Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:8628

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-10-2014
Datum publicatie
22-10-2014
Zaaknummer
10/741210-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal in vereniging van geldbedragen via pinautomaten. Schriftelijke vordering ex art. 126nd Sv buiten termijn ingediend. Door de verdediging is niet geconcretiseerd welk verdedigingsbelang daarmee is geschonden. De rechbank volstaat met constatering van vormverzuim. Geen machtiging door de rechter-commissaris verleend voor vertrekking identiteitsbewijs. Dit levert een onherstelbaarvormverzuim op, met als gevolg bewijsuitsluiting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/741210-10

Datum uitspraak: 22 oktober 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres],

raadsman mr. I. Appel, advocaat te Amsterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 7 en 8 oktober 2014.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting van 7 oktober 2014 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie, mr. R.H.I. van Dongen, heeft gerekwireerd tot:

  • -

    vrijspraak van het onder 2, 3 primair, 4 en 5 ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 3 subsidiair en 6 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van voorarrest.

MOTIVERING VRIJSPRAKEN

Het onder 2, 3 primair en subsidiair, 4, 5 en 6 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Nu de officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 2, 3 primair, 4 en 5 ten laste gelegde en de raadsman daarvoor eveneens vrijspraak heeft bepleit, zal dit oordeel niet nader worden gemotiveerd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting en de onderliggende dossierstukken blijkt evenmin van wettig en overtuigend bewijs ten aanzien van het onder 3 subsidiair en 6 ten laste gelegde, zodat de verdachte ook daarvan dient te worden vrijgesproken. Voor zover in de verklaringen van de [medeverdachte 1], de foto’s gemaakt bij de pinautomaten en de bij de verdachte aangetroffen bankpassen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2], aanknopingspunten gevonden worden voor de betrokkenheid van de verdachte bij bedoelde feiten, zijn deze onvoldoende concludent.

Ten aanzien van het onder 3 subsidiair ten laste gelegde overweegt de rechtbank dat de medeverdachte [medeverdachte 1], als hem een foto van de verdachte wordt getoond, verklaart dat hij verdachte herkent als de persoon die hij kent als ‘Rasta’, maar dat hij niet met zekerheid kan zeggen dat ‘Rasta’ er op 23 maart 2010 in Schiedam bij is geweest. Aangezien zich in het dossier ook overigens geen bewijsmiddel bevindt waaruit blijkt dat de verdachte op enige wijze betrokken is geweest bij de onder 3 ten laste gelegde oplichting van de [benadeelde partij 2], dient hij ook van de subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid daaraan te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt.

Op de foto’s gemaakt bij de pinautomaten aan de Rosener Manszstraat en de Coolsingel is het gelaat van de persoon die aan het pinnen is niet zichtbaar, en kan ook overigens niet vastgesteld worden of dat de verdachte is. Voorts is het feit dat bij de verdachte bij zijn aanhouding op 6 juni 2010 pinpassen (op naam van [betrokkene 1] en [betrokkene 2]) zijn aangetroffen waarmee op 3 en 4 juni 2010 geldbedragen zijn opgenomen die eerder van de rekening van [betrokkene 3] waren overgeboekt, hoewel opmerkelijk, niet afdoende om bewezen te achten dat de verdachte ook betrokken is geweest bij die enkele dagen eerder (op 3 en 4 juni 2010) gepleegde diefstal. Ook van dit feit dient de verdachte derhalve te worden vrijgesproken.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 10 maart 2010

te Rotterdam , tezamen en in vereniging met anderen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

geld (ten bedrage van 35.750,= euro ) dat werd opgenomen bij een geldautomaat in het [bedrijf]

(Weena 624) toebehorende aan

[rechtspersoon].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen en de voor de bewezenverklaring redengevende inhoud daarvan zijn weergegeven in de aan dit vonnis gehechte bijlage II. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

NADERE BEWIJSMOTIVERING

De raadsman stelt zich op het standpunt dat de camerabeelden van [bedrijf] van 10 maart 2010 en het door [bedrijf] verstrekte identiteitsbewijs van de verdachte van het bewijs moeten worden uitgesloten. Daartoe voert de raadsman het volgende aan.

Het dossier bevat een vordering ex artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering van 3 juni 2010 aan [bedrijf], die ziet op de camerabeelden van de bewakingscamera bij de geldautomaat van 10 maart 2010 te 14.10 uur. Uit het zaaks proces-verbaal blijkt dat deze beelden reeds op 10 maart 2010 mondeling waren gevorderd, hetgeen betekent dat die (mondelinge) vordering niet binnen drie dagen alsnog op schrift is gesteld. Voorts zijn blijkens het proces-verbaal niet alleen de beelden van 14:10 uur verstrekt, maar van de gehele periode van 13.30 uur tot 17.00 uur. Wellicht dat deze beelden zijn ontvangen na een (mondelinge) vordering van de officier van justitie, maar daartoe is in ieder geval geen schriftelijke vordering opgesteld. Voorts zijn, zo blijkt uit het dossier, naast die beelden de toegangsgegevens, kopieën van identiteitsbewijzen en een uitdraai van een aantal pinautomaten verstrekt. Ten aanzien van het verstrekte identiteitsbewijs van de verdachte, stelt de raadsman zich op het standpunt dat ‘nu uit de foto op de kaart het ras kan worden opgemaakt’ sprake is van gevoelige gegevens die enkel kunnen worden verstrekt op grond van een vordering ex artikel 126nf van het wetboek van Strafvordering, dus na een machtiging van de rechter-commissaris. Deze ontbreekt echter. Aldus is volgens de raadsman sprake van onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek, die op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering niet zonder gevolgen kunnen blijven, zodat bewijsuitsluiting van de van [bedrijf] verkregen camerabeelden en identiteitsbewijs van de verdachte dient te volgen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van vormverzuimen, zodat het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting moet worden verworpen.

Ten aanzien van de stelling dat - kort gezegd - sprake is van een vormverzuim omdat [bedrijf] meer gegevens heeft verstrekt dan waarom was verzocht, overweegt de rechtbank dat [bedrijf] eigenaar is van de desbetreffende beelden en overige gegevens en derhalve bevoegd is deze naar eigen inzicht af te staan. De raadsman heeft bij pleidooi noch dupliek aannemelijk gemaakt dat [bedrijf], na de vordering van 3 juni 2010 aan [bedrijf] met betrekking tot 10 maart 2010 te 14.10 uur, de overige beelden (van het tijdsbestek van 13.30 uur tot 17.00 uur) niet vrijwillig aan de politie heeft verstrekt. Bovendien, in het geval dat een schriftelijke vordering ten aanzien van de opgenomen beelden in voormeld tijdsbestek zou zijn gedaan, zou een dergelijke vordering rechtmatig zijn geweest en zou de verdachte ook in dat geval niet in zijn belangen zijn geschaad.

Ten aanzien van de stelling dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim omdat de vordering ex artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering buiten de termijn van het vierde lid van die bepaling op schrift is gesteld, overweegt de rechtbank als volgt. In het dossier bevindt zich een (schriftelijke) vordering ex artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering van 3 juni 2010, waarin [bedrijf] wordt verzocht om ‘camerabeelden van de bewakingscamera bij de geldautomaat of automaten van 10 maart 2010 te 14.10 uur van de geldopname van 2000,00 euro ten laste van rekeningnummer [rekeningnummer], alsmede identiteitsgegevens of kopie daarvan van persoon/personen die dit hebben aangeboden bij de toegang van [bedrijf] en die staan afgebeeld op beeldmateriaal met betrekking tot bovenstaande geldopname.’

Op grond van de ter zitting door de officier van justitie afgelegde verklaring, dat destijds [bedrijf] mondeling is gevorderd om beeldmateriaal te verstrekken en het dossier waaruit blijkt dat op 30 maart 2010 het door [bedrijf] verstrekte beeldmateriaal door verbalisanten is bekeken, stelt de rechtbank vast dat de mondelinge vordering uiterlijk op 30 maart 2010 is gedaan en derhalve de 126nd-vordering ruim buiten de termijn van 3 dagen van het vierde lid van artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering is opgesteld. Aldus is sprake van vormverzuim bij het voorbereidend onderzoek dat niet meer kan worden hersteld.

Bij de beoordeling van de vraag welke gevolgen daaraan verbonden moeten worden, neemt de rechtbank in aanmerking dat de bepaling van artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering er met name toe strekt de persoonlijke levenssfeer van de burger te beschermen en beoogt dat niet zonder voorafgaande toetsing en toestemming van de officier van justitie gegevens als bedoeld in dit artikel, in dit geval camerabeelden, worden opgevraagd. In aanmerking genomen dat de camerabeelden destijds mondeling door de officier van justitie zijn gevorderd, en daarna (weliswaar tardief) nog eens schriftelijk op 3 juni 2010, mag worden aangenomen dat in dit geval de hiervoor bedoelde toets heeft plaatsgevonden. Dan rest slechts de constatering dat de schriftelijke vordering te laat is gedaan. Nu door de verdediging niet is geconcretiseerd in welk belang zij hierdoor is geschaad, zal de rechtbank volstaan met de constatering dat sprake is van een vormverzuim maar daaraan geen gevolgen verbinden.

Anders is dit voor het gevorderde identiteitsbewijs. De verdediging stelt zich terecht op het standpunt dat het identiteitsbewijs moet worden aangemerkt als een gegeven als bedoeld in artikel 126nd, tweede lid, derde volzin van het Wetboek van Strafvordering, dat enkel kan worden verstrekt na een machtiging van de rechter-commissaris. In dit geval is die machtiging niet verleend. Dat levert een onherstelbaar vormverzuim op waaraan naar het oordeel van de rechtbank de consequentie verbonden dient te worden dat de gevorderde identiteitsbewijzen - voor zover gebruikt door de politie - niet voor het bewijs worden gebezigd.

Voor zover in processen-verbaal onderzoeksbevindingen door de politie zijn gecombineerd met de informatie uit de gevorderde identiteitsbewijzen zullen deze processen-verbaal slechts met uitsluiting van de identiteitsgegevens voor het bewijs worden gebezigd.

Door de raadsman is daarnaast, indien de videobeelden van [bedrijf] niet worden uitgesloten van het bewijs, aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat de verdachte op 10 maart 2010 in [bedrijf] [adres bedrijf] te Rotterdam is geweest, omdat - kort

gezegd - de verdachte op die videobeelden niet kan worden herkend en in het proces-verbaal van uitkijken videobeelden van 30 maart 2010, niet wordt gerelateerd hoe de herkenning van de verdachte tot stand is gekomen. Om die reden dient de verdachte te worden vrijgesproken van het onder feit 1 ten laste gelegde. Subsidiair stelt de raadsman zich op het standpunt dat het bewijs voor nauwe en bewuste samenwerking tussen de personen die in [bedrijf] aan het pinnen waren, ontbreekt, zodat de verdachte slechts verantwoordelijk kan worden gehouden voor het door hem gepinde geldbedrag.

Dienaangaande overweegt de rechtbank dat de vraag of het proces-verbaal van uitkijken videobeelden van 30 maart 2010, bij gebreke van een onderbouwing van de herkenning van de verdachte, de conclusie kan dragen dat de verdachte wordt waargenomen op die videobeelden, in het midden kan blijven. Ook zonder dit proces-verbaal bevat het dossier wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte op 10 maart 2010 in [bedrijf] in Rotterdam aanwezig was.

De getuige [getuige] heeft verklaard dat hij op grond van de hem ter beschikking staande videobeelden van [bedrijf] en de in het geautomatiseerde bedrijfssysteem vastgelegde gegevens van getoonde legitimatiebewijzen heeft vastgesteld dat op 10 maart 2010, rond 14.00 uur 4 personen, waaronder de verdachte, op korte tijd van elkaar het [bedrijf] betreden en deze personen vervolgens een groot aantal geldopnames doen. Daarnaast blijkt de aanwezigheid van de verdachte in [bedrijf] ook uit het proces-verbaal van bevindingen van 29 september 2010, opgemaakt door de verbalisant [verbalisant], waarin is gerelateerd dat de medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij op 10 maart 2010 in [bedrijf] te Rotterdam geld heeft opgenomen met gebruikmaking van bankpassen van derden, dat hij daarvoor geld heeft ontvangen en dat de verdachte daarbij aanwezig was.

Op grond hiervan is de rechtbank, anders dan de verdediging, van oordeel dat is komen vast te staan dat de verdachte op 10 maart 2010 in [bedrijf] [adres bedrijf] te Rotterdam is geweest en daar geld heeft opgenomen met gebruikmaking van passen van derden.

Dat sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en anderen bij het pinnen van geldbedragen in [bedrijf], volgt uit het feit dat in een kort tijdbestek, de pinnende mannen - die mede gezien het bovenstaande niemand anders dan de verdachte en zijn medeverdachten kunnen zijn - elkaar afwisselden bij het pinnen van geldbedragen (of pogingen daartoe) van dezelfde bankrekeningen, op welke rekeningen kort daarvoor geld was overgeboekt afkomstig van [rechtspersoon] De stelling van de verdediging dat de verdachte slechts verantwoordelijk gehouden kan worden voor het door hem gepinde geldbedrag wordt dan ook verworpen.

STRAFBAARHEID FEIT

Het bewezen feit levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich medeschuldig gemaakt aan een goed voorbereide, geraffineerde diefstal van een aanzienlijk geldbedrag, toebehorende aan[rechtspersoon] Voorts hebben zijn gedragingen ertoe bijgedragen dat het vertrouwen in banken, en de [benadeelde partij 1] in het bijzonder, geschaad is. Dit soort praktijken vormt een ernstige inbreuk op de rechtsorde en daarop past, mede met het oog op de generale preventie, in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het voordeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 11 september 2014 niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Daarnaast is in aanmerking genomen dat de verdachte op 8 juni 2010 door politieambtenaren is aangehouden, teneinde als verdachte in de onderhavige zaak te worden gehoord. Hij is diezelfde dag nog in verzekering gesteld. De verdachte mocht vanaf dat moment vrezen dat hij door het openbaar ministerie in een strafprocedure zou worden betrokken.

Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat in de onderhavige zaak de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM in ruime mate is overschreden, hetgeen gelet op het verloop van de procedure, de verdediging niet valt te verwijten. Bij het bepalen van de op te leggen straf zal de rechtbank hiermee rekening houden.

Teneinde de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst wederom strafbare feiten te plegen, zal na te noemen gevangenisstraf deels voorwaardelijk worden opgelegd.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

VORDERINGEN BENADEELDE PARTIJEN

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde partij 1], gevestigd te Ridderkerk, ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 132.146,62 aan materiële schade.

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de [benadeelde partij 1] door de diefstal van geld van[rechtspersoon] niet rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde, maar zij[rechtspersoon] schadeloos heeft gesteld. Om die reden kan zij niet worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbende als bedoeld in artikel 51f, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

Als benadeelde partij heeft zich voorts in het geding gevoegd [benadeelde partij 2], gevestigd te Utrecht, eveneens ter zake van het onder 21 ten laste gelegde. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 365.641,74 aan materiële schade.

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu aan de verdachte, voor zover het betreft de onder 1 ten laste gelegde benadeling van [rechtspersoon 2], het deel van de tenlastelegging waar de onderhavige vordering op ziet, geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing heeft gevonden.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

Als benadeelde partij heeft zich tevens in het geding gevoegd [benadeelde partij 3], gevestigd te Diemen. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 8.649,- aan materiële schade.

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu, gelet op het onderzoek ter terechtzitting en de onderliggende dossierstukken, niet is gebleken dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd enig verband houdt met het aan de verdachte ten laste gelegde.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 310 en 311 van Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 2, 3 primair, 3 subsidiair, 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 3 (drie) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 (twee) jaren, na te melden voorwaarde overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig zal maken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;



heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde partij 1] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde partij 2] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde partij 3] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.C. Franken, voorzitter,

en mrs. P. Volker en E. Fels, rechters,

in tegenwoordigheid van R. Meulendijk, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 oktober 2014.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I bij vonnis van 22 oktober 2014.

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

1) hij in of omstreeks de periode van 10 maart 2010 tot en met 25 maart 2010

te Rotterdam en/of te Capelle aan den IJssel, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(meermalen) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

geld (ten bedrage van 41.500,= euro en/of 39.450,= euro en/of (een) ander(e)

bedrag(en)) het welk werd opgenomen bij een geldautomaat in het [bedrijf]

(Weena 624) en/of een geldautomaat te Capelle aan den IJssel ([adres 2]),

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[rechtspersoon] en/of [rechtspersoon 2]., in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

(art. 311 Wetboek van Strafrecht)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 10 maart 2010 tot en met 04 juni 2010, te

Rotterdam en/of te Capelle aan den IJssel, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(meermalen) een voorwerp, te weten geld (te weten 80.950 euro en/of 66.500

euro en/of andere geldbedragen), heeft verworven, voorhanden heeft gehad,

heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten geld (te

weten 80.950 euro en/of 66.500 euro en/of andere geldbedragen), gebruik heeft

gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven

voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

(artikelen 47 en 420bis Wetboek van strafrecht)

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

3.

hij in of omstreeks de periode van 23 maart 2010 tot en met 26 maart 2010 te

Schiedam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of

door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van

verdichtsels, [benadeelde partij 2] NV heeft bewogen tot

- het verlenen van een dienst (te weten het (doen) toevoegen van een van zijn

medeverdachten, [medeverdachte 3], als gemachtigde aan een Overeenkomst Toegang

[benadeelde partij 2] ten name van de besloten vennootschap [rechtspersoon 2]. en/of

het die Gemert toegang (doen) verlenen tot de dienst Internetbankieren van [benadeelde partij 2]

met betrekking tot de bij die bank aangehouden bankrekening(en) van die

[rechtspersoon 2].), en/of

- de afgifte van geldbedragen (omstreeks EUR 718.000) ten nadele van[rechtspersoon 2]

(rekeningnummers[rekeningnummer 2] en/of [rekeningnummer 3]), in elk

geval van enig goed,

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk -

zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in

strijd met de waarheid

- een vals/vervalst rijbewijs ten name van de heer [rechtspersoon 2],

directeur/eigenaar van [rechtspersoon 2] (ter identificatie) getoond aan

de baliemedewerkster van het [benadeelde partij 2] te Schiedam en/of

(vervolgens)

- ( aldaar) verzocht [medeverdachte 3] toe te voegen als gemachtigde tot de bij de

[benadeelde partij 2]-bank door [rechtspersoon 2] aangehouden bankrekeningen, en/of

(vervolgens)

- ( daartoe) een Overeenkomst toegang [benadeelde partij 2] ten name van[rechtspersoon 2]

en/of een bij die overeenkomst behorende Specificatie Bevoegden

Overeenkomst Toegang [benadeelde partij 2] ondertekend met een valse handtekening,

gelijkend op die van de heer[rechtspersoon 2], althans op de tot het ondertekenen

van die overeenkomst en/of specificatie gerechtigde persoon, en/of (vervolgens)

- een handtekeningenformulier ondertekend, en/of (vervolgens)

- verzocht [medeverdachte 3] toe te voegen aan het contract Internetbankieren van

[rechtspersoon 2], en/of (vervolgens)

- door middel van de autorisatie/machtiging van [medeverdachte 3], in/via

verschillende overschrijvingsopdrachten een bedrag van (omstreeks) EUR 718.000

over doen schrijven naar in totaal (ongeveer) 30 bankrekeningen van personen

die tot het ontvangen van die bedragen niet gerechtigd waren,

waardoor [benadeelde partij 2]werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

(artikelen 47 Sr en 326 Sr)

art 326 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3 subsidiair.

een of meer onbekend gebleven personen in of omstreeks de periode van 23 maart 2010 tot en met 26 maart 2010 te Rotterdam en/of Schiedam en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde partij 2] heeft bewogen tot

- het verlenen van een dienst (te weten het (doen) toevoegen van een van zijn/hun medeverdachten, [medeverdachte 3], als gemachtigde aan een Overeenkomst Toegang [benadeelde partij 2] ten name van de besloten vennootschap [rechtspersoon 2]. en/of het die [medeverdachte 3] toegang (doen) verlenen tot de dienst Internetbankieren van [benadeelde partij 2] met betrekking tot de bij die bank aangehouden bankrekening(en) van die [rechtspersoon 2].), en/of

- de afgifte van geldbedragen (omstreeks EUR 718.000) ten nadele van [rechtspersoon 2]. (rekeningnummers [rekeningnummer 2] en/of [rekeningnummer 3]), in elk geval van enig goed,

hebbende die/deze onbekend gebleven persoon/personen met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid door middel van de autorisatie/machtiging van [medeverdachte 3], in/via verschillende overschrijvingsopdrachten een bedrag van (omstreeks) EUR 718.000 overgeschreven en/of over doen schrijven naar in totaal (ongeveer) 30 bankrekeningen van personen die tot het ontvangen van die bedragen niet gerechtigd waren, waardoor [benadeelde partij 2] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte,

tot en/of bij welk het plegen van welk misdrijf hij - verdachte - en/of zijn mededader(s) in de periode van 23 maart 2010 tot en met 26 maart 2010 te Rotterdam en/of Schiedam en/of elders in Nederland, opzettelijk behulpzaam is/zijn geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft

hebbende hij en/of zijn mededader(s)

- [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] vervoerd naar de [benadeelde partij 2] in Schiedam en/of

- [medeverdachte 1] in het bezit gesteld van een vals/vervalst rijbewijs ten name van de heer [rechtspersoon 2] met daarop een foto van [medeverdachte 1] en/of,

- een vals/vervalst rijbewijs ten name van de heer [rechtspersoon 2], directeur/eigenaar van [rechtspersoon 2] (ter identificatie) getoond aan de baliemedewerkster van het [benadeelde partij 2] financial center te Schiedam en/of

(vervolgens)

- ( aldaar) verzocht [medeverdachte 3] toe te voegen als gemachtigde tot de bij de [benadeelde partij 2]-bank door [rechtspersoon 2] aangehouden bankrekeningen, en/of

(vervolgens)

- ( daartoe) een Overeenkomst toegang [benadeelde partij 2] ten name van [rechtspersoon 2] en/of een bij die overeenkomst behorende Specificatie Bevoegden Overeenkomst Toegang [benadeelde partij 2] ondertekend met een valse handtekening, gelijkend op die van de heer [rechtspersoon 2], althans op de tot het ondertekenen van die overeenkomst en/of specificatie gerechtigde persoon, en/of (vervolgens)

- een handtekeningenformulier ondertekend, en/of (vervolgens)

- verzocht [medeverdachte 3] toe te voegen aan het contract Internetbankieren van [rechtspersoon 2], en/of (vervolgens)

- een bankpas en/of een pincode op naam van [medeverdachte 3] aangenomen.

Artt. 47, 48 & 326 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 21 mei 2010 te Rotterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of

door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van

verdichtsels, (een medewerkster van) het postagentschap [postagentschap] gevestigd in

de supermarkt [supermarkt] in de buurt van de [adres bedrijf 2] te Rotterdam heeft

bewogen tot

- de afgifte van een poststuk van de [benadeelde partij 1], bestemd voor [betrokkene 4],

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk -

zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in

strijd met de waarheid

- een vals/vervalst rijbewijs ten name van [betrokkene 4] (ter identificatie)

en/of een voor [betrokkene 4] bestemd afhaalbericht met betrekking tot dat

poststuk overgelegd/getoond aan de baliemedewerkster van dat postagentschap,

waardoor zij werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

(artikelen 47 Sr en 326 Sr)

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 21 mei 2010 te Rotterdam

opzettelijk heeft afgeleverd en/of voorhanden gehad een vals of vervalst

rijbewijs - zijnde dat rijbewijs een geschrift dat bestemd was om tot bewijs

van enig feit te dienen -, terwijl hij, verdachte, wist of redelijkerwijs

moest vermoeden dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt

en onvervalst,

immers heeft hij, verdachte, dat rijbewijs ter beschikking gesteld aan

[medeverdachte 1], die dat rijbewijs (ter identificatie) heeft overgelegd/getoond aan

de baliemedewerkster van het postagentschap [postagentschap] in de supermarkt [supermarkt] in

de buurt van de [adres bedrijf 2] en

bestaande die valsheid of vervalsing (telkens) hierin dat op dat rijbewijs de

persoonsgegevens van [betrokkene 4] en een pasfoto van die [medeverdachte 1] was/waren

geplaatst;

(artikel 225 lid 2 Sr)

art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

6.

hij in of omstreeks periode van 03 juni 2010 tot en met 04 juni 2010 te

Rotterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(meermalen) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

geld (ten bedrage van 66.500 euro en/of (een) ander(e)

bedrag(en)) (dat met een pinpas ten name van [betrokkene 1] en/of een pinpas ten

name van [betrokkene 2] en/of (een) andere pinpas(sen) werd opgenomen bij een

of meer geldautoma(a)t(en)), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [betrokkene 3], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte en/of zijn mededader(s);

(art. 311 Wetboek van Strafrecht)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht