Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:8443

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-09-2014
Datum publicatie
15-10-2014
Zaaknummer
C/10/453639 / FT EA 14/1549 en C 10/453640 / FT EA 14/1550
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ondanks dat het UWV wettelijk niet is toegestaan om in te stemmen met een aangeboden schuldregeling betreffende een fraudevordering, valt de belangenafweging toch in voordeel van schuldenaar uit. Het verzoek om het UWV te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287a, geldigheid: 2014-10-15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Insolventie

rekestnummers: [nummer]

uitspraakdatum: 25 september 2014

in de zaak van:

[naam],

wonende te [adres][woonplaats],

verzoekster.

1 De procedure

Verzoekster heeft op 16 juni 2014, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) dat als enige schuldeiser weigert mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te dwingen in te stemmen met deze schuldregeling.

Het UWV heeft voorafgaand aan de zitting een verweerschrift toegezonden en aansluitend een kopie aan verzoekster toegezonden.

Ter zitting van zijn verschenen en gehoord:

  • -

    [naam], verzoekster;

  • -

    [naam], werkzaam bij de Krediet Bank Rotterdam (hierna te noemen schuldhulpverlening);

  • -

    Mr. P.A.L. Nieuwenhuis, bedrijfsadvocaat werkzaam bij het UWV.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het verzoek

Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift veertien schuldeisers, waarvan twee preferente en twaalf concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben thans in totaal een bedrag van € 58.642,77 van verzoekster te vorderen.

Verzoekster heeft bij brief van 27 februari 2014 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, inhoudende een betaling van 9,78 % aan de preferente schuldeisers en 4,89 % aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting. Omdat de schuldenlast sindsdien is verminderd, beloopt het aanbod thans 10,68 %, respectievelijk 5,34 %.

Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond.

Jaarlijks zal er een inkomenstoets plaatsvinden, waarbij het budget wordt herberekend. Alle inkomsten van verzoekster boven het budget worden maandelijks gereserveerd en na de jaarlijkse hercontrole uitbetaald. Van de opgebouwde reserve zal, conform artikel 8.1 sub b van de Gedragscode, 9,0 % worden ingehouden voor bemiddelingskosten.

Pas na afloop van de schuldbemiddeling kan de definitieve afkoopsom worden vastgesteld. Het thans aangeboden bedrag is slechts een prognose.

Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om een zo hoog mogelijk aanbod te doen aan haar schuldeisers. Het alternatief van de wettelijke schuldsaneringsregeling geeft crediteuren uitzicht op een lagere uitkering.

Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en haar vaste lasten worden inmiddels door haar budgetbeheerder voldaan.

Dertien schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in.

Het UWV heeft een tweetal vorderingen op verzoekster. Het UWV stemt alleen niet in met de aangeboden schuldregeling ten aanzien van de vordering ad € 3.390,11, welke 5,78 % van de totale schuldenlast beloopt.

Schuldhulpverlening controleert eenmaal per jaar de sollicitatiebewijzen van verzoekster. Schuldhulpverlening verwacht dat verzoekster minimaal vier maal per maand solliciteert. Als verzoekster niet aan dat aantal voldoet, wordt de bemiddeling stopgezet.

Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij maandelijks aan het UWV haar sollicitatieactiviteiten moet tonen, dat zij ook tijdens haar stage moet blijven solliciteren en dat de uitkering van het UWV doorloopt tot 29 juli 2016. De terugvordering van het UWV ziet op de periode oktober 2011 – oktober 2012, in welke periode teveel uitkering is verstrekt als gevolg van – naar de mening van het UWV – niet nakomen van de inlichtingenplicht.

Ten aanzien van haar opgaven aan het UWV omtrent het aantal uren heeft verzoekster verklaard dat zij alleen haar gewerkte uren heeft opgegeven en niet haar uitbetaalde verlofuren.

Na de beslissing van het UWV omtrent de terugvordering heeft verzoekster wel gereageerd maar geen officieel bezwaar ingediend omdat zij op dat moment bij de Belastingdienst werkte en geen problemen wilde veroorzaken. Verzoekster verkeerde in de veronderstelling dat zij eerlijk bezig was. Na de beslissing van het UWV is verzoekster een afbetalingsregeling van € 25,00 per maand overeengekomen maar die kon ze na het ontslag bij de Belastingdienst niet verder nakomen.

3 Het verweer

Het UWV heeft een verweerschrift ingediend hetwelk hier als herhaald en ingelast wordt beschouwd.

Ter zitting heeft mr. Nieuwenhuis toegelicht dat het UWV een tweetal vorderingen heeft op verzoekster en dat het UWV alleen ten aanzien van de fraudevordering ad € 3.390,11 niet instemt met de aangeboden regeling. Mr. Nieuwenhuis heeft voorts verklaard dat verzoekster al sinds 1991 juridische opleidingen volgt en om die reden op hoogte had behoren te zijn op welke wijze zij opgave aan het UWV moest doen. Het UWV wil vanuit principiële overwegingen niet instemmen met het aangeboden akkoord. In het kader van de belangenafweging dient het maatschappelijk belang dat het UWV behartigt zwaarder te wegen dan de belangen van verzoekster en de overige schuldeisers. Het UWV voert aan dat de vergelijking tussen de opbrengsten bij oplegging van een dwangakkoord en die bij een wettelijke schuldsaneringsregeling niet aan de orde is. Naar de mening van het UWV zal verzoekster immers vanwege de fraudevordering niet tot de WSNP worden toegelaten.

Op deze manier worden “appels met peren” vergeleken. Een volledige betaling van het UWV over een langere termijn is mogelijk. Daar komt bij dat het verschil tussen de berekening van het vrij te laten bedrag (vtlb) en de beslagvrije voet groot is. Het UWV acht het onjuist dat er bij de berekening van het vtlb wel rekening wordt gehouden met zorgtoeslag en de reserveringstoeslag. Het dwangakkoord dienen te worden afgewezen. Mr. Nieuwenhuis heeft tot slot ter zitting verklaard dat zolang verzoekster recht heeft op een uitkering van het UWV, het UWV de controle op de sollicitatie activiteiten van verzoekster zelf in de hand heeft.

4 De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van het UWV bij haar weigering vast.

De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of het UWV in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van het UWV slechts een klein aandeel vormt in de totale schuldenlast (te weten 5,78 % daarvan). Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk dertien van de veertien schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.

De rechtbank stelt vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten schuldhulpverlening. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd. Voldoende aannemelijk is dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekster financieel in staat moet worden geacht.

Door schuldhulpverlening is ter zitting verklaard dat is voldaan aan alle waarborgen, die ervoor moeten zorgen dat verzoekster het maximale ten behoeve van haar schuldeisers zal afdragen. Verzoekster zit in budgetbeheer. Het ontstaan van nieuwe schulden ligt niet in de rede.

Ter onderbouwing van het door het UWV gemaakte bezwaar dat vanwege het maatschappelijke belang dat is gemoeid met het voorkomen van en tegengaan van misbruik van sociale zekerheid, het belang van het UWV zwaarder dient te wegen dan de belangen van de verzoekster en de overige schuldeisers, heeft het UWV gewezen op het feit dat het hem wettelijk verboden is in te stemmen met een schuldregeling. Anders dan het UWV voorstaat, brengt die enkele omstandigheid echter niet met zich dat aan het belang van het UWV een zwaarder gewicht zou moeten worden toegekend dan aan de belangen van andere schuldeisers. De rechtbank is van oordeel dat hoewel de goede trouw ten aanzien van het laten ontstaan en onbetaald laten van de vordering van het UWV ad € 3.390,11 ontbreekt, ook dit onvoldoende gewicht in de schaal legt om het belang van het UWV zwaarder te laten wegen dan de belangen van verzoekster en de overige schuldeisers. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de fraudevordering een relatief klein percentage van de totale schuldenlast bedraagt en dat verzoekster sinds het ontstaan van de vordering in oktober 2012 haar financiële situatie op orde heeft gekregen. Aannemelijk is dat de rechtbank verzoekster zou toelaten tot de schuldsaneringsregeling. Uitgaande van de verwachting dat verzoekster zou zijn toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, geldt dat de uitkomst van de berekening van het vtlb een bedrag aan maandelijkse boedelbijdragen oplevert. Dat is dan de maatstaf voor de vergelijking met het aangeboden dwangakkoord.

Naar verwachting zal gelet op het vorenoverwogene de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoekster van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht.

Bovendien zou toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling aanzienlijke kosten met zich meebrengen, bestaande in salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, welke in mindering komen op hetgeen verzoekster zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden.

Daar komt nog bij dat een eventuele bate voor de schuldeisers pas aan het einde van de schuldsaneringsregeling wordt uitgekeerd, terwijl de aangeboden regeling erin voorziet dat jaarlijks een uitkering aan schuldeisers wordt gedaan.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoekster die vanuit een stabiele situatie haar schuldenproblematiek wil oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van het UWV, die geweigerd heeft in te stemmen.

Het verzoek om het UWV te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.

Het UWV zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoekster niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.

De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, welke in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoekster zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden en dat zij niet verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling dient te worden afgewezen.

5 De beslissing

De rechtbank:

- beveelt het UWV om in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling;

- veroordeelt het UWV in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekster begroot op nihil;

- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;

- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Kruisdijk, mr. A.M. van Kalmthout en mr. W.J. Roos – van Toor, rechters, en in aanwezigheid van E.J. van Gruijthuijsen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 25 september 2014. 1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.