Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:8755

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-10-2014
Datum publicatie
28-10-2014
Zaaknummer
C/10/434782 / HA ZA 13-1040
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussen een vennootschap (als geldnemer) en haar bestuurder, tevens voormalig aandeelhouder (als geldgever) is een overeenkomst van geldlening gesloten. Die overeenkomst is op goede gronden buitengerechtelijk ontbonden, zodat voor partijen een ongedaanmakingsverbintenis is ontstaan. De vennootschap dient het in de overeenkomst genoemde bedrag, vermeerderd met de overeengekomen rente die over de periode tot de ontbinding is verschenen, aan haar bestuurder terug te betalen. Van een tegenstrijdig belang is geen sprake. Ook overigens is in de gegeven omstandigheden geen sprake van strijd met de redelijkheid en billijkheid, van onbehoorlijk bestuur en/of van misbruik van recht. In reconventie is de vraag aan de orde of de bestuurder de vennootschap onrechtmatige concurrentie aandoet, onder meer door informatie waarover de bestuurder beschikt ten nadele van de vennootschap te gebruiken. Die vraag kan niet bevestigend worden beantwoord, zodat de vorderingen in reconventie niet toewijsbaar zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2014-0383
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/434782 / HA ZA 13-1040

Vonnis van 22 oktober 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] ,

gevestigd te Numansdorp,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. Z.B. Gyömörei te ’s-Gravenhage,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ECOGEN HOLDING B.V.,

gevestigd te Numansdorp,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. M.M. van Leeuwen te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Ecogen genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het (verdere) verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 5 februari 2014 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie, met producties;

  • -

    de akte houdende in het geding brengen producties in conventie van de zijde van [eiseres];

  • -

    de akte ter comparitie in conventie en in reconventie van de zijde van Ecogen, met producties;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 24 juni 2014;

  • -

    de akte tot het in geding brengen van de toelichting ter comparitie van de zijde van Ecogen;

  • -

    de antwoordakte van de zijde van [eiseres].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Ecogen en haar dochtervennootschappen, gezamenlijk ook aangeduid als de EcO2-groep, houden zich in de kern bezig met insecten- en ongediertebestrijding. [eiseres] is bestuurder en voormalig aandeelhouder van Ecogen. Zij is thans nog houder van certificaten van aandelen in het kapitaal van Ecogen. Bestuurder van [eiseres] is de heer[persoon1] (verder: [persoon1]).

2.2.

Op 18 oktober 2007 heeft [eiseres] een bedrag van € 164.000,00 geleend aan Ecogen. Op 30 oktober 2007 is daartoe een akte van geldlening opgemaakt, die zowel namens [eiseres] als namens Ecogen is ondertekend. In die akte is over het niet afgeloste saldo van het verstrekte bedrag een rente overeengekomen van 6% per jaar.

2.3.

In 2008 heeft [eiseres] een bedrag van € 91.000,00 geleend aan Ecogen. Daartoe is op 1 juli 2008 een akte van geldlening opgemaakt, die uitsluitend namens Ecogen is ondertekend. In de akte is vermeld dat over het niet afgeloste saldo van het verstrekte bedrag een rente verschuldigd is van 8,3% per jaar. Verder is in de akte onder meer het volgende vermeld:

Ecogen heeft op haar beurt weer 91.000 euro geleend aan EcO2 Services Antwerpen NV ten behoeve van de financiering van een Mercedes S 320 CDI Sedan. Hiertoe heeft Ecogen eveneens een akte van geldlening opgesteld, waarin het voertuig als onderpand is opgenomen.

2.4.

In de brief van [eiseres] aan Ecogen van 11 mei 2010, waarvan de ontvangst door Ecogen is betwist, is onder meer het volgende vermeld:

In het verleden hebben wij twee akten van geldlening afgesloten, te weten:

- op 30 oktober 2007, groot € 164.000;

- op 1 juli 2008, groot € 91.000.

Op beide leningen hebben zich sindsdien mutaties voorgedaan in de vorm van nieuwe aanvullende verstrekkingen, aflossingen en bijboeking van rente.

Per 31 december 2009 bedragen deze geldleningen nog respectievelijk € 66.330 en € 98.553.

Bij deze zeggen wij per direct beide geldleningen op (…). Hierbij geldt een opzegtermijn van drie maanden, waardoor beide leningen direct opeisbaar zijn op 11 augustus 2010.

2.5.

Bij akte van verkoop en levering van 1 juni 2010 heeft, voor zover thans van belang, [eiseres] haar aandelen in Ecogen overgedragen aan CUPH Holding B.V. (verder: CUPH). In de doorverkoopovereenkomst van 15 juni 2010 heeft, voor zover thans van belang, [eiseres] haar certificaten van aandelen in Ecogen verkocht aan CUPH. Daarbij is overeengekomen dat levering van de certificaten geschiedt in vijf tranches van elk 20%, op 30 juni 2012, 30 juni 2013, 30 juni 2014, 30 juni 2015 en 30 juni 2016.

2.6.

In de akte van geldlening van 12 juni 2012, die niet is ondertekend door zowel [eiseres] als Ecogen, is onder meer het volgende vermeld:

overwegende:

- dat [eiseres] in het verleden een tweetal leningen heeft verstrekt welke per

01-12-2011 zijn samengevat in één lening;

- dat deze twee leningen reeds eerder zijn geformaliseerd en wel op 30 oktober

2007 en 1 juli 2008;

- dat partijen deze twee leningen opnieuw wensen te herformaliseren met herziene

voorwaarden; (…)

Artikel I - Geldlening

1. Per 31 december 2011 bedragen de door Ecogen aan [eiseres] verschuldigde leningen totaal € 182.658. Over het niet afgeloste saldo is een rente verschuldigd van 12 maands Euribor + 3.25%. De rente wordt jaarlijks per 1 januari herzien naar de dan geldende 12 maands Euribor. Voor 2012 geldt een rente van 1.94 (12 maands Euribor per 1 januari 2012) + 3.25% = 5.19%. Deze rente dient jaarlijks uitbetaald te worden uiterlijk voor 30 juni van het volgende jaar.

2. Aflossing zal geschieden in samenhang met de ‘earn-out’ regeling die [eiseres] heeft afgesloten met CUPH Holding BV. Dit houdt in dat de totale lening inclusief eventueel nog onbetaalde rente afgelost zal worden in 5 jaren, steeds 20% per jaar, voor het eerst uiterlijk op 30 juni 2012. (…)

Artikel III - Overige bepalingen

Partijen komen uitdrukkelijk overeen dat de akten van geldlening van 30 oktober 2007 en 1 juli 2008 door ondertekening van onderhavige overeenkomst komen te vervallen.

2.7.

Op 3 oktober 2012 heeft Ecogen een bedrag van € 22.812,00 (€ 14.532,00 aflossing en € 8.280,00 rente) betaald aan [eiseres].

2.8.

In de brief van (de advocaat van) [eiseres] aan Ecogen van 14 augustus 2013 is onder meer het volgende vermeld:

Op 3 oktober 2012, en daarmee veel later dan tussen partijen was afgesproken, heeft u de eerste termijn betaald. Daarbij heeft u een bedrag op de termijn in mindering gebracht met de stelling dat uw moedermaatschappij een tegenvordering zou hebben op cliënte. U verwijst daarbij naar de overeenkomst tot verkoop van aandelen van cliënte met CUPH Holding. Die overeenkomst bevat het beding dat koper minimaal één maal het eigen vermogen van Ecogen Holding als koopprijs betaald. U stelt dat het eigen vermogen negatief is geworden. U trekt de afspraken van partijen uit hun verband door te beweren dat dit er toe zou leiden dat de verkoper een negatieve koopprijs voor de aandelen zou moeten betalen en CUPH Holding nu een vordering tot betaling van een negatieve koopprijs op cliënte zou hebben verkregen. De afspraak waarop u zich beroept strekt uitsluitend ter bescherming van cliënte. U heeft ten onrechte een bedrag op de termijnbetaling aan cliënte ingehouden.

De tweede termijnbetaling diende uiterlijk op 30 juni 2013 door cliënte te zijn ontvangen. Cliënte heeft geen betaling mogen ontvangen.

U komt te tekort in de nakoming van uw verplichtingen uit de overeenkomst met cliënte. Namens cliënte ontbind ik hierbij de overeenkomst, zoals neergelegd in de akte van 12 juni 2012. Door deze ontbinding wordt de vordering van cliënte volledig opeisbaar. (…)

3 Het geschil

In conventie

3.1.

[eiseres] heeft gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de overeenkomst tussen partijen, zoals neergelegd in de akte van 12 juni 2012, voor zover vereist te ontbinden;

  2. voor zover vereist tevens enige andere overeenkomst tussen partijen met betrekking tot het uitstaande krediet te ontbinden;

  3. Ecogen te veroordelen tot betaling van € 183.082,85, te vermeerderen met de contractuele rente, dan wel de wettelijke rente, vanaf 14 augustus 2013, althans vanaf de dag van dagvaarding;

met veroordeling van Ecogen in de kosten van de procedure.

3.2.

Ecogen heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering en geconcludeerd tot afwijzing ervan, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [eiseres] in de kosten van de procedure.

In reconventie

3.3.

Ecogen heeft gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. te bepalen dat Ecogen van haar verbintenissen jegens [eiseres] bevrijd is, voor zover het bestaan daarvan in conventie mocht worden aangenomen;

  2. [eiseres] te verbieden om van Ecogen verkregen informatie te verspreiden of te (doen) gebruiken voor enige activiteit die in of buiten Nederland concurreert met de activiteiten van Ecogen zolang [eiseres] daarvan bestuurder en/of aandeelhouder is, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100.000,00 per overtreding en per dag dat een overtreding voortduurt, met een maximum van € 2.500.000,00 (of een andere in redelijkheid door de rechtbank te bepalen dwangsom);

  3. [eiseres] te veroordelen om aan Ecogen de schade te vergoeden die zij als gevolg van het ongeoorloofd gebruik van informatie of ongeoorloofde concurrerende activiteiten heeft geleden en nog zal lijden, tot een bedrag van € 600.000,00 voor de reeds geleden en vaststaande schade en overigens op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

met veroordeling van [eiseres] in de kosten van de procedure.

3.4.

[eiseres] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering in reconventie en geconcludeerd tot afwijzing ervan, met veroordeling van Ecogen in de kosten van de procedure, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

In conventie en in reconventie

3.5.

Op de stellingen van partijen zal, voor zover van belang, hierna worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiseres] heeft de rechtbank verzocht geen kennis te nemen van de door Ecogen bij akte overgelegde pleitnota, omdat volgens haar sprake is van strijd met de goede procesorde. De rechtbank honoreert dat verzoek niet. De rolrechter heeft Ecogen op 29 juli 2014 desgevraagd in de gelegenheid gesteld de toelichting die mr. Van Leeuwen had voorbereid voor de comparitie alsnog in het geding te brengen. [eiseres] is in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Van strijd met de goede procesorde is daarmee geen sprake.

In conventie

4.2.

De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat [eiseres] in 2007 en in 2008 bedragen van respectievelijk € 164.000,00 en € 91.000,00 heeft geleend aan Ecogen (zie hiervoor onder 2.2 en 2.3). Wel twisten partijen (onder meer) over de vraag of op 12 juni 2012 een “nieuwe” overeenkomst is gesloten, waarin nieuwe afspraken zijn gemaakt over die geleende bedragen (zie hiervoor onder 2.6). Volgens [eiseres] moet die vraag bevestigend worden beantwoord. Volgens Ecogen is over de akte van 12 juni 2012 wel onderhandeld, maar is nooit wilsovereenstemming bereikt en is dus geen nieuwe overeenkomst tussen partijen gesloten. De rechtbank ziet aanleiding dit geschilpunt eerst te beoordelen.

4.3.

Bij de beantwoording van de hiervoor bedoelde vraag gaat de rechtbank uit van de volgende omstandigheden:

a. Het in de akte van 12 juni 2012 genoemde openstaande bedrag van € 182.658,00 per 31 december 2011 komt terug in de jaarstukken van Ecogen over 2011 en 2012. Dat geldt eveneens voor het in de akte van 12 juni 2012 vermelde rentepercentage, dat lager is dan de aanvankelijk in de aktes van 30 oktober 2007 en 1 juli 2008 overeengekomen rente. Ecogen heeft weliswaar aangevoerd dat vermelding in de jaarstukken nog niet wil zeggen dat de bedragen ook kloppen, maar heeft niet nader onderbouwd en toegelicht, bijvoorbeeld aan de hand van een verklaring van haar accountant, dat en waarom in haar jaarstukken dan onjuiste gegevens zouden zijn vermeld. Dat had wel op haar weg gelegen. Bij de huidige stand van zaken ziet de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de op dit punt in de jaarstukken vermelde gegevens.

Op 3 oktober 2012 heeft Ecogen een bedrag van € 22.812,00 betaald aan [eiseres] (zie hiervoor onder 2.7). Uit de e-mail van 4 oktober 2012 van de heer [persoon2], financieel manager van “Peterson/Control Union/EcO2” (verder: [persoon2]), blijkt dat het daarbij ging om € 14.532,00 aan hoofdsom en € 8.280,00 aan rente. Volgens [eiseres] moest, conform de akte van 12 juni 2012, op 30 juni 2012 een totaalbedrag van € 44.811,00 worden betaald (€ 36.531,00 aan hoofdsom en € 8.280,00 aan rente). In de e-mail van de heer [persoon3] (directeur van CUPH) aan [persoon1] van 12 oktober 2012 is vermeld: “De inhouding van € 20.343 is als volgt berekend: 30.5% aandelen x 1/5 x negatief eigen vermogen van € 333.494.”. Met het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam gebleken dat de eerste tranche van de in de akte van 12 juni 2012 bedoelde betalingsverplichting van Ecogen (gedeeltelijk) is uitgevoerd en dat - in verband met een geschil tussen [eiseres] en de overnemende partij over de waarde van de aandelen - een deel van het verschuldigde bedrag is ingehouden. Ecogen heeft dat onvoldoende weersproken. Dat het betaalde bedrag (vermeerderd met het ingehouden bedrag) niet exact overeenkomt met het door [eiseres] berekende bedrag, zoals Ecogen heeft aangevoerd, acht de rechtbank in de gegeven omstandigheden niet van doorslaggevend belang. Van bepalend gewicht acht de rechtbank dat de genoemde verklaringen, die afkomstig zijn van personen in het domein van Ecogen, onmiskenbaar wijzen op het bestaan van een afspraak overeenkomstig de in de akte van 12 juni 2012 neergelegde voorwaarden. De rechtbank gaat voorts voorbij aan de stelling van Ecogen ter comparitie dat het betaalde bedrag louter het bedrag was dat door haar aandeelhouder ter beschikking was gesteld en dat Ecogen zonder die terbeschikkingstelling niets had kunnen betalen. Dat kan zo zijn, maar doet niet af aan het feit dat de hiervoor genoemde omstandigheden wijzen op het bestaan van een afspraak.

Ook in de e-mail van [persoon2] van 23 januari 2014 wordt het bedrag van € 182.658,00 genoemd. Tevens is in die e-mail vermeld: “De rente van 2011 is gebaseerd op onderlinge afspraken in dat jaar. Per 01-01-2012 zijn andere afspraken gemaakt o.b.v. de drie-maand euribor per de 1 januari van het betreffende jaar + 3.25%. Voor 2012 is dat 1.94% + 3.25% = 4.21%.”. Ook die e-mail onderbouwt dus het standpunt van [eiseres] dat tussen partijen nieuwe afspraken zijn gemaakt, die zijn neergelegd in de akte van 12 juni 2012. De rechtbank volgt Ecogen niet in haar stelling dat de bedoelde gegevens uitsluitend terugkomen in e-mails omdat partijen daarover hebben onderhandeld, nu in de betreffende e-mail is vermeld dat het gaat om “gemaakte afspraken”.

Ten slotte neemt de rechtbank in aanmerking dat [eiseres] onweersproken heeft toegelicht waarom tussen partijen nieuwe afspraken zijn gemaakt. Volgens [eiseres] heeft de overnemende partij verzocht om een lager rentepercentage, omdat zij zelf ook een lager rentepercentage hanteert. Verder heeft [eiseres] onbetwist gesteld dat de overnemende partij in vijf tranches wilde betalen, tegelijk met de afwikkeling van de aandelentransactie, en dat daarom door [persoon2] de nieuwe overeenkomst is opgesteld. Daar tegenover staat dat Ecogen weliswaar heeft gesteld dat de medebestuurder van [persoon1] respectievelijk de aandeelhouders (genoemd is de naam van de heer [persoon4]) de akte van 12 juni 2012 niet wilde(n) tekenen, maar dat zij niet heeft toegelicht waarom niet.

4.4.

Al met al is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de hiervoor weergegeven omstandigheden, genoegzaam gebleken dat tussen partijen in 2012 een nieuwe overeenkomst tot stand is gekomen, zoals neergelegd in de akte van 12 juni 2012. De betwisting daarvan door Ecogen is onvoldoende. Dat de overeenkomst door geen van beide partijen is ondertekend maakt het voorgaande niet anders. Uit de hiervoor vermelde omstandigheden kan niet anders worden afgeleid dan dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de voorwaarden die in de akte, hoewel niet ondertekend, zijn neergelegd.

4.5.

Het voorgaande brengt mee dat er in rechte vanuit wordt gegaan dat de door Ecogen aan [eiseres] verschuldigde leningen per 31 december 2011 € 182.658,00 bedroegen en dat Ecogen zich heeft verplicht dat bedrag, inclusief eventueel nog onbetaalde rente, in vijf jaarlijkse termijnen van 20% af te lossen. Tussen partijen is niet in geschil dat de eerste aflossingstermijn niet volledig is nagekomen en dat ook de tweede termijn niet is betaald. Ecogen heeft in de onderhavige procedure - terecht - niet het verweer gevoerd dat op het door haar verschuldigde bedrag een vordering van de koper van de aandelen in mindering strekt. Vast staat dus dat Ecogen is tekortgeschoten in de nakoming van haar uit de overeenkomst van 12 juni 2012 voortvloeiende verplichtingen en dat zij, door het laten verstrijken van de betaaltermijnen, in verzuim is. [eiseres] heeft die overeenkomst daarom op 14 augustus 2013 op goede gronden ontbonden (zie hiervoor onder 2.8). Nu de overeenkomst tussen partijen buitengerechtelijk is ontbonden, hoeven de vorderingen zoals hiervoor onder 3.1 sub a) en b) weergegeven niet te worden toegewezen.

4.6.

Door de ontbinding van de overeenkomst is er voor partijen een ongedaanmakingsverplichting ontstaan. Ecogen dient het geleende bedrag, verminderd met de reeds betaalde aflossingen, aan [eiseres] terug te betalen. De rechtbank ziet aanleiding in dat kader aan te sluiten bij het in de akte van 12 juni 2012 genoemde bedrag van € 182.658,00, nu dat bedrag volgens partijen openstond per 31 december 2011. Voorbijgegaan wordt daarom aan het in de onderhavige procedure door Ecogen gevoerde verweer dat voornoemd bedrag niet juist is. Dat verweer is ook niet in overeenstemming met de uitvoering die aan de akte van 12 juni 2012 is gegeven (zie hiervoor onder 4.3). [eiseres] maakt in de onderhavige procedure geen aanspraak op het volledige bedrag van € 182.658,00, maar op een bedrag van € 182.534,00. Daarop strekt in mindering het op 3 oktober 2012 betaalde bedrag van € 14.532,00. Overige aflossingen zijn gesteld noch gebleken, zodat resteert een bedrag van € 168.002,00. Dat bedrag dient dus in beginsel door Ecogen aan [eiseres] te worden terugbetaald.

4.7.

De discussie tussen partijen over de vraag of de overeenkomsten van 30 oktober 2007 en 1 juli 2008 al dan niet door [eiseres] zijn opgezegd behoeft, gelet op het voorgaande, geen bespreking meer. Dat geldt eveneens voor de betwisting door Ecogen van de rechtsgeldigheid van de lening uit 2008.

4.8.

Volgens Ecogen is sprake van strijd met de redelijkheid en billijkheid, van onbehoorlijk bestuur en/of van misbruik van recht en is de vordering daarom niet toewijsbaar. Zij heeft daartoe - samengevat weergegeven - aangevoerd dat [eiseres], door de leningen op te eisen, haar belangen laat prevaleren boven die van Ecogen en daarom haar zorgplicht jegens Ecogen schendt. Volgens Ecogen is sprake van een tegenstrijdig belang, omdat [eiseres] zowel crediteur als bestuurder van de debiteur is. Opeising van de leningen veroorzaakt liquiditeitsproblemen, terwijl Ecogen, mede door toedoen van [eiseres], al in zwaar weer verkeert. Volgens Ecogen heeft [eiseres] zelf bewerkstelligd dat Ecogen niet in staat is de leningen terug te betalen. Ecogen heeft de bedragen doorgeleend aan door [eiseres] gecontroleerde andere vennootschappen, maar [eiseres] heeft er niet voor gezorgd dat die vennootschappen de doorgeleende bedragen terugbetaalden. Sprake is daarom van schuldeisersverzuim, aldus Ecogen. De rechtbank volgt haar niet in dit verweer. Van een tegenstrijdig belang is niet per definitie sprake indien de bestuurder de rechtstreekse wederpartij is van de vennootschap. Dat in het onderhavige geval sprake is van omstandigheden die zodanig van invloed kunnen zijn geweest op de besluitvorming van [eiseres] dat zij zich niet in staat had mogen achten het belang van de vennootschap met de vereiste integriteit en objectiviteit te behartigen, is onvoldoende gesteld en evenmin gebleken. De rechtbank wijst erop dat, zoals uit de stellingen van beide partijen moet worden afgeleid, [eiseres] bij het tot stand komen van de overeenkomst van 12 juni 2012 niet in twee hoedanigheden (namens Ecogen en als geldschieter) heeft gehandeld; klaarblijkelijk zijn de onderhandelingen aan de zijde van Ecogen door een ander gevoerd. Mede gelet op de betwisting daarvan door [eiseres] heeft Ecogen haar stelling dat opeising van de leningen haar continuïteit in gevaar brengt onvoldoende onderbouwd. Datzelfde geldt voor de stelling dat Ecogen door toedoen van [eiseres] in zwaar weer verkeert. Uitgangspunt is dat [eiseres] het geleende bedrag volledig mocht opeisen toen Ecogen haar verplichtingen uit hoofde van de akte van 12 juni 2012 niet nakwam en onvoldoende is gebleken van feiten en omstandigheden die hier een ander licht op werpen. Voor zover Ecogen nog heeft aangevoerd dat [eiseres] wist van de dramatische ontwikkelingen in de periode vlak voor de overname en daarover, in de loop naar de overname, niets heeft gezegd, merkt de rechtbank op dat die stelling niet relevant is voor de positie van Ecogen. In dit verband wijst de rechtbank er nog op dat er twee jaar is verstreken tussen het tot stand komen van de koopovereenkomst en het “herformaliseren” van de geldleningen en dat kennelijk de thans door Ecogen genoemde negatieve ontwikkelingen in de aanloop naar de overname noch het in het verleden doorlenen van bedragen aan dochtervennootschappen aan het sluiten van een nieuwe overeenkomst in de weg hebben gestaan.

4.9.

In conventie is het hiervoor onder 4.6 bedoelde bedrag van € 168.002,00 dan ook toewijsbaar, tenzij het beroep van Ecogen op verrekening met haar reconventionele vordering zou slagen. Naast de hoofdsom heeft [eiseres] tevens een bedrag van € 15.080,85 aan vervallen rente berekend tot de datum van ontbinding van de overeenkomst (14 augustus 2013) gevorderd. Naar het oordeel van de rechtbank brengt in een geval als het onderhavige, waarin de geldnemer het genot van het geleende bedrag behoudt tot de terugbetaling, een praktische toepassing van de artikelen 6:271 BW en 6:272 BW mee dat ook na de ontbinding nakoming kan worden gevorderd van de overeengekomen rente die over de periode tot de ontbinding is verschenen. Op het gevorderde bedrag strekt nog wel het op 3 oktober 2012 betaalde bedrag van € 8.280,00 (zie hiervoor onder 2.7) in mindering. Dat met dat bedrag al rekening is gehouden in de vordering blijkt niet uit de renteberekening die als productie 8 bij de dagvaarding is overgelegd. Nu de tot 14 augustus 2013 vervallen rente overigens qua hoogte niet is weersproken, is in dat kader toewijsbaar een bedrag van € 6.800,85.

4.10.

Vanaf de datum van ontbinding van de overeenkomst is de grondslag van de contractuele rente komen te vervallen. Subsidiair heeft [eiseres] vanaf 14 augustus 2013 aanspraak gemaakt op de wettelijke rente. Nu ingevolge artikel 6:83 sub a BW met ingang van 30 juni 2012 sprake is van verzuim (de uiterlijk op die datum verschuldigde eerste tranche is immers niet volledig voldaan), is de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de hoofdsom en de vervallen contractuele rente toewijsbaar zoals gevorderd.

4.11.

[eiseres] heeft voorts aanspraak gemaakt op een bedrag van € 2.500,00 aan buitengerechtelijke incassokosten. Volgens Ecogen bestaat daartoe geen grondslag. Met de door [eiseres] als productie 9 bij de dagvaarding overgelegde stukken is naar het oordeel van de rechtbank echter genoegzaam gebleken dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht die vergoeding door Ecogen rechtvaardigen. Het in dit kader gevorderde bedrag, dat qua hoogte niet is weersproken, komt de rechtbank gelet op de aanbevelingen in het rapport Voor-werk II niet onredelijk voor en zal dan ook worden toegewezen. Nu [eiseres] niet heeft gesteld dat en wanneer de buitengerechtelijke kosten daadwerkelijk door haar zijn betaald, is er voor toewijzing van rente over de buitengerechtelijke kosten geen plaats.

4.12.

Conclusie van het voorgaande is dat in conventie toewijsbaar is een bedrag van € 177.302,85 (€ 168.002,00 + € 6.800,85 + € 2.500,00). Alvorens dat bedrag kan worden toegewezen zal echter eerst moeten worden beoordeeld of de vordering in reconventie toewijsbaar is en, zo ja, of Ecogen haar vordering kan verrekenen met de toewijsbare vordering van [eiseres].

In reconventie

4.13.

In reconventie gaat het om de vraag of [eiseres] Ecogen onrechtmatige concurrentie aandoet en, in het verlengde daarvan, om de vraag of Ecogen als gevolg daarvan schade heeft geleden die door [eiseres] dient te worden vergoed. Ecogen heeft, samengevat weergegeven, aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [eiseres] als bestuurder van Ecogen beschikt over informatie die niet ten nadele van Ecogen mag worden aangewend. Er worden door [eiseres], althans door aan haar gelieerde derden als Oxy-Low Systems Europe B.V. (verder: Oxy-Low), aan de hand van die informatie echter concurrerende activiteiten ontplooid, aldus Ecogen. Er zijn leveranciers van de EcO2-groep benaderd en er zijn werknemers van Ecogen weggetrokken om bij aan [eiseres] gelieerde ondernemingen in dienst te treden. Met behulp van die werknemers wordt het door Ecogen ontwikkelde smartliner-concept verder ontwikkeld door Oxy-Low. Oxy-Low is zich, aldus Ecogen, gaan beziggehouden met exact dezelfde activiteiten als Ecogen. Ook worden door Ecogen bij leveranciers opgebouwde bonuspunten gebruikt ten behoeve van [persoon1] privé. Hoewel van een concurrentie- of relatiebeding geen sprake is, dient [eiseres] de belangen van Ecogen te behartigen en er alles aan te doen om nadeel voor Ecogen te voorkomen. [eiseres] heeft deze stellingen van Ecogen gemotiveerd betwist.

4.14.

De rechtbank stelt voorop dat wederpartij van Ecogen in de onderhavige procedure de vennootschap [eiseres] is. De verwijten van Ecogen richten zich echter voornamelijk tegen [persoon1] en tegen Oxy-Low, die in deze procedure geen partij zijn. In dit geding kan uitsluitend beoordeeld worden of Ecogen onrechtmatige concurrentie is aangedaan door de vennootschap [eiseres].

4.15.

In de akte van verkoop en levering van de aandelen van 1 juni 2010 is ten aanzien van [eiseres] geen concurrentie-, relatie- of geheimhoudingsbeding overeengekomen. Dat betekent echter nog geen vrijbrief voor [eiseres] om Ecogen in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid concurrentie aan te doen. Dat geldt te meer nu [eiseres] bestuurder is van Ecogen.

4.16.

Tussen partijen is niet in geschil dat, na de overname in juni 2010, Ecogen en Oxy-Low gezamenlijk wilden komen tot ontwikkeling van bepaalde producten. Die beoogde samenwerking blijkt uit de e-mail van [persoon1] van 27 april 2012 (productie 17 bij de conclusie van antwoord in reconventie) en is nader uitgewerkt in het document van 15 oktober 2012 dat door [eiseres] als productie 18 en 19 bij de conclusie van antwoord in reconventie in het geding is gebracht. Uit laatstbedoeld document blijkt dat, naar aanleiding van een gesprek waarbij (onder meer) de EcO2-groep, [eiseres] en Oxy-Low vertegenwoordigd waren, op een groot aantal punten al specifieke afspraken waren gemaakt over de samenwerking. Ecogen heeft de juistheid van genoemde stukken niet betwist. Bij deze stand van zaken kan van onrechtmatige concurrentie eerst sprake zijn als de gemaakte afspraken worden geschonden, of als buiten die afspraken wordt getreden. Volgens Ecogen is dat het geval, omdat Oxy-Low zich ook is gaan bezighouden met de zogenaamde klimaatkamers. Ter gelegenheid van de comparitie heeft [persoon1] bevestigd dat, voor zover hij weet, Oxy-Low zich thans ook bezighoudt met de ontwikkeling van kamers, een product dat (ook) door Ecogen is ontwikkeld. Wat er ook zij van de vraag of Oxy-Low Ecogen daarmee onrechtmatig beconcurreert: onvoldoende gesteld en gebleken is dat (de vennootschap) [eiseres] daarbij betrokken is. De enkele stelling dat Oxy-Low is gelieerd aan [eiseres] is in dit kader onvoldoende, te meer daar [persoon1] ter comparitie heeft verklaard dat hij sinds 1 januari 2014 niet meer in dienst is van Oxy-Low en dat Oxy-Low voor die tijd niets met klimaatkamers deed (zij zat “in de zakken”, zoals [persoon1] heeft verklaard). Deze stellingen zijn door Ecogen niet weersproken. Integendeel: ook Ecogen heeft verklaard dat Oxy-Low zich “recent” met de kamers bezig houdt. Bij deze stand van zaken is er al met al geen grondslag voor het oordeel dat op dit punt sprake is van onrechtmatige concurrentie, laat staan dat die concurrentie door (de vennootschap) [eiseres] wordt uitgevoerd.

4.17.

Ook de door Ecogen gestelde gang van zaken met betrekking tot twee van haar voormalige personeelsleden is door [eiseres] gemotiveerd weersproken. De heer Phat Nguyen Van is volgens Ecogen thans werkzaam voor Oxy-Low. Betrokkenheid van [eiseres] daarbij is onvoldoende gesteld en evenmin gebleken. Ter zake [persoon5] heeft Ecogen aangevoerd dat hij thans onder de naam [bedrijf1] actief is vanuit het kantoor van [eiseres]. Die enkele stelling is, mede gelet op de betwisting door [eiseres] op dit punt, echter onvoldoende om als grondslag van de vordering in reconventie te kunnen dienen. Een concretisering van haar stellingen, met name ten aanzien van de betrokkenheid van (de vennootschap) [eiseres], heeft Ecogen ook niet gegeven in de pleitaantekeningen die bij akte na comparitie zijn overgelegd, terwijl zij ten tijde van het opstellen van die pleitaantekeningen al bekend was met het concrete verweer van [eiseres] op dit punt. De ter voorbereiding op de comparitie door Ecogen overgelegde e-mails bieden geen aanknopingspunt voor onrechtmatige betrokkenheid van [eiseres] bij het vertrek van de desbetreffende werknemers.

4.18.

Ook met betrekking tot het verwijt van Ecogen ter zake de bij haar leveranciers opgebouwde bonuspunten heeft te gelden dat onvoldoende is gesteld over de rol van (de vennootschap) [eiseres] daarbij.

4.19.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat in de onderhavige procedure niet kan worden aangenomen dat [eiseres] Ecogen onrechtmatig beconcurreert. Ecogen heeft onvoldoende gesteld om tot bewijslevering te kunnen worden toegelaten. Dat betekent dat geen grond bestaat om [eiseres] een verbod op te leggen om bepaalde activiteiten te ontplooien, wat er ook zij van het feit dat concurrentie door een verkoper van een onderneming onder omstandigheden onrechtmatig kan zijn. De vordering in reconventie is ook voor het overige niet toewijsbaar en ook het beroep van Ecogen op verrekening kan dus niet slagen.

Conclusie in conventie en in reconventie

4.20.

Conclusie is dat de vordering in conventie zal worden toegewezen tot een bedrag van € 177.302,85 (te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze als in de beslissing vermeld) en dat de vordering in reconventie zal worden afgewezen.

4.21.

Ecogen zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten in conventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 83,71

- griffierecht € 3.715,00

- salaris advocaat € 3.552,50 (2,5 punten × tarief € 1.421,00)

Totaal € 7.351,21

4.22.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal Ecogen eveneens worden veroordeeld in de proceskosten in reconventie. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op € 2.842,00 aan salaris advocaat (2,0 punten × factor 1,0 × tarief € 1.421,00).

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

veroordeelt Ecogen om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 177.302,85, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het bedrag van € 174.802,85 met ingang van 14 augustus 2013 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt Ecogen in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 7.351,21,

5.3.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.5.

wijst de vorderingen af,

5.6.

veroordeelt Ecogen in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 2.842,00;

5.7.

verklaart dit vonnis in reconventie ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2014.

1977/1980