Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:8294

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-09-2014
Datum publicatie
10-10-2014
Zaaknummer
10/700307-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor twee diefstallen, het onbruikbaar maken van een arrestantencel en het voorhanden hebben van harddrugs tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/700307-14

Datum uitspraak: 26 september 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres:

[adres],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel,

raadsvrouw mr. H. Oldenhof, advocaat te ’s-Gravenhage.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 26 september 2014.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. F. Hut heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 primair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van Reclassering Palier, ook als die aanwijzingen inhouden een meldplicht, het ondergaan van een klinische behandeling bij FVK Bouman en het volgen van een ambulante behandeling bij de forensische polikliniek van GGZ Reclassering Palier of een soortgelijke instelling.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 12 juni 2014 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

-drie autoradio's en

-drie speakers en

-een motorjas,

toebehorende aan [bedrijf 1];

2.

hij op 12 juni 2014 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een gele tas met inhoud waaronder een portefeuille en een bos sleutels, toebehorende aan [slachtoffer];

3.

hij omstreeks 12 juni 2014 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk een arrestantencel toebehorende aan de Nationale Politie, eenheid Rotterdam, heeft onbruikbaar gemaakt;

4.

hij op 12 juni 2014 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 4,8 gram,

cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

5.

hij op 12 juni 2014 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 33, tabletten MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen en de voor de bewezenverklaring redengevende inhoud daarvan zijn weergegeven in de aan dit vonnis gehechte bijlage II. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

NADERE BEWIJSMOTIVERING

Ten aanzien van feit 1

Standpunt verdediging

Door de raadsvrouw is vrijspraak bepleit van het onder 1 ten laste gelegde nu niet kan worden bewezen dat de verdachte het oogmerk had van wederrechtelijke toe-eigening van de ten laste gelegde goederen.

Beoordeling

Op basis van de bewijsmiddelen, die als bijlage II bij dit vonnis zijn gevoegd, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde diefstal. De verdachte is op 12 juni 2014 naar [bedrijf 1] gegaan en heeft aldaar diverse goederen - afkomstig vanachter een voor klanten afgesloten balie - in een (omgekeerde) rieten tafel gedaan, heeft deze vervolgens afgedekt met een motorjas die ook toebehoorde aan [bedrijf 1] en is hiermee door de winkel gaan lopen.

Vervolgens is hij, zo blijkt uit de getuigenverklaringen in het dossier, met de goederen naar buiten gelopen en heeft hij deze goederen in de kofferbak van zijn auto willen leggen. In dit verband overweegt de rechtbank dat de enkele omstandigheid dat in het proces-verbaal van de camerabeelden van [bedrijf 1] niet weergegeven staat dat de verdachte met de goederen naar buiten loopt, niet uitsluit dat dit wel is gebeurd. Met zijn handelingen heeft de verdachte de goederen aan de feitelijke heerschappij van [bedrijf 1] onttrokken.

De verklaring van de verdachte dat hij toestemming had van [bedrijf 1] om de goederen mee te nemen acht de rechtbank niet aannemelijk, nu hiervoor geen bevestiging wordt gevonden in de aangifte en de getuigenverklaringen en de verdachte zijn stelling evenmin op enige wijze heeft onderbouwd.

Derhalve is sprake van een voltooide diefstal.

Ten aanzien van feit 2

Standpunt verdediging

Door de raadsvrouw is vrijspraak bepleit van het onder 2 primair ten laste gelegde nu niet bewezen kan worden dat de verdachte de tas met inhoud heeft gestolen.

Beoordeling

De rechtbank stelt vast dat aangeefster [slachtoffer] op 14 juni 2014 aangifte heeft gedaan van diefstal van haar tas. Zij had deze tas op 12 juni 2014 in de ruimte tegenover de herentoiletten van het [bedrijf 2] aan de kapstok gehangen. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 12 juni 2014 naar het toilet is geweest in het [bedrijf 2]. Dit is tevens waargenomen door [verbalisant] op de door hem bekeken camerabeelden van het hotel. Op deze camerabeelden is te zien dat de verdachte, op het moment dat hij naar het toilet loopt, niets in zijn handen heeft en dat hij bij terugkomst van het toilet een plastic tas met (bolle) inhoud in zijn handen heeft. De tas van aangeefster is op dezelfde dag in de auto van de verdachte aangetroffen.

Over de reden van zijn gang naar het toilet en de inhoud van de tas in zijn handen bij terugkomst van het toilet, heeft de verdachte wisselende verklaringen afgelegd. Om die reden acht de rechtbank die verklaringen ongeloofwaardig.
Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte degene is geweest die de tas van aangeefster [slachtoffer] heeft weggenomen. Het verweer van de raadsvrouw wordt dan ook verworpen.

Ten aanzien van feit 3

Standpunt verdediging

Door de raadsvrouw is vrijspraak bepleit van het onder 3 ten laste gelegde nu het handelen van de verdachte in de arrestantencel geen vernieling oplevert als bedoeld in artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Beoordeling

Op basis van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 14 juni 2014 de arrestantencel waar hij op dat moment verbleef, heeft besmeurd met sperma en bloed en dat hij tegen de celdeur heeft geürineerd. Door dit handelen moest de cel worden schoongemaakt, waardoor deze enige tijd buiten gebruik is geweest. Aldus kan worden vastgesteld dat de verdachte de arrestantencel tijdelijk onbruikbaar heeft gemaakt, waardoor hij zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 3 ten laste gelegde. Het verweer van de raadsvrouw wordt dan ook verworpen.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1.

diefstal, meermalen gepleegd;

2.

diefstal;

3.

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken;

4.

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

5.

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de diefstal van autoradio’s, speakers, een motorjas en een tas met inhoud. Uit het laakbare handelen van de verdachte blijkt zijn gebrek aan respect voor de eigendomsrechten van een ander. De verdachte heeft enkel en alleen gehandeld vanuit het oogpunt van financieel gewin en heeft de slachtoffers schade en hinder toegebracht.

Daarnaast heeft de verdachte een arrestantencel van de Politie Rotterdam onbruikbaar gemaakt. De verdachte heeft daarmee blijk gegeven weinig respect te hebben voor overheidseigendom.

Ten slotte heeft de verdachte cocaïne en MDMA voorhanden gehad. Deze verdovende middelen leveren een gevaar op voor de volksgezondheid, nu deze stoffen sterk verslavend zijn en regelmatig gebruik hiervan in de regel lichamelijk, psychisch en sociaal schadelijke gevolgen met zich brengt.

Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van beperkte duur.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 9 september 2014 reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Daarnaast is gelet op het door GGZ Reclassering Palier over de verdachte opgemaakte rapport van 10 september 2014.

Nu de verdachte reeds op 3 september 2014 door de rechtbank te ’s-Gravenhage is veroordeeld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met daarbij als bijzondere voorwaarde het volgen van een ambulante behandeling en nu de verdachte heeft aangegeven niet te zullen meewerken aan het ondergaan van een klinische behandeling, wordt het opleggen van een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, zoals door de officier van justitie is gevorderd, niet opportuun geacht. De verdachte zal dan ook worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van de hierna te noemen duur.

Alles afwegend wordt de hierna te noemen straf passend en geboden geacht.

SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Vast is komen te staan dat aan Politie Eenheid Rotterdam door het onder 3 bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Die schade zal op dit moment naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 100,--. Het opleggen van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt daarbij passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Behalve op het reeds genoemde artikel, is gelet op de artikelen 24c, 36f, 57, 310 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 11 van de Opiumwet.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;



legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van Politie Eenheid Rotterdam, Doelwater 5, 3011 AH Rotterdam te betalen € 100,--;

beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 100,-- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 2 dagen;

toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A. Verweij, voorzitter,

en mrs. A. van Luijck en C.A. van Beuningen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. W.A.J.A. Welten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 september 2014.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I bij vonnis van 26 september 2014.

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 12 juni 2014 te Rotterdam met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

-drie, althans één of meerdere autoradio's en/of

-drie speakers en/of

-een motorjas,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 1], in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 12 juni 2014 te Rotterdam ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening weg te nemen

-drie, althans één of meerdere autoradio('s) en/of

-drie, althans één of meerdere speaker(s) en/of

-een motorjas,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 1], in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

hebbende hij, verdachte, voornoemde roerende za(a)k(en)

-(van)achter de balie (gelegen op de eerste etage) weggepakt en/of

-(vervolgens) in de achterbak gelegd,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 12 juni 2014 te Rotterdam met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een gele tas met inhoud

(waaronder een portefeuille en/of (een) bankpas(sen) en/of (een)

reisdocument(en) en/of een bos sleutels),

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer],

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 12 juni 2014 te Rotterdam opzettelijk een gele tas met

inhoud(waaronder een portefeuille en/of (een) bankpas(sen) en/of (een)

reisdocument(en) en/of een bos sleutels), in elk geval enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) / roerende za(a)k(en) verdachte

anders dan door misdrijf, te weten door vinding, onder zich had,

wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

art 321 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 12 juni 2014 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk

een arrestantencel (nummer 22, ISO), in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan de Nationale Politie, eenheid Rotterdam, in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en / of beschadigd

en / of onbruikbaar gemaakt;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 12 juni 2014 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad

ongeveer 4,8 gram gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond C Opiumwet

art 10 lid 3 Opiumwet

5.

hij op of omstreeks 12 juni 2014 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad

ongeveer 33, althans één of meerdere tablet(ten), in elk geval een hoeveelheid

van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de

bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid

van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond C Opiumwet

art 10 lid 3 Opiumwet