Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:8862

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
31-10-2014
Datum publicatie
05-11-2014
Zaaknummer
ROT 14-1812 en ROT 14-4445
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, omvat de op verweerder rustende bewijslast tevens de juistheid van de door hem bij de waardebepaling toegepaste objectafbakening. Aan dit deel van de op hem rustende bewijslast heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan. Hierbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. Bij de objectafbakening komt aan verweerder geen beoordelingsvrijheid toe

(vergelijk Hoge Raad 9 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003: AD6058). De objectafbakening vloeit rechtstreeks voort uit de wet. De feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, laten naar het oordeel van de rechtbank geen ander oordeel toe dan dat de woning en het perceel twee afzonderlijke objecten betreffen, nu er een kadastrale (vermogens-)grens loopt tussen de woning en het perceel grond waarop de loodsen zijn gebouwd.

Naar het oordeel van de rechtbank doet zich hier de situatie voor dat bij de waardebepaling en –vaststelling is uitgegaan van een onjuiste objectafbakening in die zin dat ten onrechte is uitgegaan van één object, waarvoor één waarde is bepaald en vastgesteld, terwijl van twee verschillende objecten had moeten worden uitgegaan, waar voor elk een waarde had moeten worden bepaald en vastgesteld

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Bestuursrecht 2

zaaknummers: ROT 14/1812 en ROT 14/4445

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 oktober 2014 in de zaken tussen

[eiser]eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Goeree-Overflakkee, verweerder,

gemachtigde: mr. E. Blom.

Procesverloop

Bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ), gedagtekend 28 februari 2013, heeft verweerder de waarde van de onroerende zaak[de woning], gelegen op de percelen kadastraal bekend onder [nummer] met een oppervlakte van 10475 m² en [nummer 2] met een oppervlakte van 600 m², per waardepeildatum 1 januari 2012 voor het belastingjaar 2013 vastgesteld op[bedrag], onder gelijktijdige oplegging van een daarmee corresponderende aanslag onroerende-zaakbelastingen.

Voorts heeft verweerder in diezelfde beschikking aan eiser voor het belastingjaar 2013 een aanslag gemeentelijke rioolheffingen (aanslagnummer 380440270) opgelegd ten bedrage van [bedrag 2] en een aanslag onroerende-zaakbelastingen opgelegd ten bedrage van[bedrag 3].

Bij beschikking, gedagtekend 28 februari 2014, heeft verweerder aan eiser voor het belastingjaar 2014 een aanslag gemeentelijke rioolheffingen (aanslagnummer 383859214) opgelegd ten bedrage van [bedrag 5]. Ook deze aanslag betreft de onroerende zaak [de woning].


Bij uitspraak op bezwaar van 17 januari 2014 heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen de WOZ-waarde ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft eiser geen beroep ingesteld.

Bij twee afzonderlijke uitspraken op bezwaar van 30 januari 2014 (zaaknummer
ROT 14/1812) en van 28 mei 2014 (zaaknummer ROT 14/4445) (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen de rioolheffing 2013 en de rioolheffing 2014 ongegrond verklaard en de aanslagen gehandhaafd.

Tegen deze uitspraken heeft eiser beroep ingesteld.

Verweerder heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting in beide zaken heeft plaatsgevonden op 23 september 2014.
Eiser was aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is eigenaar van de woning. Het betreft een eengezinswoning. De oppervlakte van het perceel bij de woning is ongeveer 600 m² (dit perceel wordt hierna genoemd: de woning)

2. Voorts is eiser (voor de helft) gebruiker en genothebbende krachtens eigendom van een perceel, betreffende de naast de woning gelegen grond, met een oppervlakte van ongeveer 10.475 m². Op dit - naast de woning gelegen - perceel zijn drie loodsen gebouwd en exploiteert eiser samen met zijn broer een agrarisch bedrijf (dit perceel wordt hierna genoemd: het perceel grond).

3. In geschil is de objectafbakening en het daarmee corresponderende tarief voor de aanslagen rioolheffing voor de belastingjaren 2013 en 2014.

4. Eiser stelt dat de woning en het perceel grond twee verschillende objecten zijn.

Volgens eiser is de aanslag onroerende-zaakbelastingen eigenaar voor het belastingjaar 2013 niet juist opgelegd. Eiser stelt dat bij de onroerende-zaakbelastingen een splitsing dient te worden aangebracht tussen de WOZ-waarde van de woning maal het tarief van een woning en de WOZ-waarde van de niet-woning maal het tarief van een niet-woning. Eiser stelt dat de aanslag onroerende-zaakbelastingen bij een gesplitst tarief[bedrag 4] bedraagt.

Voorts is eiser van oordeel dat de aanslagen rioolheffing voor de belastingjaren 2013 en 2014 voor het object dienen te worden verlaagd naar het tarief voor een woning, omdat alleen het woonhuis is aangesloten op de gemeentelijke riolering en er vanuit de (landbouw-) schuren geen lozing op de riolering plaatsvindt. Eiser stelt dat de gemeente aldaar geen grondwatertaken heeft en dat al het hemelwater van de woning en de bedrijfsgebouwen wordt opgevangen in eigen slootjes/vijvers die als retentiebekkens dienen.

Verweerder stelt dat hij terecht is uitgegaan van een tarief voor een niet-woning, aangezien de waarde in het economisch verkeer niet in hoofdzaak kan worden toegerekend aan de delen van het perceel die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. De woning en het perceel vormen een samenstel en dienen naar omstandigheden als één geheel te worden beoordeeld. De aanslagen rioolheffing eigenaar en onroerende-zaakbelastingen eigenaar zijn volgens verweerder juist opgelegd.

5. In artikel 17, eerste lid, Wet WOZ is bepaald dat aan een onroerende zaak een waarde wordt toegekend. Hieruit volgt dat de eerste stap in de waardebepaling de bepaling van het te waarderen object is. Deze zogeheten objectafbakening dient te geschieden aan de hand van de in artikel 16, Wet WOZ opgenomen regels.

Na de objectafbakening volgt de waardering van de afgebakende onroerende zaak aan de hand van het bepaalde in de artikelen 17, vanaf het tweede lid, en volgende van de Wet WOZ. De uiteindelijk bepaalde waarde wordt vervolgens op de in wet geregelde wijze vastgesteld. De bewijslast met betrekking tot de vastgestelde waarde rust op verweerder.


Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, omvat de op verweerder rustende bewijslast tevens de juistheid van de door hem bij de waardebepaling toegepaste objectafbakening. Aan dit deel van de op hem rustende bewijslast heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan. Hierbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. Bij de objectafbakening komt aan verweerder geen beoordelingsvrijheid toe
(vergelijk Hoge Raad 9 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003: AD6058). De objectafbakening vloeit rechtstreeks voort uit de wet. De feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, laten naar het oordeel van de rechtbank geen ander oordeel toe dan dat de woning en het perceel twee afzonderlijke objecten betreffen, nu er een kadastrale (vermogens-)grens loopt tussen de woning en het perceel grond waarop de loodsen zijn gebouwd.

7. Naar het oordeel van de rechtbank doet zich hier de situatie voor dat bij de waardebepaling en –vaststelling is uitgegaan van een onjuiste objectafbakening in die zin dat ten onrechte is uitgegaan van één object, waarvoor één waarde is bepaald en vastgesteld, terwijl van twee verschillende objecten had moeten worden uitgegaan, waar voor elk een waarde had moeten worden bepaald en vastgesteld. De Hoge Raad heeft in voornoemd arrest van 9 mei 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AD6058) richtlijnen voor het herstel van een objectafbakeningsfout gegeven. De richtlijnen houden, toegepast op het onderhavige geval, het volgende in. De beschikkingen en de aanslagen, voor zover gericht tegen de aanslagen gemeentelijke heffingen 2013 en 2014, dienen te worden vernietigd.
Verweerder kan vervolgens, met inachtneming van de daarvoor geldende regels, een nieuwe beschikking geven, waarin de waarde van de juist afgebakende onroerende zaken wordt vastgesteld en (één of meer) nieuwe belastingaanslagen opleggen (vgl. rechtsoverweging 3.7.2 van voormeld arrest van de Hoge Raad van 9 mei 2003).

8. Het beroep in beide zaken is dan ook gegrond. Gelet op het vorenoverwogene dient te worden beslist, zoals hierna onder de beslissing is aangegeven.

9. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht in beide zaken te vergoeden.

10. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep in beide zaken gegrond;

- vernietigt de beide uitspraken op bezwaar;

- vernietigt de beschikkingen en de aanslagen riool heffing 2013 en 2014;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats van de vernietigde uitspraken op bezwaar treedt;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van in totaal € 90,-
(te weten: € 45,- in de zaak met nummer ROT 14/1812 en € 45,- in de zaak met nummer ROT 14/4445) aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, rechter, in aanwezigheid van

mr. L.W.F. van Deyzen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

31 oktober 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer).