Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:8769

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-10-2014
Datum publicatie
28-10-2014
Zaaknummer
C/10/412893 / HA ZA 12-1009
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betaling aan derde van openbaar verpande vordering. Uitleg overeenkomst; aanvulling van een leemte in een overeenkomst. Kosten vrijwaringsprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/412893 / HA ZA 12-1009

Vonnis in hoofdzaak van 22 oktober 2014

in de zaak van

de coöperatie

RABOBANK VOORNE-PUTTEN ROZENBURG U.A.,

gevestigd te Hellevoetsluis,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. G.J. Schras,

tegen

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE WESTVOORNE,

zetelend te Rockanje,

gedaagde in conventie,

advocaat mr. A.H. Vermeulen,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde2] ,

zetelend te Hellevoetsluis,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. R.W.F. Heijmeriks,

3. [gedaagde3],

wonende te Hellevoetsluis,

gedaagde in conventie,

advocaat mr. L.C. Dufour.

Partijen zullen hierna Rabobank, de Gemeente, [gedaagde2] en [gedaagde3] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 26 februari 2014

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 9 september 2014, inclusief de daaraan gehechte brieven van mr. Heijmeriks van 18 september 2014, van mr. Schras van 24 september 2014 en van mr. Dufour van 25 september 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

Tussen partijen staan onder meer de volgende feiten vast.

2.1.

Rabobank heeft een aantal geldleningsovereenkomsten gesloten met de [persoon1] (hierna: [persoon1]). Tot zekerheid voor de terugbetaling van deze leningen heeft Rabobank onder andere een recht van hypotheek op het onroerend goed van [persoon1].

2.2.

Op 6 februari 2007 hebben [persoon1] en [gedaagde2] een overeenkomst gesloten, waarin onder meer het volgende is bepaald:

“Overwegende:

  1. dat [[persoon1]] een vordering heeft op [de Gemeente] terzake door hem geleden planschade;

  2. dat [[gedaagde2]] in deze kwestie zowel in als buiten rechte de belangen van [[persoon1]] zal behartigen; (…)

4. dat partijen zijn overeengekomen dat [[gedaagde2]] geen honorarium zal ontvangen voor zijn werkzaamheden;

5. dat [[gedaagde2]] van [[persoon1]] voor de door haar te verrichten werkzaamheden een vergoeding zal ontvangen van 15 procent van de door de [Gemeente] aan [[persoon1]] te betalen vergoeding voor de geleden planschade; (…).”

2.3.

In het voorjaar van 2007 heeft [persoon1] de Gemeente verzocht door hem vanwege het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan geleden planschade te vergoeden. Bij besluit van de Gemeente van 29 oktober 2007 is dat verzoek afgewezen. Na bezwaar (verwerping op 22 april 2008) en beroep (ongegrondverklaring beroep op 2 april 2009) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij uitspraak van 30 december 2009 het hoger beroep van [persoon1] tegen de beslissing op bezwaar gegrond verklaard en de Gemeente opdracht gegeven een besluit te nemen op het bezwaarschrift van [persoon1].

2.4.

Op 8 april 2008 heeft [persoon1] ten behoeve van Rabobank tot zekerheid van hetgeen Rabobank van [persoon1] te vorderen heeft en zal krijgen een pandrecht gevestigd op de vordering van [persoon1] op de Gemeente uit hoofde van:

“Uitkering planschade volgens art. 49, eerste lid, onder a WRO; bepalingen van een bestemmingsplan”.

Het pandrecht is op 14 april 2008 medegedeeld aan de Gemeente.

2.5.

Voorafgaand aan de vestiging van het pandrecht hebben gesprekken plaatsgevonden tussen Rabobank en [gedaagde2] (daarbij kennelijk handelend namens [persoon1]), die in ieder geval hebben geleid tot een afspraak over de betaling van [gedaagde2] uit een door Rabobank van de Gemeente in verband met voornoemde verpanding te ontvangen bedrag, vastgelegd in een brief van [gedaagde2] aan Rabobank van 27 maart 2008:

“[Ik] doe u bijgaand kopie toekomen van de met de heer [persoon1] gesloten overeenkomst betreffende de procedure planschadeverhaal.

Wij spraken af dat na afloop van de te voeren procedure de alsdan vrijkomende geldsom rechtens zal worden uitbetaald aan de Rabobank aan welke hiervoor pandrecht werd verstrekt. (…) De Rabobank verbindt zich om na ontvangst van de geldsom per direkt het percentage ad. 15% als vastgelegd in opgemelde overeenkomst aan [[gedaagde2]] betaalbaar te stellen. (…)”

De brief is voor akkoord getekend door Rabobank.

2.6.

Nadat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het hoger beroep van [persoon1] gegrond had verklaard (zie onder 2.6) heeft [gedaagde3] op 11 maart 2011 een aanvullend bezwaarschrift ingediend bij de Gemeente. In de kop van dit aanvullend bezwaarschrift zijn zowel [persoon1] als Rabobank genoemd, waarbij ten aanzien van Rabobank wordt gesteld:

“aan wie door klagers de vordering terzake geleden planschade op [de Gemeente] op 8 april 2008 is verpand en die zich voegt aan de zijde van klagers.”

2.7.

Bij besluit van 8 november 2011 heeft de Gemeente het bezwaar van [persoon1] alsnog gegrond verklaard en is aan [persoon1] planschade toegekend van € 470.513, waarbij is bepaald dat hiervan € 154.363 in contanten wordt uitbetaald en dat het resterend bedrag ad. € 316.150 wordt vergoed in natura via een (profijtelijke) bestemmingsplanwijziging. Na vergeefs beroep en hoger beroep tegen dit besluit is dit besluit inmiddels onherroepelijk.

2.8.

Bij brief van 21 februari 2012 aan de Gemeente heeft [gedaagde3] aanspraak gemaakt op voornoemd bedrag van € 154.363, vermeerderd met rente en kosten, in totaal € 192.843,61. [gedaagde3] heeft de Gemeente verzocht dit bedrag over te maken op zijn derdenrekening.

2.9.

Op 23 februari 2012 heeft de Gemeente aan [gedaagde3] geschreven:

“Op 8 november hebben wij besloten [[persoon1]] een bedrag van € 154.363 aan planschade toe te kennen. (…) Hierover gaat deze brief.

De gemeenteraad heeft in haar vergadering van 21 februari 2012 het benodigde krediet beschikbaar gesteld. Op uw verzoek gaan wij dan ook tot uitbetaling over.

Het uit te keren bedrag bestaat uit de volgende onderdelen:

Planschade € 154.363

Wettelijke rente (4-4-7 t/m 1-3-12) € 38.180,61

Drempelbedrag € 300 +

Totaalbedrag € 192.843,61 (…)”

Het betreffende bedrag is door de Gemeente overgemaakt op de derdenrekening van [gedaagde3].

2.10.

Vervolgens heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [gedaagde3], [gedaagde2] en Rabobank. In een brief van Rabobank aan [gedaagde2] van 3 april 2012 staat hierover onder meer het volgende:

“Middels deze brief bevestig ik ons plezierig gesprek van 14 maart 2012. Bij dit gesprek waren tevens aanwezig (…) [[gedaagde3]]. (…)

U heeft aangegeven dat door [de Gemeente] een eerste deelbetaling van de planschade is ontvangen op de derdenrekening van [[gedaagde3]] ter grootte van € 192.917,07. Onder verwijzing naar de overeenkomst tussen de Rabobank en u d.d. 27-03-2008 en de verpanding van de vordering van [[persoon1]] op [de Gemeente] d.d. 08-04-2008 verzoek ik u het verschil van € 192.843,61 -/- € 28.926,54, ofwel € 163.917,07, over te maken op rekeningnummer (…) t.n.v. [Rabobank] o.v.v. ‘/gedeeltelijke aflossing’. Het bedrag van € 28.926,54 betreft de overeengekomen 15% vergoeding voor uw kantoor in deze procedure en kan derhalve naar uw rekening worden overgeboekt.

Zodra op de derdenrekening van [[gedaagde3]] het restant van de gehele claim in geld is ontvangen kunt u, conform dezelfde afspraak van 27-03-2008, eveneens van dit restant 15% achterhouden en het resterende deel naar hetzelfde rekeningnummer van onze bank overmaken. (…).”

2.11.

Per brief van 31 mei 2012 heeft Rabobank [gedaagde2] opnieuw verzocht voornoemd bedrag van € 163.917,07 over te maken op haar rekening. In reactie op deze brief schrijft [gedaagde2] aan Rabobank op 4 juni 2012 onder meer:

“Uit uw opgemelde brief begrijpen wij dat u het resultaat van onze inspanningen niet op juistheid meent te moeten inschatten, tot heden heeft [de Gemeente] een bedrag van € 508.993,61 (incl. gedeeltelijke renten) van de totale claim gehonoreerd.

Wij hebben u als nieuwe accountmanager in deze zaak even de tijd gelaten om u verder te verdiepen in dit dossier, dit in afwachting van uw nadere bericht over uw zienswijze in uw brief van 3 april 2012, uit uw brief van 31 mei 2012 blijkt er niets van enige herziening, Teneinde voor u de zaken een beetje te verduidelijken, enige toelichting als volgt. (…) Ook het verhalen van de planschade was volgens inschatting van de Rabobank een uitzichtloze exercitie waaraan de bank geen geld wenste te verspillen. Na bestudering van het planschadedossier en na overleg met [[gedaagde3]] hebben wij vanaf de basis de procedure opnieuw opgestart en de Rabobank zonder kosten laten meeliften.

Tot zover.

Uit uw schrijven blijkt verder dat u van mening bent dat ons een bedrag toekomt van € 28.926,54. Wij hebben daar een toch iets andere mening over (…). Gelet op het voorlopige resultaat in deze langlopende procedures als opgemeld is aan cliënten tussentijds gefactureerd een bedrag van 15% van € 508.993,61 derhalve € 76.349,04 excl. 19% btw. (…) Het resterende bedrag ad € 101.988,25 staat voor de Rabobank ter beschikking voor afboeking op de hypothecaire lening van cliënten. (…)”

2.12.

Op 22 juni 2014 heeft Rabobank aan de Gemeente geschreven:

“Bij brief van 14 april 2008 met bijlagen hebben wij u ervan op de hoogte gesteld dat blijkens een akte van verpanding d.d. 8 april 2008 aan onze bank zijn verpand de vorderingen die [[persoon1]] op u hebben uit hoofde van een uitkering planschade. (…) Gevolg hiervan is dat u de uitkeringen uit planschade uitsluitend bevrijdend op het rekeningnummer van de Rabobank heeft kunnen betalen.

Inmiddels is gebleken dat de gemeente in weerwil tot het vorenstaande een uitkering aan planschade heeft gedaan aan een derde partij. Die derde partij, naar onze informatie [[gedaagde3]], advocaat te Hellevoetsluis is kennelijk opgetreden als procesgemachtigde van [[persoon1]] en is mogelijk aangesteld door de gemachtigde van [persoon1], [[gedaagde2]].

De bedoeling van de bank in de contacten met [[gedaagde2]] is altijd geweest dat de planschade-uitkeringen rechtsreeks op het rekeningnummer van de bank door u zouden worden voldaan. [gedaagde2] was op de hoogte van het pandrecht. De afspraak was dat de bank [persoon1] vervolgens in de gelegenheid zou stellen uit de ontvangen bedragen een honorarium aan [gedaagde2] ter beschikking te stellen van 15% van het ontvangen bedrag te vermeerderen met BTW, hetgeen neerkomt op een bedrag van € 34.435,69.

Door [[gedaagde2]] is er kennelijk niet op toegezien c.q. op aangestuurd dat de planschade rechtstreeks op het rekeningnummer van de bank is uitbetaald. De bank heeft evenwel nog geen bedrag mogen ontvangen.

Indien [de gemeente] de verbintenissen tot betaling van de planschade aan de bank, welke verbintenissen op haar zijn komen te rusten door openbaarmaking van het pandrecht van de bank op die uitkeringen zou zijn nagekomen, dan zou de bank een bedrag van € 192.917,07 hebben moeten ontvangen.

[De Gemeente] is door de betaling van de planschadebedragen aan de gemachtigde van [persoon1] jegens de bank niet uit deze verbintenis ontslagen.

Geheel onder voorbehoud van alle rechten zal de bank geheel onverplicht een poging doen om [[gedaagde2]] te bewegen tot afdracht van het gehele bedrag aan uitgekeerde planschade aan de bank over te gaan.

Mocht [gedaagde2] evenwel om welke reden dan ook daartoe niet overgaan, dan behoudt de bank zich jegens [de Gemeente] alle rechten voor betaling van het planschadebedrag van de gemeente te verlangen. (…)”

2.13.

Op 30 juli 2012 heeft de advocaat van Rabobank aan de Gemeente onder meer geschreven:

“Overeenkomstig hetgeen de bank u op 22 juni 2012 heeft geschreven, heeft de bank getracht in overleg te treden met [[gedaagde2]] hetgeen heeft geresulteerd in onder meer een gesprek, teneinde onverplicht en louter uit praktische overwegingen hem ertoe te bewegen het desbetreffende bedrag aan haar “door te storten” althans minimaal een bedrag van € 158.481,28. In dat gesprek is [[gedaagde2]] bijgestaan door [[gedaagde3]], doorbetaling van dat bedrag aan de bank wordt hardnekkig geweigerd. Er is door [gedaagde2] € 101.988,25 betaald op de rekening van [persoon1] bij de bank, maar dat is niet genoeg en over dat bedrag bestaat ook geen overeenstemming. Dit bedrag wordt geacht te zijn overgemaakt zonder titel.

De bank ziet thans geen andere mogelijkheid dan om de Gemeente aan te spreken het toegekende planschadebedrag van € 192.907,07 (…) te voldoen op de derdengeldenrekening van [de advocaat] (…).

Zoals ik u telefonisch liet weten betreurt de bank het ten zeerste dat deze onverkwikkelijke affaire zich voordoe en zij voor haar belangen in deze thans ook in de richting van de Gemeente moet opkomen. De voor de bank ondoorzichtige rechtsverhoudingen tussen [persoon1], [gedaagde2] en [gedaagde3] laten haar evenwel geen andere reële keuze. (…)”

2.14.

In een brief aan [gedaagde3] van 10 augustus 2012 schrijft de advocaat van Rabobank onder meer:

“Indien aan mijn cliënte binnen 3 werkdagen vanaf heden een bedrag van € 56.493,13 op mijn derdenrekening (…) wordt overgemaakt, zal ik namens mijn cliënte aan [de Gemeente] laten weten dat cliënte haar sommatie aan [de Gemeente] van 30 juli 2012 intrekt.

Vastgesteld dient dan wel te worden dat de bank het door de Gemeente op uw rekening betaalde bedrag van in totaal € 192.917,07 uit praktische overwegingen voor deze keer en geheel onverplicht als bevrijdende betaling jegens de bank aanmerkt.”

2.15.

Namens de Rabobank is een klacht ingediend tegen [gedaagde3], met de strekking dat [gedaagde3] zich in het onder 2.6 genoemde aanvullend bezwaarschrift ten onrechte heeft uitgegeven als advocaat van Rabobank. De Raad van Discipline heeft geoordeeld dat deze klacht terecht is aangevoerd.

2.16.

De Gemeente heeft conservatoir derdenbeslag gelegd onder Rabobank ten laste van [persoon1]; het verzochte verlof voor het leggen van conservatoir beslag ten laste van [gedaagde3] is afgewezen.

2.17.

[gedaagde3] heeft verzocht en hem is toegestaan [gedaagde2] in vrijwaring op te roepen. De Gemeente heeft verzocht en haar is toegestaan [persoon1] en [gedaagde3] in vrijwaring op te roepen. In die vervolgens ingeleide vrijwaringsprocedure heeft [persoon1] verzocht – en hem is toegestaan – Rabobank in (onder-)vrijwaring op te roepen. Heden zal ook uitspraak worden gedaan in voornoemde drie (onder-)vrijwaringsprocedures.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

Rabobank vordert – samengevat en na vermindering van eis – dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

  • -

    de Gemeente veroordeelt tot betaling van € 90.855,36, vermeerderd met rente vanaf 8 juli 2012;

  • -

    [gedaagde2] veroordeelt tot betaling van € 56.493,13, vermeerderd met rente vanaf de dag van de dagvaarding;

  • -

    voor recht verklaart dat [gedaagde3] onrechtmatig heeft gehandeld jegens Rabobank;

  • -

    [gedaagde3] veroordeelt tot betaling van € 8.333,81;

  • -

    onder de voorwaarde dat de Gemeente bevrijdend aan Rabobank heeft betaald door de betaling aan [gedaagde3]: veroordeling van [gedaagde3] tot betaling van € 90.855,36, vermeerderd met rente vanaf de dag der dagvaarding,

met veroordeling van Gemeente c.s. in de proceskosten.

3.2.

Gemeente c.s. voert verweer.

[gedaagde2] concludeert tot afwijzing van de vordering van Rabobank, met veroordeling van Rabobank in de proceskosten, en subsidiair, bij toewijzing van enige vordering van Rabobank, Rabobank te veroordelen in de door [gedaagde2] betaalde griffierechten, voor zover deze griffierechten zijn gebaseerd op een hoger bedrag dan € 56.493,13 als hoofdsom. [gedaagde3] concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van Rabobank in de proceskosten, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente, en subsidiair dat bij toewijzing van de vordering het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard althans de voorwaarde wordt gesteld dat Rabobank zekerheid stelt.

De Gemeente concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van Rabobank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis in de proceskosten, inclusief de door de Gemeente gemaakte beslagkosten, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[gedaagde2] vordert dat de rechtbank voor recht verklaart dat [gedaagde2] is gerechtigd in een totaalbedrag van € 90.855,36 en voorts gerechtigd is dit bedrag te compenseren met het ontvangen voorschot van € 192.843,61, alsmede dat de rechtbank voor recht verklaart dat Rabobank jegens [gedaagde2] onrechtmatig heeft gehandeld, met veroordeling van Rabobank tot vergoeding van schade, nader op te maken bij staat.

3.5.

Rabobank voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [gedaagde2] in de proceskosten.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1.

Vanwege de samenhang van de vordering in conventie en in reconventie zal de rechtbank deze vorderingen gezamenlijk behandelen.

4.2.

In conventie is – samengevat – het volgende aan de orde. De Gemeente heeft een openbaar pandrecht op de vordering van [persoon1] op de Gemeente. De Gemeente heeft deze vordering betaald op de derdenrekening van [gedaagde3]. De vraag is of de Gemeente aldus bevrijdend heeft betaald; de Gemeente beroept zich op gerechtvaardigd vertrouwen, hetgeen Rabobank bestrijdt. De vraag is voorts of [gedaagde3] onrechtmatig heeft gehandeld jegens Rabobank door de Gemeente te verzoeken de vordering te betalen door overmaking op zijn derdenrekening. Ten slotte is de vraag of [gedaagde2] onrechtmatig heeft gehandeld jegens Rabobank door [gedaagde3] te instrueren de Gemeente het verzoek tot betaling te doen. Waar het Rabobank om gaat is dat het volledige bedrag van € 192.843,61 aan [gedaagde3] is betaald, en dat daarvan aan Rabobank slechts ten goede is gekomen een bedrag van € 101.988,25, in plaats van € 158.481,38 waar zij volgens haar stellingen recht op zou hebben. Het verschil tussen de twee bedragen wordt verklaard door een verschil van inzicht over de hoogte van de vergoeding die aan [gedaagde2] toekomt. Volgens Rabobank heeft [gedaagde2] recht op 15% van € 192.843,61, vermeerderd met BTW, terwijl [gedaagde2] meent dat hij aanspraak heeft op 15% van € 470.513, vermeerderd met BTW.

4.3.

In het midden kan blijven of de Gemeente al dan niet bevrijdend kon betalen aan [gedaagde3], en of [gedaagde3] en [gedaagde2] onrechtmatig hebben gehandeld jegens Rabobank. Naar het oordeel van de rechtbank kon Rabobank aanspraak maken op het aan haar ook daadwerkelijk toegekomen bedrag van € 101.988,25, zodat Rabobank geen belang heeft bij haar vorderingen.

4.4.

Conform de brief van 27 maart 2008 (zie onder 2.5) is tussen [gedaagde2] en Rabobank afgesproken dat [gedaagde2] aanspraak kan maken op 15% van de “na afloop van de procedure vrijkomende geldsom”. In de brief wordt verwezen naar de overeenkomst tussen [persoon1] en [gedaagde2] van 6 februari 2007 (zie onder 2.2). Daarin is bepaald dat [gedaagde2] een vergoeding zal ontvangen van 15% van de door de Gemeente te betalen vergoeding.

Zowel de overeenkomst tussen [persoon1] en [gedaagde2] als de overeenkomst tussen [gedaagde2] en Rabobank gaat ervan uit dat aan [persoon1] een planschadevergoeding in geld zal worden uitbetaald. Ter comparitie is namens de Rabobank verklaard dat haar niet bekend is of ten tijde van het sluiten van de overeenkomst aan de orde is geweest de mogelijkheid dat een deel van de planschadevergoeding in natura zou worden betaald. Door [gedaagde2] is verklaard dat dat niet het geval is. Namens de Gemeente c.s. is onbetwist naar voren gebracht dat eerst met een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van augustus 2010 de mogelijkheid is ontstaan in een geval als het onderhavige de uitbetaling van (een deel van) de planschadevergoeding in natura te doen. De rechtbank leidt hieruit af dat geen van de partijen met deze mogelijkheid rekening heeft gehouden ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten. Dat betekent dat deze overeenkomsten op dit punt een leemte bevatten. Deze leemte moet worden aangevuld op basis van artikel 6:248 lid 1 BW, met inachtneming van de impliciete partijbedoeling in het licht van de omstandigheden van het geval, zowel ten tijde van het sluiten van de overeenkomst als daarna.

4.5.

Voornoemde omstandigheden zijn de volgende. Ten tijde van het maken van de afspraken tussen [persoon1] en [gedaagde2] en (later) [gedaagde2] en Rabobank was de situatie aldus, dat de Gemeente het verzoek van [persoon1] tot planschadevergoeding had afgewezen. Weliswaar liep ten tijde van het maken van de afspraken met Rabobank de bezwaarprocedure tegen de afwijzende beschikking van de Gemeente van 29 oktober 2007, maar er was op dat moment nog geen concreet vooruitzicht dat die planschadevergoeding zou worden toegekend. [gedaagde2] heeft met [persoon1] afgesproken dat hij – via het volgen van een bestuursrechtelijk traject – zou proberen een planschadevergoeding te verkrijgen voor [persoon1], tegen de afspraak dat hij niets zou krijgen als die poging op niets uit zou lopen, en in het andere geval 15%. De procedure heeft erin geresulteerd dat aan [persoon1] alsnog een planschadevergoeding is toegekend, zij het voor het grootste gedeelte in natura. [persoon1] heeft zich daartegen verzet in een bestuursrechtelijke procedure (beroep en hoger beroep) doch tevergeefs. Uiteindelijk heeft de bestuursrechtelijke procedure (zowel tegen de afwijzende beschikking als tegen de beschikking waarbij een planschadevergoeding is toegekend) zeven jaar in beslag genomen en erin geresulteerd dat aan [persoon1] een planschadevergoeding is toegekend van € 470.513. Rabobank heeft zich met de bestuursrechtelijke procedure niet (actief) bemoeid. De vergoeding in natura betreft een profijtelijke bestemmingsplanwijziging ten aanzien van het perceel van [persoon1], namelijk van een agrarische bestemming naar een woonbestemming. Rabobank heeft een recht van hypotheek op het onroerend goed van [persoon1]. Rabobank als hypotheekhouder profiteert (ook) van deze bestemmingsplanwijziging. De gedachte is immers dat het onroerend goed bij (executoriale) verkoop meer zal opbrengen bij een woonbestemming dan bij een agrarische bestemming, en dat is (ook) in het voordeel van Rabobank.

Op grond van deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat voornoemde leemte aldus moet worden aangevuld, dat de afspraak over de vergoeding van [gedaagde2] betrekking heeft op het totaal van de planschadevergoeding.

4.6.

Tussen partijen staat niet ter discussie dat aan [gedaagde2] is toegekomen 15% van de totaal toegekende planschadevergoeding (dus zowel het in natura als het contant betaalde gedeelte) en dat het restant van het door de Gemeente betaalde bedrag aan Rabobank is toegekomen. Aldus is uitvoering gegeven aan de tussen partijen gemaakte afspraken, zoals aangevuld hiervoor.

4.7.

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de vorderingen van Rabobank zullen worden afgewezen. Rabobank zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in conventie worden veroordeeld. Daarbij zal, gelet op het feit dat Rabobank haar vordering op de comparitie heeft verminderd, aansluiting worden gezocht bij de oorspronkelijke vordering van Rabobank.

4.8.

Volgens de Gemeente vallen onder deze kosten ook de beslagkosten die zij heeft moeten maken in verband met het ten laste van [persoon1] gelegde beslag, en kan zij voorts aanspraak maken op de kosten in de vrijwaringsprocedure. Zij betoogt daartoe dat, nu Rabobank in eerste instantie ook ten aanzien van het reeds door haar ontvangen bedrag ad € 101.988,25 aanspraak heeft gemaakt op betaling door de Gemeente (in plaats van dit bedrag te verrekenen met haar vordering op [persoon1] althans dit te restitueren aan [gedaagde3]), de Gemeente gedwongen werd bewarende maatregelen te nemen om haar eventuele verhaal op [persoon1] veilig te stellen. Voorts betoogt zij dat het voorgaande meebrengt dat de kosten van de vrijwaringsprocedure voor rekening van de Gemeente komen, nu na het leggen van beslag binnen een bepaalde termijn een eis in de hoofdzaak moet worden ingesteld en de Gemeente dus was genoodzaakt [persoon1] en [gedaagde3] in vrijwaring op te roepen. Dit betoog wordt verworpen. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 28 oktober 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BQ6080) bepaald dat de proceskosten van de gewaarborgde (de Gemeente) niet meer ten laste van de eiser in de hoofdzaak (Rabobank) kunnen worden gebracht. De rechtbank ziet geen aanleiding hierop in het onderhavige geval een uitzondering te maken. De (beslag-)kosten die de Gemeente in verband met de vrijwaringsprocedure heeft gemaakt kunnen dus niet op Rabobank worden verhaald.

4.9.

De kosten aan de zijde van [gedaagde2] worden begroot op:

- griffierecht € 3.621,00

- salaris advocaat 2.848,00 (2,0 punten × tarief € 1.421,00)

Totaal € 6.469,00

4.10.

De kosten aan de zijde van [gedaagde3] worden begroot op:

- griffierecht € 1.474,00

- salaris advocaat 768,00 (2,0 punten × tarief € 384)

Totaal € 2.242,00

De nakosten en de wettelijke rente over de (na-)kosten zijn toewijsbaar als in het dictum van dit vonnis vermeld.

4.11.

De kosten aan de zijde van de Gemeente worden begroot op:

- griffierecht € 3.621,00

- salaris advocaat 4.000,00 (2,0 punten × tarief € 2.000,00)

Totaal € 7.621,00

De proceskosten in het incident tot vrijwaring worden gecompenseerd.

De nakosten en de wettelijke rente over de (na-)kosten zijn toewijsbaar als in het dictum van dit vonnis vermeld.

4.12.

Gelet op hetgeen ten aanzien van de vordering in conventie is overwogen heeft [gedaagde2] geen belang bij de door hem in reconventie gevraagde verklaring voor recht dat hij recht heeft op 15% van de totale planschadevergoeding en dat hij gerechtigd is dit bedrag te compenseren met het ontvangen bedrag ad € 192.843,61. Ook ten opzichte van [gedaagde2] is de situatie immers aldus, dat hij heeft ontvangen waar hij recht op heeft. Die vordering zal dan ook worden afgewezen.

4.13.

[gedaagde2] heeft daarnaast gevorderd voor recht te verklaren dat Rabobank jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld. Hij legt daaraan ten grondslag – samengevat – dat [gedaagde2] kosten heeft moeten maken in verband met de – onjuist gebleken – stelling van Rabobank dat de vergoeding van [gedaagde2] moet worden berekend op het door de Gemeente betaalde bedrag van € 192.843,61 en dat Rabobank ten onrechte een dagvaarding heeft uitgebracht waarin zij aanspraak heeft gemaakt op betaling van € 192.843,28 althans € 158.481,38, terwijl zij wist dat het geschil in wezen beperkt was tot de vraag op welke vergoeding [gedaagde2] jegens Rabobank aanspraak kon maken. Volgens [gedaagde2] had dat voor Rabobank aanleiding moeten zijn de vordering te beperken tot een bedrag van € 56.493,13. Ook dit deel van de vordering zal worden afgewezen. Voor verwijzing naar de schadestaat is voldoende maar ook noodzakelijk dat het bestaan van enige schade aannemelijk is. Hiertoe heeft [gedaagde2] onvoldoende gesteld. Hij stelt weliswaar dat hij kosten heeft moeten maken op grond van deze onjuiste stellingname van Rabobank, maar [gedaagde2] heeft op geen enkele wijze onderbouwd welke kosten dat zouden zijn. De enige aanwijzing die in dit verband in het dossier is te vinden is het feit dat [gedaagde2] in een vrijwaringsprocedure is betrokken door [gedaagde3]. De betreffende kosten kunnen echter niet op Rabobank worden afgewenteld (vgl. onder 4.8).

4.14.

[gedaagde2] zal als de in het in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van Rabobank in reconventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Rabobank worden begroot op € 384 aan salaris voor de advocaat (2,0 punten x tarief 384 x 0,5).

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt Rabobank in de proceskosten van de Gemeente in de hoofdzaak, tot op heden begroot op € 7.621,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt Rabobank in de na dit vonnis ontstane kosten aan de zijde van de Gemeente, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Rabobank niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

compenseert de proceskosten in het incident tot vrijwaring tussen de Gemeente en Rabobank in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.5.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

veroordeelt Rabobank in de proceskosten van [gedaagde2], tot op heden begroot op € 6.469,00,

5.7.

veroordeelt Rabobank in de proceskosten van [gedaagde3], tot op heden begroot op € 2.242,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.8.

veroordeelt Rabobank in de na dit vonnis ontstane kosten aan de zijde van [gedaagde3], begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Rabobank niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

in reconventie

5.9.

wijst de vorderingen af,

5.10.

veroordeelt [gedaagde2] in de proceskosten van Rabobank, tot op heden begroot op € 384,

5.11.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. Damsteegt-Molier en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2014.

[2148/1729]