Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:8195

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-10-2014
Datum publicatie
10-10-2014
Zaaknummer
ROT-14_2850
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Subsidieverordening Rotterdam - bevoegdheid subsidieverlening na opheffing deelgemeente - afwijzing subsidieaanvraag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 14/2850

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 oktober 2014 in de zaak tussen

[naam], te [plaats], eiseres,

gemachtigde: mr. R.W. de Gruijl,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam

als rechtsopvolger van het dagelijks bestuur van de deelgemeente Delfshaven, verweerder,

gemachtigde: mr. S.B.H. Fijneman.

Procesverloop

Bij besluit van 13 november 2013 (het primaire besluit) heeft het dagelijks bestuur van de deelgemeente Delfshaven de subsidieaanvraag van eiseres afgewezen.

Bij besluit van 18 maart 2014, verzonden 19 maart 2014, (het bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur van de deelgemeente Delfshaven het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Daarbij is de grondslag voor de afwijzing gewijzigd.

Tegen het bestreden besluit heeft eiseres op 28 april 2014 beroep ingesteld.

De rechtbank heeft bij verweerder nadere informatie opgevraagd.

Bij brief van 18 september 2014 heeft verweerder informatie toegestuurd.

De behandeling van het beroep ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2014. Namens eiseres is haar gemachtigde verschenen, vergezeld van [naam], voorzitter.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en A. Nouwen.

Overwegingen

1.

Op 30 mei 2013 heeft eiseres bij het dagelijks bestuur van de deelgemeente Delfshaven een aanvraag ingediend om structurele subsidie voor 2014 voor het zogenoemde Ankerproject. Eiseres heeft gevraagd om een subsidie van € 49.920,- voor de begeleiding van 10 cliënten in deze deelgemeente. De begeleiding is gericht op het doorlopen van leertrajecten met cliënten met minimaal twee of meer ernstige problemen op het gebied van financiën, huisvesting, gezondheid of persoonlijke omstandigheden.

2.1.

Op 1 januari 2014 is de Subsidieverordening Rotterdam 2014 in werking getreden en de Subsidieverordening Rotterdam 2005 (SVOR) vervallen. In artikel 19 van de Subsidieverordening Rotterdam 2014 is bepaald dat aanvragen om subsidie die zijn ingediend vóór 1 januari 2014 worden behandeld volgens de bepalingen van de SVOR.

2.2.

Per 19 maart 2014 is de bevoegdheid in artikel 87 van de Gemeentewet van gemeentebesturen om een deelgemeente in te stellen, vervallen (Stb. 2013, 76 en Stb. 2014, 83). Per die datum zijn de deelgemeenten van rechtswege opgehouden te bestaan, waaronder de deelgemeenten van de gemeente Rotterdam.

Vóór 19 maart 2014 regelde artikel 87, derde lid, van de Gemeentewet dat de bevoegdheden van de raad aan de deelraad en van het college aan het dagelijks bestuur van de deelgemeente konden worden overgedragen. In dat kader was op grond van artikel 45, eerste lid, in samenhang met Bijlage 1 B van de Deelgemeenteverordening Rotterdam 2010 de bevoegdheid te besluiten over subsidieverlening op grond van de SVOR in het onderhavige geval overgedragen door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam aan het dagelijks bestuur van de deelgemeente Delfshaven.

2.3.

Het bestuur van de gemeente Rotterdam heeft in het opheffen van de deelgemeenten aanleiding gezien van zijn bevoegdheid gebruik te maken om per 19 maart 2014 bestuurscommissies als bedoeld in artikel 83 van de Gemeentewet in te stellen onder de naam “gebiedscommissies” met eenzelfde werkgebied als de oude deelgemeenten. Daartoe is op 19 maart 2014 de Verordening op de gebiedscommissies 2014 in werking getreden. De Deelgemeenteverordening 2010 is ingetrokken. Aan de bestuurscommissies is niet de bevoegdheid tot subsidieverlening in het onderhavige geval overgedragen. Artikel 36, derde lid, van de Verordening op de gebiedscommissies 2014 bepaalt dat besluiten genomen op grond van bevoegdheden die op grond van de lijst 1 B bij de Deelverordening 2010 door het college van burgemeester en wethouders aan de deelgemeentebesturen waren overgedragen en niet zijn overgedragen aan de gebiedscommissies, worden geacht te zijn genomen door het college van burgemeester en wethouders.

2.4.

Uit het voorgaande volgt dat het primaire en het bestreden besluit bevoegd zijn genomen door het dagelijks bestuur van de deelgemeente Delfshaven en dat vanaf 19 maart 2014 het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam ter zake bevoegd is.

3.

Bij het primaire besluit is de subsidie afgewezen op de grond dat het subsidieplafond is bereikt. Hierop is in het bestreden besluit teruggekomen. Gebleken is dat het subsidieplafond eiseres niet kon worden tegengeworpen. De afwijzing is gehandhaafd op de grond dat de activiteit waarvoor eiseres subsidie heeft gevraagd, niet past binnen het voor de deelgemeente Delfshaven geldende beleid. Dit is omdat de dienstverlening die eiseres wil gaan bieden, voor de deelgemeente Delfshaven al wordt verzorgd door bestaande zorginstellingen via een intake bij de Vraagwijzer.

4.

Eiseres betoogt dat in het bestreden besluit niet duidelijk wordt gemaakt op welke juridische grondslag de afwijzing berust. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat de grondslag voor de afwijzing is artikel 9, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 2, aanhef en onder 1, van de SVOR 2005.

5.

In artikel 9, aanhef en onder b, van de SVOR is neergelegd dat de subsidie kan worden geweigerd indien niet voldaan wordt aan het in artikel 2 omschreven subsidiecriterium.

In artikel 2, aanhef en onder 1, van de SVOR is bepaald dat, om voor subsidie in aanmerking te komen, de subsidieontvanger activiteiten moet verrichten die naar het oordeel van het college in het belang zijn van de huishouding van de gemeente en die gericht zijn op de verwezenlijking van een beleidsdoel dat is opgenomen in een bij deze verordening behorende bijlage, welke eens per jaar door de raad bij de begrotingsbehandeling wordt vastgesteld.

6.

Eiseres voert aan dat zij door de nieuwe grondslag voor de afwijzing is overvallen. Werd aanvankelijk gezegd dat voor de afwijzing geen geld was, nu komt verweerder onverwacht met het standpunt dat er geen behoefte is aan de te subsidiëren activiteit. Met zijn standpunt dat er geen geld was voor de activiteit, heeft verweerder bij eiseres het vertrouwen gewekt dat de activiteit, indien er wel geld was, zou worden gesubsidieerd. Door alsnog op inhoudelijke gronden te weigeren de activiteit te subsidiëren, is verweerder buiten de omvang van het geding getreden.

7.

De enkele omstandigheid dat verweerder vanwege het vermeende subsidieplafond in eerste instantie geen aanleiding heeft gezien om de activiteit inhoudelijk te beoordelen, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat een positieve beoordeling van de aanvraag in bezwaar was aangewezen. Evenmin kon eiseres daarop om die reden gerechtvaardigd vertrouwen. Na het wegvallen van de eerder gehanteerde financiële afwijzingsgrond mocht verweerder de aanvraag alsnog op haar inhoud beoordelen. Deze beoordeling valt binnen de kaders van de heroverweging van de afwijzing op de grondslag van het bezwaar die verweerder volgens artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) diende te maken.

8.

Hieruit volgt dat verweerder het primaire besluit vanwege de gewijzigde motivering van de afwijzing niet behoefde te herroepen. Verweerder mocht dan ook afzien van het toekennen van een proceskostenvergoeding aan eiseres in bezwaar.

9.

Eiseres betoogt dat verweerder haar in ieder geval in de gelegenheid had moeten stellen om op zijn nieuwe standpunt, dat in de activiteit voor 2014 al afdoende werd voorzien, te reageren. Tijdens de hoorzitting is alleen het subsidieplafond ter sprake geweest en is de subsidie-aanvraag inhoudelijk niet besproken.

10.

Deze beroepsgrond treft doel. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank de afwijzing in het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid, door eiseres niet in de gelegenheid te stellen, alvorens een beslissing op het bezwaar te nemen, toe te lichten waarin de meerwaarde van de door haar geboden activiteit bestond boven het door verweerder bedoelde hulpverleningsaanbod.

Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.

11.

De rechtbank zal de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand laten en overweegt daartoe het volgende.

Bij de uitoefening van zijn bevoegdheid tot subsidieverlening op grond van artikel 2, aanhef en onder 1, van de SVOR 2005 heeft verweerder een ruime beleidsvrijheid. De rechter kan de invulling van die bevoegdheid door verweerder slechts terughoudend toetsen.

Het standpunt van verweerder, zoals ingenomen in het bestreden besluit en nader toegelicht in de brief van 18 september 2014, dat met het huidige hulpverleningsaanbod in het werkgebied van de voormalige deelgemeente Delfshaven voor cliënten met een meervoudige hulpvraag in een afdoende hulpaanbod wordt voorzien, komt de rechtbank niet (kennelijk) onredelijk voor. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat hulpverlening op gebied van financiën, huisvesting, gezondheid en persoonlijke omstandigheden voorhanden is en dat ingespeeld wordt op meervoudige hulpvragen door de invoering van een intake bij één loket. Eiseres heeft niet kunnen aangeven waarom verweerder met dit aanbod voor cliënten met een meervoudige hulpvraag in redelijkheid niet kon volstaan. Dat in het aanbod van eiseres de begeleiding in één hand blijft en er in de huidige systematiek wellicht meer versnipperd wordt begeleid, is daarvoor, gelet op de ruime beleidsvrijheid van verweerder bij de inrichting van het aanbod, onvoldoende reden. Aldus bezien kon verweerder zich op het standpunt stellen de door eiseres geboden activiteit om beleidsmatige redenen niet te willen subsidiëren.

12.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht (€ 328,-) vergoedt.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 328,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 974,-, te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.I. van Strien, voorzitter, en mr. M.G.L. de Vette en
mr. M. Korteweg-Wiers, leden, in aanwezigheid van mr. M. Lammerse, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.