Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:8276

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-10-2014
Datum publicatie
15-10-2014
Zaaknummer
ROT 14/3057
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag schadevergoeding wegens later tenietgedane intrekking van bijstand. Overgangsrecht. Toepasselijkheid verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW. Na stuiting door schadevergoedingsverzoek is opnieuw een termijn van vijf jaar gaan lopen. Die verjaringstermijn is niet tijdig gestuit, zodat verweerder zich terecht op verjaring beroept.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 14/3057

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 oktober 2014 in de zaak tussen

[Naam], te [plaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. M.C. Rolle.

Procesverloop

Bij besluit van 27 maart 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 8 november 2013, waarbij een verzoek om schadevergoeding wegens een onrechtmatig besluit van 25 augustus 2005 (hierna: het onrechtmatige besluit) is afgewezen op de grond dat sprake is van verjaring, ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2014. Partijen zijn niet verschenen.

Overwegingen

1.

Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten ten dele in werking getreden. Uit het overgangsrecht volgt dat op deze zaak het voordien geldende recht van toepassing is, omdat het onrechtmatige besluit voor 1 juli 2013 is genomen. Onder dat voordien geldende recht kon eiser beroep instellen tegen de handhaving in bezwaar van een zogenoemd zelfstandig schadebesluit als hier aan de orde. De rechtbank is derhalve bevoegd om kennis te nemen van het beroep.

2.

Eisers schadevergoedingsverzoek betreft schade die hij heeft geleden ten gevolge van het door verweerder bij het onrechtmatige besluit stopzetten van eisers bijstandsuitkering per 1 juli 2005. De onrechtmatigheid is komen vast te staan met verweerders besluit van 16 december 2005, bij welk besluit verweerder aan eiser opnieuw per 1 juli 2005 een bijstandsuitkering heeft toegekend.

3.

Met ingang van 1 juli 2009 zijn de artikelen 4:104 tot en met 4:111 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing op de verjaring van bestuursrechtelijke geldschulden. Gelet op artikel III, eerste lid, van de Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht blijven in de onderhavige zaak de algemene verjaringstermijnen van het Burgerlijk Wetboek van toepassing.

4.

In aansluiting op het oordeel van de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 26 oktober 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BU1897) dient er uit een oogpunt van rechtszekerheid van uit te worden gegaan dat de in artikel 3:310, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) genoemde verjaringstermijn van vijf jaren een aanvang neemt op het tijdstip waarop de onrechtmatigheid van het besluit waarop het verzoek om schadevergoeding is gegrond, onherroepelijk vaststaat, zijnde een dag na de verzending van het besluit van 16 december 2005 en dus op 17 december 2005. Omdat eiser op dat moment zowel met het ontstaan van schade – de precieze omvang behoeft daarbij nog niet vast te staan – als met de aansprakelijke partij bekend was, wordt niet toegekomen aan de door eiser nog genoemde verjaringstermijn van twintig jaar. De omstandigheid dat in eisers stellingen sprake is van in de tijd doorlopende schade leidt niet tot een ander oordeel (arrest van de Hoge Raad van 19 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3686). Evenmin is sprake van schade veroorzaakt door, kort gezegd, blootstelling aan gevaarlijke stoffen – zo daar al sprake van is door eisers intrek in een drugspand, betreft dit een keuze van eiser en geen handelen van verweerder – zodat de in artikel 3:310, tweede lid, van het BW genoemde verjaringstermijn van dertig jaar toepassing mist.

5.

De rechtbank constateert dat verweerder inmiddels erkent – en dat uit verweerders brief van 16 januari 2006 ook voortvloeit – dat verweerder een brief van eiser van 27 december 2005 met een verzoek om schadevergoeding vanwege het onrechtmatige besluit heeft ontvangen. Hiermee is de verjaringstermijn, die was aangevangen op 17 december 2005, gestuit, naar aangenomen moet worden op de dag na verzending van de stuitingsbrief, derhalve op 28 december 2005. Ingevolge artikel 3:319, eerste lid, van het BW begint door de stuiting een nieuwe verjaringstermijn te lopen met de aanvang van de volgende dag, dus op 29 december 2005. Deze nieuwe verjaringstermijn heeft ingevolge het tweede lid van genoemd artikel dezelfde duur als de vorige, in dit geval dus opnieuw vijf jaar.

6.

Niet is gebleken dat gedurende deze nieuwe verjaringstermijn opnieuw stuiting heeft plaatsgevonden. In eisers brief van 18 februari 2008 is geen sprake van de ingevolge artikel 3:317, eerste lid, van het BW voor stuiting vereiste schriftelijke aanmaning of schriftelijke mededeling waarin eiser zich ondubbelzinnig zijn recht op schadevergoeding voorbehoudt. De rechtbank wijst er daarbij ten overvloede op dat ook wanneer hierover anders geoordeeld zou worden, dit eiser niet kan baten, aangezien in dat geval door de stuiting op 19 februari 2008 andermaal een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar zou zijn aangevangen op 20 februari 2008 en niet is gebleken van een schriftelijke stuitingshandeling in de vijf jaar nadien.

7.

Al hetgeen eiser voor het overige naar voren heeft gebracht, kan aan het voorgaande niet afdoen. In het bijzonder bestond er geen rechtsplicht voor verweerder, ook niet op grond van de door eiser nog genoemde “behoorlijkheidswijzer”, om eiser te wijzen op een dreigende verjaring van zijn vordering, terwijl verweerder met zijn verzoek in de brief van 16 januari 2006 om verduidelijking van eisers bedoelingen met de brief van 27 december 2005 daarop tijdig en overigens niet onbehoorlijk heeft gereageerd.

8.

Het voorgaande voert tot de slotsom dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden en dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

9.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. P.G.J. van den Berg, voorzitter, en mr. H. Bedee en mr. M.J.S. Korteweg-Wiers, leden, in aanwezigheid van mr. dr. R. Stijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.