Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:8775

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-10-2014
Datum publicatie
28-10-2014
Zaaknummer
2917249 - CV EXPL 14-14493
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bevoegdheidsincident, forumkeuzebeding, EEX-vo, 8 Rv,12 rv

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0905
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 2917249 \ CV EXPL 14-14493

uitspraak: 24 oktober 2014

vonnis in de (voorwaardelijke) incidenten van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

1 de vennootschap naar buitenlands recht

Lionex (M) Sdn Bhd.,

gevestigd te Kuala Lumpur (Maleisië)

eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het bevoegdheidsincident,

gemachtigden: mr. J.W. de Groot en E.A. Buziau te Amsterdam,

2 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DPW Van Stolk Holding B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het bevoegdheidsincident, eiseres in het voorwaardelijk voegingsincident,

gemachtigden: mr. J.W. de Groot en E.A. Buziau te Amsterdam,

tegen

[de heer X] ,

wonende te Kuala Lumpur (Maleisië),

gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het bevoegdheidsincident, verweerder in het voorwaardelijk voegingsincident,

gemachtigde: mr. F.C. van Uden te Amsterdam.

Partijen worden hierna aangeduid met ‘Lionex’, ‘DPW’ en ‘[de heer X]’.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennis genomen.

  • -

    de dagvaarding van 23 augustus 2013, met producties, met betekeningsexploot van 13 december 2013, met producties;

  • -

    de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in het onbevoegdheidsincident tevens voorwaardelijk incidenteel verzoek tot voeging van DPW aan de zijde van Lionex;

  • -

    de akte houdende wijziging van eis in bevoegdheidsincident, tevens conclusie van antwoord in voorwaardelijk voegingsincident, met een productie.

1.2.

De uitspraak van het vonnis is door de kantonrechter bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen het volgende vast.

2.1.

Lionex is een vennootschap die hardhout(producten) importeert, exporteert, bewerkt en distribueert. Hofsté Holding B.V. (nader te noemen: Hofsté) is de enig aandeelhouder van Lionex. DPW is de enig aandeelhouder van Hofsté.

2.2.

[de heer X] is op grond van de op 14 juli 2000 ondertekende aanstellingsbrief d.d. 7 juli 2000 (nader te noemen: de aanstellingsbrief) tot 1 maart 2013 als Managing Director bij Lionex in Kuala Lumpur, Maleisië, werkzaam geweest.

2.3.

In de aanstellingsbrief is een forumkeuzebeding met de volgende inhoud opgenomen:

Deze overeenkomst en alle daaruit voortvloeiende overeenkomsten tussen partijen zijn onderworpen aan Nederlands recht. Alle geschillen, voortvloeiende uit deze overeenkomst dan wel nadere overeenkomsten, zullen in eerste instantie worden beslecht door de bevoegd Rechter te Rotterdam.

2.4.

In de aanstellingsbrief is tevens een verbod op nevenactiviteiten, een geheimhoudingsbeding, een non-concurrentiebeding voor 2 jaar en een boeteclausule opgenomen.

2.5.

[de heer X] is werkzaamheden gaan verrichten voor Blue Roots (M) Sdn. Bhd. (nader te noemen: Blue Roots), een in Maleisië gevestigd bedrijf dat zich bezighoudt met internationale houthandel.

2.6.

Lionex heeft op 9 juli 2013 een procedure tegen [de heer X] en anderen aanhangig gemaakt bij het High Court in Kuala Lumpur, Maleisië (nader te noemen: de Maleisische procedure).

3 De vordering in de hoofdzaak

3.1.

Lionex en DPW hebben bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, voor zover de wet het toelaat uitvoerbaar bij voorraad, [de heer X]:

  1. te gebieden zijn werkzaamheden voor Blue Roots en de overige in de dagvaarding genoemde concurrerende en schadelijke activiteiten met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te houden, op straffe van verbeurte van een direct opeisbare en niet voor matiging vatbare dwangsom van € 5.000,- per dag of een dagdeel daarvan dat [de heer X] nalatig blijft aan dit aanbod te voldoen;

  2. te veroordelen tot betaling van een nader in deze procedure te bepalen bedrag aan boetes als gevolg van de overtreding van de geheimhoudingsbepaling en tot vergoeding van de werkelijke schade als gevolg van de overtreding, voor zover deze de boete overstijgt, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

  3. te veroordelen tot betaling van een boete van € 79.865,32 als gevolg van de overtreding van het non-concurrentiebeding en tot vergoeding van de werkelijke schade als gevolg van de overtreding, voor zover deze de boete overstijgt, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

  4. te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding wegens wanprestatie onder de arbeidsovereenkomst, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

  5. te veroordelen tot betaling van een vergoeding van de kosten die Lionex en DPW hebben gemaakt teneinde hun schade en de aansprakelijkheid van [de heer X] vast te stellen;

  6. te veroordelen tot betaling van de kosten van de procedure, waaronder de kosten van de door Lionex ten laste van [de heer X] op 26 juli 2013 gelegde beslagen, te vermeerderen met de nakosten ad € 131,- zonder betekening, dan wel € 199,- in het geval van betekening, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis en, indien voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten, te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

3.2.

Aan hun vorderingen hebben Lionex en DPW – tot het uiterste samengevat – ten grondslag gelegd dat [de heer X] het verbod op nevenactiviteiten en het geheimhoudings- en non-concurrentiebeding geschonden heeft en toerekenbaar tekort geschoten is in de nakoming van de overige uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen en dat hij hierdoor de overeengekomen boetes heeft verbeurd en dat Lionex en DPW hier schade door geleden hebben.

4 De vordering in het bevoegdheidsincident

4.1.

[de heer X] vordert dat de kantonrechter zich bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis onbevoegd verklaart om van de door Lionex en DPW ingestelde vorderingen kennis te nemen, dan wel de zaak in de stand waarin deze zich bevindt ter verdere behandeling en beslissing te verwijzen naar de rechtbank Rotterdam, sector Civiel Recht, met een hoofdelijke veroordeling van Lionex en DPW in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 dagen na het te wijzen vonnis tot de dag der algehele voldoening.

Bij akte houdende wijziging van eis in bevoegdheidsincident conclusie van antwoord in voorwaardelijk voegingsincident heeft [de heer X] zijn vordering in die zin aangevuld dat hij primair niet-ontvankelijkverklaring van DPW vordert en ook een veroordeling van Lionex en DPW in de nakosten.

4.2.

Aan zijn gewijzigde vorderingen heeft [de heer X] naast de vaststaande feiten – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende ten grondslag gelegd.

4.2.1.

DPW is geen partij bij de arbeidsovereenkomst tussen Lionex en [de heer X].

4.2.2.

Het hiervoor onder 2.3. genoemde forumkeuzebeding heeft op grond van artikel 23 lid 5 jo. 21 EEX-Vo geen rechtsgevolg, zodat gelet op het in artikel 20 EEX-Vo bepaalde de rechter in Maleisië bevoegd is van het geschil kennis te nemen.

4.2.3.

Er is sprake van litispendentie. De Maleisische procedure is immers eerder aanhangig gemaakt dan de Nederlandse procedure, de partijen bij beide procedures zijn (in essentie) hetzelfde, de onderwerpen van beide procedures zijn (in essentie) hetzelfde en de beslissing in de Maleisische procedure is vatbaar voor erkenning en tenuitvoerlegging in Nederland.

4.2.4.

Aangezien [de heer X] bestuurder van Lionex was, is op grond van artikel 2:231/2:241 van het Burgerlijk Wetboek (nader te noemen: BW) bij rechtsmacht van de Nederlandse rechter de sector Civiel Recht bevoegd om van het geschil kennis te nemen.

4.3.

Lionex en DPW concluderen, voor zover de wet het toelaat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, tot afwijzing van de incidentele vorderingen, met veroordeling van [de heer X] in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de nakosten ad € 131,- zonder betekening, dan wel € 199,- in het geval van betekening, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en, indien voldoening van de (na)kosten niet binnen die termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis.

Zij voeren daartoe naast de vaststaande feiten – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende aan.

4.3.1.

Het hiervoor onder 2.3. genoemde forumkeuzebeding voldoet aan de voorwaarden van artikel 23 EEX-Vo. Aangezien artikel 21 EEX-Vo alleen geldt indien gedaagde zijn woonplaats in een lidstaat heeft, is dit artikel niet van toepassing. De uitzondering van artikel 23 lid 5 EEX-Vo doet zich in casu dus niet voor, zodat op grond van artikel 23 lid 1 EEX-Vo de rechtbank Rotterdam bevoegd kennis te nemen van het geschil.

4.3.2.

Subsidiair stellen Lionex en DWP dat het arbeidsrechtelijk geschil tussen DPW en [de heer X] enerzijds en Lionex en [de heer X] anderzijds dusdanig met elkaar verweven c.q. verknocht zijn dat het onnodig inefficiënt en kostbaar zou zijn om het geschil tussen DPW en [de heer X] in een andere jurisdictie te behandelen. Om proceseconomische redenen dient ook dit geschil door de rechtbank Rotterdam behandeld te worden.

4.3.3.

Betwist wordt dat sprake is van litispendentie. De partijen in de Maleisische en Nederlandse procedure zijn niet hetzelfde, hetgeen in deze procedures gevorderd wordt is wezenlijk anders van aard en er is niet voldaan aan het vereiste van “een voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbare beslissing”.

4.3.4.

Subsidiair verzoeken Lionex en DPW de rechter de zaak aan te houden, tot de Maleisische rechter uitspraak heeft gedaan.

4.3.5.

Aangezien de artikelen 2:131 en 2:241 BW niet van toepassing zijn op vennootschappen die zijn opgericht naar buitenlands recht, is de kantonrechter bevoegd kennis te nemen van het geschil.

5 De vordering in het voorwaardelijk voegingsincident

5.1.

DPW vordert voorwaardelijk dat zij in het geding tussen Lionex en [de heer X] toegelaten wordt als gevoegde partij, met veroordeling van [de heer X] in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de nakosten ad € 131,- zonder betekening, dan wel € 199,- in het geval van betekening, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en, indien voldoening van de (na)kosten niet binnen die termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis.

5.2.

Aan haar voorwaardelijke vordering heeft DPW naast de vaststaande

feiten – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende ten grondslag gelegd.

5.2.1.

De vordering tot voeging wordt ingesteld onder de voorwaarde dat zal worden geoordeeld dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft ten aanzien van de door DPW ingestelde vorderingen.

5.2.2.

Het belang van DPW bij voeging in de procedure tussen Lionex en [de heer X] is erin gelegen dat ook het bedrijfsdebiet van DPW (direct en indirect) wordt aangetast door de handelswijze van [de heer X]. Bovendien heeft DPW in haar hoedanigheid van formele werkgever of, meer specifiek, als de partij die toestemming dient te geven voor ontheffing van de hiervoor onder 2.4. genoemde bedingen, een eigen belang bij een rechterlijk oordeel dat [de heer X] zijn verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst niet nagekomen is en dat [de heer X] aansprakelijkheid is voor de daaruit voortvloeiende schade.

5.3.

[de heer X] concludeert tot afwijzing van de voorwaardelijke vordering tot voeging van DPW in de procedure tussen Lionex en [de heer X], met een hoofdelijke veroordeling van DPW in de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten ad € 131,- zonder betekening, dan wel

€ 199,- met betekening en met de wettelijke rente vanaf 8 dagen na het wijzen van het vonnis tot de dag der algehele voldoening.

Hij voert daartoe naast de vaststaande feiten – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende aan.

5.3.1.

De kantonrechter is op grond van dwingendrechtelijke regels van internationaal privaatrecht niet bevoegd kennis te nemen van het geschil tussen DPW en [de heer X]. Indien de kantonrechter zich vervolgens op grond van 220 Rv bevoegd verklaart, worden de regels van internationaal privaatrecht doorkruist.

5.3.2.

Subsidiair stelt [de heer X] dat geen sprake is van verknochtheid, aangezien DPW en Lionex hun vorderingen op zijn arbeidsovereenkomst met Lionex baseren en DPW geen partij bij deze arbeidsovereenkomst is en omdat de Maleisische rechter deze vorderingen al behandelt. Los van de vraag of sprake is van litispendentie, is het inefficiënt en nodeloos kostbaar om parallel in Nederland over hetzelfde onderwerp te procederen.

6 De beoordeling van de incidentele vorderingen

6.1.

Vooropgesteld wordt dat, hoewel de aanstellingsbrief niet de titel ‘arbeidsovereenkomst’ draagt, de kantonrechter dit document, nu partijen het erover eens zijn dat [de heer X] en (in ieder geval) Lionex door ondertekening van dit document een arbeidsovereenkomst gesloten hebben, in het navolgende als zodanig zal betitelen.

6.2.

Op de voet van artikel 209 Rv dient eerst te worden beslist op de door partijen opgeworpen (voorwaardelijke) incidenten. Nu de vordering van [de heer X] om DPW niet-ontvankelijk te verklaren, omdat zij geen partij bij de arbeidsovereenkomst is, niet aangemerkt kan worden als een incidentele vordering, brengt dit met zich dat deze vordering in het kader van de beoordeling van de door partijen opgeworpen incidenten onbesproken blijft.

Ten aanzien van het bevoegdheidsincident

In de zaak van DPW tegen [de heer X]

6.3.

Nu sprake is van een individuele arbeidsovereenkomst dient beoordeeld te worden of het forumkeuzebeding rechtsgeldig is in het licht van de vereisten met betrekking tot individuele arbeidsovereenkomsten. In de EEX-Vo zijn die vereisten neergelegd in de artikelen 18 tot en met 21. De formele toepasselijkheid van de artikelen 18 tot en met 21 EEX-Vo is geregeld in de artikelen 2 tot en met 4 EEX-Vo. Uit artikel 4 EEX-Vo volgt dat het uitgangspunt is dat de bevoegdheidsverdeling van de EEX-Vo alleen geldt indien de gedaagde partij, op het moment dat de zaak in eerste aanleg bij het gerecht aanhangig werd gemaakt, woonplaats had op het grondgebied van een EEX-staat. Nu een zaak op grond van artikel 125 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) aanhangig is vanaf de dag der dagvaarding en [de heer X] op 13 december 2013 in Maleisië woonachtig was, zou dit in beginsel met zich brengen dat de bevoegdheidsregeling van de EEX-Vo niet van toepassing is. Echter, op grond van artikel 4 lid 1 EEX-Vo vallen de in artikel 23 EEX-Vo genoemde bevoegdheidsregels buiten het in artikel 4 EEX-Vo neergelegde toepassingsgebied van de EEX-Vo. Artikel 23 lid 1 EEX-Vo luidt voor zover thans van belang: “Wanneer de partijen van wie er ten minste één woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, een gerecht of de gerechten van een lidstaat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, is dit gerecht of zijn de gerechten van die lidstaat bevoegd. (…) Deze overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht wordt gesloten:

a) hetzij bij een schriftelijke overeenkomst of bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst […]

De in artikel 4 EEX-Vo neergelegde bevoegdheidsverdeling is dan ook niet van toepassing, indien partijen een forumkeuzebeding overeengekomen zijn en aan de overige in artikel 23 lid 1 EEX-Vo genoemde voorwaarden hebben voldaan.

6.4.

[de heer X] betwist dat DPW partij bij de arbeidsovereenkomst en daarmee bij het

forumkeuzebeding is en heeft daartoe aangevoerd dat niet aan de vereisten van artikel 7:610 BW is voldaan, dat DPW de arbeidsovereenkomst namens Lionex ondertekend heeft en dat in de arbeidsovereenkomst verwezen wordt naar Lionex. Ook uit het feit dat in de Maleisische procedure alleen Lionex tegen [de heer X] procedeert, dient volgens [de heer X] opgemaakt te worden dat DPW geen partij bij de arbeidsovereenkomst en het daarin opgenomen forumkeuzebeding is.

Volgens Lionex en DPW is DPW wèl partij bij het forumkeuzebeding. DPW dient namelijk als de formeel werkgever van [de heer X] aangemerkt te worden, betaalde een deel van het salaris van [de heer X], had de bevoegdheid om [de heer X] instructies te geven (rapportagelijnen) en had de bevoegdheid [de heer X] te ontheffen van de hiervoor onder 2.4. genoemde bedingen, aldus Lionex en DPW.

6.5.

Nu voor de beoordeling van de vraag of de kantonrechter bevoegd is kennis te nemen van het onderhavige geschil van belang is of het forumkeuzebeding ook met DPW overeengekomen is, zullen partijen, eerst Lionex en DPW, nog in de gelegenheid worden gesteld zich bij akte daar (nader) over uit te laten. Daarbij wordt overwogen dat het feit dat Lionex en DPW hier in hun conclusie van antwoord in het onbevoegdheidsincident tevens voorwaardelijk incidenteel verzoek tot voeging van DPW van Stolk Holding B.V. aan de zijde van Lionex (M) Sdn Bhd slechts summier op zijn ingegaan, waarbij zij zich het recht voorbehouden hebben nog inhoudelijk verweer te voeren, niet aan hen tegengeworpen kan worden, nu [de heer X] de stelling dat DPW geen partij bij de arbeidsovereenkomst is (en daarmee ook niet bij het forumkeuzebeding) in het kader van de vordering tot niet-ontvankelijkheid van DPW aangevoerd heeft en voornoemde conclusie van Lionex en DPW een conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident betrof (vgl. rov 5.2.). Ook wordt overwogen dat, indien vast komt te staan dat ook DPW partij bij het forumkeuzebeding was, de rechtbank Rotterdam op grond van artikel 23 lid 1 EEX-Vo bevoegd is kennis te nemen van het onderhavige geschil. Er is immers ook voldaan aan de overige vereisten van artikel 23 lid 1 EEX-Vo – zo is het forumkeuzebeding schriftelijk overeengekomen, heeft een van de partijen, in casu DPW, woonplaats op het grondgebied van een EEX-staat en hebben partijen een gerecht van een lidstaat aangewezen voor kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zullen ontstaan, namelijk de bevoegde rechter van de rechtbank Rotterdam – en, zoals in rov. 5.3.1. overwogen is, is artikel 21 EEX-Vo niet van toepassing. Indien niet vast komt te staan dat DPW partij bij het forumkeuzebeding was, dan leidt dit tot het oordeel dat de rechtbank Rotterdam niet bevoegd is kennis te nemen van het onderhavige geschil. Immers, nu de bevoegdheidsregeling van de EEX-Vo niet van toepassing is (zie rov. 5.3.1.) en, aangezien [de heer X] in Maleisië woonachtig is, ook andere bevoegdheidsverdragen toepassing missen, dienen de regels van commuun internationaal recht te worden toegepast (de artikelen 1 tot en met 14 Rv) en op grond daarvan komt de Nederlandse rechter dan geen rechtsmacht toe. [de heer X] kan op de door Lionex en DPW te nemen akte bij antwoordakte reageren.

In de zaak van Lionex tegen [de heer X]

6.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat Lionex en [de heer X] het hiervoor onder 2.3. genoemde forumkeuzebeding overeengekomen zijn. Artikel 23 EEX-Vo bevat een regeling voor het geval partijen een forumkeuzebeding overeengekomen zijn. Voorwaarde voor toepasselijkheid van deze bepaling is dat ten minste één van de partijen bij het forumkeuzebeding woonplaats heeft op het grondgebied van een EEX-staat. Nu dit in casu niet het geval is, is de bevoegdheidsregeling van de EEX-Vo, mede gelet op het in rov 5.3.1. overwogene, niet van toepassing. Daar andere bevoegdheidsverdragen evenmin van toepassing zijn, dienen de regels van commuun internationaal recht te worden toegepast (de artikelen 1 tot en met 14 Rv). Artikel 8 lid 1 Rv bepaalt: “De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht indien partijen met betrekking tot een bepaalde rechtsbetrekking die tot hun vrije bepaling staat, bij overeenkomst een Nederlandse rechter of de Nederlandse rechter hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen welke naar aanleiding van die rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, tenzij daarvoor geen redelijk belang aanwezig is.”. Nu partijen een forumkeuzebeding overeengekomen zijn, waarbij zij de bevoegde rechter te Rotterdam hebben aangewezen om alle uit de arbeidsovereenkomst of nadere overeenkomsten voortvloeiende geschillen in eerste instantie te beslechten, brengt dit in beginsel met zich dat een rechter van de rechtbank Rotterdam bevoegd is kennis te nemen van het geschil.

6.7.

[de heer X] stelt zich echter op het standpunt dat de in artikel 12 Rv genoemde situatie zich voordoet. Het volgende wordt hieromtrent overwogen.

6.7.1.

Artikel 12 Rv bepaalt dat indien een zaak voor de rechter van een vreemde staat aanhangig is gemaakt en daarin een beslissing kan worden gegeven die in Nederland voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging vatbaar is, de Nederlandse rechter bij wie nadien een zaak tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp is aangebracht, de behandeling van deze zaak kan aanhouden totdat daarin door de eerstbedoelde rechter is beslist. Nadat de beslissing van die rechter is gegeven en indien deze inderdaad voor erkenning en eventueel tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar blijkt te zijn, dient de Nederlandse rechter die de behandeling heeft aangehouden zich onbevoegd te verklaren.

6.7.2.

Gelet op het hiervoor onder 5.8.1. overwogene is een van voorwaarden voor toepasselijkheid van artikel 12 Rv dat sprake moet zijn van gelijkheid van vorderingen. De kantonrechter oordeelt hier als volgt over. Uit de als productie 1 bij incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid overgelegde conclusie van eis in de Maleisische procedure blijkt dat Lionex stelt dat [de heer X] en Lionex een geheimhoudingsbeding, een non-concurrentiebeding en een boeteclausule overeengekomen zijn, maar nergens blijkt uit dat Lionex in de Maleisische procedure – net zoals in de onderhavige procedure – betaling van de (volgens haar) op grond van de boeteclausule verschuldigde boetes heeft gevorderd. Ook blijkt nergens uit dat Lionex in de Maleisische procedure gevorderd heeft [de heer X] te gebieden zijn werkzaamheden voor Blue Roots te staken en gestaakt te houden, hetgeen zij in de onderhavige procedure wel doet. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat geen sprake is van gelijkheid van vorderingen en daarmee niet van litispendentie. Of aan de overige voorwaarden van artikel 12 Rv voldaan is, kan dan ook onbesproken blijven.

In de zaak van Lionex en DPW tegen [de heer X]

6.8.

heeft ten slotte aangevoerd dat hij statutair bestuurder van de – naar Maleisisch recht opgerichte vennootschap – Lionex is, hetgeen door Lionex en DPW is erkend. Volgens [de heer X] brengt dit met zich dat op grond van de artikelen 2:131/2:241 BW niet de kantonrechter, maar de sector Civiel Recht (thans team handel) bevoegd is om van het onderhavige geschil kennis te nemen. Het volgende wordt hieromtrent overwogen. Zoals Lionex en DPW terecht hebben aangevoerd, geldt in Nederland het incorporatiestelsel, hetgeen betekent dat het recht van het land waar een vennootschap is opgericht van toepassing is op de inrichting en structuur van de vennootschap. Gelet hierop zijn de artikelen 2:131/2:241 BW niet van toepassing op de relatie tussen een vennootschap naar vreemd recht en een bestuurder die bij die vennootschap in dienst is. Nu vaststaat dat Lionex een naar Maleisisch recht opgerichte vennootschap is, kan voornoemde stelling van [de heer X] dan ook niet slagen. Daarbij wordt overwogen dat de kantonrechter de stelling van [de heer X] dat dient te worden aangesloten bij de voor NV- en BV-bestuurders geldende ontheffing van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen (BBA), waar de Hoge Raad over geoordeeld heeft dat het ook geldt voor buitenlandse vennootschapsbestuurders, niet kan volgen. Het BBA bevat regels over de wijze van beëindiging van arbeidsverhoudingen voor de Nederlandse arbeidsmarkt en niet valt in te zien hoe een oordeel van de Hoge Raad dat een ontheffing van die regels ook van toepassing is op buitenlandse vennootschapsbestuurders, maakt dat ook de artikelen 2:131 en 2:241 BW op die buitenlandse vennootschapsbestuurders van toepassing zijn. Bij rechtsmacht van de Nederlandse rechter is de kantonrechter dan ook in zoverre bevoegd van het geschil kennis te nemen.

voorts ten aanzien van het bevoegdheidsincident en het voorwaardelijke voegingsincident

6.9.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

7. De beslissing

De kantonrechter:

in het bevoegdheidsincident

alvorens verder te beslissen,

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 19 november 2014 om 14.30 uur voor het nemen van een akte door - eerst - Lionex en DPW voor het in rechtsoverweging 6.5. genoemde doel;

in het voorwaardelijke voegingsincident

houdt iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.L. van Zetten en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

874