Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:8864

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-08-2014
Datum publicatie
05-11-2014
Zaaknummer
AWB - 13 _ 1031
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2015:2997, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Herziening: ECLI:NL:HR:2016:1919, Afwijzing
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

OZB; Kerkenvrijstelling. Christelijke activiteiten zijn niet aan te merken als openbare eredienst. Evenmin vallen deze activiteiten onder openbare bezinningsbijeenkomsten van levensbeschouwelijke aard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zittingsplaats Dordrecht

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 13/1031

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 augustus 2014 in de zaak tussen

[eiseres],

gemachtigde: D.K. Bos,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Molenwaard, verweerder,

gemachtigde: J.K. Lanser.

Procesverloop

Bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ), gedagtekend 29 februari 2012, heeft verweerder de waarde van de onroerende zaak Lekdijk 153 te Langerak (hierna: de onroerende zaak) per waardepeildatum 1 januari 2011 voor het belastingjaar 2012 vastgesteld op € 331.000,- en aan eiseres aanslagen voor de gemeentelijke heffingen 2012 opgelegd.

Bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 7 januari 2013, heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de beschikking ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft eiseres beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft bij brief van 16 juni 2014 nadere gronden ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2014. Eiseres is niet ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is eigenares van de onroerende zaak. Het betreft[gebouw], dat naast de kerk[adres] is gelegen.

2. Eiseres stelt zich primair op het standpunt dat op de onroerende zaak de vrijstelling van artikel 220d, eerste lid, aanhef en onder c, van de Gemeentewet (de kerkenvrijstelling) van toepassing is.

2.1.

Op grond van artikel 220d, eerste lid, aanhef en onder c, van de Gemeentewet wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen buiten aanmerking gelaten de waarde van onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning.

Op eiseres rust de bewijslast aannemelijk te maken dat de kerkenvrijstelling van toepassing is op de onroerende zaak.

2.2.

Volgens vaste rechtspraak, bijvoorbeeld het arrest van 4 december 1991 van de Hoge Raad (Belastingblad 1992/72 en BNB 1992/47), is een onroerende zaak in hoofdzaak bestemd voor de openbare eredienst als deze voor tenminste 70% daarvoor wordt gebruikt. In zijn arrest van 7 mei 1980 (BNB 1980/177) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het begrip openbare eredienst moet worden opgevat overeenkomstig het algemeen geldend spraakgebruik.

Tijdens de eredienst op zondagmorgen in de naastgelegen kerk wordt de onroerende zaak gebruikt als crèche. Daarnaast wordt de onroerende zaak gebruikt voor de zondagsschool, jeugdclubs, catechisaties en bijeenkomsten voor Bijbelstudie.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat de crèche, de zondagsschool, jeugdclubs, catechisaties en bijeenkomsten voor Bijbelstudie niet zijn aan te merken als openbare erediensten. In het algemeen geldende spraakgebruik wordt in een christelijke context als hier aan de orde onder een openbare eredienst, anders dan eiseres stelt niet alleen in 1980 maar ook vandaag de dag, een kerkdienst ter gezamenlijke verering van God verstaan en dat zijn deze activiteiten niet. Het beroep van eiseres op de uitbreiding van de kerkenvrijstelling per 1 januari 1995, in die zin dat ook openbare bezinningsbijeenkomsten van levensbeschouwelijke aard daar nu onder vallen, kan haar niet baten. Met deze uitbreiding heeft de wetgever beoogd onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor dergelijke bijeenkomsten onder de vrijstelling te brengen teneinde geen onderscheid te maken tussen – kort gezegd – godsdienstige en andere levensbeschouwingen, niet om christelijke activiteiten die niet zijn aan te merken als een openbare eredienst alsnog onder de vrijstelling te brengen. Het ontgaat de rechtbank waarom het aldus gewijzigde artikel 220d, eerste lid, aanhef en onder c, van de Gemeentewet discriminatoir zou zijn, zoals eiseres stelt. Voor zover in de door eiseres genoemde rechterlijke uitspraken een ruimere uitleg wordt gegeven aan de begrippen openbare eredienst of openbare bezinningssamenkomst van levensbeschouwelijke aard, volgt de rechtbank die uitspraken gelet op het voorgaande niet.

Overigens heeft eiseres geen nadere informatie verstrekt over het gebruik van de onroerende zaak. Zo is niet duidelijk in hoeverre in de onroerende zaak ook andere dan de door verweerder bij zijn besluitvorming betrokken activiteiten plaatsvinden en hoeveel tijd daarmee is gemoeid. Dit klemt te meer, nu verweerder in het bestreden besluit onweersproken opmerkt dat de onroerende zaak ook wordt gebruikt voor bijeenkomsten van de burgerlijke gemeente en de Staatkundig Gereformeerde Partij, alsmede voor condoleren en herdenkingsbijeenkomsten bij overlijden. Daarnaast wordt de onroerende zaak verhuurd voor bijvoorbeeld vergaderingen, recepties en familiebijeenkomsten. Anders dan eiseres in beroep lijkt te stellen, is het aan haar en niet aan verweerder om het gebruik van de onroerende zaak inzichtelijk te maken.

Het argument van eiseres dat verweerder in de hoger beroepsprocedure bij het gerechtshof Den Haag over het belastingjaar 2011 heeft erkend dat de onroerende zaak in hoofdzaak is bestemd voor de openbare eredienst kan haar niet baten. Ter zitting heeft verweerder benadrukt dat hij dit ter zitting van het gerechtshof niet heeft erkend, maar juist ontkend. De rechtbank ziet geen reden hieraan te twijfelen. Ook als verweerder ter zitting van het gerechtshof per ongeluk iets anders heeft gezegd dan hij heeft bedoeld te zeggen, neemt dit niet weg dat verweerder in de onderhavige procedure steeds het standpunt heeft ingenomen dat eiseres geen geslaagd beroep kan doen op de kerkenvrijstelling. Over dit standpunt kan redelijkerwijs geen misverstand bestaan bij eiseres.

2.3.

De beroepsgrond dat verweerder de vrijstelling van artikel 220d, eerste lid, aanhef en onder c, van de Gemeentewet ten onrechte niet heeft toegepast faalt derhalve.

3. Eiseres voert subsidiair aan dat verweerder de waarde van de onroerende zaak te hoog heeft vastgesteld.

3.1.

De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat deze beroepsgrond buiten de omvang van het geding valt. Weliswaar heeft eiseres deze grond niet in bezwaar naar voren gebracht, maar deze grond is evenals het beroep op de kerkenvrijstelling gericht tegen de waardevaststelling van de onroerende zaak, waartegen eiseres ook in bezwaar is opgekomen. Geen rechtsregel staat eraan in de weg dat eiseres dit subsidiaire standpunt in beroep voor het eerst aanvoert.

3.2.

De stellingen die eiseres in dit verband naar voren brengt, zijn niet onderbouwd met stukken of controleerbare gegevens. Dit geldt in het bijzonder voor haar stellingen over de te hanteren correctiefactoren voor technische en economische veroudering. Het betoog van eiseres komt erop neer dat de onroerende zaak sterk verouderd is en beperkte gebruiksmogelijkheden heeft. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de taxatiewijzer gemeenschapsgebouwen is aangehouden bij de bepaling van de waarde, waarbij rekening is gehouden met de staat van onderhoud en de gebruiksmogelijkheden. De rechtbank acht deze toelichting gelet op de gebrekkige onderbouwing van de hierop betrekking hebbende en eerst bij brief van 16 juni 2014 naar voren gebrachte beroepsgrond afdoende. De stelling van eiseres over de beperkte gebruiksmogelijkheden wordt gelogenstraft door het feitelijke gebruik van de onroerende zaak (zie onder 2.2).

3.3.

De beroepsgrond dat verweerder de waarde van de onroerende zaak te hoog heeft vastgesteld faalt derhalve.

4. Het betoog dat eiseres recht heeft op een schadevergoeding van € 500,- wegens de lange duur van de procedure slaagt.

4.1.

Geschillen over een belastingaanslag vallen volgens vaste rechtspraak, bijvoorbeeld het arrest van 10 juni 2011 van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2011:BO5080), buiten het toepassingsbereik van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De Hoge Raad heeft in dit arrest voorts geoordeeld dat het rechtszekerheidsbeginsel er evenzeer toe noopt dat deze geschillen binnen een redelijke termijn worden beslecht.

4.2.

Bij de beantwoording van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, sluit de rechtbank in navolging van de Hoge Raad in het onder 4.1 vermelde arrest aan bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AO9006). Dit betekent dat indien de redelijke termijn is overschreden, als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief dient te worden gehanteerd van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Behoudens bijzondere omstandigheden is de redelijke termijn overschreden indien de bezwaar- en beroepsfase in totaal langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan op het moment dat verweerder het bezwaarschrift ontvangt, in dit geval op 27 maart 2012. De rechtbank doet heden uitspraak, waaruit volgt dat de termijn met minder dan een half jaar is overschreden.

4.3.

Vervolgens staat ter beoordeling of de termijnoverschrijding moet worden toegerekend aan verweerder of aan de rechtbank. Hierbij geldt het uitgangspunt dat voor de bezwaarfase een redelijke termijn van een half jaar geldt en voor de beroepsfase een redelijke termijn van anderhalf jaar (Hoge Raad 22 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6666). De beroepsfase is aangevangen op 14 februari 2013 (datum ontvangst beroepschrift), zodat de rechtbank binnen anderhalf jaar uitspraak doet. Hieruit volgt dat de termijnoverschrijding moet worden toegerekend aan verweerder, temeer nu hij niet binnen de uit artikel 30, negende lid, van de Wet WOZ volgende termijn op het bezwaar heeft beslist.

4.4.

Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank het beroep gegrond en vernietigt zij de uitspraak op bezwaar wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Omdat de uitspraak op bezwaar inhoudelijk bezien rechtmatig is, zal de rechtbank bepalen dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven. De waardevaststelling van de onroerende zaak en de aanslagen voor de gemeentelijke heffingen 2012 blijven dus ongewijzigd in stand.

4.5.

De rechtbank zal het verzoek om schadevergoeding dan ook toewijzen en eiseres een schadevergoeding van € 500,- toekennen ten laste van de gemeente Molenwaard.

5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 318,- aan haar vergoedt.

6. De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die eiseres in beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank stelt het bedrag van deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 487,- (1 punt ter waarde van € 487,- voor de indiening van het beroepschrift, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de uitspraak op bezwaar geheel in stand blijven;

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent eiseres een schadevergoeding toe van € 500,- ten laste van de gemeente Molenwaard;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 318,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres in beroep, vastgesteld op € 487,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, voorzitter, en mr. D. Haan en mr. R.H.L. Dallinga, leden, in aanwezigheid van mr. M. Noordegraaf, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2014.

De griffier is buiten staat deze voorzitter

uitspraak mede te ondertekenen.

Afschrift aan partijen verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Den Haag (belastingkamer).