Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:8625

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-09-2014
Datum publicatie
22-10-2014
Zaaknummer
3257571 VZ VERZ 14-9217
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst bestuurslid stichting kinderopvang. Contractuele beëindigingsvergoeding (‘golden parachute’), slechte financiële situatie. Vergoeding C=0,5.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 248
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 685
Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector
Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector 3.7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2014-0465
JAR 2014/290 met annotatie van mr. I. Janssen
AR-Updates.nl 2014-0893
AR 2014/793
JAR 2014/290 met annotatie van mr. I. Janssen

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 3257571 VZ VERZ 14-9217

uitspraak: 22 september 2014

beschikking ex artikel 7:685 BW van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam

in de zaak van

de stichting

STICHTING MAX KINDEROPVANG,

gevestigd te Rotterdam,

verzoekster,

gemachtigde: mr. J.C. Brökling te Spijkenisse,

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MAX HOLDING B.V.,

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MAX DAGOPVANG B.V.,

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MAX BUITENSCHOOLSE OPVANG DE MÜLLERPIER B.V.,

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MAX BUITENSCHOOLSE OPVANG B.V.,

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MAX BUITENSCHOOLSE OPVANG IJSSELMONDE B.V.,

de stichting

STICHTING MAX PEUTERSPEELZALEN,

allen gevestigd te Rotterdam,

voorwaardelijke verzoeksters,

gemachtigde: mr. J.C. Brökling te Spijkenisse,

tegen

[verweerster],

wonende te Hoogvliet (gemeente Rotterdam),

verweerster,

gemachtigde: mr. D.A. Wahid-Manusama te Rotterdam.

Verzoeksters en verweerder zullen hierna worden aangeduid als “Max c.s.” en “[verweerster]”. De Stichting Max Kinderopvang zal worden aangeduid als “Max”.

1 De processtukken en de loop van het geding

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het verzoekschrift met 26 producties, ontvangen op de rechtbank op 17 juli 2014;

  • -

    het verweerschrift met twaalf producties;

- de door de gemachtigde van Max op de mondelinge behandeling overgelegde pleitnotities.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 september 2014. Van de zijde van Max waren hierbij de heer J.W. de Hoog (interim bestuurder van de Max groep), mevrouw E.M.J. van den Berg (medewerker P&O-afdeling) en de gemachtigde J.C. Brökling aanwezig. [verweerster] was aanwezig samen met haar gemachtigde mr. D.A. Wahid-Manusama.

2 De feiten

2.1.

[verweerster], geboren op[datum], is op 1 augustus 2001 in dienst getreden van Max als lid van de Raad van Bestuur van Max tegen een salaris van laatstelijk € 8.155,62 bruto per maand, exclusief vakantiegeld en overige emolumenten. In de arbeidsovereenkomst van [verweerster] is onder meer de volgende bepaling opgenomen:


“Artikel 12: Schadevergoeding

12.1 Indien de overeenkomst eindigt op initiatief van MAX Kinderopvang, dan wel onder omstandigheden of door handelen dat voor rekening en risico van MAX Kinderopvang dient te komen, zonder dat dit ontslag zijn uitsluitende of voornaamste reden vindt in handelingen of nalatigheid van mevrouw [verweerster] en/of zijn oorzaak vindt in omstandigheden als bedoeld in de artikelen 7:677 en 7:678 BW zal mevrouw [verweerster] gerechtigd zijn tot een vergoeding analoog aan de zogenaamde neutrale kantonrechtersformule.

12.2 De eventuele door de kantonrechter toe te kennen schadevergoeding is met de in dit artikel [genoemde] schadevergoeding verrekenbaar in die zin dat indien de kantonrechter een hogere of lagere schadevergoeding bepaalt de werkgever dit verschil aan de in het vorige lid bepaalde schadevergoeding toevoegt of hierop in mindering brengt.”

2.2.

Op 19 april 2012 is [verweerster] voor 50% uitgevallen. Op 28 augustus 2012 is zij volledig ziek gemeld. In de arbeidsdeskundige rapportage van 12 juni 2013 is geconcludeerd dat de functie van [verweerster] passend is, maar dat zij niet in staat is deze bij Max uit te voeren. Bij een andere werkgever kan dit wel. Er zijn geen alternatieve functies voor [verweerster] bij Max beschikbaar. De arbeidsdeskundige heeft voorts Max en [verweerster] in overleg te treden voor het inschakelen van een bemiddelingsbureau om outplacement in gang te zetten. [verweerster] is op 20 september 2013 hersteld gemeld.

2.3.

Op 4 oktober 2013 heeft Max Holding B.V. het UWV verzocht om een vergunning te verlenen voor het ontslag van [verweerster] op grond van bedrijfseconomische omstandigheden. Het UWV heeft in haar beslissing van 11 december 2013 overwogen dat voldoende aannemelijk was gemaakt dat er sprake is van een noodzaak tot een bedrijfseconomische noodzaak tot ingrijpen in de organisatie. Het UWV is echter van mening dat niet duidelijk is geworden dat de arbeidsplaats van [verweerster] zou vervallen, omdat ook na de reorganisatie nog steeds sprake zal zijn van een bestuurder. Het UWV heeft de ontslagaanvraag daarom geweigerd.

2.4.

Bij brief van 30 januari 2014 heeft de Raad van Toezicht van Max (hierna: de RvT) [verweerster] te kennen gegeven dat [verweerster] met onmiddellijke ingang wordt ontslagen als statutair bestuurder van de stichting om twee redenen:

  • -

    De RvT is van mening dat het UWV heeft miskend dat [verweerster] niet binnen Max kan terugkeren als bestuurder, zoals is geoordeeld door de arbeidsdeskundige;

  • -

    [verweerster] is vóór augustus 2012 enkele onverantwoorde verbintenissen aangegaan (Nieuwbouw Parkstad en huurovereenkomst locatie Blijdorp) waarvoor [verweerster] niet bevoegd was en toestemming van de RvT en advies van de ondernemingsraad vereist was.

2.5.

Max Holding B.V. heeft de kantonrechter te Rotterdam op 19 februari 2014 verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden. De kantonrechter heeft Max Holding B.V. bij tussenbeschikking van 10 april 2014 in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat Max Holding B.V. als werkgever van [verweerster] moet worden aangemerkt. Na bewijslevering door het horen van getuigen heeft de kantonrechter op 25 juni 2014 geoordeeld dat niet vast is komen te staan Max Holding B.V. de werkgever van [verweerster] is, waardoor zij in haar verzoek niet-ontvankelijk is verklaard.

3 Het verzoek

3.1.

Max c.s. hebben verzocht de arbeidsovereenkomst met [verweerster] op een zo kort mogelijke termijn te ontbinden wegens gewichtige redenen, zonder toekenning van een vergoeding aan [verweerster], kosten rechtens. De gewichtige redenen, die volgens Max c.s. afzonderlijk als in samenhang reden voor ontbinding vormen, bestaan uit bedrijfseconomische omstandigheden, het feit dat [verweerster] niet binnen Max herplaatst kan worden, door [verweerster] onbevoegd verrichte handelingen en het feit dat [verweerster] reeds als statutair bestuurder van de stichting is ontslagen.

3.2.

De slechte financiële situatie van de Max groep is door het UWV onderkend en blijkt onder meer uit de voorlopige jaarrekening van 2013. De Max groep maakt verlies en er is sprake van een negatief eigen vermogen. Uit het arbeidsdeskundig rapport blijkt dat [verweerster] niet meer bij Max ingezet kan worden, terwijl de loonkosten van [verweerster] zwaar op de begroting drukken. Daarbij heeft Max in de huidige omstandigheden behoefte aan een bestuurder met een financiële achtergrond. De huidige interim-bestuurder heeft deze expertise wel. [verweerster] heeft sinds haar uitval op 28 augustus 2012 geen werkzaamheden meer verricht, maar haar salaris is – ook nadat zij hersteld was – steeds doorbetaald. [verweerster] was uitgevallen als gevolg van persoonlijke omstandigheden. Er was geen sprake van een arbeidsconflict.

3.3.

[verweerster] heeft, voordat zij wegens ziekte uitviel, buiten haar bevoegdheden gehandeld. Zij heeft onder meer huurovereenkomsten gesloten, waarvan zij de RvT voorhield dat het slechts een intentieverklaring betrof. Max heeft een door [verweerster] gesloten huurovereenkomst voor € 50.000,00 moeten afkopen.

3.4.

Max heeft geen middelen om [verweerster] een vergoeding te betalen of om een outplacement te bekostigen. Daarbij is het toekennen van een hoge vergoeding aan bestuurder, gezien de slechte omstandigheden bij Max en in de branche, in strijd met maatschappelijke opvattingen, te meer nu [verweerster] al lang doorbetaald heeft gekregen zonder dat daar werkzaamheden tegenover stonden. Het toekennen van een vergoeding zoals omschreven in de ‘golden parachute’-bepaling in de arbeidsovereenkomst is dan ook naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

4 Het verweer

4.1.

[verweerster] concludeert primair tot afwijzing van het verzoek. Indien het verzoek tot ontbinding wordt toegewezen, verzoekt [verweerster] subsidiair aan haar een vergoeding conform de kantonrechtersformule toe te kennen waarin C=1, zoals is omschreven in artikel 12 van de arbeidsovereenkomst. [verweerster] verzoekt tevens aan haar een bijdrage toe te kennen voor de kosten van juridische bijstand ter hoogte van € 10.000,00.

4.2.

Volgens [verweerster] is er geen sprake van een wijziging in de omstandigheden die een ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt. Het gestelde disfunctioneren is pas in de ontbindingsprocedures naar voren gebracht, nadat het ontslagvergunning door het UWV was afgewezen. [verweerster] heeft steeds goed gefunctioneerd. De gestelde financiële moeilijkheden zijn dan ook niet door [verweerster] veroorzaakt: de jaarrekening over 2011 is goed gekeurd, waarna [verweerster] decharge is verleend. [verweerster] betwist dat zij buiten haar bevoegdheid heeft gehandeld. Zij handelde conform de voornemens in het ondernemingsplan en heeft de RvT daarvan steeds op de hoogte gehouden.

4.3.

Max heeft zich niet als goed werkgever gedragen. De ziekte van [verweerster] was deels veroorzaakt door persoonlijke omstandigheden, maar had tevens een arbeidsgerelateerde oorzaak, vooral de relatie van [verweerster] met toenmalige voorzitter van de RvT. [verweerster] heeft lange tijd doorgewerkt, terwijl zij eigenlijk al ziek was. De RvT heeft steeds weinig interesse voor de situatie van [verweerster] getoond. Max heeft zich weinig moeite getroost om [verweerster] te laten re-integreren. Uit het rapport van de arbeidsdeskundige volgt niet dat [verweerster] in het geheel niet meer binnen de organisatie zou kunnen worden ingezet. [verweerster] is steeds bereid geweest tot het treffen van een regeling, maar Max heeft de mediation en de mogelijkheid van outplacement geen serieuze kans gegeven. Wanneer de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, heeft [verweerster] dan ook recht op een vergoeding. Gezien de omstandigheden is een vergoeding zoals opgenomen in artikel 12 van de arbeidsovereenkomst redelijk. De stelling van Max dat zij geen vergoeding of outplacement zou kunnen betalen, is onvoldoende onderbouwd. Zo ontbreken de halfjaarcijfers en een meerjarenbegroting.

5 De beoordeling van het verzoek

5.1.

Vanwege de eerdere procedure bij de kantonrechter te Rotterdam zijn in het onderhavige verzoek Max Holding B.V. en de andere vennootschappen van de Max groep als voorwaardelijk verzoekers genoemd, voor het geval geoordeeld zou worden dat niet Max, maar een van de andere vennootschap uit de groep als werkgever van [verweerster] zou moeten worden aangemerkt. Nu partijen het er echter over eens zijn dat [verweerster] in dienst is bij Max, is aan deze voorwaarde niet voldaan. Het verzoek is tijdens de mondelinge behandeling gewijzigd in die zin dat het verzoek namens de overige verzoekers wordt ingetrokken. Partijen zijn het er voorts over eens dat het vennootschapsrechtelijk ontslag van [verweerster] als bestuurder van Max geen gevolgen heeft voor haar arbeidsovereenkomst, zodat deze thans nog voortduurt.

5.2.

Gesteld noch gebleken is dat het ontbindingsverzoek verband houdt met een opzegverbod.

Ontbinding van de arbeidsovereenkomst

5.3.

Max heeft aan haar verzoek onder meer ten grondslag gelegd dat [verweerster] niet goed heeft gefunctioneerd. Dit disfunctioneren betreft volgens Max het aangaan van twee huurovereenkomsten, terwijl [verweerster] hiertoe niet bevoegd was en zij de RvT hiervan niet (tijdig) op de hoogte heeft gesteld. Het betreft een overeenkomst met Leyten Bouwontwikkeling B.V. (hierna: Leyten) voor de huur van ruimte in een nieuw te bouwen school aan de Laan op Zuid te Rotterdam. Deze overeenkomst is door [verweerster] ondertekend op 8 mei 2012. Daarnaast gaat het om de huur van bedrijfsruimte aan het adres Stadhoudersplein 36 te Rotterdam. Over de huurovereenkomst met betrekking tot het Stadhoudersplein heeft [verweerster] tijdens de vergadering van de RvT van 9 november 2011 opgemerkt dat hiervoor slechts een intentieverklaring is getekend. Naar het oordeel van de kantonrechter kan het als productie 10 bij het verzoek overgelegde document echter niet worden opgevat als een intentieverklaring. Dit betreft een brief van de makelaar van 5 oktober 2011 met daarin de voorgestelde voorwaarden van de huurovereenkomst. Alle essentialia van de huurovereenkomst (onder meer de beschrijving van het gehuurde, de ingangsdatum, de duur van de overeenkomst, de huurprijs en servicekosten) zijn hierin opgenomen. In de voorwaarden is ten behoeve van Max slechts één (reeds op 1 december 2011 verlopen) ontbindende voorwaarde opgenomen welke betrekking heeft op de inrichting van een speelterrein. Het gestelde vrijblijvende karakter van het document blijkt verder nergens uit. Het is dan ook aannemelijk dat Max als gevolg van de ondertekening hiervan door [verweerster] op 6 oktober 2011 het aanbod van de verhuurder heeft aanvaard en daardoor als huurder was gebonden aan deze afspraken.

5.4.

De bevoegdheid tot vertegenwoordiging van de stichting is vastgelegd in statuten van 29 december 2006 (productie 8 bij het verzoek). Hierin is niet uitdrukkelijk opgenomen dat de bestuurder toestemming van de RvT behoeft voor het aangaan van huurovereenkomsten. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Max toegelicht dat deze eis volgt uit artikel 6 lid onder c en g van de Statuten. De kantonrechter is echter van oordeel dat het aangaan van een huurovereenkomst niet zonder meer gelijk gesteld kan worden met ‘het aangaan van een duurzame samenwerking met een andere rechtspersoon’ (sub c) of het ‘vaststellen of wijzigen van een beleidsplan’ (sub g). Dat [verweerster] niet bevoegd zou zijn voor het sluiten van deze overeenkomsten, is dan ook onvoldoende aannemelijk geworden.

5.5.

Hoewel [verweerster] de RvT onjuist heeft geïnformeerd over het bestaan van intentieverklaring met betrekking tot de huur van de ruimte aan het Stadhoudersplein, blijkt uit het verslag van de vergadering van 11 september 2012 niet dat de RvT het niet eens was met de huur van deze ruimte. Dat de huurovereenkomst later is afgekocht lijkt dan ook eerder ingegeven door de recente (financiële) ontwikkelingen dan door een andere opvatting van de RvT ten opzichte van dit plan. Uit het verslag van de vergadering van de RvT van 23 oktober 2012 volgt dat de RvT in de veronderstelling verkeerde dat er geen samenwerking met Leyten meer bestond. Uit het verslag blijkt niet hoe de RvT tegenover dit (kennelijk eerder wel bij haar bekende) plan stond. Tevens is niet duidelijk of er verder uitvoering is gegeven aan de huurovereenkomst. Hoewel ten aanzien van beide huurovereenkomsten de communicatie met de RvT niet optimaal is verlopen, is niet gebleken dit tot een verstoring van de arbeidsverhouding heeft geleid. In de aanvraag van een ontslagvergunning bij het UWV is deze ontslaggrond in het geheel niet meegenomen. Daardoor is onvoldoende aannemelijk dat de gebrekkige communicatie op dit moment een verandering in de omstandigheden heeft veroorzaakt die ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt.

5.6.

Dat Max er financieel slecht voor staat is door [verweerster] niet betwist. Dit is ook door het UWV in de eerdere procedure bevestigd. [verweerster] heeft inmiddels ruim twee jaar geen werkzaamheden voor Max verricht, terwijl Max wel het (hoge) salaris van [verweerster] heeft doorbetaald. Daarbij is voldoende aannemelijk geworden dat [verweerster] als gevolg van het vennootschapsrechtelijk ontslag en op basis van de conclusie van de arbeidsdeskundige niet in haar oude functie kan terugkeren. Uit het arbeidsdeskundig rapport volgt bovendien duidelijk – anders dan [verweerster] hieromtrent heeft aangevoerd – dat er geen andere functie voor haar beschikbaar is bij Max. In de ontstane situatie is sprake van een zodanige verandering in de omstandigheden dat de arbeidsovereenkomst niet zinvol voortgezet kan worden. De arbeidsovereenkomst tussen partijen zal daarom op grond van een gewichtige redenen ontbonden worden.

Vergoeding

5.7.

[verweerster] heeft verzocht aan haar op grond van artikel 12.1 van de arbeidsovereenkomst een beëindigingsvergoeding toe te kennen. In het kader van artikel 7:685 BW kan echter slechts een vergoeding naar billijkheid worden toegekend, al zal de kantonrechter de door partijen overeengekomen beëindigingsvergoeding gelet op HR 24 mei 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AO1939 (Drankencentrale / Blakborn) wel als relevante omstandigheid in haar oordeel over de ontbindingsvergoeding meewegen. De contractuele regeling houdt in dat [verweerster] recht heeft op een beëindigingsvergoeding gelijk aan de neutrale kantonrechtersformule. Een door de kantonrechter toegekende ontbindingsvergoeding wordt met deze beëindigingsvergoeding verrekend.

5.8.

Hierboven is geoordeeld dat het door Max gestelde disfunctioneren van [verweerster] onvoldoende aannemelijk is gemaakt. De omstandigheid dat Max in zwaar financieel zwaar weer is komen te verkeren (en als gevolg daarvan de voorkeur geeft aan een bestuurder met een financiële achtergrond) ligt in de risicosfeer van Max. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat [verweerster] na haar ziekte niet binnen Max herplaatst kon worden. Nu de ontbindingsgronden niet in de risicosfeer van [verweerster] liggen, dient een vergoeding op grond van de kantonrechtersformule waarin de c-factor gelijk is aan 1 als uitgangspunt. Deze opvatting wordt ondersteund door de bij aanvang van de arbeidsovereenkomst gemaakte afspraak tussen partijen, die erop neerkomt dat een door de kantonrechter toegekende lagere billijkheidsvergoeding door Max zal worden aangevuld tot een neutrale vergoeding. Dat Max zich niet als goed werkgever zou hebben gedragen is onvoldoende aannemelijk geworden, waardoor er geen aanleiding is de c-factor te verhogen.

5.9.

Hoewel tussen partijen niet in geschil is dat Max als gevolg van de economische crisis en bezuinigen op de kinderopvangtoeslag en in een slechte financiële situatie verkeert, heeft [verweerster] aangevoerd dat Max haar financiële situatie beter had moeten onderbouwen. De kantonrechter is echter van oordeel dat uit de overgelegde stukken voldoende blijkt dat het toekennen van een vergoeding een negatief effect op de reeds slechte financiële situatie van Max zal hebben. Het UWV heeft de financiële situatie van Max reeds beoordeeld, waarbij is vastgesteld dat het resultaat van € 85.302 negatief in 2011 naar € 1.014.830 negatief in 2012 is gegaan en dat het eigen vermogen is teruggelopen van € 166.144 naar € 848.868 negatief. Uit de voorlopige cijfers over 2013 blijkt voorts dat het resultaat ook dit jaar negatief is en dat het eigen vermogen nog verder is afgenomen. Het leidt dan ook geen twijfel dat Max zich thans in een totaal andere situatie bevindt dan toen de afspraak over de beëindigingsvergoeding van [verweerster] werd gemaakt.

5.10.

Daarbij klemt het dat – nu er bij Max al veel werknemers zijn ontslagen zonder toekenning van enige vergoeding – aan [verweerster] als bestuurder een hoge vergoeding toegewezen zou worden (een vergoeding conform de kantonrechtersformule waarin de c-factor gelijk is aan 1 bedraagt ruim € 132.000,00). Als gevolg van het maatschappelijk breed gedragen gevoelen dat in de (semi)publieke sector in beginsel geen plaats meer is voor hoge ontslagvergoedingen die betaald worden uit de publieke middelen, is de ontslagvergoeding voor bestuurders in de deze sector gemaximeerd op € 75.000,00 door middel van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT). Deze wet is weliswaar niet van toepassing op Max (omdat de jaarlijkse inkomsten niet voor ten minste 50% afkomstig zijn van overheidssubsidie), maar dat neemt niet weg dat de kinderopvangbranche sterk afhankelijk is van door overheid uitgekeerde toeslagen aan ouders en dus wel indirect wel voor een belangrijk deel in stand wordt gehouden uit publieke middelen. Ook in dat licht is een hoge vergoeding voor [verweerster] – ondanks dat de zaak buiten het bereik van de WNT valt – moeilijk te rechtvaardigen.

5.11.

Voorts acht de kantonrechter van belang dat [verweerster] sinds haar herstel op 20 september 2013 tot heden thuis is gebleven met behoud van salaris. Hierdoor is aan [verweerster] over deze periode bijna een jaarsalaris (ruim € 100.000,00) uitgekeerd, welk bedrag niet met de beëindigingsvergoeding kan worden verdisconteerd. Deze en alle hierboven besproken factoren in aanmerking genomen, acht de kantonrechter een vergoeding conform de kantonrechtersformule waarin de c-factor gelijk is aan 0,5 billijk. Dit betekent dat aan [verweerster] een vergoeding van (afgerond) € 66.000,00 zal worden toegekend.

5.12.

Max heeft tijdens de mondelinge behandeling verzocht om bij het toekennen van een vergoeding tevens te bepalen dat hierin een eventuele aanspraak van [verweerster] op uitbetaling van de contractueel overeengekomen beëindigingsvergoeding is verdisconteerd. Uit HR 24 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:AM1905 (Baijings) volgt dat een op grond van artikel 7:685 lid 8 BW toegekende billijke vergoeding slechts aan een nieuwe aanspraak op grond van redelijkheid en billijkheid of goed werkgeverschap in de weg staat. De toegekende ontbindingsvergoeding doet dus niet af aan de rechten die een werknemer aan een contractuele bepaling over een beëindigingsvergoeding kan ontlenen. Dat neemt overigens niet weg de door Max naar voren gebrachte verweren met betrekking tot haar financiële situatie en de maatschappelijke (on)aanvaardbaarheid van een dergelijke vordering (gedeeltelijk) aan toewijzing hiervan in de weg zouden kunnen staan. Voorts wordt opgemerkt dat de op grond van artikel 12.2 van de arbeidsovereenkomst de toegekende ontbindingsvergoeding in ieder geval verrekend moet worden met de contractuele beëindigingsvergoeding, hetgeen de kantonrechter billijk acht.

Intrekking verzoek en proceskosten

5.13.

[verweerster] heeft verzocht Max te veroordelen toe betaling aan haar van een tegemoetkoming in de kosten van juridische bijstand ter hoogte van € 10.000,00. Gelet op aanbeveling 3.8 en de toelichting daarbij van de Kring van Kantonrechters bij de kantonrechtersformule zal hiervoor geen aparte vergoeding worden toegekend, nu een dergelijke regeling niet tussen partijen is overeengekomen.

5.14.

Nu aan [verweerster] een vergoeding wordt toegekend, zal Max tot 30 september 2014 in de gelegenheid worden gesteld om het verzoek in te trekken. Wanneer Max het ontbindingsverzoek intrekt, zal zij worden veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van [verweerster] vastgesteld op € 600,00 aan salaris voor de gemachtigde. Wanneer het verzoek niet wordt ingetrokken zullen de proceskosten, gelet op de aard van de procedure, worden gecompenseerd in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

geeft Max tot en met 30 september 2014 de gelegenheid het verzoek in te trekken;

voor het geval het verzoek wordt ingetrokken:

veroordeelt Max in de proceskosten, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] vastgesteld op € 600,00 aan salaris voor haar gemachtigde;

en voor het geval het verzoek niet wordt ingetrokken:

ontbindt de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 oktober 2014;

kent aan [verweerster] ten laste van Max een vergoeding toe van €66.000,00 (zesenzestig duizend euro) bruto en veroordeelt Max deze vergoeding te betalen;

bepaalt dat elk der partijen de eigen kosten van deze procedure draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.J. Frikkee en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

385