Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:8741

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-07-2014
Datum publicatie
27-10-2014
Zaaknummer
454264 / HA RK 14-530
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. Het honoreren van het verzoek van de IND om een snelle behandeling van de voorlopige voorziening – die naar haar aard impliceert dat sprake is van spoedeisendheid – getuigt niet van het aanwezig zijn van enige vorm van partijdigheid, ook niet als de wederpartij gemotiveerd aangeeft géén snelle behandeling te wensen en verzoekt de behandeling achteruit te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

nevenlocatie Rotterdam

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Zaaknummer/rekestnummer: 454264/HA RK 14-530

Beslissing van 21 juli 2014

op het verzoek van

[naam verzoeker],

verblijvende in [naam detentiecentrum],

verzoeker,

advocaat mr. W.P.R. Peeters,

strekkende tot wraking van:

mr. D. Haan, rechter in de rechtbank Rotterdam, afdeling publiekrecht, team Bestuursrecht II (hierna: de rechter).

1 Het procesverloop en de processtukken

Ter zitting van 25 juni 2014 is door de voorzieningenrechter behandeld de zaak tussen

[naam verzoeker], verzoeker, en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aangaande de asielaanvraag van verzoeker.

Die procedure draagt als kenmerk AWB 14/9605. De bodemprocedure draagt als kenmerk AWB 14/9604.

Bij gelegenheid van die behandeling heeft de raadsman van verzoeker de wraking van de rechter verzocht.

De wrakingskamer heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- de beschikking van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 20 april 2014, inhoudende de afwijzing van de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw;

- het faxbericht van de raadsman van verzoeker van 22 mei 2014, inhoudende de nadere gronden voor het beroep van verzoeker tegen de beschikking van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 20 april 2014;

- het faxbericht van de raadsman van verzoeker van 22 mei 2014, inhoudende het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening;

- het faxbericht van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) van 26 mei 2014, inhoudende het verzoek om de behandeling van de voorlopige voorziening betreffende verzoeker, naar voren te halen;

- het faxbericht van de raadsman van verzoeker van 27 mei 2014, inhoudende het verzoek om de behandeling van de voorlopige voorziening betreffende verzoeker, achteruit te stellen;

- het proces-verbaal van de zitting van de voorzieningenrechter van 25 juni 2014.

Verzoeker, diens raadsman, de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, procesvertegenwoordiging IND alsmede de rechter zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 30 juni 2014.

Ter zitting van 9 juli 2014, waar het wrakingsverzoek is behandeld, zijn verzoeker en zijn raadsman verschenen. De raadsman heeft het standpunt van verzoeker nader toegelicht.

2 Het verzoek en het verweer daartegen

Ter adstructie van het wrakingsverzoek is namens verzoeker het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :

Na indiening van het verzoek om een voorlopige voorziening namens verzoeker, heeft de IND verzocht om de behandeling van die voorlopige voorziening naar voren te halen. Hierop is namens verzoeker verzocht om de behandeling van die voorlopige voorziening juist achteruit te stellen, bij welk verzoek gemotiveerd is aangegeven welk belang verzoeker heeft bij het achteruit stellen van die behandeling tot een zo laat mogelijke datum

Het verzoek van de IND is ingewilligd, het verzoek van verzoeker is niet gevolgd. Door de rechter is niet gemotiveerd waarom het verzoek van verzoeker tot het achteruit stellen van de behandeling van die voorlopige voorziening, niet is gevolgd. Door die gang van zaken is de IND begunstigd en is bij verzoeker de vrees ontstaan dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert.

2.2

De rechter heeft niet in de wraking berust.

De rechter bestrijdt deels de feitelijke grondslag van het verzoek en heeft overigens te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking kan opleveren. Daarbij is – verkort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de gang van zaken genoegzaam uit het proces-verbaal van de zitting blijkt en dat daarin geen feiten of omstandigheden blijken die grond zouden kunnen vormen voor het oordeel dat de bemoeienis van de rechter met de zaak afbreuk zou kunnen doen aan de rechterlijke onpartijdigheid.

3 De beoordeling

3.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de door verzoeker geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechter door objectieve factoren gerechtvaardigd is.

3.2

Aan de door verzoeker aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter door zijn persoonlijke instelling en overtuiging niet onpartijdig is. Ook overigens is voor zodanig oordeel bij het onderzoek ter terechtzitting geen houvast gevonden.

3.3

Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoeker geuite vrees dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is. Daarbij geldt dat een procedurele beslissing van een rechter, zoals het vaststellen van de datum voor de behandeling van een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, welke beslissing één van de partijen onwelgevallig is, in beginsel geen grond oplevert voor de gerechtvaardigde vrees bij die partij voor het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter. Dit kan slechts anders zijn indien de beslissing zodanig onbegrijpelijk is dat deze redelijkerwijs niet anders kan worden verstaan dan dat deze voortkomt uit een gebrek aan onpartijdigheid.

3.4

De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe als volgt. Vooropgesteld wordt dat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening impliceert dat er sprake is van spoedeisendheid. Indien één der betrokken partijen vervolgens verzoekt om een snelle behandeling van de voorlopige voorziening, is het redelijk om gehoor te geven aan dat verzoek, voor zover het zittingsrooster van de rechtbank dat toelaat. Het honoreren van zo’n verzoek van één der betrokken partijen, getuigt niet van het aanwezig zijn van enige vorm van partijdigheid bij de voorzieningenrechter, ook niet als de wederpartij gemotiveerd aangeeft juist geen snelle behandeling van het verzoek tot het treffen van de voorlopige voorziening te wensen. Overigens is onjuist dat de rechter de beslissing niet heeft gemotiveerd. Blijkens het proces-verbaal heeft de rechter onder meer gezegd dat er geen recht op vertraging van de behandeling van de zaak bestaat.

3.5

Het feit dat gehoor is gegeven aan het verzoek van de IND om de behandeling van de voorlopige voorziening naar voren te halen en niet aan het verzoek van verzoeker om de behandeling achteruit te stellen, is dan ook onvoldoende om aan te nemen dat zich omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees, objectief gerechtvaardigd is.

3.6

Het verzoek is mitsdien ongegrond. Het verzoek zal worden afgewezen.

4 De beslissing

wijst af het verzoek tot wraking van mr. D. Haan.

Deze beslissing is gegeven door mr. A.N. van Zelm van Eldik, voorzitter, mr. M. Fiege en mr. P.C. Santema, rechters en bij afwezigheid van de voorzitter en de oudste rechter uitgesproken door mr P.C. Santema ter openbare terechtzitting van 21 juli 2014 in tegenwoordigheid van mr. S.A. Commandeur, griffier.

Verzonden op:

aan:

- [naam verzoeker]

- mr. W.P.R. Peeters

- mr. D. Haan

- Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, procesvertegenwoordiging IND