Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:8765

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-10-2014
Datum publicatie
28-10-2014
Zaaknummer
457148 / HA RK 14-660
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek toegewezen. In deze zaak wordt verzoeker in het vonnis van medeverdachte [X] d.d.19 juni 2014 in de nadere bewijsoverweging ten aanzien van het medeplegen van een gijzeling twee keer met zijn naam uitdrukkelijk genoemd, waarbij hij eenmaal wordt aangeduid als medeverdachte en eenmaal zondermeer met zijn naam wordt vermeld. Dat is gebeurd ter nadere motivering van het oordeel dat de verdachte [X] medepleger is van de gijzeling waarvoor verzoeker nog moet terechtstaan. Het is niet aannemelijk geworden dat het bij de berechting van verdachte [X] noodzakelijk was voor de vaststelling van de schuld van [X] de naam van verzoeker op deze wijze in de nadere bewijsoverweging te vermelden. De wrakingskamer komt daarom tot de conclusie dat naar objectieve maatstaven gemeten bij verzoeker de gerechtvaardigde vrees kon ontstaan dat de rechters jegens hem een vooringenomenheid koesteren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2015/10
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Zaaknummer: 457148

rekestnummer: HA RK 14-660

Beslissing van 8 oktober 2014

op het verzoek van

[naam verzoeker] ,

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

advocaat mr. M.R. Kok,

strekkende tot wraking van:

mrs. G.A.F.M. Wouters, M.A.J.M. van Sprundel-Jansen en G.M. Munnichs, rechters in de rechtbank Rotterdam, afdeling publiek, team 3 (hierna: de rechters).

1 Het procesverloop en de processtukken

Ter zitting van 2 juni 2014 is door de meervoudige kamer van deze rechtbank, van welke kamer de rechters deel uitmaken, behandeld de tegen verzoeker aanhangig gemaakte strafzaak. Die procedure draagt als parketnummer 10/700427-12.

Ook zijn op voornoemde terechtzitting de zaken van medeverdachten [V], [X], [Y], [Z] en [W] gelijktijdig behandeld. In de zaken van deze medeverdachten hebben de rechters op 19 juni 2014 vonnis gewezen.

Op 17 juli 2014 zijn de vonnissen van de medeverdachten aan de raadsman gezonden en op 25 juli 2014 zijn voornoemde vonnissen aan de verzoeker gezonden.

Na kennisneming van de hiervoor genoemde vonnissen heeft de raadsman van verzoeker bij brief van 30 juli 2014 de wraking van de rechters verzocht.

De wrakingskamer heeft voorts kennis genomen van de volgende stukken:

- procesdossier met parketnummer 10/700427-12;

- de vonnissen in de zaken tegen de medeverdachten gedateerd 19 juni 2014.

Verzoeker alsmede officier van justitie mr. H.A. van Wijk en de rechters zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd. De officier van justitie mr. H.A. van Wijk heeft bij e-mailbericht van
8 september 2014 bericht dat zij verhinderd is om bij de behandeling van het wrakingsverzoek aanwezig te zijn.

De rechters zijn in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechters hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt bij e-mail van
23 september 2014.

Ter zitting van 24 september 2014 waar het wrakingsverzoek is behandeld, zijn verschenen de raadsman en mr. G.A.F.M. Wouters. Mr. G.A.F.M. Wouters heeft, mede namens de andere gewraakte rechters, aan de hand van aantekeningen het standpunt van de rechters nader toegelicht.

2 Het verzoek en het verweer daartegen

2.1.1

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoeker, voor zover thans van belang, het volgende aangevoerd :

De rechtbank overweegt in het vonnis van medeverdachte [X] onder de kop “nadere bewijslevering ten aanzien van feit 1”het volgende:

‘(..) verdachte is tezamen met medeverdachte [naam verzoeker] het huis waar [naam slachtoffer] verbleef binnengekomen en is gedurende een groot deel van de tijd dat [naam slachtoffer] (elders) van haar vrijheid was beroofd in dat huis bij het kind van [naam slachtoffer] gebleven, zodat voortdurend een gijzelnemer in de nabijheid van het kind van die [naam slachtoffer] was teneinde zo die [naam slachtoffer] door psychische druk ervan te weerhouden om te vluchten.

Voorts heeft de verdachte met [naam verzoeker] actief samengewerkt door onder meer met hem te pingen via zijn blackberry en door berichten/e-mails te (laten) verzenden naar [W] (..)

Op deze wijze heeft de verdachte bewust en nauw samengewerkt bij het gijzelen van [naam slachtoffer] (..).’

Verzoeker meent dat hij volgens dit vonnis met [X] heeft samengewerkt bij het gijzelen van [naam slachtoffer] en dat de rechters hem ook hiervoor zullen veroordelen. Verzoeker ontkent [naam slachtoffer] te hebben gegijzeld. De rechters hebben in de zaak van de medeverdachten (impliciet) geoordeeld dat de verklaringen van verzoeker niet betrouwbaar zijn en gemotiveerd op grond van welke bewijsmiddelen en overwegingen zij tot hun oordeel zijn gekomen.

2.1.2

In het vonnis van medeverdachte [X] is voorts de volgende overweging opgenomen:

‘De rechtbank merkt op dat in dit vonnis en de bijbehorende bewijsmiddelen de naam valt van medeverdachte [naam verzoeker]. Deze [naam verzoeker] wordt door de officier van justitie afzonderlijk vervolgd en de strafzaak tegen [naam verzoeker] moet door de rechtbank nog worden behandeld. De omstandigheid dat [naam verzoeker] als medeverdachte wordt genoemd, kan derhalve niet als vaststelling van zijn betrokkenheid bij de strafbare feiten worden gezien.’

Deze redenering van de rechtbank is volgens verzoeker volstrekt onbegrijpelijk en draagt bij aan de vrees die bij verzoeker is gewekt. Kennelijk waren de rechters zich terdege bewust van de schijn van partijdigheid die zij wekten en namen zij daarom deze passage op.

2.2

De rechters hebben niet in de wraking berust.

De rechters bestrijden de feitelijke grondslag van het verzoek en hebben overigens te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking kan opleveren. Daarbij is – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

De overweging zoals hiervoor aangehaald onder 2.1.2, vloeit voort uit het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) op 27 februari 2014 in de zaak Karaman vs Duitsland, de zogenaamde ‘Karaman-clausule’. Het EHRM herhaalt hier eerdere rechtspraak dat een rechterlijke beslissing met betrekking tot een persoon tegen wie een vervolging is ingesteld een ongeoorloofde inbreuk maakt op de onschuldpresumptie indien daarin tot uitdrukking wordt gebracht dat hij of zij schuldig is voordat deze schuld in rechte is komen vast te staan. Hierbij dient een onderscheid gemaakt te worden tussen uitlatingen dat iemand verdacht wordt van het plegen van een strafbaar feit en de vaststelling dat iemand dat feit daadwerkelijk heeft gepleegd. Hierbij is niet alleen de woordkeuze van groot belang maar ook de omstandigheden waaronder de gewraakte uitlatingen zijn gedaan.

Het EHRM accepteert daarbij dat het in complexe strafrechtelijke procedures tegen meerdere verdachten die niet tegelijk kunnen worden berecht noodzakelijk kan zijn te verwijzen naar de rol van derden die mogelijk op een later moment worden berecht teneinde de mate van betrokkenheid van diegenen die terecht staan vast te stellen. De hieraan ten grondslag liggende feiten dienen immers zo precies en nauwkeurig mogelijk te worden vastgesteld, ook als deze feiten raken aan de betrokkenheid van derden. Hierbij is het echter van belang te vermijden dat er meer informatie wordt gegeven dan nodig is om de schuld vast te stellen van diegenen die terecht staan.

In de zaak Karaman oordeelt het EHRM dat geen sprake is van een schending van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De uitspraak van het EHRM in de zaak Karaman lijkt niet in de weg te staan aan de separate berechting van verdachten bij hetzelfde feitencomplex, zoals het in de praktijk met enige regelmaat voorkomt bij zaken waarin deelname aan een criminele organisatie is tenlastegelegd. Ook verwijzingen in een vonnis of arrest naar de rol van een nog later te berechten verdachte leveren naar het oordeel van het EHRM niet per definitie een schending van de onschuldpresumptie op. Wel onderstreept het Hof dat hierbij niet méér moet worden overwogen dan noodzakelijk is voor de vaststelling van de schuld van de verdachte die terechtstaat en benadrukt het Hof opnieuw het belang van de woordkeuze. Het EHRM liet in zijn oordeel tevens meewegen dat in de uitspraak zelf steeds duidelijk werd vermeld dat betrokkene nog apart werd vervolgd, terwijl daarnaast ook bij publicatie van de uitspraak tegen de medeverdachten werd benadrukt dat de uitspraak geen oordeel bevatte over de schuld van betrokkene.

Voorts wijzen de rechters op de bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad. Voor zover de problematiek van de behandeling van gesplitste zaken aan de Hoge Raad wordt voorgelegd, ziet deze veelal op de met onschuldpresumptie samenhangende (on)partijdigheid van de rechter. In het algemeen is de eerdere betrokkenheid bij de berechting van mededaders geen probleem, ook niet indien de als laatste te berechten verdachte in het reeds gewezen vonnis met zoveel worden als mededader is genoemd. De rechters wijzen in dit verband naar de conclusie van de Advocaat-Generaal mr. Wortel d.d. 11 december 2007.

In de vonnissen van de medeverdachten hebben de rechters zoveel mogelijk de zinsneden gebruikt als ‘met een of meer van zijn medeverdachte(n)’, ‘tezamen en in vereniging met een ander of anderen’ zodat het aantal medeverdachte(n) in het midden wordt gelaten teneinde de indruk te vermijden dat de rechters ten aanzien van verzoeker al een standpunt hebben bepaald.

De rechters hebben noch expliciet noch impliciet geoordeeld dat de ontkennende verklaringen van verzoeker onbetrouwbaar zijn. Voor de rechters is verzoeker nog steeds onschuldig. De behandeling van zijn strafzaak volgt nog en daarnaast wordt verzoeker nog gehoord door de rechter-commissaris. Eerst na de inhoudelijke behandeling ter zitting zullen de rechters hun standpunt ten aanzien van verzoeker bepalen.

De rechters zijn van mening dat er is gehandeld binnen de kaders die het EHRM en de Hoge Raad hebben gegeven.

3 De beoordeling

3.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de door verzoeker geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechter door objectieve factoren gerechtvaardigd is.

3.2

Aan de door verzoeker aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechters door hun persoonlijke instelling en overtuiging niet onpartijdig zijn.

3.3

Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde omstandigheden niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoeker geuite vrees dat de rechters jegens hem een vooringenomenheid koesteren - objectief - gerechtvaardigd is. Hierbij is de opvatting van verzoeker van belang, maar is deze niet doorslaggevend.

3.4

De wrakingskamer stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat de zaak van verzoeker wordt behandeld door de rechters die in de zaken tegen andere medeverdachten reeds uitspraak hebben gedaan, op zichzelf genomen geen zwaarwegende aanwijzing oplevert dat de rechters vooringenomen zijn of dat de vrees voor partijdigheid van de rechters objectief gerechtvaardigd is.

Het behoort immers tot de normale, wettelijke, taak van de rechter die heeft te beslissen omtrent de in de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering vermelde vragen, daarbij slechts te oordelen op de grondslag van hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting dienaangaande en daarbij hetgeen hij heeft beslist in andere zaken tegen de andere medeverdachten buiten beschouwing te laten.

Hoewel dus het feit dat een rechter in een andere strafzaak reeds een beslissing heeft gegeven geen zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid oplevert, kan hierin onder omstandigheden wel een begin van een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor gelegen zijn.

3.5

In deze zaak wordt verzoeker in het vonnis van medeverdachte [X] d.d.19 juni 2014 (parketnummer 10-700426-12) in de nadere bewijsoverweging ten aanzien van het medeplegen van een gijzeling twee keer met zijn naam uitdrukkelijk genoemd, waarbij hij eenmaal wordt aangeduid als medeverdachte en eenmaal zondermeer met zijn naam wordt vermeld. Dat is gebeurd ter nadere motivering van het oordeel dat de verdachte [X] medepleger is van de gijzeling waarvoor verzoeker nog moet terechtstaan.

Zoals hiervoor onder 2.1.1. is weergegeven, is in deze nadere bewijsoverweging vermeld dat [X] met medeverdachte [naam verzoeker] het huis is binnen gegaan waar de gijzeling mede plaatsvond en voorts dat [X] actief met [naam verzoeker] heeft samengewerkt bij nader omschreven uitvoeringshandelingen van de gijzeling.

Verzoeker wordt daarbij dus met zoveel woorden aangeduid als mededader met wie [X] de gijzeling samen en in vereniging heeft gepleegd.
Het is niet aannemelijk geworden dat het bij de berechting van verdachte [X] noodzakelijk was voor de vaststelling van de schuld van [X] de naam van verzoeker op deze wijze in de nadere bewijsoverweging te vermelden.

3.6

De wrakingskamer komt daarom tot de conclusie dat naar objectieve maatstaven gemeten bij verzoeker de gerechtvaardigde vrees kon ontstaan dat de rechters jegens hem een vooringenomenheid koesteren. Nu bedoelde noodzaak - anders dan in door de rechters aangehaalde uitspraak van het EHRM in de zaak van Karaman - in de zaak tegen [X] ontbrak, is naar het oordeel van de wrakingskamer de overweging van de rechtbank in het vonnis van de medeverdachte [X] (de zogenoemde Karaman-clausule) zoals weergegeven onder 2.1.2 onvoldoende om die vrees bij verzoeker weg te nemen, of deze naar objectieve maatstaven gemeten niet gerechtvaardigd te achten. Dit wordt niet anders wanneer ook wordt meegewogen dat in de bewezenverklaring van het medeplegen door [X] van de gijzeling in het midden is gelaten of er daarbij sprake was van één, of méér mededaders.

3.7

Hetgeen overigens is aangevoerd behoeft gelet op het bovenstaande geen verdere bespreking.

3.8

Het verzoek is mitsdien gegrond. Het verzoek wordt toegewezen.

4 De beslissing

wijst toe het verzoek tot wraking van mrs. G.A.F.M. Wouters, M.A.J.M. van Sprundel-Jansen en G.M. Munnichs.

Deze beslissing is gegeven door mr. A.J.P. van Essen, voorzitter, mr. W.J.J. Wetzels en

mr. M. Fiege, rechters en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van

8 oktober 2014 in tegenwoordigheid van mr. N. Jallal, griffier.

Verzonden op:

aan:

-

-

-

-