Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:8868

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-08-2014
Datum publicatie
31-10-2014
Zaaknummer
456950 / HA RK 14-650
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. Niet is komen vast te staan of is voldoende aannemelijk geworden dat er aan het pv van de zitting gebreken kleven als door verzoekster geschetst. Wrakingskamer neemt geen kennis van transcripties van kindgesprekken. Rechter heeft ter zitting verslag gedaan van haar bevindingen omtrent de grieven van verzoekster t.a.v. het verloop van de procedure tot aan de zitting. Het kan zo zijn dat dat verslag in de beleving van verzoekster onvoldoende klaarheid heeft gebracht, doch die omstandigheid vormt geen aanwijzing voor partijdigheid. Verzoekster heeft blijkens het pv alle gelegenheid gehad haar standpunt toe te lichten. Aan de orde was een verzoek tot wijziging van het gezamenlijk ouderlijk gezag van ouders over hun minderjarige kinderen naar eenhoofdig gezag door de moeder, hetgeen in familierechtelijk opzicht een ingrijpende beslissing mag worden genoemd. In een onderzoek naar de gronden van een dergelijk verzoek past een kritische vraagstelling door de rechter ter zitting ter zake van die gronden. Taak van de rechter ter zitting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Zaaknummer / rekestnummer: 456950 / HA RK 14-650

Beslissing van 13 augustus 2014

op het verzoek van

[naam verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

advocaat mr. C. van Aken,

strekkende tot wraking van:

mr. B. Oonincx, rechter tevens kinderrechter in de rechtbank Rotterdam, afdeling privaatrecht, team familie 2 (hierna: de rechter).

1 Het procesverloop en de processtukken

Ter zitting van 29 juli 2014 is door de rechter behandeld de tussen verzoekster en de heer [naam vader van de kinderen] aanhangige verzoekschriftprocedure, die als kenmerk heeft: C/10/446271 / FA RK 14-1893.

Bij faxbericht van 31 juli 2014 heeft de advocaat van verzoekster wraking van de rechter verzocht.

De wrakingskamer heeft kennis genomen van het dossier van de hiervoor omschreven verzoekschriftprocedure, waarin zich onder meer bevindt het proces-verbaal van de hiervoor bedoelde zitting.

Verzoekster, haar advocaat, de rechter, de heer [naam vader van de kinderen] en zijn advocaat, alsmede de raad voor de kinderbescherming zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 6 augustus 2014.

Ter zitting van 8 augustus 2014, waar het wrakingsverzoek is behandeld, zijn verschenen:

  • -

    verzoekster met haar advocaat mr. Van Aken,

  • -

    de rechter,

  • -

    de advocaat van de heer [naam vader van de kinderen] mr. A.C. van ’t Hek en

  • -

    mevrouw [naam] namens de raad voor de kinderbescherming.

2 Het verzoek en het verweer daartegen

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoekster het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :

2.1.1

Op basis van het optreden van de rechter is er een situatie ontstaan van zowel objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid (objectieve wrakingsgrond) als van (de vrees voor) persoonlijke vooringenomenheid jegens verzoekster (subjectieve wrakingsgrond). Er zijn concrete feiten en omstandigheden naar voren gekomen waaruit objectief de vrees voor partijdigheid van de rechter kan worden afgeleid.

2.1.2

Verzoekster wijst op de (grove termijnoverschrijding in de) doorlooptermijnen en de weergegeven handelingen in het familiejournaal ten aanzien van de onderhavige verzoekschriftprocedure. De gang van zaken vanaf het moment van indiening van het verzoekschrift, 28 februari 2014, tot op heden is onbegrijpelijk. In het familiejournaal staan een aantal handelingen die niet te plaatsen zijn. Zo staat bijvoorbeeld bij 30 mei 2014 dat er door de griffie gebeld zou zijn in afwachting van de verhinderdata. Echter heeft de advocaat van verzoekster zelf telefonisch contact opgenomen op 15 mei 2014, omdat hem twee maanden daarvoor al was verteld dat er een zittingsdatum gepland zou worden. Op verzoek van de griffie worden dan nogmaals verhinderdata doorgegeven. Uiteindelijk wordt de zittingsdatum per brief van 3 juni 2014 medegedeeld - nadat er op 28 mei 2014 wel degelijk verhinderdata zijn doorgegeven. Ter zitting wordt vervolgens door verweerder medegedeeld dat het verzoekschrift hem pas op 3 juni 2014 is toegezonden. Hoe is het mogelijk dat een verzoekschrift dat eind februari 2014 is ingediend, pas ruim drie maanden later naar verweerder wordt verstuurd? En hoe kan het dat het procesverloop in het familiejournaal foutief wordt weergegeven? Hoewel de rechter en de griffie hierover meermaals bevraagd zijn, reeds dus al per telefax op 28 juli jl., is hierover nog steeds geen duidelijkheid verschaft. De rechter heeft niet voor deze broodnodige opheldering gezorgd (nadat hieromtrent ter zitting wederom expliciet werd gevraagd) en een en ander als een bagatel afgedaan.

2.1.3

Voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de zaak op 29 juli 2014 vindt het kindgesprek plaats met de twee minderjarigen in deze zaak, [naam kind 1] en [naam kind 2]. [naam kind 1] is van meet af aan overstuur over het feit dat zij geconfronteerd gaat worden met haar vader, verweerder. Na dit aangegeven te hebben bij de bode, wordt er een spreekkamer vrijgegeven zodat zij daar rustig kunnen wachten alvorens verhoord te worden. De parketpolitie bespreekt de situatie in de spreekkamer, bemerkt hoe erg [naam kind 1] van streek is, en besluit dat het beter is om partijen zo ver mogelijk bij elkaar vandaan te houden. Hierop wordt besloten dat de wederpartij een verdieping lager wacht totdat de zitting aanvangt.

Het kinderverhoor van [naam kind 1] dient als eerste. Direct bij buitenkomst vertelt zij dat zij niet haar hele verhaal heeft kunnen vertellen en het gevoel heeft dat ze telkenmale door de rechter werd afgekapt. Bovendien werden haar gesloten vragen gesteld en zit [naam kind 1] vooral met deze vraag in haar maag: “Jij zegt in je brief naar je vader wel dat je zo snel volwassen bent geworden door de scheiding, vind je het volwassen van jezelf dat je nu geen contact meer wil met je vader?”. Telkens als [naam kind 1] dan haar visie/verhaal wil vertellen, wordt ze afgekapt met de mededeling dat hiervoor geen tijd is en de zaak dan nog verder uitloopt (er was bij aanvang al sprake van uitloop).

[naam kind 2] lost [naam kind 1] af en bij buitenkomst wordt zij door de parketpolitie tegengehouden omdat haar vader op het toilet op dezelfde verdieping is. Het komt tot een hele korte confrontatie, de blik van vader kruist de blik van [naam kind 2] enkele seconden, maar hierdoor raakt ook [naam kind 2] compleet overstuur. Dit ook weer in het bijzijn van de parketpolitie, die vervolgens de vader sommeert om een verdieping lager te wachten. [naam kind 2] geeft in de spreekkamer aan dat ook zij het gevoel heeft niet goed haar zegje gedaan te kunnen hebben en dat ze niet zichzelf kon zijn.

Daarnaast vertelde de rechter haar dat ze contact moest hebben met haar vader (“het is wel je vader”) en dat ze dat niet wil. De rechter heeft haar tevens medegedeeld dat ze het verhaal maar van één kant heeft gehoord. [naam kind 2] vertelde dat ze gelukkig wel goed heeft kunnen vertellen dat ze bang is van haar vader. Nu het afnemen van een kinderverhoor juist dient om de kinderen vrij hun verhaal te kunnen laten doen omdat het belang van de kinderen in dit soort zaken voorop staat, is het onbegrijpelijk dat de kinderen nu juist - door de aanpak en bejegening van de rechter - het gevoel hebben dat ze volstrekt niet konden vertellen wat zij wilden en dat zij hierin beperkt werden.

2.1.4

Vervolgens vangt de inhoudelijke behandeling van de zaak door de rechter aan.

De rechter vertelt over hetgeen de minderjarigen tijdens het kinderverhoor verteld

zouden hebben. Verbazingwekkend genoeg vertelt zij dat zij uitdrukkelijk niet heeft

gehoord dat de minderjarigen bang voor hun vader zouden zijn en dat zij het gevoel

heeft dat het conflict zich afspeelt tussen de ouders. Vervolgens geeft de rechter het

woord aan de advocaat van verzoekster. Zoals eerder gezegd wordt eerst de procedurele gang van zaken aan de kaak gesteld. De rechter kan hierop geen enkel (bevredigend)

antwoord geven en - zo blijkt vervolgens ter zitting - heeft hier geen onderzoek naar

gedaan en dit reeds per telefax kenbaar gemaakte verzoek kennelijk naast zich

neergelegd.

2.1.5

Wanneer de advocaat van verzoekster verder gaat met het pleidooi, onderbreekt de

raadsman van de wederpartij het verhaal door te zeggen: “Let op uw woorden”.

De rechter grijpt amper in bij deze misplaatste opmerking en laat de wederpartij zijn

gang gaan. Verderop in het pleidooi word ondergetekende dan opnieuw onderbroken, ditmaal door de rechter zelf. Zij stelt het volgende: “Ik heb de brieven zelf allemaal al gelezen, dus die hoeft u niet meer voor te dragen”. Dit is op zijn zachtst gezegd vreemd, aangezien de rechter tegen [naam kind 1] (zo blijkt later) tijdens het kinderverhoor vertelt dat zij de betreffende brief van de vader niet kon lezen (aangezien dit een kopie betrof). Afgezien van het feit dat het hoogst vervelend is dat de advocaat tot tweemaal toe onderbroken wordt en de rechter het betoog van verzoekster probeert af te kappen/in te korten, wordt gezien het vorenstaande de vrees dat de rechter de zaak niet onpartijdig behandelt zeer groot.

2.1.6

Na het pleidooi wordt verzoekster vervolgens door de rechter letterlijk aan een

kruisverhoor onderworpen. Verzoekster wordt gevraagd of zij voorbeelden kan noemen

van gezagsproblemen die zich hebben voorgedaan. In plaats van verzoekster de tijd te

gunnen om deze vraag te beantwoorden, wordt zij tijdens haar antwoord continue in

de rede gevallen door een spervuur van nieuwe vragen, Daarnaast is het voor een verzoek tot wijziging van het gezamenlijk gezag naar eenouder gezag niet noodzakelijk dat zich reeds de door de rechter gevraagde problemen in de sfeer van het gezag hebben gemanifesteerd. Door deze bevraging lijkt het er tevens op dat de rechter het toetsingskader voor wijziging van het gezag niet goed paraat heeft, althans bevooroordeeld dan wel niet goed voorbereid aan de behandeling is begonnen . Dit beeld wordt versterkt doordat zij de begrippen ‘gezag’ en ‘omgangs- en contactregeling’ door elkaar heeft gebruikt, onder meer in voornoemd spervuur, om verzoekster woorden in de mond te leggen.

2.1.7

Verzoekster heeft expliciet aangegeven in haar verzoekschrift en herhaaldelijk op zitting,

dat zij absoluut niet in de weg staat en wil staan tussen het contact van de vader met de minderjarigen. Het contact met de vader staat totaal los van het verzoeken om eenhoofdig gezag. De rechter concludeert op basis hiervan dat het een conflict is tussen de ouders (“de kinderen zitten klem”) en dat verzoekster het op de kinderen afschuift. Verzoekster geeft nogmaals aan dat de kinderen zelf absoluut geen contact willen met de vader en dat zij de kinderen niet kan dwingen en niet wil pushen. De geïrriteerde reactie van de rechter (verzoekster wordt in haar verhaal diverse malen onderbroken/de mond gesnoerd) hierop luidt als volgt: “Dat is maar de vraag he?”. Verzoekster krijgt door deze opmerkingen de indruk dat de rechter haar ziet als ‘aanstichtster’ van deze rechtsgang en dat ze de kinderen gebruikt om haar zin door te drukken. Te meer omdat de rechter continue begrip toont voor de periode van anderhalf jaar dat de vader niets van zich heeft laten horen. Op zitting wordt door en namens verweerder steeds zijn eigen belang benadrukt. Verzoekster vindt het onbegrijpelijk dat de rechter het doet voorkomen dat het belang van de vader in dit verhaal belangrijker is dan het belang en de wens van de kinderen.

2.1.8

Wanneer voor de advocaat van verzoekster op een gegeven moment de maat vol is en deze zich uitlaat over de gevraagde omgangsregeling, grijpt de rechter wél direct in: “U mag zich

straks met alle felheid die u wilt gebruiken hierover uitlaten”. De rechter meldt dat de

gevraagde omgangsregeling dezelfde is als die in het ouderschapsplan was opgenomen, dus dat er ook niet ‘iets heel bijzonders’ wordt gevraagd. Daarnaast blijft de rechter hameren op het feit dat de kinderen contact moeten hebben met de vader en dat partijen er toch samen uit moeten komen. Ook wanneer verzoekster, ondanks dat ze dit buiten de procedure wilde houden, uit wanhoop de financiële problemen van de vader, het vluchtgedrag (‘we huren een camper en vertrekken zonder de kinderen’) en de suïcidale neigingen naar voren brengt, wordt zij door de rechter afgekapt omdat dit niet relevant zou zijn.

2.1.9

Ook het optreden van de aanwezige vertegenwoordigster van de raad van de

kinderbescherming roept de nodige vragen op. Zij stelde dat deze zaak een duidelijk

voorbeeld is van een vechtscheiding en dat partijen nu aan het begin van een ‘loopgravenoorlog’ staan. Allereerst is er geen sprake van een vechtscheiding -

partijen zijn al in 2012 gescheiden en de vader heeft na de scheiding niets meer van

zich laten horen - en ten tweede is zonder een nadere en duidelijke toelichting

volstrekt onbegrijpelijk hoe de vertegenwoordigster van de raad in dit dossier komt

tot de vergelijking met een ‘loopgravenoorlog’. De vertegenwoordigster van de raad

stelde daarnaast tevens dat zij de kinderen een raadsonderzoek ‘echt niet aan wilde

doen’ en dat negen van de tien onderzoeken eindigen in een ondertoezichtstelling. De aard

en reden(en) voor dergelijke opmerkingen zijn volstrekt onnavolgbaar. Al helemaal

voor wat betreft de opmerking van de ondertoezichtstelling aangezien in deze

kwestie hiervoor helemaal geen grond is.

2.1.10

In het van de zitting van 29 juli 2014 opgemaakte proces-verbaal zijn alle hiervoor aangehaalde, ter zitting voorgevallen zaken en afgelegde verklaringen niet of anders opgenomen en zijn verklaringen opgenomen die in het geheel niet zijn afgelegd.

2.1.11

In dat kader is de gehele gang van zaken opmerkelijk en is hiermee duidelijk dat

sprake is van gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid dan wel de vrees voor

persoonlijke vooringenomenheid jegens verzoekster. Ook de gebezigde argumentatie is

wederom onnavolgbaar. Het - onder meer - in artikel 6 EVRM en het Wetboek van

Rechtsvordering verankerde (fundamentele) recht op een eerlijke behandeling van

de zaak wordt verzoekster volledig onthouden, hetgeen uiteraard naast de gestelde

vooringenomenheid van de rechter eveneens een flagrante schending van de

goede procesorde is. Dit geldt eveneens voor het feit dat de rechter - in het kader van agendering - vraagt of partijen het redden de rechtbank voor 10 augustus 2014 (nota bene een zondag) te berichten, reeds deze datum vaststelt nadat verweerder bevestigend antwoord en zonder een antwoord/reactie van de advocaat van verzoekster af te wachten.

2.1.12

Op grond van het vorenstaande is de onpartijdigheid van de rechter ernstig in het gedrang gekomen. Het lijkt er sterk op dat, ongeacht wat namens verzoekster te berde wordt gebracht, de rechter verzoekster de mogelijkheid om haar verhaal te kunnen doen wil ontnemen en haar (vooringenomen) oordeel al klaar heeft. Verzoekster heeft het gevoel dat ze in haar verzoek niet serieus wordt genomen. De rechter heeft namelijk met de ter zitting

feitelijk gegeven voorlopige oordelen, een voor de rechterlijke onpartijdigheid schadelijke positie ingenomen. Gezien deze gang van zaken heeft de rechter verzoekster bovendien geen gelijkwaardige gelegenheid gegeven om aan de behandeling van de zaak deel te nemen. Daar komt bij dat wordt gevreesd dat de rechter door de bovengenoemde gang van zaken niet meer tot een weloverwogen en onpartijdige uitspraak zal kunnen komen. Verzoekster verzoekt de rechtbank de rechter te vervangen aangezien door haar handelen de rechterlijke onpartijdigheid in het gedrang is gekomen en/of de rechterlijke onafhankelijkheid schade lijdt c.q. zou kunnen lijden.

2.2

De rechter heeft niet in de wraking berust.

De rechter bestrijdt de feitelijke grondslag van het verzoek en heeft overigens te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking kan opleveren. Daarbij is – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

2.2.1

In de eerste plaats vind ik het spijtig dat de advocaat van verzoekster de klachten ten aanzien van de behandeling ter zitting - behoudens welke zien op de termijnen en het familiejournaal - niet ter zitting heeft geuit. Indien deze tijdens de zitting naar voren waren gebracht. dan was ik ter zitting wellicht in de gelegenheid geweest om een aanvullende toelichting te geven.

2.2.2

Verzoekster stelt dat ik de minderjarigen tijdens de kindgesprekken onvoldoende

gelegenheid zou hebben gegeven hun mening naar voren te brengen. Ik onderschrijf dit niet.

Verder doet de advocaat van verzoekster uitspraken over hetgeen in de kindgesprekken naar voren zou zijn gekomen. Deze uitspraken zijn niet juist. Desgewenst kan ik de wrakingskamer een transcriptie van de kindgesprekken ter hand stellen. Aangezien deze gesprekken evenwel vertrouwelijk zijn en slechts voor zover relevant en met toestemming van minderjarigen op zitting behandeld worden, zal ik deze niet nu al overleggen.

Verder breng ik naar voren dat de advocaat kennelijk in de onjuiste veronderstelling

verkeert dat ik ten tijde van de zitting geen kennis had genomen van de brieven. De twee

originele brieven waarvan bij bericht van 28 juli 2014 slecht leesbare kopieën waren

overgelegd, heb ik tijdens de kindgesprekken ingezien.

2.2.3

Door de bode en de parketpolitie was mij voorafgaand aan de zitting al gemeld dat verzoekster en de kinderen in een kamer apart waren gezet. Dit is overigens niet ongebruikelijk in zaken waarin partijen niet door één deur kunnen. Ik heb de parketpolitie verzocht niet in de zaal, hooguit op de gang aanwezig te blijven indien zij dat nodig achtten.

Ook ter zitting was spanning tussen partijen en tussen de raadslieden merkbaar.

Ik bemerkte daarnaast dat beide raadslieden niet goed in staat waren elkaar het podium te

gunnen. Ook dit heeft de sfeer ter zitting niet in positieve zin beïnvloed. Ik heb dan ook de

nodige regie moeten voeren om alle betrokkenen aan het woord te laten.

2.2.4

Beide partijen zijn door mij ondervraagd, waarbij ik mij kan voorstellen dat verzoekster dit moeilijk vond. Ik heb haar voornamelijk bevraagd over het voorliggende geschil (de gezagskwestie). Op mijn vragen gaf zij geen direct antwoord, ze bracht haar standpunt ten aanzien van andere onderwerpen naar voren. Omdat ik haar meermalen heb moeten terugbrengen naar het relevante onderwerp kan ik mij voorstellen dat dit voor haar

geen prettige ervaring is geweest. Ik heb haar echter niet afgekapt zoals de raadsman stelt. Verweerder gaf wel rechtstreeks antwoord op vragen, waardoor het bij verzoekster kan zijn

overgekomen dat het gesprek met verweerder wat makkelijker verliep.

2.2.5

Er is naar mijn volle overtuiging op geen enkel moment sprake geweest van bevoordeling van één van partijen. noch heeft één van partijen minder gelegenheid gehad dan de ander om

standpunten naar voren te brengen. Als er al sprake is geweest van een geïrriteerde reactie van mij ter zitting dan zal dat een reactie zijn geweest op de algehele sfeer en het stroeve verloop van de zitting, maar daar hebben dan beide partijen last van gehad.

2.2.6

Verder merk ik op dat, daar waar de advocaat van verzoekster meent dat ik zonder instemming van hem de datum van 10 augustus 2014 heb vastgesteld, dit kennelijk op een misverstand berust. Ik heb het bevestigend knikken van de advocaat opgevat als instemming met dit voorstel. De advocaat heeft ter zitting overigens tegen die datum geen bezwaren kenbaar gemaakt.

2.2.7

Ter zitting is door mij naar voren gebracht dat het niet in het belang van de minderjarigen is

wanneer de verantwoordelijkheid voor keuzes van de ouders op de schouders van de

minderjarigen komt te liggen.

2.2.8

Ten aanzien van de termijnen en het familiejournaal merk ik het volgende op. De advocaat van verzoekster klaagt over het feit dat de zaak later op zitting is gepland dan wenselijk. Ik heb ter zitting uitleg gegeven aan partijen over de redenen waarom de zaak niet eerder is gepland. Ook heb ik ter zitting aangegeven dat ik met partijen van mening ben dat het prettiger zou zijn geweest wanneer de zaak eerder op zitting behandeld zou zijn.

2.2.9

Het proces-verbaal van de zitting van 29 juli 2014 bevat een zakelijke en correcte weergave van hetgeen op die zitting is voorgevallen. In de grieven, die de advocaat van verzoekster over dat proces-verbaal heeft geuit, herken ik mij niet.

2.2.10

Ten slotte bericht ik u, hetgeen uit het voorgaande mag blijken, dat ik - zoals mijn professie

ook van mij vereist - in staat ben de verzoeken onbevangen en objectief te beoordelen. Ik heb dat ook deze keer niet anders gedaan. Ik verzoek u derhalve het wrakingsverzoek af te wijzen.

3 De beoordeling

3.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens verzoekster een vooringenomenheid koestert, althans dat de door verzoekster geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechter door objectieve factoren gerechtvaardigd is.

3.2

Aan de door verzoekster aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter door haar persoonlijke instelling en overtuiging niet onpartijdig is.

3.3

Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoekster geuite vrees dat de rechter jegens haar een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is. Hierbij is de opvatting van verzoekster van belang, maar is deze niet doorslaggevend.

3.4

De wrakingskamer is van oordeel dat van vorenomschreven omstandigheden in dit geval geen sprake is en overweegt daartoe als volgt.

3.5

Voor zover de wraking is gegrond op grieven ten aanzien van de inhoud van het proces-verbaal van de zitting van 29 juli 2014 is allereerst van belang dat een proces-verbaal ingevolge wettelijk voorschrift een verkorte en zakelijke weergave dient te bevatten van hetgeen ter zitting met betrekking tot de zaak is voorgevallen en van hetgeen aldaar is verklaard. Zaken die voor de beoordeling van de zaak niet van belang zijn, worden in beginsel niet opgenomen. De rechter en de griffier zijn – eveneens ingevolge wettelijk voorschrift – gehouden het proces-verbaal naar waarheid op te maken en van de juistheid ervan dient in beginsel te worden uitgegaan, tenzij er blijkt van feiten of omstandigheden die een ander oordeel rechtvaardigen. Mede gelet op hetgeen ter zitting van de wrakingskamer door de advocaat van [naam vader van de kinderen] en door de vertegenwoordigster van de raad voor de kinderbescherming naar voren is gebracht, is niet komen vast te staan of is voldoende aannemelijk geworden dat aan het proces-verbaal gebreken kleven als door verzoekster zijn geschetst. Het verzoek mist mitsdien feitelijke grondslag. De rechtbank gaat dan ook in haar verdere beoordeling uit van de juistheid van het proces-verbaal.

3.6

De wrakingskamer zal geen gebruik maken van de – ter zitting gesuggereerde – mogelijkheid kennis te nemen van de transcripties van de zogenaamde kindgesprekken, die de rechter op 29 juli 2014 heeft gehad met de minderjarige kinderen van verzoekster en [naam vader van de kinderen]. De inhoud van die gesprekken is vertrouwelijk en bij gelegenheid van een dergelijk gesprek bespreekt de kinderrechter ook met de kinderen of en zo ja, wat er uit dat gesprek wel en niet mag worden verteld aan de ouders. Kennisname door de wrakingskamer van de bij gelegenheid van het kindgesprek gemaakte aantekeningen van de griffier impliceert dat alle bij de wrakingsprocedure betrokken partijen daarvan eveneens kennis moeten kunnen nemen en die consequentie betekent dat de wrakingskamer de gang van zaken in de bodemprocedure en vast beleid van de rechtbank op dit punt zou doorkruisen. Daarnaast is de wrakingskamer van oordeel dat kennisname van de transcripties niet noodzakelijk is om over het wrakingsverzoek een oordeel te kunnen vellen.

3.7.

In het proces-verbaal van de zitting van 29 juli 2014, de reactie van de rechter op het wrakingsverzoek en hetgeen overigens ter zitting van de wrakingskamer naar voren is gekomen, zijn voldoende aanknopingspunten te vinden voor het feit dat de rechter ter zitting van 29 juli 2014 inhoudelijk heeft gereageerd op de grieven van verzoekster ten aanzien van het verloop van de procedure tot aan die zitting. De rechter heeft ter zitting mondeling verslag gedaan van hetgeen haar daaromtrent was gebleken. Het kan zo zijn dat dat verslag in de beleving van verzoekster onvoldoende klaarheid heeft gebracht, doch die omstandigheid vormt geen aanwijzing voor een (gerechtvaardigde vrees voor een) gebrek aan onpartijdigheid. Daar komt bij dat een rechter in zijn algemeenheid geen of nauwelijks bemoeienis heeft met het voortraject van een familierechtelijke verzoekschriftprocedure en dat de administratieve handelingen, die tijdens dat voortraject plaatsvinden – en hun weerslag vinden in het familiejournaal – feitelijk worden uitgevoerd door de griffier of – meer nauwkeurig omschreven – de administratieve ondersteuning van de rechtbank. De klachten van verzoekster over dit voortraject horen naar het oordeel van de rechtbank dan ook thuis in een klachtenprocedure bij de president van de rechtbank.

3.8

Uit het proces-verbaal van de zitting van 29 juli 2014 en uit het verhandelde ter zitting van de wrakingskamer komt naar voren dat verzoekster op de zitting van de rechter alle gelegenheid heeft gehad haar standpunt toe te lichten. De door haar advocaat voor de zitting voorbereide, uitvoerige pleitnota is in zijn geheel voorgedragen en daarnaast zijn haar advocaat en ook verzoekster zelf ter zitting door de rechter meermalen aan het woord gelaten. Uit het proces-verbaal blijkt niet dat verzoekster en haar advocaat onvoldoende ruimte zouden hebben gekregen om het woord te voeren.

3.9

Ter zitting was aan de orde een verzoek tot wijziging van het gezamenlijk ouderlijk gezag van ouders over hun minderjarige kinderen naar eenhoofdig gezag door de moeder, hetgeen in familierechtelijk opzicht een ingrijpende beslissing mag worden genoemd. In een onderzoek naar de gronden van een dergelijk verzoek past een kritische vraagstelling door de rechter ter zitting ter zake van die gronden, hetgeen blijkens het proces-verbaal van de zitting ook is gebeurd. Dat verzoekster, door de vragen van de rechter, zich ‘als een crimineel weggezet voelde’ maakt dit op zich niet anders. Aannemelijk is dat verzoekster ter zitting in de eerste plaats haar eigen verhaal kwijt wilde, inclusief haar ervaringen met verweerder uit hun huwelijkse periode. Dat de rechter het verhaal van verzoekster in het kader van voormeld onderzoek heeft bekort en heeft onderbroken met voor het te verrichten onderzoek ter zake doende vragen, behoort tot de taak van de rechter en de door haar ter zitting ten dienste van het onderzoek te nemen maatregelen van orde. Niet is gebleken of aannemelijk geworden dat de rechter daarbij haar taak en bevoegdheid te buiten is gegaan. De begrijpelijke en systematische aanpak door de rechter van de mondelinge behandeling ter zitting diende juist om alle bij de zaak betrokken personen voldoende gelegenheid te bieden zich over het verzoek en het daartegen gevoerde verweer uit te laten. Die aanpak verzekert de naleving van het beginsel van hoor en wederhoor en impliceert dat alle procespartijen ook de minder welgevallige standpunten van de andere procespartijen moeten aanhoren, opdat zij ook daarop kunnen reageren. In dat kader past ook dat de rechter over (een deel van) het ter beoordeling voorliggende verzoek mondeling een voorlopig oordeel geeft, juist om alle betrokkenen gelegenheid te geven daarop ter zitting nog te reageren. Met het uitspreken van een dergelijk voorlopig oordeel staat nog niet vast wat het definitieve oordeel zal zijn.

3.10

Op grond van het vorenstaande luidt de conclusie dat de wraking ongegrond is. Het verzoek wordt afgewezen.

4 De beslissing

wijst af het verzoek tot wraking van mr. B. Oonincx.

Deze beslissing is gegeven door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, voorzitter, mr. M.G.L. de Vette en mr. H. van Lokven-van der Meer, rechters.

Bij afwezigheid van de voorzitter is deze beslissing door mr. De Vette uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 augustus 2014 in tegenwoordigheid van J.A. Faaij, griffier en door hen ondertekend.

Verzonden op:

aan:

- verzoekster

- mr. C. van Aken

- mr. B. Oonincx

- mr. A.C. van ‘t Hek

- de raad voor de kinderbescherming