Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:8115

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-08-2014
Datum publicatie
03-10-2014
Zaaknummer
C/10/431357 / HA ZA 13-852
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitleg van bepaling in echtscheidingsconvenant. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of van de man meer medewerking kan worden verlangd, gelet onder meer op de afspraken in het echtscheidingsconvenant, teneinde de vrouw te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ten aanzien van de hypotheken verbonden aan de woning dan hij thans heeft verleend. De tussen partijen gemaakte afspraken dienen te worden uitgelegd aan de hand van de zgn. Haviltex-maatstaf. Partijen hebben in het convenant niet voorzien in de situatie dat ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid niet zou lukken. Het convenant laat hierdoor een leemte die moet worden aangevuld. Door aan de zijde van de man een inspanningsverplichting aan te nemen wordt de leemte in het convenant aangevuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Rotterdam

zaaknummer / rolnummer: C/10/431357 / HA ZA 13-852

Vonnis van 13 augustus 2014

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. J.J. Bronsveld te Bergen op Zoom,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats2],

gedaagde,

advocaat mr. J.C. Herweijer te Den Haag.

Partijen zullen hierna “de vrouw” en “de man” genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 6 november 2013

- het proces-verbaal van comparitie van 14 januari 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op 3 september 2004 te Binnenmaas gehuwd.

2.2.

Bij beschikking van rechtbank Dordrecht van 12 september 2007 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, waarbij het tussen hen op 23 juli 2007 gesloten echtscheidingsconvenant is bekrachtigd.

2.3.

In artikel 3 onder 6 van het echtscheidingsconvenant is, in het kader van de scheiding en deling van gemeenschappelijke goederen, de onroerende zaak aan de [adres] belast met drie hypothecaire geldleningen aan de man toebedeeld.

2.4.

Partijen hebben in artikel 3 onder 13 van het echtscheidingsconvenant het volgende opgenomen:

De partijen zullen de Rabobank verzoeken de vrouw te ontslaan uit haar verplichtingen uit hoofde van de lening waarvoor een hypotheek is gevestigd op de onroerende zaak woning aan de [adres].”

2.5.

Partijen zijn tot op heden nog steeds hoofdelijk aansprakelijk voor de hypotheken verbonden aan de voormalig echtelijke woning.

3 Het geschil

3.1.

De vrouw vordert samengevat – de veroordeling van de man tot het verlenen van alle benodigde medewerking aan de Rabobank Hoeksche Waard, onder welke medewerking in ieder geval wordt verstaan de eventuele verkoop c.q. (onder)verpanding van het eigendomsrecht van de kadastrale objecten [adres2] alsmede [adres3], teneinde te bewerkstelligen dat de vrouw zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid aangaande alle hypothecaire geldleningen inzake de woning aan de [adres], op straffe van verbeurte van een dwangsom van

€ 250,-- per dag dat de man hiermee in gebreke blijft nadat veertien dagen zijn verstreken na betekening van het te dezen te wijzen vonnis, met veroordeling van de man in de proceskosten, te vermeerderen met nakosten.

3.2.

De man voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of van de man meer medewerking kan worden verlangd, gelet onder meer op de afspraken in het echtscheidingsconvenant, teneinde de vrouw te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ten aanzien van de hypotheken verbonden aan de woning aan de [adres], dan hij thans heeft verleend.

4.2.

De vrouw stelt - onder verwijzing naar artikel 3.13 van het convenant, het Haviltex-arrest en het arrest van het Hof Leeuwarden van 19 april 2012, LJN: BW4843 - dat conform de redelijkheid en billijkheid van de man verwacht kan worden dat hij al hetgeen verricht dat binnen het kader van zijn financiële mogelijkheden valt teneinde haar ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te bewerkstelligen. Hieronder valt volgens de vrouw tevens de (onder)verpanding dan wel de verkoop van het onroerend goed aan de [adres2] en [adres3]. De vrouw heeft aangevoerd dat de man al vanaf 2007 de gelegenheid heeft gehad om een en ander te regelen en dat zij er ook vanuit ging dat zij al uit de hoofdelijke aansprakelijkheid was ontslagen. Eerst toen de vrouw met haar huidige partner interesse had in een koopwoning is haar duidelijk geworden dat zij nooit uit de hoofdelijke aansprakelijkheid is ontslagen.

Nu de man makelaar is van beroep en destijds ook werkzaam was als gediplomeerd assurantie tussenpersoon mocht zij in goed vertrouwen afgaan op de expertise en goede wil van de man, aldus de vrouw.

4.3.

Het verweer van de man strekt tot afwijzing van de vordering van de vrouw. Volgens hem zijn partijen bij de mediation volkomen gelijkwaardig geweest, zijn zij juridisch voorgelicht en wisten zij precies waartoe zij besloten. Gelet op het bepaalde in artikel 3.13 van het convenant rust op de man geen enkele verplichting om zorg te dragen dat de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid zal worden ontslagen. De vrouw wist dat er geen garantie was dat zij uit de hoofdelijke aansprakelijkheid zou worden ontslagen. De man meent dat de tekst van het convenant duidelijk is en dat er geen grond bestaat om te “Haviltexen”.

Partijen hebben voldaan aan hetgeen is bepaald in artikel 3.13 van het convenant door de bank te verzoeken de vrouw te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. De bank heeft hierop ontkennend geantwoord, op welke ontkenning geen sanctie staat, aldus de man.

Voorts voert de man aan dat hij een aantal keer contact heeft opgenomen met de Rabobank teneinde te trachten de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te doen ontslaan. Op 7 mei 2012 heeft hij de Rabobank aangeschreven om te komen tot herfinanciering met zekerheidstelling, echter zonder resultaat. Op

19 november 2012 heeft er wederom een gesprek plaatsgevonden tussen de man en de bank, waarna de bank hem op 26 november 2012 heeft laten weten dat er, gelet op de courantheid van panden en de daarop te vestigen zekerheden, geen mogelijkheden bestaan om te komen tot herfinanciering en het wijzigen van zekerheden. De vrouw is van deze gesprekken op de hoogte.

De man meent voorts dat hij rauwelijks gedagvaard is nu hij - na het afzeggen van een vier-gesprek door de vrouw - geen brieven meer van haar dan wel haar advocaat heeft gekregen, doch met deze dagvaarding is geconfronteerd. In dit licht vraagt de man de vrouw te veroordelen in de proceskosten.

4.4.

Anders dan de man meent, dienen, naar het oordeel van de rechtbank, de afspraken tussen partijen wel te worden uitgelegd aan de hand van de zogenaamde Haviltex-maatstaf, waarbij het ook aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de in het convenant opgenomen bepalingen mochten toekennen en wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden opgevuld, kan derhalve niet worden beantwoord op grond van alleen maar een taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Ook de context is hierbij van belang, hetgeen wil zeggen de verschillende bepalingen bezien in onderling verband, en verder de aard en strekking van diverse bepalingen en de geschiedenis van de totstandkoming daarvan (HR 13 maart 1981, LJN AG4158 en Hof Leeuwarden 19 april 2012, LJN BW4843).

Niet in geschil is dat het de bedoeling van partijen was dat de voormalig echtelijke woning aan de man werd toebedeeld en dat hij de daaraan verbonden hypothecaire geldleningen voor zijn rekening zou nemen en als eigen schuld zou voldoen. Voorts blijkt uit artikel 3 onder 13 van het convenant dat partijen de bedoeling hadden dat de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake de hypothecaire geldleningen zou worden ontslagen en dat partijen hiertoe een verzoek zouden doen aan de bank. Gelet op de formulering van artikel 3 onder 13 zijn partijen er, zo de rechtbank begrijpt, vanuit gegaan dat het ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid slechts een formaliteit betrof en verwachtten partijen niet dat de bank hieraan niet zou meewerken. Dit volgt ook uit de omstandigheid dat partijen in het convenant niet hebben voorzien in de situatie dat ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid niet zou lukken. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het convenant een leemte laat die moet worden aangevuld.

Nu het de man is aan wie de voormalig echtelijke woning is toebedeeld, hij de hypothecaire geldleningen als eigen schuld zou voldoen en voor zijn rekening zou nemen en hiernaar ook is gehandeld nu de man deze woning is blijven bewonen en de hypotheeklasten voor zijn rekening heeft genomen, mocht de vrouw verwachten dat hij er alles aan zou doen om haar uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te doen ontslaan. In dit licht bezien dient aan de zijde van de man te dien aanzien een inspanningsverplichting te worden aangenomen. Door een inspanningsverplichting aan de zijde van de man aan te nemen wordt de leemte in het convenant aangevuld. Voor het aannemen van een resultaatsverbintenis, zoals de vrouw wenst, ziet de rechtbank geen mogelijkheid. Dit kan immers redelijkerwijs niet van de man worden verwacht nu hij voor het ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid afhankelijk is van een derde, namelijk de bank.

Beoordeeld dient derhalve te worden of de man reeds aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan. De man stelt een aantal keren contact op te hebben genomen met de Rabobank teneinde te trachten de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te doen ontslaan. Het enige dat de man in het geding heeft gebracht is een emailbericht van een medewerker van de Rabobank van 17 december 2013 die aangeeft dat het inkomen van de man niet toereikend was om de vrouw te ontslaan uit haar hoofdelijkheid en dat op basis van nieuwe inkomensgegevens een verzoek opnieuw in behandeling kan worden genomen. Het verweer van de man dat de bank heeft laten weten dat gezien de courantheid van panden en de daarop te vestigen zekerheden er geen mogelijkheden bestaan om te komen tot herfinanciering en wijziging van zekerheden, is op geen enkele wijze door de man met stukken onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank is dit onvoldoende om aan te nemen dat de man aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan.

Dit geldt temeer nu de man naast zijn inkomen, over (onbezwaard) onroerend goed aan de [adres2] en [adres3] beschikt, die hij in 2007 uit een erfenis heeft verkregen. Gelet op de op de man rustende inspanningsverplichting en het tijdsverloop van inmiddels zeven jaar, mag van de man worden verwacht dat hij het onroerend goed aan de [adres2] en [adres3] ter (aanvullende) zekerheid/onderpand aanbiedt aan de Rabobank teneinde op die manier te trachten de vrouw te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Het gaat de rechtbank te ver de man - gelet op de huidige markt - te verplichten tot verkoop van dit onroerend goed over te gaan.

Nu vaststaat dat de man niet aan zijn inspanningsverbintenis jegens de vrouw heeft voldaan en gezien de omstandigheid zij nog steeds hoofdelijk aansprakelijk is voor de hypothecaire geldleningen, is het belang bij haar vordering gegeven. Dat de man de vrouw in het convenant gevrijwaard heeft, maakt het vorenstaande niet anders nu blijkens de grondslag van de vordering de hoofdelijke aansprakelijkheid de vrouw belemmert in haar mogelijkheden nieuwe financieringen aan te gaan.

Gelijk de man heeft aangevoerd is de vordering zoals deze nu voorligt te vaag (en te ruim) geformuleerd. Nu de rechtbank ook het mindere mag toewijzen zal

de man worden veroordeeld tot het aan de Rabobank Hoeksche Waard ter onderpand aanbieden van het eigendomsrecht van de kadastrale objecten [adres2] en [adres3], binnen één maand na betekening van dit vonnis, teneinde te trachten te bewerkstelligen dat de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid wordt ontslagen aangaande alle hypothecaire geldleningen inzake de woning gelegen aan de [adres], zulks ter voldoening van de op hem rustende inspanningsverbintenis.

Het vorenstaande laat onverlet dat de inspanningsverplichting van de man meebrengt dat hij bij wijziging van zijn inkomen dan wel vermogen is gehouden steeds opnieuw met de bank in gesprek te gaan teneinde de vrouw te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Daarbij kan ook van de man worden verlangd dat hij de vrouw op de hoogte houdt van ontwikkelingen betreffende deze kwestie.

4.5.

De gevorderde dwangsom zal worden beperkt in dier voege dat deze wordt gematigd tot € 100,-- per dag met een maximum van € 10.000,--.

4.6.

De vrouw vordert het vonnis - voor zover mogelijk - uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De man meent met een uitvoerbaarheid bij voorraad in een dwangpositie komen te verkeren en enorme schade te lijden. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw er, gelet op het tijdsverloop van zeven jaar alsmede het overige complex van feiten en omstandigheden, belang bij heeft dat dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard.

4.7.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. In hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding hiervan af te wijken.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt de man tot het ter onderpand aanbieden van het eigendomsrecht van de kadastrale objecten [adres2] en [adres3] aan de Rabobank Hoeksche Waard, binnen één maand na betekening van dit vonnis, teneinde te trachten te bewerkstelligen dat de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid wordt ontslagen aangaande alle op de woning aan de [adres] rustende hypothecaire geldleningen ([geldleningen] ).

5.2.

veroordeelt de man om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 100,-- voor iedere dag dat hij niet aan de in 5.1. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,-- is bereikt,

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.L. de Gruijl-van Benthem en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2014.

1735/120