze voorwerpen begaan. De verbeurdverklaring zal worden opgelegd als bijkomende straf voor het feit.

Ten aanzien van de in beslag genomen goederen, zoals op de beslaglijst vermeld onder de nummers 3, 6 en 11 zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 33, 33a, 47 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het impliciet primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (VIJFTIEN) jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- verklaart verbeurd als bijkomende straf voor het feit: de in beslag genomen goederen zoals op de beslaglijst vermeld onder de nummers 1, 2, 4, 5, 7, 8, 9 en 10;

- gelast de teruggave aan verdachte van: de in beslag genomen goederen zoals op de beslaglijst vermeld onder de nummers 3, 6 en 11.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.J. Bade, voorzitter,

en mrs. E.I. Mentink en H.J. Wieman-Bart, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.A. Commandeur, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 november 2014.

Bijlage I bij vonnis van 4 november 2014:

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 28 juni 2013 te Barendrecht

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk,

een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk,

meermalen, althans éénmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig

voorwerp, in de hals en/of buik en/of andere delen van het lichaam van die

[slachtoffer] gestoken en/of geprikt en/of gesneden,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

1 Rapport Pieter Baan Centrum, p. 65

2 Idem, p. 61