Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:8651

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-04-2014
Datum publicatie
23-10-2014
Zaaknummer
C/10/389606 / F1 RK 11-3441 en C/10/403361 / F1 RK 12-2069
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegheid rechtbank ten aanzien van verzoek tot echtscheiding c.q. de ouderlijke verantwoordelijkheid in verband met art. 8 Brussel llbis. Gewone verblijfplaats van het kind tegen de achtergrond van een gevoerde procedure in het kader van het Haags Kinderontvoeringsverdrag (HOKV), waarop nog niet onherroepelijk is beslist. Invloed verloop HOKV procedure op de (wijziging) gewone verblijfplaats van het kind en op de bevoegdheid van de rechtbank. Verblijf kinderen in het buitenland was tijdelijk van aard. Na verblijf in het buitenland en lopende de echtscheidingsprocedure verhuizen kinderen weer terug naar Nederland. Kinderen verblijven inmiddels geruime tijd in Nederland. Artikel 15 Brussel llbis. Mogelijke verwijzing buitenlandse rechter naar een gerecht van een andere lidstaat waarmee het kind een bijzondere band heeft, in casu Nederland, van invloed op oordeel van de rechtbank. Rechtbank acht zich, mede gelet op het belang van de kinderen, bevoegd kennis te nemen van het verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie 1

Zaak/ - rekestnummer: C/10/389603 / F1 RK 11-3441 en

C/10/403361/ F1 RK 12-2069

Beschikking van 1 april 2014 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[verzoeker], de man,

wonende te [woonplaats 1],

advocaat mr. M.S. Clarenbeek te Maassluis,

t e g e n

[verweerster], de vrouw,

wonende te[adres] [woonplaats 2],

advocaat mr. J.A.M. Schoenmakers te Breda.

Het verdere verloop van de procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de tussenbeschikking van 28 november 2012;

  • -

    de rapporten van de raad voor de kinderbescherming, gedateerd 2 oktober 2013 en 4 januari 2013;

de correspondentie waaronder:

  • -

    de brieven (met bijlagen) van de zijde van de vrouw, gedateerd 18 januari 2013, 5 december 2013, 27 december 2013 en 3 januari 2013;

  • -

    een afschrift van de brief van de zijde van de vrouw aan de raad voor de kinderbescherming van 1 oktober 2013;

  • -

    de brieven (met bijlagen) van de zijde van de man, gedateerd 10 juli 2013 en 3 januari 2014.

  • -

    de brieven van de raad voor de kinderbescherming, gedateerd 7 augustus 2013;

  • -

    een afschrift van de brief van de raad voor de kinderbescherming aan de vrouw van 8 oktober 2013;

De verdere behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 13 januari 2014.

Bij die gelegenheid zijn verschenen:

  • -

    de man met zijn advocaat mr. M.S. Clarenbeek;

  • -

    de vrouw met haar advocaat mr. J.A.M. Schoenmakers;

  • -

    de raad voor de kinderbescherming (hierna ook: de raad), vertegenwoordigd door mevrouw J.F. Timmermans;

  • -

    Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam (hierna ook: BJZ), vertegenwoordigd door de heer R. Breugelmans.

De verdere beoordeling

De rechtbank verwijst naar en neemt over hetgeen is opgenomen in haar tussenbeschikking van 28 november 2012. Bij voormelde beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de zaak aangehouden ten aanzien van:

- de hoofdverblijfplaats van de kinderen;

- de zorgregeling;

- de kinderalimentatie;

- de gebruiksvergoeding van de echtelijke woning.

Uit voormelde de tussenbeschikking blijkt voorts dat de vrouw instemt met het verzoek van de man om de huwelijksgemeenschap door middel van een notaris en onzijdige personen te verdelen. Dit verzoek ligt voor toewijzing gereed.

Op 28 maart 2013 is de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Chronologie van de gevoerde procedures tussen partijen in België en in Nederland

Vast staat dat de vrouw met de minderjarigen van partijen in de zomer 2010 naar België is vertrokken. Op 21 oktober 2010 stond zij ingeschreven in [woonplaats 2] (Belgïe).

Op 2 augustus 2011 heeft de man een verzoek ingediend bij de Centrale Autoriteit tot teruggeleiding van de minderjarigen naar Nederland. Het verzoek van de man tot teruggeleiding is op 7 november 2011 door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel behandeld.

Bij beslissing van 16 november 2011 heeft de rechtbank van eerste aanleg te Brussel de vordering van de man tot onmiddellijke terugkeer van de minderjarigen naar Nederland ongegrond verklaard.

Op 25 oktober 2011 heeft de man bij de rechtbank Rotterdam met zijn verzoekschrift tot echtscheiding met nevenvoorzieningen onderhavige procedure aanhangig gemaakt. De zaak is ruim een jaar later voor het eerst behandeld op 14 november 2012.

Op 23 november 2011 heeft de man bij de rechtbank Rotterdam een verzoekschrift ingediend tot het treffen van voorlopige voorzieningen, waarbij hij onder meer heeft verzocht de minderjarigen aan hem toe te vertrouwen en een zorgregeling vast te stellen.

Bij beschikking van 21 maart 2012 verklaarde de voorzieningenrechter zich op grond van de verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 (hierna te noemen: Brussel II-bis) niet bevoegd kennis te nemen van de verzoeken van de man ten aanzien van de toevertrouwing van de minderjarigen.

Op 16 december 2011 heeft de man tegen voormelde beslissing van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel hoger beroep ingesteld bij het hof van beroep te Brussel.

Bij beslissing van het hof van beroep van 5 juni 2012 wordt het hoger beroep van de man ontvankelijk en gegrond verklaard. Het hof van beroep beveelt de onmiddellijke terugkeer van de minderjarigen naar Nederland, naar het adres van de man. Op 20 juli 2012 zijn de minderjarigen naar de man in Nederland gegaan.

Naar aanleiding van voormelde beslissing van het hof van beroep heeft de man op 22 juni 2012 bij de rechtbank Rotterdam een verzoek wijziging van de beslissing voorlopige voorzieningen van 21 maart 2012 ingediend met het verzoek om de minderjarigen alsnog aan hem toe te vertrouwen en een zorgregeling vast te stellen.

Bij beschikking van 27 juli 2012 verklaart de voorzieningenrechter, onder wijziging van de beslissing van 21 maart 2012, zich bevoegd kennis te nemen van de verzoeken van de man en worden de minderjarigen aan de man toevertrouwd. Daarnaast bepaalt de voorzieningenrechter onder meer een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, welke luidt als volgt:

  • -

    de minderjarigen zullen in een periode van drie weken de eerste twee weekenden van vrijdag na school tot zondag 18:00 uur bij de vrouw verblijven, waarbij de vrouw de minderjarigen op vrijdag ophaalt uit school en de man de minderjarigen op zondag ophaalt bij de vrouw;

  • -

    de minderjarigen verblijven voorts de helft van de feest- en vakantiedagen bij de vrouw, in onderling overleg tussen partijen nader te bepalen.

Voorts stelt de voorzieningenrechter de stukken in handen van de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam met het verzoek onderzoek te verrichten ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen en de zorgregeling.

Op 18 september 2012 is door de advocaat van de vrouw tegen arrest van het hof van beroep te Brussel van 5 juni 2012 cassatie ingesteld bij het hof van cassatie te Brussel.

Zoals hierboven eerder is overwogen wordt op 14 november 2012 het verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen voor het eerst behandeld. Naar aanleiding van de behandeling ter zitting zijn partijen doorverwezen naar mediation. Medio 2013 is de mediation zonder overeenstemming geëindigd.

Bij beschikking van deze rechtbank van 18 maart 2013 zijn de minderjarigen onder toezicht gesteld voor de duur van één jaar.

Bij arrest van 7 juni 2013 vernietigd het hof van cassatie te Brussel voornoemd arrest van het hof van beroep en verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.

Naar aanleiding van voormelde beslissing van het hof van cassatie heeft de vrouw op 3 juli 2013 bij de rechtbank Rotterdam een verzoek wijziging van de beslissing voorlopige voorzieningen van 27 juli 2012 ingediend met het verzoek om de minderjarigen aan haar toe te vertrouwen en een nieuwe zorgregeling vast te stellen.

Bij beschikking van 8 augustus 2013 wijst de voorzieningenrechter het verzoek van de vrouw af.

De bevoegdheid van de rechtbank ten aanzien van de ouderlijke verantwoordelijkheid

De vrouw voert aan dat de rechtbank onbevoegd is om te beslissen omtrent de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen en de zorgregeling, omdat – verkort weergegeven – met het arrest van het hof van cassatie van België van 7 juni 2013 vast is komen te staan dat van een ongeoorloofde overbrenging van de minderjarigen door de vrouw naar België geen sprake is geweest en dit tot gevolg heeft dat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen niet is gewijzigd en nog immer in België is gelegen.

De man heeft de stelling van de vrouw gemotiveerd betwist.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uitgangspunt is de hoofdregel verwoord in artikel 8 lid 1 van de verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 (hierna te noemen Brussel IIbis), dat bevoegd verklaart de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat een wijziging van de gewone verblijfplaats in beginsel geen verandering brengt in de bevoegdheid van het aangezochte gerecht.

Met de gewone verblijfplaats van het kind wordt gedoeld op zijn maatschappelijke woonplaats, welke van geval tot geval bepaald zal moeten worden. Daartoe moet onder meer rekening worden gehouden met de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de reden van het verblijf op het grondgebied van een lidstaat en van de verhuizing van het gezin naar die staat, de nationaliteit van het kind, de plaats waar en de omstandigheden waaronder het naar school gaat, de talenkennis, en de familiale en sociale banden van het kind in die staat. Daarmee is de gewone verblijfplaats van het kind de primaire aanknopingsfactor voor het bepalen van de gerechtelijke bevoegdheid. Daarbij wordt aangenomen dat doorgaans het gerecht van de gewone verblijfplaats van het kind het beste in staat is om de belangen van het kind te beoordelen en de gevraagde maatregelen daarop af te stemmen.

De gewone verblijfplaats is echter geen exclusieve bevoegdheidsgrond. Volgens artikel 8 lid 2 Brussel IIbis bestaan uitzonderingen op de hoofdregel, welke te vinden zijn in artikel 9, 10 en 12. Deze uitzonderingen stellen de gerechten van lidstaten onder bepaalde voorwaarden in de gelegenheid om rechtsmacht uit te oefenen over een kind dat zijn gewone verblijfplaats in een andere (lid-)staat heeft.

In dit verband zij nog opgemerkt dat artikel 15 Brussel IIbis de gerechten van een lidstaat die bevoegd zijn de mogelijkheid biedt een zaak naar een gerecht van een andere lidstaat te verwijzen, indien zij van oordeel zijn dat het gerecht van die andere lidstaat waarmee het kind een bijzondere band heeft beter in staat is de zaak of een specifiek onderdeel daarvan te behandelen.

Gelet op deze uitzonderingen en tegen de achtergrond van de door partijen in België gevoerde procedure in het kader van het Haags Kinderontvoeringsverdrag van 1980 (hierna: HKOV) dient thans te worden beoordeeld of deze rechtbank bevoegd is kennis te nemen van de verzoeken omtrent de ouderlijke verantwoordelijkheid, althans de verzoeken ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen en de zorgregeling.

Zoals reeds hierboven is overwogen heeft de man op 2 augustus 2011 een verzoek ingediend bij de Centrale Autoriteit tot teruggeleiding van de minderjarigen naar Nederland. Op het moment dat de man het echtscheidingsverzoek met onderhavige nevenverzoeken bij de rechtbank aanhangig heeft gemaakt, te weten op 25 oktober 2011, verbleven de minderjarigen van partijen al meer dan een jaar bij de vrouw in België. Op 7 november 2011 is het verzoek van de man tot teruggeleiding van de minderjarigen door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel behandeld. Bij beslissing van 16 november 2011 heeft de rechtbank van eerste aanleg te Brussel de vordering van de man tot onmiddellijke terugkeer van de minderjarigen naar Nederland ongegrond verklaard. Naar het oordeel van deze rechtbank diende derhalve op dat moment vooralsnog ervan te worden uitgegaan dat de minderjarigen legaal in België verbleven en, op grond van artikel 8 lid 1 Brussel IIbis, een gerecht te België bevoegd was kennis te nemen van de verzoeken omtrent de ouderlijke verantwoordelijkheid.

Zoals eerder overwogen werd het hoger beroep van de man tegen de beslissing van de rechtbank van eerste aanleg bij arrest van het hof van beroep van 5 juni 2012 ontvankelijk en gegrond verklaard. Het hof van beroep beval de onmiddellijke terugkeer van de minderjarigen naar Nederland, naar het adres van de man. Op grond van dit arrest zijn de minderjarigen in juli 2012 legaal naar Nederland verhuisd. De rechtbank stelt vast dat ook op dat moment nog niet onherroepelijk was beslist op de vraag of de minderjarigen al dan niet ongeoorloofd naar België waren overgebracht, immers de vrouw kon tegen voormeld arrest nog cassatie instellen, van welke mogelijkheid zij ook gebruik heeft gemaakt. Dit neem niet weg dat de minderjarigen zich vanaf juli 2012 legaal in Nederland bevonden.

Naar aanleiding van voormelde beslissing van het hof van beroep te Brussel heeft de man op 22 juni 2012 bij de rechtbank Rotterdam een verzoek wijziging van de beslissing voorlopige voorzieningen van 21 maart 2012 ingediend met het verzoek om de minderjarigen alsnog aan hem toe te vertrouwen en een zorgregeling vast te stellen.

Blijkens de beschikking van 27 juli 2012 heeft de voorzieningenrechter, gelet op het arrest van het hof van beroep te Brussel en op artikel 10 van Brussel IIbis, geoordeeld dat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen niet was gewijzigd en nog steeds in Nederland lag. Daarbij heeft de voorzieningenrechter in aanmerking genomen dat tussen partijen vast was komen te staan dat het door de vrouw voorgenomen cassatieberoep tegen het arrest geen schorsende werking zou hebben, zodat het arrest van kracht bleef. Op grond daarvan achtte de voorzieningenrechter zich bevoegd kennis te nemen van de verzoeken inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid en heeft zij de minderjarigen aan de man toevertrouwd, een voorlopige zorgregeling vastgesteld en de raad van de kinderbescherming verzocht om onderzoek of andere bemoeienis ten aanzien van de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling te verrichten.

Tegen die achtergrond heeft de rechtbank het verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen van de man van 25 oktober 2011 en de nadien ingekomen verweren en verzoeken van partijen voor het eerst behandeld op 14 november 2012. Naar aanleiding daarvan heeft de rechtbank bij tussenbeschikking van 28 november 2012 beslist dat zij ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding bevoegd was daarvan kennis te nemen en heeft zij de echtscheiding uitgesproken.

Bij deze tussenbeschikking heeft de rechtbank zich niet uitgelaten over haar bevoegdheid ten aanzien van de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling. Derhalve zal de rechtbank eerst beoordelen of zij al dan niet bevoegd is. Op grond van bovenstaande overwegingen dient daarvoor bezien te worden waar de minderjarigen hun “gewone verblijfplaats” hadden ten tijde van het aanhangig maken van de onderhavige procedure, dan wel of sprake is van een uitzonderingsgrond uit hoofde van artikel 10 Brussel IIbis. De rechtbank overweegt in dit kader als volgt. Op 25 oktober 2011 (datum indiening verzoekschrift) woonden de minderjarigen met de vrouw in België. Tussen partijen staat ter discussie of het verblijf van de minderjarigen in België een permanent karakter had of niet. De man zegt hierover dat hij in de veronderstelling was dat de vrouw slechts een tijdelijk bezoek aan familie zou brengen en dat zij na de zomervakantie met de kinderen naar Nederland zou terugkeren. De vrouw stelt zich echter op het standpunt dat het wel degelijk de bedoeling was dat zij zich, met de minderjarigen, voorgoed in België zou vestigen en heeft aangevoerd dat de man hiermee aanvankelijk heeft ingestemd, getuige zijn “autorisatie” (die diende om de kinderen in België te (laten) inschrijven). In de procedure bij het hof van beroep te Brussel heeft de man hierover verklaard dat deze toestemming bezien dient te worden in het licht van de toen geldende omstandigheden. Deze kwamen er – kort samengevat – op neer dat de vrouw beschuldigingen aan het adres van de man had geuit, welke beschuldigingen samenhingen met beweerdelijk seksueel grensoverschrijdend gedrag. De man heeft toen gemeend dat het zinnig was om de benodigde rust te bewaren, waarbij de kinderen nog altijd in België waren, het nieuwe schooljaar begon en het de man destijds verstandig leek om hen dan –tijdelijk – in België naar school te laten gaan. Uit de gevoerde procedures in België blijkt dat de rechtbank in eerste aanleg de vrouw heeft gevolgd in haar standpunt en dat het hof van beroep de man heeft gevolgd. Uit het arrest van het hof van cassatie te België kan worden afgeleid dat het hof van beroep de man ten onrechte ontvankelijk heeft geacht in zijn hoger beroep, echter hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer dat het hof van cassatie heeft beoogd om het inhoudelijke oordeel ten aanzien van de verhuizing en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden te casseren. Ook hierover verschillen partijen overigens van mening, blijkens de door hen overgelegde verklaringen van Belgische advocaten (die daarover verschillende standpunten innemen). Het is derhalve nog maar zeer de vraag of ten aanzien van de verhuizing in België een onherroepelijke beslissing is genomen. Wat de rechtbank betreft kan het antwoord op deze vraag evenwel in het midden blijven nu de minderjarigen inmiddels sinds al weer geruime tijd in Nederland wonen en naar school gaan. Wanneer het verblijf van de kinderen wordt geplaatst in het perspectief van de tijd komt het er op neer dat zij vanaf hun geboorte tot de zomer 2010 in Nederland hebben gewoond, vanaf 21 oktober 2010 in België stonden ingeschreven, tot 20 juli 2012 in België verbleven, om vervolgens weer naar Nederland terug te keren. In het licht van alle bovengenoemde omstandigheden – in onderlinge samenhang bezien – komt de rechtbank tot het oordeel dat het verblijf van de minderjarigen in België als tijdelijk dient te worden beschouwd. Voor zover noodzakelijk geeft de rechtbank tevens een (zelfstandig) oordeel over de vraag of de man al dan niet berust zou hebben in de verhuizing van de minderjarigen naar België. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet het geval. De rechtbank acht de uitleg van de man geloofwaardig en heeft hierbij in aanmerking genomen dat de man pas ná de zomervakantie getekend heeft voor het inschrijven van de kinderen in België, nu de vrouw eerst zichzelf op 14 september 2010 heeft ingeschreven in België, zich op 23 september 2010 heeft uitgeschreven in [woonplaats 1] en pas op 30 september 2010 de kinderen in België heeft ingeschreven. Voorts heeft de man in oktober 2010 in reactie op een brief van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) een formulier ingevuld met de mededeling dat de vrouw zich tijdelijk in België had gevestigd.

In de afweging ten aanzien van het bevoegdheidsvraagstuk heeft de rechtbank voorts artikel 15 IIbis betrokken, aangezien het naar het oordeel van de rechtbank zeer wel voor de hand ligt dat bij een verwijzing naar de Belgische rechter deze de zaak met een beroep op voormeld artikel de zaak weer zal terug verwijzen naar de Nederlandse rechter. Geen der partijen heeft belang bij een dergelijke vertraging, en met name het belang van de in de onderhavige zaak betrokken minderjarigen maakt dat zo spoedig mogelijk duidelijkheid dient te worden verkregen over hun hoofdverblijfplaats.

Op grond van bovenstaande overwegingen acht de rechtbank zich bevoegd kennis te nemen van het verzoek. Gelet daarop zal de rechtbank dan ook, anders dan door de vrouw is betoogd, de bevindingen van de raad en van BJZ betrekken bij de beoordeling van het geschil omtrent de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling.

Het verzoek tot het horen van de minderjarige [voornaam]

Bij brief van 5 december 2013 verzoekt de vrouw de rechtbank de oudste minderjarige [voornaam], geboren op [geboortedatum], te horen. Daartoe heeft de vrouw aangevoerd dat zij volop signalen heeft gekregen dat de minderjarige de rechter wil laten weten bij wie en waar zij graag wil wonen. Volgens de vrouw ervaart de minderjarige dat niet naar haar wordt geluisterd. Mocht de rechtbank aan dit verzoek geen gevolg geven dan verzoekt de vrouw een bijzondere curator ex artikel 1:250 te benoemen, zodat de belangen van de minderjarige [voornaam] door een onafhankelijke derde kunnen worden weergegeven in de lopend procedure, aldus de vrouw.

De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

De rechtbank overweegt op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting als volgt.

Ingevolge artikel 809 van het Wetboek van Rechtsvordering kan de rechter minderjarigen die de leeftijd van twaalf jaar nog niet hebben bereikt in de gelegenheid stellen hem hun mening kenbaar te maken op een door hem te bepalen wijze. Hij is daartoe niet verplicht en behoeft zijn beslissing om hen niet te horen, behoudens bijzondere omstandigheden, niet te motiveren. Van bijzondere omstandigheden is in dit geval niet gebleken.

Het verzoek van de vrouw om de minderjarige [voornaam] door de rechtbank te horen wordt afgewezen, nu de minderjarig de leeftijd van twaalf jaar nog niet heeft bereikt.

Krachtens artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechter in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige, waarbij de belangen van de ouders in strijd zijn met de belangen van de minderjarige, een bijzondere curator benoemen, indien hij dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht en de bijzondere aard van de belangenstrijd in aanmerking heeft genomen.

Uit de parlementaire geschiedenis betreffende artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) blijkt dat is beoogd te voorzien in de mogelijkheid van benoeming van een bijzondere curator wanneer met betrekking tot de verzorging en opvoeding een wezenlijk conflict is ontstaan tussen de minderjarige en degene die als wettelijke vertegenwoordiger met zijn verzorging en opvoeding is belast.

Onder aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige vallen onder andere ook de verblijfplaats van de minderjarige.

Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, in dit geval geen sprake van een concreet geschil tussen de minderjarige en haar ouders, waarin de belangen van de ouders in strijd zijn met die van de minderjarige [voornaam]. Immers het onderhavige geschil omtrent de hoofdverblijfplaats vloeit voort uit het echtscheidingsconflict en de strijd die de ouders onderling voeren en niet uit een rechtstreeks conflict tussen de minderjarige [voornaam] en haar ouders.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat in de raadsrapportage en de concept afsluitrapportage van BJZ de belangen van de minderjarige [voornaam] voldoende tot uitdrukking zijn gekomen, zodat het niet in het belang van haar noodzakelijk wordt geacht om een bijzondere curator te benomen. Bovendien geldt ook in dit opzicht dat het benoemen van een bijzondere curator tot extra vertraging zal leiden, terwijl de rechtbank van oordeel is dat een spoedige beslissing juist in het belang van de minderjarige moet worden geacht.

Gelet op het vorenstaande zal ook dit verzoek van de vrouw worden afgewezen.

De hoofdverblijfplaats van de minderjarigen en de zorgregeling

Beide partijen wensen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij hen van zal zijn en hebben daartoe de voor hen zwaarwegende argumenten aangevoerd.

De vrouw is van mening dat de opvoedingssituatie bij haar in het belang is van de minderjarigen, zodat de hoofdverblijfplaats van hen bij de vrouw dient te zijn. De man daarentegen geeft aan dat de opvoedingssituatie bij hem goed is voor de minderjarigen en vindt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen aan hem dient te worden toegewezen.

Voorop gesteld dient te worden dat voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen twee vormen van relaties van het allergrootste belang zijn. Aan de ene kant een ongestoorde hechtingsrelatie die een kind moet kunnen opbouwen met iedere ouder afzonderlijk en aan de andere kant de relatie tussen de ouders onderling.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is genoegzaam gebleken dat de ouders al enkele jaren in een felle onderlinge (juridische) strijd zijn verwikkeld. Tussen partijen bestaat weinig vertrouwen en de communicatie verloopt uiterst stroef, ondanks de mediation en hulpverleningstrajecten die partijen zijn ingegaan. De overdracht van de minderjarigen is in het recente verleden verschillende keren uiterst problematisch verlopen. Bij de minderjarigen is sprake van een fors loyaliteitsconflict. Dit betekent dat als het kind zijn loyaliteit naar de ene ouder uit, hij tegelijkertijd de andere ouder tekort doet, en andersom. Hoe sterker het kind zich onder druk gezet voelt om te moeten kiezen tussen beide ouders, hoe groter de innerlijke conflicten en hoe groter de kans dat de psychische gezondheid van het kind in gevaar komt. Ten gevolge van dit conflict zijn de minderjarigen een jaar geleden onder toezicht gesteld.

Ter zitting hebben de zittingsvertegenwoordigers van de raad en BJZ hun voornemen uitgesproken om geen verlenging van de ondertoezichtstelling te vragen. Echter hebben zij wederom hun zorgen over de relatie tussen de ouders uitgesproken en een dringend beroep op hen gedaan de onderlinge strijd eindelijk te staken, ten einde het loyaliteitsconflict bij de kinderen te doen verdwijnen. De rechtbank sluit zich daarbij aan.

Met de raad is de rechtbank van oordeel dat het in beginsel in het belang van het kind is dat zijn hoofdverblijf niet wordt gewijzigd. Slechts wanneer zwaarwegende belangen van dat kind zich verzetten tegen een langer (hoof-)verblijf bij de betreffende ouder, kan aanleiding zijn om de huidige hoofdverblijfplaats te wijzigen. Daarbij spelen diverse sociale, psychologische en maatschappelijke factoren een rol, waaronder opvoedklimaat, leeftijd en wens van het kind, onrust en impact wijziging hoofdverblijfplaats en de mogelijkheid die door de ene ouder wordt geboden tot contact met de andere ouder.

Ten aanzien van de opvoedsituatie neemt de rechtbank in aanmerking dat genoegzaam is gebleken dat van grensoverschrijdend seksueel gedrag van de man jegens de kinderen geen sprake is geweest. Voorts geeft de raad in haar rapportage aan dat uit het persoonlijkheidsonderzoek van de vrouw geen pathologie naar voren is gekomen.

In zijn rapport noemt de raad het opvallend dat de minderjarigen zich bij de man en de vrouw verschillend gedragen. Volgens de raad maken de minderjarigen bij de man een meer ontspannen en ongecompliceerde indruk dan bij de vrouw. De raad wijst er op dat vanwege het loyaliteitsconflict het voor de minderjarige [voornaam] thans nog onmogelijk is om te accepteren dat het goed is om bij de man te wonen, omdat zij hiermee gevoelsmatig haar moeder in de steek zou laten. Tegen die achtergrond dient de geuite wens van [voornaam] om bij de moeder te wonen te worden gewogen, aldus de raad.

In zijn rapport somt de raad de voor- en nadelen op indien de hoofverblijfplaats bij de ene of de andere ouder zal zijn.

Indien de minderjarigen de hoofdverblijfplaats bij de vader houden, zijn de voordelen dat de opvoedomgeving wordt gecontinueerd, zij op de huidige school kunnen blijven en de vriendenkring in stand blijft. Voorts wordt als voordeel genoemd dat de man achter het contact en ruime omgangsregeling tussen de minderjarigen en de vrouw staat. Bovendien worden zij bij hem niet of nauwelijks belast met volwassen zaken omtrent de scheidingsproblematiek. Daar staat tegenover dat de minderjarige [voornaam] heeft aangegeven liever bij haar moeder de te willen wonen.

Indien de minderjarigen de hoofdverblijfplaats bij de vrouw krijgen zijn de voordelen dat de minderjarige [voornaam] zich gehoord zal voelen. Daarnaast staat ook de vrouw achter de contacten tussen de minderjarigen en de man. Daar tegenover bestaan er zorgen over het feit dat de vrouw de minderjarigen belast met volwassen zaken, de minderjarigen beïnvloedt met een negatief beeld van de man, waardoor zij zich minder vrij voelen om positief over de man te praten. Bovendien brengt wijziging van hoofdverblijfplaats als nadeel met zich dat de opvoedomgeving weer zou veranderen.

De raad concludeert dat bij weging van de voor- en nadelen het in het belang van de minderjarigen is dat de hoofverblijfplaats van de minderjarigen bij de vader zal zijn.

Ter zitting heeft de raad die conclusie gehandhaafd. BJZ heeft zich daarbij aangesloten.

Ter zitting is met partijen verder gesproken over mogelijk opties ten einde tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te komen.

Gesproken is over een co-ouderschapsregeling, doch deze oplossing is, mede door de grote reisafstand en de financiën van partijen, praktisch niet uitvoerbaar voor partijen. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat in dit geval de echtscheiding zodanig is geëscaleerd dat op dit moment te weinig draagvlak voor de uitvoering van een co-ouderschapsregeling bestaat.

Voorts zijn partijen ter zitting in de gelegenheid gesteld in onderling overleg overeenstemming te bereiken. Dit is helaas niet gelukt.

Alles afwegende en in onderlinge samenhang bezien is de rechtbank met de raad van oordeel dat het thans in het belang van de minderjarigen is dat de hoofdverblijfplaats van hen bij de man zal zijn. Daarbij acht de rechtbank de continuïteit van de huidige opvoedsituatie, die de laatste twee jaar vooral in Nederland bij de man is gelegen, van doorslaggevend belang voor de minderjarigen. Een verandering van de opvoedsituatie, indien het hoofdverblijf van de minderjarigen bij de vrouw zal zijn, acht de rechtbank, tegen de achtergrond van de gebeurtenissen in het gezin gedurende de afgelopen jaren, niet in het belang van de minderjarigen. Rust, stabiliteit en duidelijkheid is thans van het allergrootste belang voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van de minderjarigen.

Ten aanzien van de zorgregeling volgt de rechtbank het advies de raad om de lopende zorgregeling te continueren, inhoudende dat de minderjarigen twee van de drie weekenden van vrijdag na school tot zondag 18.00 bij de vrouw verblijven, waarbij de man de kinderen op vrijdag direct na school naar de vrouw in België zal brengen en hen op zondag ook weer zal halen. De vrouw zal één belcontact met de minderjarigen hebben op woensdag en in het weekend dat de minderjarigen niet bij de vrouw zijn. De belcontacten moeten plaatsvinden tussen 17.00 uur en 19.00 uur.

De kinderalimentatie en de gebruiksvergoeding voor de echtelijke woning

Mede naar aanleiding omtrent het geschil over de hoofdverblijfplaats is het tot op heden niet mogelijk geweest een beslissing omtrent de kinderalimentatie te geven. Daarnaast heeft de vrouw tot op heden geen actuele gegevens over haar financiële situatie ingediend, zoals omschreven in de tussenbeschikking van 28 november 2012.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank zich thans nog onvoldoende voorgelicht om een beslissing omtrent de kinderalimentatie te nemen. Derhalve wordt de beslissing op dit punt aangehouden.

Voorts heeft de vrouw ook ten aanzien van de gebruiksvergoeding haar verzoek nog niet nader toegelicht, zodat ook de beslissing ten aanzien van dit punt zal worden aangehouden.

De beslissing

bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de man zal zijn;

wijst af het verzoek van de vrouw te bepalen dat het hoofdverblijf van de minderjarigen bij haar zal zijn;

bepaalt dat de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn:

De minderjarigen zullen twee van de drie weekenden van vrijdag na school tot zondag 18.00 bij de vrouw verblijven, waarbij de man de kinderen op vrijdag direct na school naar de vrouw in België zal brengen en hen op zondag ook weer zal ophalen. De vrouw zal één belcontact met de minderjarigen hebben op woensdag en in het weekend dat de minderjarigen niet bij de vrouw zijn. De belcontacten moeten plaatsvinden tussen 17.00 uur en 19.00 uur;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

en alvorens verder te beslissen:

bepaalt dat de behandeling van de zaak ten aanzien van de kinderalimentatie en de gebruiksvergoeding van de echtelijke woning pro forma wordt aangehouden 1 juli 2014, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen ten aanzien van deze geschillen tot overeenstemming te komen, met het verzoek aan de advocaten van partijen uiterlijk twee weken vóór laatstgenoemde datum schriftelijk aan de rechtbank te berichten omtrent de resultaten van de onderhandelingen.

Indien partijen er niet in slagen tot overeenstemming te geraken, dienen de advocaten van partijen uiterlijk twee weken voor voormelde pro-forma datum de in de tussenbeschikking van 28 november 2012 aangehaalde draagkrachtberekeningen en nog niet overgelegde relevante bewijsstukken in het geding te brengen en de rechtbank om voortzetting van de mondelinge behandeling te verzoeken, met daarbij een nauwkeurige en uitputtende opgave van de nog resterende geschilpunten;

deelt partijen mede dat indien zij niet uiterlijk op laatstgenoemde pro forma datum de voormelde bescheiden in het geding hebben gebracht, de rechtbank kan beslissen op de zich op dat moment in het dossier bevindende stukken.

bepaalt dat partijen en hun raadslieden op de genoemde pro forma-datum niet ter zitting behoeven te verschijnen;

Deze beschikking is gegeven door mr. A.J. van Dijk, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier A.C. Bernard op 1 april 2014.

Tegen deze uitspraak kan binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak door partijen hoger beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof Den Haag. Een in eerste aanleg niet verschenen partij kan hoger beroep instellen binnen drie maanden na de betekening van deze uitspraak aan hem/haar in persoon dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en openlijk bekend gemaakt.