Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:8661

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-10-2014
Datum publicatie
23-10-2014
Zaaknummer
C/10/384125 / HA ZA 11-1744
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet goed tot stand gebrachte joint-venture. Handelen op naam van B.V. i.o. Oprichting en bekrachting, art. 2:203 BW. Gedwongen tussenkomst opgerichte B.V., art.118 Rv.

Indiase druivenhandelaar maakt met Nederlandse partij plannen voor grootschalige druivenexport naar Europa. Partijen kopen aandelen in een plankvennootschap met de bedoeling om deze joint venture vennootschap na ministeriële goedkeuring en naamswijziging te gebruiken om gezamenlijk handel te drijven. Zolang de joint venture vennootschap nog niet operationeel is, wordt tijdelijk voor de import en doorverkoop van de druiven een vennootschap in oprichting van de Nederlander gebruikt.

Partijen sluiten over de beoogde joint venture en over de handel gedurende de interimperiode (waarin de joint venture niet operationeel is) kort na elkaar verschillende overeenkomsten, welke overeenkomsten door de Nederlander worden gesloten op naam van de tijdelijke handelsvennootschap i.o. dan wel op naam van zijn holdingvennootschap i.o.

De samenwerking verloopt niet naar wens en er ontstaat een geschil. Uiteindelijk dagvaardt de Indiase handelaar de Nederlander, mede handelend onder de namen van zijn vennootschappen in oprichting.

Na dagvaarding gaat de Nederlander over tot oprichting van de tijdelijke handelsvennootschap en zijn holdingvennootschap en deze bekrachtigen de in hun naam verrichte rechtshandelingen. Hierdoor is hijzelf niet langer partij bij de aan de eis in conventie ten grondslag gelegde overeenkomst, terwijl de eiseressen ten tijde van de dagvaarding slechts de Nederlander in persoon konden dagvaarden. De rechtbank geeft de eiseressen gelegenheid om de tijdelijke handelsvennootschap op de voet van art. 118 Rv in het geding te roepen om als medegedaagde daaraan deel te nemen.

De Nederlander is daarnaast ook na oprichting en bekrachtiging persoonlijk medeverbonden voor de schulden van de tijdelijke handelsvennootschap omdat dit, mede gelet op de internationale context, volgt uit een redelijke uitleg van het in de overeenkomsten vermelden dat hij “personal legal responsibility and liability” voor deze vennootschap in oprichting op zich had genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2014-0370
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/384125 / HA ZA 11-1744

Vonnis van 22 oktober 2014

in de zaak van

1. de rechtspersoon naar het recht van de plaats van haar vestiging

GLOBAL AGRISYSTEM PRIVATE LIMITED,

gevestigd te New Delhi (India),

2. de rechtspersoon naar het recht van de plaats van haar vestiging

AMAYA FOODS PRIVATE LIMITED,

gevestigd te New Delhi (India),

eiseressen in conventie,

verweersters in (deels voorwaardelijke) reconventie,

advocaat mr. J.C. Debije,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in (deels voorwaardelijke) reconventie,

advocaat mr. M. Tsoutsanis.

Eiseressen zullen hierna worden aangeduid als Global en Amaya en gezamenlijk als Global c.s. Gedaagde zal worden aangeduid als [gedaagde].

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 18 juli 2012;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte aanvulling grondslag/wijziging van

eis in conventie, met producties;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 22 januari 2013;

  • -

    de ten behoeve van de comparitie door [gedaagde] overgelegde stukken;

  • -

    de conclusie van repliek in conventie, met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie, tevens houdende conclusie van repliek in

reconventie, met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie;

  • -

    de akte houdende uitlating producties van Global c.s.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen -voor zover hier van belang- het volgende vast:

2.1.

Global en haar dochteronderneming Amaya houden zich (onder meer) bezig met de export van vers fruit vanuit India, waaronder druiven onder het merk Sunvita.

2.2.

[gedaagde] drijft enkele ondernemingen in Nederland die zich bezig houden met het importeren en verder verhandelen van vers fruit.

2.3.

Global heeft in 2009 en 2010 op kleinere schaal druiven van haar merk Sunvita verkocht aan POD B.V., een onderneming van [gedaagde]. Deze samenwerking verliep naar tevredenheid. Eind 2010 zijn Global en [gedaagde], vooruitlopend op de start van het nieuwe druivenseizoen in februari 2011, in gesprek getreden over een verdergaande samenwerking.

Partijen zouden in Nederland een joint venture onderneming oprichten onder de naam Sunvita B.V., die de druiven van Global (en de aan haar gelieerde ondernemingen in India) op grote schaal zou inkopen om deze in Europa (en later Rusland) aan de groothandel en/of detailhandel te verkopen. Global zou voor 51 procent en [gedaagde] zou voor 49 procent delen in de winsten of verliezen van deze joint venture.

2.4.

[gedaagde] heeft per 1 oktober 2010 de besloten vennootschappen in oprichting Sunvita B.V. i.o. (bevoegde functionaris: ASK Invest Holding B.V. i.o.) en ASK Invest Holding B.V. i.o. (bevoegde functionaris: [gedaagde]) in het handelsregister doen inschrijven. Op dat moment was Global daarmee niet bekend.

2.5.

Op 1 december 2010 hebben [persoon2] namens Global en [gedaagde] namens ‘Ask Invest Netherlands’ een overeenkomst genaamd ‘draft term sheet’ getekend waarbij als eerste partij Global en haar dochtervennootschap Sunvita Pte Ltd (uit Singapore) zijn genoemd en als tweede partij “Oxfruit, Ox Group, Point of Difference, Ask Invest, (all incorporated in the Netherlands) and POD, India & their affiliates”. Deze overeenkomst bevatte hoofdlijnen over de door partijen voorgenomen samenwerking, en voorzag in een joint venture vennootschap waarin Sunvita Pte. Ltd. voor 51 procent en Ask Invest of andere leden van de Ox Group (van [gedaagde]) voor 49 procent zou deelnemen.

2.6.

Op 14 januari 2011 is tussen Global, aangeduid als verkoper, en [gedaagde] namens ‘Sunvita B.V.’, aangeduid als koper, een overeenkomst gesloten waarin zij zich verbonden het bijbehorende Schedule na te komen, en ‘Sunvita B.V.’ zich verbond om zich naar beste kunnen in te spannen om de verkoop van verse Indiase druiven op de Europese markt te bevorderen. Het Schedule voorziet in een verkoop van druiven door Global aan ‘Sunvita B.V.’, met een verschepingsprogramma van februari tot medio april 2011, tegen een vaste prijs (50 procent te betalen tegen kopie van de documenten, 50 procent binnen 30 dagen na ‘sound arrival’) met een aantal bepalingen met betrekking tot kwaliteits(controle).

2.7.

Op 25 januari 2011 schreef [gedaagde] in een e-mail aan Global, samengevat, over het nog niet gereed zijn van de joint venture, over een aanstaande bespreking met “[persoon1]” en dat de aandacht vooral moest uitgaan naar het te verschepen fruit in India. Hij schreef voorts:

“Sunvita is operational, so all fruit can be marked through sunvita. If fruit is coming through other companies of mine than it will be pushed on a zero profit base to sunvita, do not worrie about that ! The only thing that needs to be settled are the shares in the company, the rest is done.”

2.8.

Op 2 februari 2011 schreef [gedaagde] in een e-mail aan Global, voor zover relevant:

“Yesterday I had e meeting with [persoon1] who seems to be a very professional men. In order to complete the JV we still look at a time frame of let's say 6 to 8 weeks, so the JV will happen in the middle of the season. [persoon1] has noticed a few important points that we have to tackle, I am sure that he will inform you all regarding this.

My suggestion is as follows, SunVita is ready to start, we can import, export purchase and sell. Meantime if we let [persoon1] do his work he can audit SunVita every two weeks so that you exactly know what is going on in your company. Of course we will give you a day to day info as well but I think it is a good idea to let a third person/company watch over our shoulders.”

2.9.

Op 27 februari 2011 schreef [persoon2] van Global aan [gedaagde] dat de joint venture onmiddellijk in gereedheid moest worden gebracht opdat de export vanuit India zou kunnen beginnen, en dat daartoe de notariële oprichting, de aandelenposities en het gezamenlijk beheer van de rekeningen moesten worden geregeld. Daarop antwoordde [gedaagde] in een e-mail van dezelfde datum, voor zover relevant:

“All of this can be settled very fast, I will take it up with [persoon1] monday morning. first thing.

Bank is already done, when you are here you can pick up your card and access device.

Notary action can be taken over by [persoon1]. in order to get it in English and dutch. I am sure that they will be able to do this.

Sunvita is already in a running mode, means that we can import/export do sales and purchase. There is no reason to not be able to export towards sunvita bv.”

2.10.

Van eind februari tot in april 2011 hebben Global en Amaya 62 respectievelijk 60 containers met druiven verscheept naar Nederland. Op de betreffende cognossementen, facturen en andere documenten staat als ‘consignee’ en/of ‘notify party’ vermeld ‘m/s Sunvita B.V. i.o.’ dan wel ‘m/s Sunvita B.V.’ of ‘Sunvita B.V.’.

2.11.

In februari 2011 hebben Global en [gedaagde] ter formalisering van de joint venture een ‘plankvennootschap’ met de naam Eurogips Keukengroep B.V. aangekocht. Sinds 18 februari 2011 houdt Global 51 procent van de aandelen in die vennootschap en [gedaagde] (middellijk, via ASK Invest Holding B.V. (i.o.)) de overige 49 procent van die aandelen. [gedaagde] en [persoon2] van Global zijn beiden tot (zelfstandig bevoegd) bestuurder van Eurogips Keukengroep B.V. benoemd. Partijen beoogden de naam van Eurogips Keukengroep B.V. te wijzigen in Sunvita B.V.

2.12.

Op 9 maart 2011 klaagde [gedaagde] in e-mails aan Global over onjuiste vermeldingen in facturen en het gebrek aan duidelijke informatie over kwaliteit, aan wekelijkse prognoses, aan correcte facturen en complete cognossementen.

2.13.

Een stuk getiteld ‘Memorandum of Understanding’ d.d. 20 maart 2011 (hierna: MOU), ondertekend door enerzijds Global en anderzijds [gedaagde] namens ‘ASK Invest’, luidt voor zover hier van belang:

“This MOU is entered into on March 20, 2011 in Schipluiden, NL. It supersedes all previous agreements and understandings entered into by the parties.

This is a binding MoU which sets out the terms and conditions of the interim business operations to be conducted between ASK Invest BV (controlled by [gedaagde] and his group companies hereinafter collectively referred to as XO) and Global Agri System Limited (herein referred to as GAL). XO and GAL have irrevocably agreed to form a JV which is under formation and awaiting regulatory approvals.

XO is represented by [gedaagde] and includes all associates in his group including Oxfruit, Ox Group, Point of Difference, Ask Invest, (all incorporated in the Netherlands) and GAL, Global Agri Ltd India & their affiliates.

(…)

INTERIM STRUCTURE

XO and GAL have acquired an existing [company (handgeschreven, rb.)] in the Netherlands earlier under the name Eurogips Keukengroep B.V. and are going through the formation process and obtaining regulatory approvals for this company. This company will be called SUNVITA BV. This process is expected to be completed by April 2.

In the meanwhile [gedaagde] has started operations under the aegis of a company 'under construction'. This is in compliance as per law in Netherlands and Mr [gedaagde] has taken personal legal responsibility and liability for the working of this company. The company ‘under construction’ is also called SUNVITA. In order to differentiate this company from the Newco SUNVITA we call the company under construction SUNVITA OLD.

SUNVITA OLD will transfer all its assets/liabilities, agreements to Newco SUNVITA BV once regulatory approvals obtained. A separate agreement to cover this will be executed concurrently with this MOU.

SHAREHOLDING AND MANAGEMENT

SUNVITA BV will have 51% shareholding with GAL, 49% with XO.

The Management Board will have two Directors, one each from GAL and XO, initially represented as below

[gedaagde] (XO)

[persoon2] (GAL)

(…)

[gedaagde] will be designated as the full time President/Managing Director

(…)

Budget and Revenue

(…)

Sunvita BV will charge an 8% commission for its marketing activities and costs (…).

XO and GAL have agreed that the estimated budget of the first year of operation of Sunvita BV shall not exceed 350,000 Euros (…). It has been agreed that both the shareholders of Sunvita BV shall contribute to fund this amount in proportion to their shareholding.

(…)

Validity

This MOU will be legally binding and shall be valid until it is converted into a comprehensive Legal Agreement as soon as possible latest by 31st May 2011.

(...)

EXCLUSIVITY

Both XO and GAL will offer all international Marketing and Trading Opportunities in fresh business to SUNVITA B.V. SUNVITA BV will have a first right of refusal for such business.”.

2.14.

Een stuk getiteld “Cooperation Agreement” d.d. 22 maart 2011, ondertekend door enerzijds Global en anderzijds [gedaagde] namens ‘ASK Invest Holding B.V. i.o.’, luidt voor zover hierna van belang:

“The undersigned:

1. A.S.K. Invest Holding B.V. i.o, hereinafter referred to as 'party 1' (…) represented by her director Mr. [gedaagde],

and

2. Global Agri System limited, hereinafter referred to as 'party 2' (…),

(…)

Whereas:

- Parties have taken cognizance of the memorandum of understanding, dated March 20, 11 (…),

- XO and GAL have acquired an existing company in the Netherlands earlier under the name Eurogips Keukengroep B.V. and are going through the formation process and obtaining regulatory approvals for this company. The name of this company will be Sunvita B.V.

- In the meanwhile [gedaagde] has started operations under the aegis of a company ‘under construction’. This is in compliance as per law in Netherlands and [gedaagde] has taken personal legal responsibility and liability for SUNVITA B.V. referred as SUNVITA OLD in this agreement.

- Parties wish to do their business in Newco Sunvita B.V.,

- However, there will be time lag for the Newco to become legally operational due to pendency of approval from Ministery of Justice. Therefore, parties wish to continue undertaking business in SUNVITA OLD and set out the following terms and conditions of the cooperation agreement.

(…)

Article 1 : cooperation

1. Parties agree that they will carry on business in International markets and trade of fresh produce globally with initial focus on India produce into Europe. This business will be carried in Newco SUNVITA B.V. As Newco SUNVITA B.V. is under construction, the business will carry on in Old Sunvita B.V., starting in October 1, 2010 to till May 31, 2011.

1.1

Parties agree that during this time, Party 1 will be sharing 49% of the cost and the risk, while party 2 will be sharing 51% of the cost and the risk. And all business turnover, contracts and profit and loss will be carried over to the Newco.

1.2

Parties agree that during this time Mr. [gedaagde] will be responsible for the working of Old Sunvita B.V., including handling, administration and finance.

1.3

Parties agree that Old Sunvita will transfer all its assets/liabilities, agreements to Newco SUNVITA B.V. once regulatory approvals obtained.

1.4

Parties agree that [gedaagde] will provide access to the accounts books and bank accounts and all transactions of SUNVITA OLD to Authorised representative of party 2 including m/s TR Financiele Adviesgroep who will verify the figures and finance weekly and will report to parties.

1.5

Parties further agree that all other relationship between the parties shall be governed

as per terms and condition MoU executed between them on March 20th, 2011.

Article 2: Costs

All costs, of whatever nature, related to this cooperation Agreement, shall be shared by parties.”.

2.15.

Op 16 maart 2011 heeft [gedaagde] in een e-mail aan Global erop aangedrongen dat alles op alles zou worden gezet om 350 containers met druiven te verschepen.

2.16.

Op 18 en 28 maart 2011 heeft [persoon3] van Global per e-mail aan een kandidaat-notaris gevraagd naar de voortgang inzake de verklaring van geen bezwaar door het Ministerie van Justitie. De kandidaat-notaris heeft deze vraag per e-mail van dezelfde datum doorgeleid naar [gedaagde].

2.17.

Op 22 maart 2011 schreef [gedaagde] aan [persoon4] van Katra, de vennootschap aan het hoofd van de groep waartoe Global behoort, over kwaliteitsproblemen die waren geconstateerd bij aankomst van de eerste containers, die in zijn visie samenhingen met vermijdbare onzorgvuldigheden bij de ingangscontrole, bij het verpakken en in de koelketen. Ook over stickers, palletnummers en het gebrek aan informatie over kwaliteitscontrole heeft [gedaagde] geklaagd.

2.18.

Op 28 maart 2011 heeft Suri van Global aan [gedaagde] per e-mail laten weten dat hij nog steeds geen toegang had tot de bankrekening.

2.19.

Op 1 april 2011 schreef [persoon4] van Katra aan [gedaagde]:

“This is an issue. A serious one.

We have 3 open issues due from you immediately. You promised all three but not delivered so

far.

- one the filing of info for the new company from ASK

- the cash due from you

- the access to the account.

Your lack of responsiveness on this is mystifying and worrying. I thought the last 2 items were

to be done before SK left Holland.

I'm disappointed.

Pl do me the courtesy of an immediate response. (...)”.

2.20.

Op 5 en 6 april 2011 heeft Global bij [gedaagde] nogmaals per e-mail geklaagd over slechts sporadische toegang tot de bankrekening.

2.21.

Op initiatief van Global is op 11 april 2011 een stuk getiteld ‘Trade Agreement’ ondertekend door enerzijds Global en anderzijds [gedaagde] namens ‘SunVita’. Dit stuk luidt, voor zover hier van belang:

“The undersigned:

1. SunVita, hereinafter referred to as ‘party 1’ (…) represented by her director Mr. [gedaagde],

and

2. Global Agri System limited, hereinafter referred to as ‘party 2’ (…),

(…)

Article 1: trade

1. Global Agri System limited will be the owner of all the containers with grapes until the original BL is hand over to SunVita.

2. Global Agri has the right to receive full payment of final realisation of the sale of fruit of the said containers. Final realisation is gross sales minus 8% commission and deduction off costs made by SunVita.

3. SunVita will do its best to receive the best price for the grapes.

4. The minimum price will be

- punnets € 6.90;

- pouches € 5.60.

5. Party 2 must receive the full payment in 30 days after the selling of the containers with grapes.

6. Parties agree that SunVita will take 8% commission of gross sales for their services.

7. Parties give TR Financiele Adviesgroep the power to control the figures, the accounts and also the below documents on which the accounts are bases, in all times. TR Financiele Adviesgroep will report the findings to Global Agri Systems

Article 2: Costs

All costs, of whatever nature, related to the this trade made by SunVita will be deducted on final turnouts.

Article 4: Quality

Suppliers shall inform buyer on a professional way regarding quality and MRL before dispatch off the container. Supplier will hand over a valid Global Gap Certificate.

Article 5: independent survey

Both parties agree that GFS shall do all qc inspections and supplier will provide a pre shipment report in the same format.

(…)”.

2.22.

Op 15 april 2011 schreef [gedaagde] aan Katra met kopie aan Global: “First results !!!’. Bij dit bericht waren twee in het Nederlands gestelde afrekeningen van diezelfde datum gevoegd van [bedrijf1]aan ‘Sunvita B.V.’ waarin [bedrijf1] een commissie van 8 procent aan ‘Sunvita B.V.’ in rekening bracht.

2.23.

Van medio april 2011 tot eind mei 2011 hebben partijen verdere contacten gehad. Global heeft daarin bij [gedaagde] aangedrongen op een volledig transparante, zuivere en voor Global c.s. toegankelijke financiële administratie en op verdere betalingen. [gedaagde] heeft op zijn beurt bij Global aangedrongen op zorgvuldigheid met het oog op de productkwaliteit en op duidelijke en complete toeleveringsdocumenten.

2.24.

Van de door Global respectievelijk Amaya ter zake de onder 2.10 genoemde druiven verzonden voorschotfacturen is alleen een eerste voorschot van 50 procent bij ontvangst van het cognossement betaald aan Global respectievelijk Amaya.

2.25.

Global c.s. heeft met verlof van de voorzieningenrechter te Rotterdam d.d. 1 juni 2011 ten laste van [gedaagde] conservatoir derdenbeslag doen leggen onder Alexport B.V., [bedrijf1], Pédé B.V. en ABN AMRO Bank N.V. op al hetgeen zij verschuldigd zijn of zullen zijn aan [gedaagde]. Voorts heeft Global met verlof van de voorzieningenrechter te Rotterdam d.d. 17 juni 2011 ten laste van [gedaagde] conservatoir beslag gelegd op de door [gedaagde] gehouden aandelen in het kapitaal van Ox Fruit B.V. en op het woonhuis van [gedaagde].

2.26.

Op 30 juni 2011 is op verzoek van Global c.s. de dagvaarding in de onderhavige zaak uitgebracht.

2.27.

Op 28 september 2011 heeft [gedaagde] Sunvita B.V. en ASK Invest Holding B.V. opgericht. [gedaagde] is bestuurder en enig aandeelhouder van ASK Invest Holding B.V., die op haar beurt bestuurder en enig aandeelhouder van Sunvita B.V. is.

2.28.

Op 4 oktober 2011 hebben Sunvita B.V. en ASK Invest Holding B.V. de namens Sunvita B.V. i.o. respectievelijk ASK Invest Holding B.V. i.o. verrichte rechtshandelingen bekrachtigd.

3 Het geschil in conventie

3.1.

Global c.s. vordert - na wijziging van eis - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1) [gedaagde] te veroordelen om aan Global, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen een bedrag van € 565.355,00 in hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente verschuldigd over elk van de nog openstaande (restant) factuurbedragen waaruit deze hoofdsom bestaat, per factuur over het openstaande restant daarvan te rekenen vanaf de bij de betreffende factuur in productie 11 bij dagvaarding genoemde ‘due date’, althans (subsidiair) te rekenen vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening,

2) [gedaagde] te veroordelen om aan Amaya, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen een bedrag van € 539.819,00 in hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente verschuldigd over elk van de nog openstaande (restant) factuurbedragen waaruit deze hoofdsom bestaat, per factuur in productie 12 bij dagvaarding genoemde ‘due date’, althans (subsidiair) te rekenen vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening,

3) [gedaagde] te gebieden om aan Global binnen één week na betekening van het vonnis een naar waarheid opgestelde, volledige, en met bewijsstukken onderbouwde opgave te verstrekken van:

a) de naam en het adres van elke afnemer, alsook de datum van (door)verkoop aan deze afnemers, van de door Global c.s. geleverde druiven, zulks gespecificeerd per door Global respectievelijk Amaya geleverde container,

b) de prijzen die hij ingevolge zijn (door)verkopen van de door Global respectievelijk Amaya geleverde druiven is overeengekomen met elk van deze afnemers,

c) de bedragen die hij ter zake aan zijn afnemers in rekening heeft gebracht en de bedragen die hij van of namens zijn afnemers reeds heeft ontvangen en/of nog moet ontvangen,

d) eveneens per container gespecificeerd, de (vracht- en handling)kosten met betrekking tot deze druivenleveranties, en

e) alle gegevens die verder nodig zijn om vast te kunnen stellen, welke opbrengsten hij heeft gerealiseerd met de door Global c.s. aan hem geleverde in totaal 122 containers druiven,

althans, subsidiair ingeval voor toewijzing van de in dit onderdeel bedoelde rekening en verantwoording onvoldoende grond zou bestaan, [gedaagde] in ieder geval te veroordelen tot afgifte van alle bescheiden uit zijn administratie c.q. de administratie van Sunvita B.V. in oprichting betrekkelijk tot het druivenseizoen 2011, benodigd om correct, volledig en naar waarheid vast te kunnen stellen welke opbrengsten hij heeft gerealiseerd met de door Global c.s. aan hem geleverde in totaal 122 containers druiven, en welke kosten daarmee binnen Sunvita B.V. in oprichting gemoeid waren,

een en ander, primair en subsidiair, op straffe van een aan Global te betalen dwangsom van € 2.500,00 voor iedere dag dat [gedaagde] in gebreke blijft met de algehele voldoening aan dit gebod,

4) [gedaagde] te veroordelen om aan Global respectievelijk Amaya te voldoen de bedragen die blijkens de onder 3) bedoelde opgave c.q. bescheiden eventueel nog verschuldigd blijken te zijn bij wijze van meerprijs zoals bedoeld in het lichaam van de dagvaarding, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, per (door)verkoop verschuldigd over de voor die (door)verkoop geldende meerprijs vanaf de datum van die doorverkoop, althans (subsidiair) te rekenen vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening,

5) subsidiair, voor het geval de rechtbank van oordeel mocht zijn dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens Global en/of Amaya doch tevens van oordeel mocht zijn dat het gevorderde onder 1) tot en met 4) geen juiste begroting van deze schade mocht vormen, [gedaagde] te veroordelen om Global en/of Amaya de in goede justitie te begroten schade te vergoeden die zij hebben geleden als gevolg van deze onrechtmatige daad, een en ander zo nodig nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

6) [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, inclusief de beslagkosten.

3.2.

[gedaagde] concludeert tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van Global c.s. bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten. Voor het geval de rechtbank een van de vorderingen van Global c.s. geheel of gedeeltelijk mocht toewijzen, vraagt [gedaagde] het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, althans aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde te verbinden dat Global c.s. zekerheid dienen te stellen middels een bankgarantie op de gebruikelijke gangbare voorwaarden, tot een bedrag gelijk aan de toegewezen vordering(en), althans tot een door de rechtbank te bepalen bedrag.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in (deels voorwaardelijke) reconventie

4.1.

[gedaagde] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

a. a) Global en Amaya hoofdelijk, des dat de een betalende de andere zal zijn bevrijd, te veroordelen tot betaling aan [gedaagde] van een bedrag van € 500.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 december 2010, althans de dag van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening,

b) Global c.s. te veroordelen in de proceskosten,

en in voorwaardelijke reconventie, voor het geval de rechtbank mocht oordelen dat Global dan wel Amaya een vordering mocht hebben waarop zij niet slechts voor 51 procent aanspraak kan maken,

c) voor recht te verklaren dat Global gehouden is voor 51 procent de nadelige gevolgen te dragen van een eventuele veroordeling van [gedaagde] jegens Amaya,

d) Global te veroordelen aan [gedaagde] te betalen 51 procent van datgene, waartoe [gedaagde] als gedaagde in conventie jegens Amaya mocht worden veroordeeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening,

e) voor recht te verklaren dat Amaya gehouden is voor 51 procent de nadelige gevolgen te dragen van een eventuele veroordeling van [gedaagde] jegens Global,

f) Amaya te veroordelen aan [gedaagde] te betalen 51 procent van datgene, waartoe [gedaagde] als gedaagde in conventie jegens Global mocht worden veroordeeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening,

g) Global c.s. te veroordelen in de proceskosten.

4.2.

Global c.s. concludeert tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van [gedaagde], bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling

In conventie en in (deels voorwaardelijke) reconventie

Inleiding

5.1.

Het gaat in deze zaak om een niet goed van de grond gekomen samenwerking tussen partijen in de internationale fruithandel.

Partijen beoogden op grote schaal fruit uit India te importeren vanuit een joint venture vennootschap onder de naam Sunvita B.V. Daartoe hadden zij ([gedaagde] onder de naam ASK Invest Holding B.V. i.o.) Eurogips Keukengroep B.V. aangekocht, die na statuten- en naamswijziging Sunvita B.V. zou worden genoemd. Zover is het echter niet gekomen. Eurogips Keukengroep B.V. is een lege huls gebleven. de samenwerking tussen partijen is na het druivenseizoen 2011 niet voortgezet.

De handelstransacties die partijen feitelijk hebben verricht zijn niet via (het vermogen van) de joint venture vennootschap verlopen maar via de door [gedaagde] in het handelsregister ingeschreven Sunvita B.V. i.o. Partijen hebben over het tijdelijk handelen via Sunvita B.V. i.o. afspraken gemaakt. Deze hielden onder meer in dat [gedaagde] de activa en passiva van Sunvita B.V. i.o. (hierna ook: de tijdelijke Sunvita) op korte termijn zou inbrengen in het joint venture vehikel Sunvita B.V. (Eurogips Keukengroep B.V. na naamswijziging, hierna ook: de joint venture Sunvita). Daartoe is het niet gekomen. De handelstransacties zijn tot aan het einde van het druivenseizoen via (het afgescheiden vermogen van) Sunvita B.V. i.o. blijven verlopen.

5.2.

Pas nadat de dagvaarding in de onderhavige procedure is uitgebracht en van een samenwerking tussen partijen feitelijk geen sprake meer was, heeft [gedaagde] het geleid tot de oprichting van Sunvita B.V. (ex-i.o., de tijdelijke Sunvita) en ASK Invest Holding B.V. (ex-i.o., de bestuurder en enig aandeelhouder van de tijdelijke Sunvita en de houder van 49 procent van de aandelen in Eurogips Keukengroep B.V.). Sunvita B.V. en ASK Invest Holding B.V. hebben de voorafgaand aan hun oprichting in hun naam verrichte rechtshandelingen bekrachtigd.

5.3.

Deze ontwikkeling zorgt voor processuele en andere complicaties. [gedaagde] betoogt namelijk dat, gelet op de oprichting van en bekrachtiging door Sunvita B.V., uitsluitend nog Sunvita B.V. tot nakoming van de door Global c.s. gestelde verplichtingen uit handelstransacties kan worden aangesproken.

5.4.

In reconventie spreekt [gedaagde] Global c.s. in wezen aan in de hoedanigheid van aandeelhouder althans joint venture partner. Hij maakt aanspraak op een goodwillvergoeding voor de contacten die door hem in de joint venture zijn of zouden worden ingebracht, en voorwaardelijk stelt hij vorderingen in die ertoe strekken dat Global c.s. met hem afrekent conform de ter zake van de joint venture gemaakte afspraken over aandelen- en risicoverdeling.

Hier dringt zich de vraag op welke gevolgen de oprichting van ASK Invest Holding B.V. heeft voor de toewijsbaarheid van de door [gedaagde] geformuleerde vorderingen.

5.5.

Sunvita B.V., ASK Invest Holding B.V. en Eurogips Keukengroep B.V. zijn geen van alle partij in deze procedure. Voor zover vorderingen zijn ingesteld die alleen door of tegen één van deze vennootschappen kunnen worden geldend gemaakt, kunnen deze dus niet worden toegewezen. [gedaagde] heeft eerder een tot tussenkomst van deze vennootschappen strekkend schorsingsincident aanhangig gemaakt, maar zijn incidentele vordering is bij rolbeslissing van 23 november 2011 afgewezen.

5.6.

Hieronder komen eerst enige formele kwesties aan de orde. Vervolgens wordt bezien hoe de verschillende door partijen gesloten overeenkomsten zich tot elkaar verhouden. Daarna wordt beoordeeld welke partijen, gelet op de oprichting van en bekrachtiging door Sunvita B.V. en ASK Invest Holding B.V., (nog) als drager van rechten en verplichtingen uit hoofde van de diverse overeenkomsten kunnen worden beschouwd. In vervolg daarop zal aan de orde komen welke gevolgen dit oordeel heeft voor de vorderingen in conventie en reconventie.

Wijziging van eis

5.7.

Bij conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte aanvulling grondslag/wijziging van eis in conventie heeft Global c.s. haar eis gewijzigd en de gronden daarvan aangevuld. [gedaagde] heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt. Gelet op het bepaalde in artikel 130 lid 1 Rv zal de rechtbank, nu zij ook ambtshalve geen bezwaar ziet tegen de eiswijziging, uitgaan van deze gewijzigde eis in conventie zoals weergeven onder 3.1 hierboven en de aangevulde gronden daarvan.

Rechtsmacht en bevoegdheid

5.8.

De onderhavige zaak heeft een internationaal karakter, omdat Global en Amaya in India zijn gevestigd en [gedaagde] woonplaats heeft in Nederland. Derhalve dient te worden onderzocht of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en bevoegd is van de vorderingen kennis te nemen. Nu [gedaagde] woonplaats heeft binnen het rechtsgebied van deze rechtbank, wordt deze vraag bevestigend beantwoord, op grond van artikel 2 lid 1 EEX-Verordening in verbinding met artikel 99 lid 1 Rv.

Toepasselijk recht

5.9.

Uit de stellingen van partijen volgt dat zij beiden primair uitgaan van het interne Nederlandse recht, zonder toepassing van - voor zover relevant - het Weens Koopverdrag (Verdrag der Verenigde Naties inzake internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken van 11 april 1980). Beide partijen hebben bovendien ter comparitie betoogd dat Nederlands recht op ‘de overeenkomsten’ tussen partijen van toepassing is. Gelet op deze (deels impliciete) rechtskeuze van partijen, zal de rechtbank het Nederlandse recht met uitsluiting van het Weens Koopverdrag toepassen.

De verschillende overeenkomsten

5.10.

Vast staat dat Global en [gedaagde] in 2010 in gesprek zijn getreden over samenwerking in de vorm van een joint venture onderneming om druiven vanuit India te verhandelen in Europa en dat zij in dat kader diverse overeenkomsten hebben gesloten. Vast staat voorts dat partijen ter formalisering van hun joint venture onderneming in februari 2011 de ‘plankvennootschap’ Eurogips Keukengroep B.V. hebben aangekocht (zie 2.11) en dat deze vennootschap door middel van een statutenwijziging zou worden omgedoopt tot Sunvita B.V.

Niet in geschil is dat met de aanvang van het druivenseizoen 2011 (februari 2011) deze beoogde structuur voor de joint venture onderneming nog niet gereed was, en dat zij om die reden voor het druivenseizoen 2011 afzonderlijke afspraken hebben gemaakt.

5.11.

Tussen partijen is niet in geschil dat deze tijdelijke afspraken - onder meer - zijn vastgelegd in de Memorandum of Understanding van 20 maart 2011 (hierna: MOU; zie 2.13) en de Cooperation Agreement van 22 maart 2011 (hierna: CA; zie 2.14).

Uit de onder 2.13 als tweede geciteerde zin van de MOU blijkt in ieder geval dat daardoor de werking ontviel aan de eerdere overeenkomsten bedoeld onder 2.5 en 2.6.

Uit de bewoordingen van de MOU leidt de rechtbank af dat deze in hoofdzaak betrekking heeft op de inrichting van en samenwerking binnen de joint venture Sunvita, welke vennootschap in de MOU is aangeduid als Sunvita B.V. of Newco Sunvita (in tegenstelling tot de tijdelijke Sunvita, die daarin is aangeduid als Sunvita Old). Daarmee strookt dat de overeenkomst is gesloten tussen de joint venture partners en aandeelhouders in de joint venture Sunvita (Eurogips Keukengroep B.V.), dus tussen Global en ([gedaagde] namens) ‘ASK Invest’. Niet in geschil is dat met ‘ASK Invest’ bedoeld is ASK Invest Holding B.V. i.o.

5.12.

De MOU vermeldt voorts: “SUNVITA OLD will transfer all its assets/liabilities, agreements to Newco SUNVITA BV once regulatory approvals obtained. A separate agreement to cover this will be executed concurrently with this MOU.”. Met deze laatste zin is kennelijk, nu niet is gesteld of gebleken dat partijen rond 20 maart 2011 enig andere overeenkomst hebben gesloten, gedoeld op de CA van 22 maart 2011.

De CA is gesloten tussen Global en ([gedaagde] namens) ASK Invest Holding B.V. i.o. De CA vermeldt in de preambule dat partijen wensen zaken te doen in de joint venture Sunvita maar dat zij, zolang deze nog niet ‘legally operational’ is, zullen voortgaan met samenwerken in de tijdelijke Sunvita, ‘a company ‘under construction’ (...) Sunvita B.V. referred as Sunvita Old in this agreement’.

De CA bevat nauwelijks concrete bepalingen over de wijze waarop partijen ‘will carry on business in International markets and trade of fresh produce (...) in Old Sunvita B.V., starting in October 1, 2010 to till May 31, 2011’.

Geregeld is weliswaar dat gedurende voornoemde periode Global 49 procent en ASK Invest Holding B.V. i.o. 51 procent van de kosten en het risico zal dragen, dat de tijdelijke Sunvita al haar omzet, contracten, winsten en verliezen, activa en passiva zal overdragen aan de joint venture Sunvita ‘once regulatory approvals [are] obtained’, en voorts het een en ander over (inzicht in) de financiële administratie, maar concrete afspraken die rechtstreeks het verschepen en op de markt brengen van fruit betreffen (in de lijn van hetgeen in de overeenkomst van 14 januari 2011 was vastgelegd) ontbreken. Artikel 1.5 van de CA bepaalt dat ‘all other relationship between the parties shall be governed as per terms and condition MoU executed between them on March 20th, 2011’.

5.13.

Als grond voor haar vorderingen in conventie, die neerkomen op het tussen partijen afrekenen en afdragen voor de in het druivenseizoen 2011 door Global c.s. geleverde druiven, voert Global c.s. een volgende overeenkomst aan: de Trade Agreement d.d. 11 april 2011 (hierna: TA; zie 2.21).

[gedaagde] erkent dat hij deze overeenkomst heeft ondertekend, maar betwist dat daarmee partijen verbindende afspraken zijn gemaakt. Hij stelt dat de TA slechts een stuk was dat Global c.s. aan de bank diende te overhandigen. [gedaagde] stelt dat bij hem de wil ontbrak om de TA tussen Global en hem, althans een van zijn vennootschappen, te laten gelden en doet een beroep op artikel 3:33 BW. [gedaagde] stelt ook dat Global c.s. er niet gerechtvaardigd op had mogen vertrouwen dat zijn verklaring bij de ondertekening van de TA overeenstemde met zijn wil.

5.14.

Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv draagt Global c.s. de bewijslast van haar stelling dat tussen haar en [gedaagde] sprake is van wilsovereenstemming met betrekking tot de in de TA neergelegde afspraken. Uit artikel 157 lid 2 Rv volgt echter dat de door [gedaagde] namens ‘Sunvita’ ondertekende TA, die kwalificeert als een onderhandse akte als bedoeld in artikel 156 leden 1 en 3 Rv, - kort gezegd - tussen partijen dwingend bewijs oplevert ten aanzien van de juistheid van inhoud daarvan, behoudens tegenbewijs (artikel 151 lid 2 Rv). Dit betekent dus dat de rechtbank bewezen acht dat tussen Global en [gedaagde] (handelend namens ‘Sunvita’) wilsovereenstemming bestond ter zake van de inhoud van de TA, tenzij [gedaagde] dit bewijs ontzenuwt.

5.15.

De rechtbank ziet echter in het standpunt van [gedaagde] onvoldoende aanleiding om hem toe te laten tot het leveren van tegenbewijs.

Het standpunt van [gedaagde] dat de TA op initiatief van Global c.s. is opgesteld en ondertekend, omdat Global c.s. deze ter verkrijging van financiering aan een bank diende over te leggen, heeft [gedaagde] in het geheel niet onderbouwd, terwijl dat gelet op hetgeen onder 5.14 is overwogen en gelet op de gemotiveerde ontkenning door Global c.s. wel op zijn weg lag. De rechtbank gaat daarom aan dit standpunt als onvoldoende gemotiveerd voorbij.

Dat de TA pas laat in het druivenseizoen 2011 werd ondertekend, zoals [gedaagde] aanvoert, maakt nog niet dat aan de inhoud van de TA moet worden getwijfeld. Ook de MOU en de CA zijn immers gedurende het druivenseizoen 2011 tot stand gekomen, en uit de bewoordingen daarvan blijkt dat dit kwam doordat de formalisering van de joint venture vennootschap vertraagd was. Het komt de rechtbank aannemelijk voor dat gaandeweg bij Global c.s., die grote volumes druiven verscheepte naar een ‘company under construction’, de behoefte groeide aan schriftelijke afspraken met de ontvanger daarvan, onder meer over de eigendomspositie en de wijze van afrekenen, temeer nu uit de hierboven onder 2.15 tot en met 2.20 aangeduide correspondentie blijkt dat de samenwerking niet louter soepel van start ging.

Dat in de TA niet wordt verwezen naar de MOU en de CA en dat in die overeenkomsten - anders dan in de TA - geen minimumprijs is opgenomen, voert niet zonder bijzondere bijkomende omstandigheden, die niet zijn gesteld, tot de conclusie dat de inhoud van de TA (dus) niet tussen partijen is overeengekomen.

Het standpunt van [gedaagde] dat de inhoud van de TA niet is overeengekomen is voorts strijdig met zijn verklaring ter comparitie dat hij “(…) op 11 april 2011 de TA getekend [heeft; rb.], onder de voorwaarde dat de druiven in orde zijn (…)” en met zijn standpunt onder 9 van zijn incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring, tevens incidentele conclusie tot zekerheidsstelling proceskosten, dat op 11 april 2011 een TA is gesloten.

Alles bijeen genomen heeft [gedaagde] zijn verweer onvoldoende gemotiveerd om te worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs.

5.16.

De conclusie van het voorgaande is dat de rechtbank als vaststaand aanneemt dat de TA een juiste weergave is van de tussen de contractspartijen op dat moment bestaande wilsovereenstemming.

Gelet op dit oordeel komt de rechtbank niet toe aan het verweer van [gedaagde] dat Global c.s. er niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat zijn verklaring overeenstemde met zijn wil bij de ondertekening van de TA.

Kortom: de TA bevat verbindende afspraken waarop Global zich kan beroepen.

5.17.

In geschil is hoe de afspraken in de TA - getekend door Global en [gedaagde] namens ‘Sunvita’ - zich verhouden tot de afspraken in de MOU en de CA - getekend door Global en [gedaagde] namens ASK Invest Holding B.V. i.o.

Global c.s. stelt dat met de TA de CA ter zijde is gesteld voor de duur van het druivenseizoen 2011, in het standpunt van [gedaagde] (zie 5.15) ligt besloten dat hij het daarmee niet eens is.

Partijen hebben geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij concreet onder ogen hebben gezien welke gevolgen de TA zou (moeten) hebben voor de eerder gesloten overeenkomsten. Zij hebben ook geen concrete feitelijke stellingen ingenomen die - indien bewezen - duidelijk maken dat zij hierover specifiek met elkaar hebben gecommuniceerd, en in welke zin.

Dat de TA de gehele werking aan de CA zou ontnemen gedurende het seizoen 2011, zoals Global c.s. stelt, acht de rechtbank niet aannemelijk. De CA zag immers, zoals blijkt uit de MOU, niet zozeer op het onderling afrekenen van op de markt gebrachte zendingen fruit, als wel de verdeling van risico’s en kosten van de tijdelijke Sunvita en de afspraak dat haar activa en passiva te zijner tijd zouden worden overgedragen aan de joint venture Sunvita. Daarmee strookt dat de CA door [gedaagde] is getekend namens ASK Invest Holding B.V. i.o., de beoogd aandeelhouder in de joint venture Sunvita. De TA voorziet daarentegen in concrete afrekenafspraken tussen ([gedaagde] namens) Sunvita B.V. i.o., de ontvanger van het in 2011 door Global c.s. verscheepte fruit, alsof de (nog niet geformaliseerde) joint venture in dat verband werd weggedacht. Een en ander in onderling verband bezien maakt dat het niet logisch is om de TA te beschouwen als een latere overeenkomst tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp, die (bijzondere bijkomende omstandigheden daargelaten) prevaleert en de eerder gesloten CA geheel heeft achterhaald. De TA gaat slechts boven de CA indien en voor zover de TA tussen dezelfde partijen geldt en hetzelfde regelt als de CA.

5.18.

Indien het beroep van [gedaagde] op bekrachtiging slaagt, is reeds om die reden geen sprake (meer) van twee overeenkomsten tussen dezelfde partijen. De CA geldt dan immers tussen Global en ASK Invest Holding B.V. en de TA tussen Global en Sunvita B.V.

Ook in dat geval speelt echter de vraag of de met Sunvita gemaakte afrekenafspraken al dan niet afdoen aan de tussen de joint venture partners gemaakte afspraak dat zij ieder conform de aandelenverhouding in Eurogips Keukengroep B.V. zouden delen in het bedrijfsresultaat van de tijdelijke Sunvita.

5.19.

De rechtbank zal nu het beroep op bekrachtiging en de daaraan verbonden gevolgen beoordelen.

Het beroep op bekrachtiging

5.20.

[gedaagde] stelt dat hij alle rechtshandelingen in het kader van de samenwerking met Global c.s. heeft verricht namens Sunvita B.V. i.o. en/of ASK Invest Holding B.V. i.o., dat deze vennootschappen uiteindelijk zijn opgericht en voornoemde rechtshandelingen hebben bekrachtigd. Nu de MOU en de CA op naam van ASK Invest BV respectievelijk ASK Invest Holding B.V. i.o. zijn gesteld en de TA op naam van ‘Sunvita’, begrijpt de rechtbank dat [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat de uit bovengenoemde overeenkomsten voortvloeiende verplichtingen op grond van art 2:203 leden 1 en 2 BW zijn overgegaan op ASK Invest Holding B.V. respectievelijk Sunvita B.V. en dat hij daarom niet meer in persoon kan worden aangesproken ter zake van de eventuele niet-nakoming van verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomsten.

5.21.

Artikel 2:203 lid 1 BW bepaalt - voor zover relevant- dat uit rechtshandelingen, verricht namens een op te richten vennootschap, slechts rechten en verplichtingen voor de vennootschap ontstaan wanneer zij die rechtshandelingen na haar oprichting uitdrukkelijk of stilzwijgend bekrachtigt. Artikel 2:203 lid 2 BW bepaalt dat - tenzij uitdrukkelijk anders is bedongen - degene die een rechtshandeling verricht namens een op te richten vennootschap, daardoor hoofdelijk is verbonden totdat de vennootschap na haar oprichting de rechtshandeling heeft bekrachtigd.

Het is vaste rechtspraak dat uit deze regels voortvloeit dat degene (hier [gedaagde]) die namens een op te richten besloten vennootschap een overeenkomst heeft gesloten, tegenover zijn wederpartij (hier Global) slechts van zijn in lid 2 bedoelde hoofdelijke aansprakelijkheid wordt bevrijd, indien de overeenkomst wordt bekrachtigd door een na het sluiten van de overeenkomst opgerichte besloten vennootschap die moet worden aangemerkt als de vennootschap die partijen bij het tot stand komen van de overeenkomst op het oog hadden. Of van het laatste sprake is hangt af van de omstandigheden van het geval. Omgekeerd geldt dat de partij (hier Global) die een overeenkomst heeft gesloten met een ander (hier [gedaagde]) die namens een op te richten besloten vennootschap handelde, slechts uit die overeenkomst kan worden aangesproken door een nadien opgerichte besloten vennootschap, wanneer deze laatste de overeenkomst uitdrukkelijk of stilzwijgend heeft bekrachtigd en bovendien moet worden aangemerkt als de vennootschap die partijen op het oog hadden toen de overeenkomst tot stand kwam, terwijl het van de omstandigheden van het geval afhangt of van dat laatste sprake is. (Zie o.a. HR 8 juli 1992, NJ 1993, 116, en HR 3 november 1995, NJ 1996, 141).

5.22.

De MOU en de CA zijn door [gedaagde] namens ASK Invest BV respectievelijk ASK Invest Holding B.V. i.o. gesloten. Global c.s. heeft niet betwist dat het opgerichte ASK Invest Holding B.V. (zie 2.13) dezelfde vennootschap betreft als de in de MOU en de CA genoemde vennootschappen en dat partijen bij het sluiten van de MOU en de CA deze vennootschap voor ogen hadden.

Gelet daarop en nu ASK Invest Holding B.V. alle door ASK Invest Holding B.V. i.o. verrichte rechtshandelingen heeft bekrachtigd (zie 2.28), volgt uit de in r.o. 5.21 weergegeven normen dat de rechten en verplichtingen uit hoofde van de MOU en de CA zijn overgegaan op ASK Invest Holding B.V., zodat deze vennootschap kan worden aangesproken tot nakoming daarvan en [gedaagde] in beginsel is bevrijd van zijn hoofdelijke aansprakelijkheid als persoon die namens de op te richten vennootschap heeft gehandeld.

5.23.

De TA is door [gedaagde] namens ‘Sunvita’ gesloten.

De rechtbank ziet geen reden om te betwijfelen dat hiermee door partijen werd bedoeld Sunvita B.V. i.o., de tijdelijke Sunvita.

Uit de tekst van de MOU blijkt immers dat [gedaagde], in afwachting van de formalisering van de joint venture vennootschap, de gezamenlijke bedrijfsuitoefening reeds was begonnen vanuit een ‘company under construction’ onder de naam ‘Sunvita’. Ook in de CA is vermeld dat partijen zolang de joint venture onderneming nog niet was geformaliseerd, zaken zouden doen via ‘Old Sunvita B.V.’, de door [gedaagde] gestarte ‘company under construction’, ‘starting in October 1, 2010 to till May 31, 2011’.

Global c.s. zelf heeft in de dagvaarding gesteld dat de druivenleveranties aan Sunvita B.V. i.o. hebben plaatsgevonden en dat de facturen zouden worden betaald door Sunvita B.V. i.o. Hierop sluiten ook de talrijke verschepingsdocumenten aan (zie 2.10).

De stelling van Global c.s. in haar akte aanvulling grondslag/wijziging van eis in conventie dat partijen hebben afgesproken de leveranties in het druivenseizoen 2011 vooralsnog op naam van [gedaagde] te doen, wordt verworpen. Die stelling is tegenstrijdig met haar standpunt in de dagvaarding en vindt ook geen steun in de stukken.

5.24.

Naar het oordeel van de rechtbank kan er ook geen misverstand bestaan over de identiteit van het opgerichte Sunvita B.V., in die zin dat Sunvita B.V. de vennootschap is die partijen bij het aangaan van de TA voor ogen stond.

Blijkens het uittreksel uit het handelregister (productie 10 zijdens [gedaagde]) heeft Sunvita B.V. dezelfde datum van vestiging als Sunvita B.V. i.o.: namelijk 1 oktober 2010 (vgl. productie 4 zijdens Global) en hebben Sunvita B.V. en Sunvita B.V. i.o. blijkens die uittreksels uit het handelsregister hetzelfde KvK-nummer (51032465). Global c.s. stelt ook zelf dat zij de in het geding zijnde containers met druiven aan deze partij heeft geleverd.

Dat blijkens de akte van oprichting bij de oprichting van Sunvita B.V. slechts blijkt dat het vereiste minimumkapitaal van € 18.000,00 werd volgestort in geld, is niet voldoende om te concluderen dat Sunvita B.V. een andere vennootschap betreft dan partijen bij het aangaan van de TA voor ogen stond. Deze omstandigheid zegt immers niets over de daadwerkelijke omvang van de activa van Sunvita B.V.

Global c.s. betoogt, naar de rechtbank begrijpt, dat niet aan het identiteitsvereiste is voldaan omdat partijen Sunvita B.V. i.o. uitsluitend als tijdelijk vehikel hanteerden en het niet in hun bedoeling lag dat deze vennootschap daadwerkelijk zou worden opgericht, omdat zij nu eenmaal verwachtten dat uiterlijk in mei 2011 de joint venture vennootschap zou zijn geformaliseerd, waarna de tijdelijke Sunvita haar activa en passiva zou overhevelen naar de joint venture Sunvita.

Hoewel de rechtbank met Global c.s. aanneemt dat partijen niet hebben voorzien dat Sunvita B.V. daadwerkelijk zou worden opgericht, meent zij dat de door Global c.s. bepleite benadering geen recht doet aan de door partijen zelf ingeslagen weg. Partijen hebben zelf gekozen voor het zaken doen via een vennootschap in oprichting, en niet op naam van [gedaagde] in privé, en Global c.s. heeft de facturen en verschepingsdocumenten ook dienovereenkomstig ingericht. Gelet op deze keuze staat de omstandigheid dat partijen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst niet beoogden dat Sunvita B.V. i.o. werkelijk zou worden opgericht, niet in de weg aan het aannemen van identiteit voor de toepassing van artikel 2:203 leden 1 en 2 BW.

De omstandigheid dat het uiteindelijk de bedoeling was om de activa en passiva van de tijdelijke Sunvita, Sunvita B.V. (i.o.), in te brengen in Eurogips Keukengroep B.V. doet aan het voorgaande niet af. Het gaat er om dat het thans bestaande Sunvita B.V. de ‘opgerichte variant’ van Sunvita B.V. i.o. is.

Op grond van het voorgaande in verbinding met het feit dat Sunvita B.V. alle door Sunvita B.V. i.o. verrichte rechtshandelingen heeft bekrachtigd (zie 2.28), volgt uit de in r.o. 5.21 weergegeven normen dat de rechten en verplichtingen uit hoofde van de TA zijn overgegaan op Sunvita B.V., zodat deze vennootschap kan worden aangesproken tot nakoming daarvan en [gedaagde] is bevrijd van de hoofdelijke aansprakelijkheid die op hem rustte omdat hij namens de op te richten vennootschap heeft gehandeld (artikel 2:203 lid 2 BW).

De positie van [gedaagde]

5.25.

Global c.s. stelt dat de oprichting van HOlSunvita B.V. er niet aan in de weg staat dat [gedaagde] in privé (naast deze vennootschap) tot nakoming van de TA kan worden aangesproken. Zij stelt - onder meer - dat partijen uitdrukkelijk zijn overeengekomen dat [gedaagde] persoonlijke verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid op zich zou nemen voor hetgeen er middels Sunvita B.V. i.o. zou worden ondernomen.

Zij wijst erop dat in de MOU in dit verband is vermeld “Mr [gedaagde] has taken personal legal responsibility and liability for the working of this company” en dat in de considerans van de CA staat “Mr [gedaagde] has taken personal legal responsibility and liability for the working of Sunvita B.V. referred as Sunvita Old in this agreement.”. Global c.s. wijst ook op artikel 1.2 van de CA, dat luidt “Parties agree that during this time Mr. [gedaagde] will be responsible for the working of Old Sunvita B.V., including handling, administration and finance.”.

5.26.

[gedaagde] betwist niet dat deze passages zijn overeengekomen, maar wel dat het de bedoeling van partijen was om de “personal legal liability” verder te laten strekken dan zoals is voorzien in artikel 2:203 lid 2 BW. Hij heeft nooit op eigen naam fruit geïmporteerd en verhandeld en heeft ook in dit geval niet in privé zaken willen doen met Global c.s., aldus [gedaagde].

5.27.

Nu partijen over de uitleg van de door Global c.s. ingeroepen passages van mening verschillen, zal de rechtbank de overeenkomsten op dit punt uitleggen.

Het gaat hier om de uitleg van een geschrift waarin de verhouding tussen partijen is geregeld. Die uitleg kan niet alleen worden gegeven op grond van een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen ervan, maar daarbij komt het ook aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen en aan de bepalingen van dat geschrift mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635 (Haviltex)). Voorts volgt uit HR 20 februari 2004 NJ 2005, 493 (DSM/Fox) dat bij de uitleg van een dergelijk geschrift telkens van beslissende betekenis zijn alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen, en ook dat in praktisch opzicht vaak van groot belang is de taalkundige betekenis van de bewoordingen van het geschrift, gelezen in de context ervan als geheel, die deze in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben. Verder zijn bij de uitleg van belang de aard van de transactie, de omvang en gedetailleerdheid van de contractsbevestiging, de wijze van totstandkoming ervan - waarbij van belang is of partijen werden bijgestaan door (juridisch) deskundige raadslieden en de overige bepalingen ervan (vgl. HR 29 juni 2007, NJ 2007, 576 (Uni‑Invest); HR 19 januari 2007, NJ 2007, 575 (Meyer Europe/Pont Meyer), HR 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8101 (Lundiform/Mexx)).

5.28.

De door Global c.s. aangehaalde passages betekenen taalkundig bezien dat [gedaagde] ten aanzien van het functioneren van Sunvita B.V. i.o. een persoonlijke juridische verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid op zich heeft genomen.

In de MOU en in de considerans van de CA wordt deze persoonlijke verbintenis in verband gebracht met het feit dat [gedaagde] is gaan handelen vanuit een vennootschap in oprichting, en dat dit overeenstemt met het Nederlandse recht. [gedaagde] stelt dat hij niet heeft beoogd een verdergaande aansprakelijkheid aan zich te trekken dan is voorzien in artikel 2:203 lid 2 BW, in die zin dat deze aansprakelijkheid eindigt op het moment dat de vennootschap wordt opgericht en de verrichte rechtshandelingen bekrachtigt.

Dat [gedaagde] zelf geen verregaande persoonlijke aansprakelijkheid op zich wenste te nemen, hetgeen de rechtbank op zichzelf aannemelijk acht, is echter niet op zichzelf bepalend voor de uitleg van de bewuste passages in de MOU en CA.

Juist immers in de internationale context waarin de overeenkomsten zijn gesloten, is niet vanzelfsprekend dat de Indiase gesprekspartner van [gedaagde] de bewuste passages in de door [gedaagde] beoogde beperkte zin heeft moeten opvatten.

Naar het oordeel van de rechtbank behoefde Global niet zonder specifieke toelichting te begrijpen dat de aangehaalde passages aanknoopten bij een wettelijke regeling die een persoonlijke aansprakelijkheid van [gedaagde] schiep voor rechtshandelingen verricht voorafgaand aan de oprichting, maar deze ook weer deed eindigen zodra de vennootschap werd opgericht en deze de bedoelde rechtshandelingen bekrachtigde.

Dat een en ander tussen partijen is besproken, of dat [gedaagde] anderszins heeft duidelijk gemaakt hoe hij de bewuste passages bedoelde of verstond, is niet gesteld of gebleken. De rechtbank zal er daarom van uitgaan dat dit onderwerp niet aan de orde is geweest tussen partijen. Nu niet is gesteld of gebleken dat Global bij aangaan van deze overeenkomsten is bijgestaan door een Nederlandse jurist, ziet de rechtbank ook anderszins geen reden waarom Global deze passages in de MOU en CA zou moeten opvatten in overeenstemming met (de beperkingen van) artikel 2:203 lid 2 BW.

Dit verweer van [gedaagde] wordt daarom verworpen.

5.29.

Daarmee is nog niet de vraag beantwoord of Global de bewuste zinsneden dan wel redelijkerwijs mocht verstaan als persoonlijke verbintenis van [gedaagde] voor - kort gezegd - de schulden van de tijdelijke Sunvita. De rechtbank beantwoord deze vraag bevestigend.

Ook in het internationale handelsverkeer worden uitdrukkelijke mededelingen over de persoonlijke verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van een ondernemer voor het functioneren van zijn (als contractspartij beoogde) onderneming immers in het algemeen niet zonder reden gedaan. Normaal gesproken worden dergelijke mededelingen gedaan om de wederpartij van die onderneming te overreden een transactie aan te gaan die ze zonder die mededeling niet, of niet op die voorwaarden, bereid is aan te gaan. De overredingskracht van de mededelingen is hierin gelegen dat de wederpartij daaraan extra (verhaals)zekerheid kan ontlenen, omdat zij naast haar contractuele wederpartij ook de ondernemer uit hoofde van de overeenkomst kan aanspreken.

De rechtbank ziet geen aanleiding om hierover in dit geval anders te oordelen. [gedaagde] had er bij Global op aangedrongen om niet te wachten op formalisering van de joint venture vennootschap maar voorlopig de druivenleveranties te doen aan [gedaagde]’ ‘company under construction’ Sunvita B.V. i.o. Wanneer onder die omstandigheden bij herhaling expliciet wordt vastgelegd dat [gedaagde] “personal legal responsibility and liability” heeft genomen voor het functioneren van de tijdelijke Sunvita, mag Global deze mededelingen opvatten als een toezegging van [gedaagde] dat hij persoonlijk mede aansprakelijk is voor de nakoming van de verbintenissen van Sunvita B.V. (i.o.). Zeker nu, zoals in r.o. 5.4 overwogen, partijen op dat moment niet concreet de oprichting van Sunvita B.V. voorzagen, ligt niet in de rede om deze toezegging in tijd beperkt te achten tot de periode tot aan de oprichting van Sunvita B.V. Wel volgt uit artikel 1.2 in verbinding met de aanhef van artikel 1 en de verdere inhoud van de CA dat de toezegging was bedoeld voor de handelstransacties verricht in de periode tot eind mei 2011.

5.30.

De conclusie van dit onderdeel is dat [gedaagde] naast Sunvita B.V. persoonlijk als medeschuldenaar is verbonden voor de nakoming van de verbintenissen van Sunvita B.V. (i.o.) uit hoofde van de handelstransacties verricht in de periode tot eind mei 2011.

Gelet op dit oordeel hoeft niet verder te worden onderzocht of de andere door Global c.s. gestelde gronden (eveneens) kunnen leiden tot persoonlijke aansprakelijkheid van [gedaagde].

5.31.

Dat [gedaagde] persoonlijk aansprakelijk zou zijn voor de nakoming van de verbintenissen van ASK Invest Holding B.V. onder de MOU en CA is gesteld noch gebleken.

Gevolgen voor de vorderingen in conventie

5.32.

Nu in het voorgaande duidelijk is geworden welke (rechts)pers(o)n(en) (nog) kan/kunnen worden aangesproken ter zake van de verschillende overeenkomsten, komt de rechtbank toe aan de gevolgen van dit oordeel voor de vorderingen over en weer.

5.33.

Allereerst constateert de rechtbank dat naast Global ook Amaya als eiseres in conventie optreedt, terwijl Amaya geen partij is bij de hier relevante overeenkomsten. Geen van partijen licht toe waarom aan Amaya een vorderingsrecht zou toekomen. Partijen zijn het er echter kennelijk over eens dat Amaya aan Sunvita B.V. i.o. druiven heeft verzonden, dat Sunvita B.V. (i.o.) deze op de markt heeft gebracht, dat Amaya daarvoor facturen heeft verzonden, en [gedaagde] erkent dat daaruit een schuld van Sunvita aan Amaya is ontstaan groot € 157.205,16 (daargelaten het beroep op verrekening). Nu partijen Amaya behandelen alsof zij in ieder geval wat de handelstransacties betreft jegens [gedaagde] en Sunvita op gelijke voet staat als Global, zal de rechtbank partijen hierin volgen.

5.34.

De primaire vorderingen van Global c.s. (zie 3.1 hierboven onder 1 tot en met 4) strekken in de kern tot nakoming van de TA. Zoals hierboven is geoordeeld, is Sunvita B.V. - na oprichting en bekrachtiging - de contractuele wederpartij van Global bij de TA, en heeft [gedaagde] zich als medeschuldenaar verbonden voor de schulden van Sunvita B.V. (i.o.). Voor zover Global c.s. aanspraak maakt op betaling van hetgeen onder de TA is verschuldigd, gaat haar vordering (eerst en vooral) Sunvita B.V. aan. Global c.s. kon deze partij echter ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding niet in het geding betrekken, omdat Sunvita B.V. op dat moment nog niet was opgericht.

[gedaagde] heeft pas nádat de onderhavige procedure aanhangig was gemaakt, Sunvita B.V. en ASK Invest Holding B.V. opgericht en deze vennootschappen de namens Sunvita B.V. i.o. en ASK Invest Holding B.V. i.o. verrichte rechtshandelingen doen bekrachtigen.

Nu Global c.s. de dagvaarding heeft uitgebracht tegen [gedaagde] “handelend onder de namen A.S.K. Invest Holding B.V. i.o. en Sunvita B.V. i.o.” gaat de rechtbank er vanuit dat Global c.s. deze vennootschappen zou hebben gedagvaard, indien zij ten tijde van de dagvaarding reeds waren opgericht.

De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om Global c.s. de gelegenheid te bieden om - indien zij dit wenst - alsnog Sunvita B.V. op te roepen om aan dit geding deel te nemen, om daarin als medegedaagde verder te procederen. Oproeping zal dan kunnen geschieden op de voet van artikel 118 Rv, dat voorziet in gedwongen tussenkomst.

Aldus kan Global c.s. de vorderingen handhaven die haar oorspronkelijk voor ogen stonden en deze, met inachtneming van de door [gedaagde] in gang gezette oprichting en bekrachtiging, herformuleren tegen enerzijds Sunvita B.V., die inmiddels als de ‘eigenlijke’ contractuele wederpartij onder de TA moet worden beschouwd, en anderzijds [gedaagde], die zich voor de schulden van Sunvita B.V. hoofdelijk heeft verbonden.

In het eerste incident, dat ertoe strekte dat (onder meer) Sunvita B.V. in plaats van [gedaagde] aan het geding zou deelnemen, heeft Global c.s. aangegeven dat zij geen bezwaar had tegen het deelnemen van Sunvita B.V. aan de procedure mits dit niet afdeed aan de persoonlijke aansprakelijkheid van [gedaagde]. De rechtbank heeft bij de rolbeslissing van 23 november 2011 het incidentele verzoek van [gedaagde] afgewezen. Thans ziet zij op bovenstaande gronden wel aanleiding voor tussenkomst van Sunvita B.V., indien Global c.s. dit wenst, en dan niet in plaats van maar naast [gedaagde]. Indien Global c.s. thans slechts tegen [gedaagde] wenst voort te procederen, staat dit haar vrij. Global c.s. kan kiezen welke van twee hoofdelijk verbonden schuldenaren zij aanspreekt.

Nu de vorderingen van Global c.s. niet raken aan de positie van ASK Invest Holding B.V. ziet de rechtbank geen aanleiding om ook ASK Invest Holding B.V. in het geding te doen roepen.

5.35.

Global c.s. zal in de gelegenheid worden gesteld zich bij akte uit te laten over de vraag of zij Sunvita B.V. op de voet van artikel 118 in het geding wenst te roepen, en zo ja, welke vordering zij dan tegen Sunvita B.V. als tweede gedaagde wenst te formuleren. Daarna zal [gedaagde] in de gelegenheid worden gesteld om kort bij antwoordakte op de akte van Global c.s. te reageren.

Vervolgens kan Global c.s. Sunvita B.V. op de wijze voorzien in artikel 118 Rv oproepen, en zal Sunvita B.V. - nadat zij in het geding is verschenen en griffierecht heeft betaald - een conclusie van antwoord kunnen nemen, waarin zij ofwel zich geheel of ten dele kan aansluiten bij het reeds door [gedaagde] gevoerde verweer ofwel afzonderlijk verweer kan voeren. Het geding tussen Global c.s. en [gedaagde] zal in afwachting daarvan dan even stilliggen, tenzij partijen uitdrukkelijk andere afspraken maken. Indien Global c.s. echter afziet van het oproepen van Sunvita B.V., of Sunvita B.V. verstek laat gaan, zullen Global c.s. en [gedaagde] voortprocederen.

Gevolgen voor de vorderingen in reconventie

5.36.

De eerste vordering van [gedaagde] in reconventie strekt tot veroordeling van Global en Amaya tot betaling van € 500.000,00 aan hemzelf. De grond voor deze vordering is dat aan [gedaagde] een goodwillvergoeding zou zijn toegezegd voor de contacten die door hem in de joint venture zijn of zouden worden ingebracht.

De rechtbank acht deze vordering tegen Amaya niet toewijsbaar omdat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien dat en waarom Amaya tot betaling van deze goodwillvergoeding kan worden aangesproken. Amaya is immers geen aandeelhouder in de joint venture vennootschap en gesteld noch gebleken is dat Amaya betrokken is geweest bij het maken van enige afspraak over goodwill.

Global c.s. heeft uitgebreid verweer gevoerd tegen de goodwillvordering, en geconcludeerd dat, indien al aan de verdere voorwaarden voor de uitbetaling van goodwill zou zijn voldaan, niet [gedaagde] maar ASK Invest (Holding, rb.) B.V. daartoe gerechtigd zou zijn, terwijl bovendien deze dan niet door Global en/of Amaya zou worden betaald maar zou worden voldaan uit de winst van de joint venture Sunvita.

Deze conclusie van Global c.s., waarvoor steun is te vinden in de stukken, heeft [gedaagde] niet weersproken. Hij heeft in zijn conclusie van repliek in reconventie slechts gereageerd op het verweer van Global c.s. door te verwijzen naar hetgeen hij bij eis in reconventie naar voren had gebracht. Daarmee heeft hij deze vordering in reconventie onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd, zodat deze te zijner tijd zal worden afgewezen.

5.37.

In voorwaardelijke reconventie vordert [gedaagde], voor het geval de rechtbank mocht oordelen dat Global dan wel Amaya een vordering heeft waarop zij niet slechts voor 51 procent aanspraak kan maken, kort gezegd, dat de ene eiseres aan hem 51 procent vergoedt van hetgeen dat [gedaagde] in conventie zal worden veroordeeld aan de andere eiseres te betalen.

[gedaagde] grondt deze vorderingen op de in de CA neergelegde afspraak dat Global 51 procent van de kosten en het risico dragen van de samenwerking in de tijdelijke Sunvita.

Ook tegen deze vordering heeft Global c.s. uitgebreid verweer gevoerd. Zij heeft onder meer aangevoerd dat de afspraak over verdeling van kosten en risico is gemaakt in het kader van de voorgenomen duurzame samenwerking in de joint venture Sunvita, en binnen het kader van die vennootschap naar rato van de aandelenverhouding zou worden afgerekend, dat een vordering terzake dus niet aan [gedaagde] maar alleen aan ASK Invest Holding B.V. als aandeelhouder kan toekomen, en dat partijen de betreffende afspraken bovendien vooralsnog ter zijde hebben gesteld door specifieke (andere) afspraken te maken voor het druivenseizoen 2011.

Ook deze verweren van Global c.s. heeft [gedaagde] niet weersproken, terwijl daarvoor ook steun is te vinden in de stukken. [gedaagde] heeft in zijn conclusie van repliek in reconventie slechts verwezen naar hetgeen hij bij eis in reconventie naar voren had gebracht. Daarmee heeft hij ook de voorwaardelijke vorderingen in reconventie onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd, zodat deze te zijner tijd zullen moeten worden afgewezen.

Gelet op dit oordeel kan - om redenen van proceseconomie - in het midden blijven of is voldaan aan de voorwaarde waaronder deze vorderingen zijn ingesteld.

5.38.

Hiermee is over het geschil in reconventie een eindoordeel gegeven. Het debat daarover is ten einde.

[gedaagde] zal te zijner tijd als in de in reconventie in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten in reconventie aan de zijde van Global c.s. Deze worden begroot op € 1.352,00 voor salaris van de advocaat (3 punten x € 452,00 (tarief voor zaken met onbepaalde waarde).

Het vervolg van de procedure

5.39.

In conventie resteert thans hoofdzakelijk nog een afrekendispuut ten aanzien van de door partijen in het seizoen 2011 op de markt gebrachte druiven. Global c.s. vordert immers betaling van de (nog onbetaalde) verkoopopbrengst minus commissie en kosten, met inachtneming van de overeengekomen minimumprijs, en ten behoeve van het correct kunnen afrekenen verlangt zij ook inzicht in de onderliggende stukken ter zake van de verrichte verkopen, de daarmee gemoeide kosten en baten.

Uit hetgeen eerder in dit vonnis is geoordeeld volgt dat de afrekening tussen partijen zal moeten plaatsvinden met inachtneming van de TA, waarbij Amaya op dezelfde voet als Global dient te worden behandeld. Over de toepasselijkheid van de TA bestaat geen onzekerheid meer.

De rechtbank overziet nog niet geheel in hoeverre over de uitleg van de TA nu nog verschil van inzicht bestaat, of deze leemtes bevat, en in hoeverre tussen partijen nog - nu de TA moet worden toegepast - onduidelijkheid bestaat over de kwalificatie van de rechtsverhouding tussen Global en Amaya enerzijds en Sunvita B.V. anderzijds.

Het komt de rechtbank praktisch voor als partijen, ook Sunvita B.V. indien deze tussenkomt en verweer voert, hierop hun stellingen in het vervolg van de procedure nog verder toespitsen.

5.40.

Voorshands komt het de rechtbank voor dat de TA voorschrijft dat Sunvita B.V. i.o. het door Global c.s. geleverde fruit bestens zou verkopen en de totale opbrengsten van die verkopen verminderd met 8 procent commissie over de bruto opbrengst en voorts verminderd met door Sunvita B.V. gemaakte kosten (lees: de normale aan (consignatie)verkoop in de fruithandel verbonden kosten, niet de bij het opstarten van een joint venture onderneming te maken kosten), waarbij in de cijfers, rekeningen en onderliggende documenten volledige inzage zou worden verschaft aan TR Financiële Adviesgroep, die daarover aan Global zou rapporteren.

De TA voorziet in een minimumprijs, die gelet op het karakter van de handel in een bederfelijk, ‘levend’, product redelijkerwijs niet kan betekenen dat Sunvita B.V. i.o. niet onder dat bedrag mocht verkopen maar dat zij met Global c.s. moest afrekenen als ware ten minste deze minimumprijs gerealiseerd.

Partijen lijken nog van mening te verschillen over de vraag of het Sunvita B.V. i.o. vrij stond om te verkopen aan partijen die op hun beurt een commissie aan Sunvita B.V. i.o. in rekening brachten (vgl. 2.22). In dit verband lijkt relevant of partijen hierover met elkaar afspraken hebben gemaakt, hoe zij in eerdere seizoenen hiermee waren omgegaan en hoe ieder van hen in dit verband de afspraak over aftrek van kosten hebben begrepen en redelijkerwijs mochten begrijpen. Ook hierover kunnen partijen zich in het vervolg van de procedure verder uitlaten.

5.41.

[gedaagde] heeft gesteld dat de kwaliteit van de uit India aangevoerde druiven niet (steeds) in orde was. Hij wenst in dit verband een tegenvordering wegens gederfde commissie in verrekening te brengen. Global c.s. heeft onder meer aangevoerd dat niet duidelijk en tijdig is geklaagd over de kwaliteit van het fruit.

Afrekeningen worden in de fruithandel naar de rechtbank bekend is doorgaans per zending en container uitgesplitst, en wanneer [gedaagde] dan wel Sunvita B.V. klachten over de kwaliteit van het ontvangen fruit heeft, dienen deze niet in algemene termen maar concreet en specifiek uitgewerkt per zending/container in de procedure naar voren te worden gebracht. Voorts dient te worden aangegeven hoe, wanneer en jegens wie daarover is geklaagd.

Voor zover [gedaagde] of - te zijner tijd - Sunvita B.V. meent recht te hebben op schadevergoeding of anderszins een verrekenbare tegenvordering te hebben, dient daarvoor voorts een duidelijke grondslag in wet of contract te worden aangeduid.

5.42.

Voor verrekening met vorderingen die aan ASK Invest Holding B.V. toekomen is geen plaats, omdat de over en weer te verrekenen vorderingen niet in dezelfde vermogens vallen. Om dezelfde reden kan [gedaagde] geen aan Sunvita toekomende vordering in verrekening brengen en andersom.

5.43.

Partijen hebben reeds een zeer grote hoeveelheid cognossementen, facturen en verdere administratieve bescheiden in het geding gebracht. De rechtbank beschouwt het niet als haar taak om zelf uit deze stukken te distilleren of deze stukken onderling en op de geldstromen aansluiten, of welke verdere stukken Global c.s. nog zou moeten ontvangen in het kader van haar vordering strekkend tot rekening en verantwoording. Het is aan partijen om aan de rechtbank aan te geven wat er in hun visie uit deze stukken blijkt, wat de betekenis daarvan voor de vorderingen is, en wat op dit punt verder nog zou moeten gebeuren.

De rechtbank acht overigens niet ondenkbaar dat volledige duidelijkheid en boekhoudkundige aansluiting niet kan worden gerealiseerd, ook omdat partijen lopende het druivenseizoen de afrekenafspraken lijken te hebben gewijzigd.

5.44.

Het geheel overziend, geeft de rechtbank partijen in overweging om nogmaals met elkaar in overleg te treden over de mogelijkheden om binnen de door dit vonnis geschapen kaders tot een minnelijke regeling te komen, al is het maar ter beperking van de tijd en moeite die nog zal moeten worden geïnvesteerd om tot deze procedure tot een einde te brengen.

5.45.

Ieder verder oordeel in conventie wordt aangehouden.

6 De beslissing

De rechtbank

in conventie

6.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 3 december 2014 voor het nemen van een akte door Global c.s. over hetgeen is vermeld onder 5.35, waarna [gedaagde] op de rol van vier weken daarna een antwoordakte kan nemen,

6.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2014.

2083/1885/2066