Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:8442

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-09-2014
Datum publicatie
15-10-2014
Zaaknummer
C/10/452378 / FT EA 14/1378
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzen gedwongen schuldregeling omdat verzoeker slechts een tijdelijke ontheffing van de gemeente heeft over kunnen leggen. De rechtbank oordeelt dat hiermee onvoldoende aannemelijk is dat hij de komende jaren geen arbeid zal kunnen verrichten.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287a, geldigheid: 2014-10-15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Insolventie

rekestnummer:[nummer]

uitspraakdatum: 8 september 2014

afwijzen gedwongen schuldregeling

in de zaak van:

[naam],

wonende te [adres]

[woonplaats],

verzoeker.

1 De procedure

Verzoeker heeft op 26 mei 2014, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om een tweetal schuldeisers, te weten:

  • -

    Rabobank Rotterdam, hierna te noemen: Rabobank;

  • -

    KPN Collections Eindhoven, hierna te noemen: KPN;

die weigeren mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.

Rabobank heeft voorafgaand aan de zitting een verweerschrift toegezonden.

KPN heeft voorafgaande aan de zitting, bij brief van 21 augustus 2014 aan de rechtbank te kennen gegeven alsnog in te stemmen met de aangeboden schuldregeling.

Ter zitting van 25 augustus 2014 zijn verschenen en gehoord:

  • -

    de heer [naam], verzoeker;

  • -

    de heer[naam], werkzaam bij Gemeentelijke Kredietbank Rotterdam (hierna te noemen schuldhulpverlening).

Namens Rabobank is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niemand verschenen.

Aan het slot van de zitting is afgesproken dat verzoeker twee weken de tijd krijgt om de uitslag van een te verrichten medische keuring aan de rechtbank toe te zenden.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het verzoek

Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift tien schuldeisers, waarvan één preferente en negen concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 34.842,07 van verzoeker te vorderen.

Verzoeker heeft bij brief van 22 januari 2014 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, inhoudende een betaling van 5,8% aan de preferente schuldeiser en 2,9% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.

Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoeker is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van zijn WWB-uitkering. De aangeboden regeling voorziet in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen.

Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden. Er is geen medische keuring verricht. Gezien de leeftijd van verzoeker (47) en de economische crisis wordt de kans dat verzoeker terugkeert op de arbeidsmarkt klein geacht. Verzoeker heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en zijn vaste lasten worden inmiddels door zijn budgetbeheerder voldaan.

Negen schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. Rabobank stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 14.183,13 op verzoeker, welke 40,71% van de totale schuldenlast beloopt.

Na de zitting heeft schuldhulpverlening de rechtbank bij e-mail van 4 september 2014 een afschrift van de brief van de Gemeente Rotterdam doen toekomen, waaruit blijkt dat verzoeker van 1 september 2014 tot 1 december 2014 wordt vrijgesteld van de sollicitatieverplichting.

3 Het verweer

In haar verweerschrift heeft Rabobank zich op het standpunt gesteld dat de aangeboden regeling niet goed is gedocumenteerd en dat deze onvoldoende financieel transparant is. In de visie van Rabobank heeft verzoeker voorts niet het maximaal haalbare aangeboden. De aangeboden regeling is immers gebaseerd op een WWB-uitkering, terwijl de inkomenspositie van verzoeker de komende tijd nog zou kunnen verbeteren. Nu er geen medische keuring is verricht, moet verzoeker als arbeidsgeschikt worden beschouwd. Rabobank wijst er daarbij op dat in de schuldsaneringsregeling wettelijke waarborgen bestaan om te verzekeren dat verzoeker aan zijn inspanningsverplichting, om zo snel mogelijk fulltime aan het werk te zijn, voldoet. Rabobank heeft zich bovendien op het standpunt gesteld dat uit het aangeboden voorstel niet is gebleken of verzoeker nog over reserves – zoals spaarsaldo, een auto of een levensverzekering - beschikt, die te gelde zouden kunnen worden gemaakt. Tenslotte is Rabobank niet gebleken dat de schuldvorderingen zijn getoetst op hun juistheid en afdwingbaarheid.

Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft de weigerende schuldeiser geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunten ter zitting nader toe te lichten.

4 De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van Rabobank bij haar weigering vast.

De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of Rabobank in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van Rabobank een aanzienlijk aandeel vormt in de totale schuldenlast (te weten 40,71% daarvan). Gelet daarop zal niet snel kunnen worden geoordeeld dat Rabobank in redelijkheid niet tot weigering tot instemming van de schuldregeling kon komen.

Op dit moment is niet voldoende aannemelijk dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht. Onvoldoende gewaarborgd is dat verzoeker het maximale ten behoeve van zijn schuldeisers zal afdragen. Verzoeker heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat hij niet in staat kan worden geacht om arbeid te verrichten. Verzoeker is niet door een daartoe bevoegde arts gekeurd en heeft ter terechtzitting geen keuringsrapport over kunnen leggen waaruit zijn arbeidsongeschiktheid blijkt. Uit het feit dat verzoeker door Sociale Zaken Rotterdam eind 2013 voor een reïntegratietraject is aangemeld, kan in ieder geval niet geconcludeerd kan worden dat verzoeker door de gemeente blijvend als arbeidsongeschikt wordt beschouwd. Bovendien blijkt uit het dossier dat verzoeker – ondanks dat hij door de Gemeente Rotterdam van
1 september 2014 tot 1 december 2014 is ontheven van de sollicitatieverplichting – nog niet medisch is gekeurd; hij is hier alleen voor aangemeld, zo blijkt uit de brief van de gemeente van 4 september 2014, en de ontheffing zal met onmiddellijke ingang worden ingetrokken, als uit het arbeidsmedisch advies blijkt dat er een traject richting werk mogelijk is.

Gelet op dit alles moet de rechtbank er vooralsnog vanuit gaan dat verzoeker niet blijvend arbeidsongeschikt is.

Daar komt bij dat de schuldsaneringsregeling meer waarborgen biedt aan de schuldeisers, vanwege de wettelijke verplichtingen, zoals de arbeids- en sollicitatieverplichting, de controle door een bewindvoerder en een rechter-commissaris, en de sancties indien de verplichtingen niet worden nagekomen.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de belangen van Rabobank als weigerende schuldeiser zwaarder wegen dan die van verzoeker of de overige schuldeisers. Het verzoek om Rabobank te bevelen in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling wordt daarom afgewezen. De rechtbank zal bij afzonderlijke beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling beslissen.

5 De beslissing

De rechtbank:

- wijst af het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van Spengen, rechter, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 8 september 2014.1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.