Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:8114

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-10-2014
Datum publicatie
03-10-2014
Zaaknummer
C/10/459904 / KG ZA 14-902
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter heeft vandaag beslist dat twee studentes hun opleiding aan de Islamitische Universiteit Rotterdam (IUR) mogen voortzetten. De twee vrouwen waren door de Islamitische Universiteit niet toegelaten tot het vervolg van hun opleiding nadat ze melding hadden gemaakt van seksuele intimidatie door een van de docenten.

Volgens de Islamitische Universiteit hebben de studentes gehandeld in strijd met de grondbeginselen en doelstellingen van de UIR.

Of er van seksuele intimidatie sprake van is geweest was in deze procedure niet aan de orde. Wel is de voorzieningenrechter van oordeel dat het feit dat de studentes in dit geval de melding hebben gedaan geen reden mag zijn om de studenten niet tot de opleiding toe te laten.

Als er inderdaad sprake is van seksuele, intimidatie betekent dat een ernstige aantasting van de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. Het doen van een melding maakt onderzoek naar mogelijk wangedrag mogelijk. De Islamitische Universiteit heeft niet voldoende kunnen onderbouwen waarom het indienen van een dergelijke klacht in strijd zou zijn met de grondbeginselen en doelstellingen van de IUR.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/459904 / KG ZA 14-902

Vonnis in kort geding van 3 oktober 2014

in de zaak van

1 [eiser1],

wonende te[woonplaats],

2 [eiser2],

wonende te[woonplaats],

eiseressen,

advocaat mr. E. Cekic,

tegen

de stichting

[gedaagde]

,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. S. Süzen.

Partijen zullen hierna [eiser1] en [eiser2] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding 19 september 2014;

  • -

    de producties van [eiser1] en [eiser2];

  • -

    de producties van [gedaagde];

  • -

    de pleitaantekeningen van [eiser1] en [eiser2];

  • -

    de pleitnotities van [gedaagde].

1.2.

Partijen hebben de respectieve standpunten toegelicht ter zitting van 23 september 2014. Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3.

[eiser1] en [eiser2] hebben bij de aanvang van het pleidooi bezwaar gemaakt tegen de door [gedaagde] ingebrachte producties 19 tot en met 29, die door [gedaagde] - in strijd met het procesreglement - niet (tenminste) 24 uur voor de zitting ter kennis van [eiser1] en [eiser2] zijn gebracht. Mr. Cekic heeft aangegeven hierdoor niet in de gelegenheid geweest om genoemde producties met haar cliënten te bespreken. [eiser1] en [eiser2] zouden hierdoor in

hun procesbelang zijn geschaad.

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat [eiser1] en [eiser2] niet in hun procesbelang zijn geschaad door het niet tijdig inbrengen van de producties 19 tot en met 29 door [gedaagde], nu deze producties voornamelijk zien op getuigenverklaringen.

De voorzieningenrechter honoreert het bezwaar van [eiser1] en [eiser2] en overweegt dienaangaande het volgende. Het betreft voor [eiser1] en [eiser2] onbekende producties, waarover in redelijkheid separaat overleg tussen advocaat en cliënt nodig zal zijn. Dit in samenhang bezien met het feit dat genoemde producties niet tijdig, binnen 24 uur vóór de terechtzitting, door [gedaagde] ter kennis van [eiser1] en [eiser2] zijn gebracht, hetgeen artikel 6

van het procesreglement kort gedingen rechtbanken sector civiel/familie dwingend voor-schrijft, brengt met zich dat [eiser1] en [eiser2] in hun procesbelang zouden worden geschaad door toelating van de producties 19 tot en met 29 in onderhavig kort geding.

Dit brengt met zich dat de producties 19 tot en met 29 buiten beschouwing zullen worden gelaten.

2 De feiten

2.1.

De [gedaagde] verzorgt islamitische opleidingen. [eiser1] en [eiser2] zijn in 2010 met hun studie aan de [gedaagde] begonnen. Zij volgden toentertijd de (niet geaccrediteerde) bacheloropleiding Islamitische Theologie met wo-oriëntatie.

2.2.

Het College van Bestuur van de [gedaagde] bestaat uit de heer prof. dr.[betrokkene1] (hierna: [betrokkene1]), de heer dr. [betrokkene2] (hierna: [betrokkene2]) en de heer drs. [betrokkene3] (hierna: [betrokkene3]).

2.3.

Tot 2011 verzorgde de universiteit een niet geaccrediteerde bacheloropleiding Islamitische Theologie met wo-oriëntatie. In 2013 is de bacheloropleiding Islamitisch Theologie geaccrediteerd en is de bacheloropleiding Islamitsche Theologie met wo-oriëntatie komen te vervalen. [eiser1] en [eiser2] konden middels een overgangsregeling doorstromen naar de masteropleiding Islamitische Geestelijke Verzorging op hbo-niveau.

2.4.

Per mails d.d. 20 mei 2014 schrijven [eiser1] en [eiser2] - ieder afzonderlijk - aan [betrokkene1], voor zover hier relevant, het volgende:

“……

Betreft: verzoek tot toelating tot de master opleiding geestelijke verzorging

……

Bij deze verzoek ik u om mij toe te laten tot de master opleiding geestelijke verzorging aan [gedaagde].

In 2010 heb ik me ingeschreven voor de drie jarige bachelor opleiding Islamitische wetenschappen aan [gedaagde]. Na drie jaar zou ik moeten kunnen doorstromen naar de masteropleiding geestelijke verzorging aan de [gedaagde]. Vanaf het inschrijving heb ik de vakken die werden aangeboden in de eerste twee jaren van deze opleiding met succes gevolgd. Na de tweede studie jaar is [gedaagde] gestopt met het verzorgen van de boven genoemde drie jarige bachelor opleiding die recht gaf om door te stromen tot master opleiding geestelijke verzorging. Door deze situatie is het voor mij praktisch niet mogelijk geweest om binnen drie jaar door te stromen naar de master opleiding.

[gedaagde] begon in dat zelfde jaar met het verzorgen van de eerste jaar HBO Islamitische Theologie.

Alhoewel dat jaar geen lessen werden verzorgt van de derde en de vierde studie jaar van de HBO Islamitische Theologie, hebben wij (studenten van oude bachelor die in dezelfde situatie verkeerden als ik) initiatief genomen en de docenten verzocht om toch een (beperkt) aantal vakken van de derde en de vierde jaar van HBO Islamitische Theologie te verzorgen (speciaal voor de oude bachelor studenten) om zodoende studiepunten te verzamelen en studeren aan [gedaagde] te kunnen continueren. Anders zouden wij twee jaar thuis zitten of definitief afscheid moeten nemen van [gedaagde].

Ik heb er alles aan gedaan om voldoende studie punten te verzamelen met het doel om te kunnen doorstromen naar Master opleiding. Laat staan 180 studie punten die ik nodig heb om te kunnen door stromen naar masteropleiding heb ik aan het einde van deze blok alle vakken, van de oude bachelor (Islamitische wetenschappen) en de nieuwe HBO Islamitische theologie gehaald, behalve de groot stage-II en de scriptie van de vierde jaar.

Ik ben zwaar benadeeld door in het laatste jaar stop zetten van de opleiding, waaraan ik in 2010 begon. Normaliter zou ik dit jaar (2014) de eerste studie jaar van de Master opleiding moeten afronden. Als ik nog een jaar zou moeten wachten om de nieuwe HBO opleiding af te ronden dan verlies ik nog een extra jaar. Dan zou ik pas in 2015-2016 kunnen beginnen aan master opleiding. Dit zijn drie extra jaren in totaal. Dit is niet redelijk. Want ik begon in 2010 aan een opleiding met een bepaald perspectief en deze is mij ontnomen door de ontstaande situatie. Ik heb persoonlijk alles eraan gedan (zie boven genoemde initiatieven) om door te zetten in de hoop op een goede oplossing en mijn vertrouwen in de [gedaagde].

Ik heb mijn situatie meerdere malen mondeling overlegt met de heer [betrokkene2]. Mijn verzoek om toegelaten te worden tot de master geestelijke opleiding tot op heden is nog niet ingewilligd.

Bij deze verzoek ik u vriendelijk om mijn situatie te herzien en mij toch toe te laten tot de master opleiding geestelijke verzorging.

Ik vertrouw er op dat u alles eraan zal doen om mij te helpen met het oplossen van de ontstane probleem.

……”

2.5.

Op 3 juni 2014 heeft er op de [gedaagde] tussen [betrokkene2] en [eiser1] en [eiser2] een bespreking plaatsgevonden over de doorstroming naar de masteropleiding. [betrokkene3]

was daarbij aanwezig.

2.6.

Op 22 juli 2014 voldeden [eiser1] en [eiser2] aan de EC-regeling. [eiser1] en [eiser2] hadden hun scriptie en stage voor de bachelorfase nog niet voltooid.

2.7.

Per mail d.d. 27 augustus 2014 schrijft [betrokkene4], namens [gedaagde], aan [eiser1] en [eiser2], voor zover hier relevant, het volgende:

“……

Bedankt voor uw inschrijving voor het studiejaar 2014-2015 voor de Bacheloropleiding Islamitische Theologie. (…)

De volgende bestanden zijn toegevoegd als bijlage:

1. Jaarkalender

2. Rooster Blok 1

3. Programma Bachelor

Wij hopen op een mooie start van het studiejaar, (…).

…….”

2.8.

Per brief d.d. 17 september 2014 schrijft [gedaagde] aan [eiser1] en [eiser2], voor zover hier relevant, het volgende:

“……

Wij verwijzen u naar Artikel 7:37 lid 4 van de Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek (WHW) en in het verlengde hiervan leest u nu over de beweegredenen tot dit besluit:

De [gedaagde] verschaft duidelijkheid over toelating en inschrijving van studenten tot onze bijzondere opleidingen in onze studiegids (zie blz. 12). Het bestuur is van mening dat u in strijd gehandeld heeft met onze filosofie. Uw gedrag en uw uitingen zijn ontoelaatbaar en vergde een verdere onderhoud welke ondanks de uitnodigingen tot een gesprek met het bestuur door u is geweigerd. Het bestuur is nu gebleken niet anders te kunnen dan te beslissen uw aanmelding niet in behandeling te nemen.

……”

3 Het geschil

3.1.

[eiser1] en [eiser2] vorderen, na wijziging van eis, dat het de voorzieningenrechter moge behagen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. [gedaagde] te verplichten, althans te gebieden dan wel te veroordelen, om [eiser1] en [eiser2] binnen 48 uur na betekening van het vonnis toe te laten tot de bachelor- en/of de masteropleiding waarvoor [eiser1] en [eiser2] zich hebben ingeschreven en/of toe te laten tot alle gebouwen en lessen alwaar [eiser1] en [eiser2] zich moeten bevinden voor het volgen van hun bachelor- en/of masteropleiding dan wel toegang tot het bij de bachelor en/of masteropleiding behorend onderwijs te vrschaffen met dien verstande dat [gedaagde] een dwangsom van € 5.000,= per dag verbeurt voor iedere dat [gedaagde] nalaat aan deze veroordeling te voldoen, een en ander door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen en

  2. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure met de verplichting dat [gedaagde] de nakosten en de wettelijke handelsrente over de proceskosten verschuldigd zal zijn als zij deze niet binnen 14 dagen na het wijzen van het vonnis heeft betaald, een en ander door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen.

3.2.

[gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[gedaagde] heeft geen bezwaar tegen wijziging van eis, zodat op de gewijzigde eis zal worden beslist.

4.2.

In dit geding draait het om de vraag of [gedaagde] gehouden is [eiser1] en [eiser2] toe te laten tot het onderwijs. [gedaagde] weigert dit omdat - kort en zakelijk weergegeven - [eiser1] en [eiser2] een klacht wegens (seksuele) intimidatie tegen [betrokkene3] hebben ingediend en vervolgens onvoldoende hebben meegewerkt aan de afhandeling daarvan door [gedaagde].

4.3.

Met de stelling van [eiser1] en [eiser2] dat zij te maken krijgen met ongewenste studieachterstanden, indien zij niet op korte termijn tot de opleiding worden toegelaten, hebben [eiser1] en [eiser2] het spoedeisend belang bij de door hen gevraagde voorziening genoegzaam aannemelijk gemaakt.

4.4.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat de zaak vanwege haar complexiteit niet geschikt is om in kort geding te worden beslist. De vraag of de juiste beslissing is genomen door [gedaagde], laat zich niet beantwoorden zonder bewijslevering middels het horen van getuigen. Daarvoor is een bodemprocedure de aangewezen weg. Dan kunnen alle feiten en omstandigheden aan de hand van de beschikbare bewijsmiddelen worden gewogen. [eiser1] en [eiser2] dienen daarom niet ontvankelijk in hun vordering te worden verklaard, aldus [gedaagde].

4.5.

De voorzieningenrechter ziet hiertoe geen reden. Als in een kort gedingprocedure vooruitlopend op een aanhangig te maken bodemprocedure op grond van een beweerdelijk ongeldige opzegging, toelating tot die masteropleiding wordt gevorderd, dient de voorzieningenrechter een prognose te geven omtrent de uitkomst van het geschil in de bodemprocedure. Daarvoor is geen uitgebreide bewijslevering nodig.

4.6.

De vorderingen van [eiser1] en [eiser2] zijn gegrond op onrechtmatig handelen c.q wanpresteren door [gedaagde] als publiekrechtelijk rechtspersoon. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter gegeven. [gedaagde] heeft dat ook niet bestreden.

4.7.

Het primair door [gedaagde] gevoerde verweer dat er geen sprake was van een inschrijving door [eiser1] en [eiser2] op de respectieve opleidingen gaat niet op. Het mailbericht van 27 augustus maakt immers geen voorbehoud voor de acceptatie van de inschrijving in verband met een nog te verrichten toetsing. Op vragen van de voorzieningenrechter heeft [gedaagde] ter zitting verklaard dat [eiser1] en [eiser2] aan de formele eisen voor toelating - op grond van de overgangsregeling - hebben voldaan. Voor zover het standpunt van [gedaagde] opgaat dat [eiser1] en [eiser2] bij e-mail d.d. 27 augustus 2014 van [gedaagde] (zie 2.10), waaraan de jaarkalender, het rooster van blok 1 en het bachelor-programma als bijlagen waren toegevoegd, niet volgt dat zij zijn toegelaten tot het studiejaar 2014-2015, dan mochten zij daar gelet op de bijlagen waarvan verstrekking alleen zinvol is voor toegelaten studenten, in elk geval op vertrouwen. Op grond van dat mailbericht mochten [eiser1] en [eiser2] aannemen dat zij ingeschreven waren. Overigens is het voor de op grond van de in het kader van artikel 7:37 WHW (zie hierna) te verrichten toetsing voor het onderhavige geval niet van belang of sprake is van weigering of intrekking van een inschrijving.

4.8.

De vraag die derhalve voorligt is of [gedaagde] in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen de inschrijving van [eiser1] en [eiser2] in te trekken. [gedaagde] heeft haar besluit om [eiser1] en [eiser2] alsnog niet toe te laten tot de opleiding gegrond op artikel 7:37 lid 4 van de Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek (WHW). Op grond van dit artikel kan het bestuur van een bijzondere instelling - voor zover in deze zaak van belang - de inschrijving van studenten intrekken indien zij de grondslag en de doelstellingen van de instelling niet respecteren.

4.9.

[gedaagde] stelt dat [eiser1] en [eiser2] de grondslag en doelstellingen van [gedaagde] niet respecteren. [gedaagde] verwijst in haar brief d.d. 17 september 2014 (zie 2.9) in dit verband naar artikel 12 van de studiegids, waarin - kort samengevat - staat dat studenten die zich voor een bepaalde opleiding inschrijven, de basisbeginselen van de islam dienen te respecteren en niet mogen handelen in strijd met de islamitische ethiek en moraal. Studenten worden geacht zich behoorlijk te gedragen jegens studenten, docenten, bestuurders en medewerkers van de universiteit. Ter zitting heeft [gedaagde] aangegeven dat haar besluit om [eiser1] en [eiser2] alsnog niet toe te laten tot de opleiding is gestoeld op de volgende argumenten:

a. [eiser1] en [eiser2] hebben de beginselen van [gedaagde] niet gerespecteerd door te eisen dat zij in strijd met de toelatingsregels worden toegelaten tot de masteropleiding;

b. [eiser1] en [eiser2] hebben een ernstige aantijging gericht aan het adres van een docent en het onderzoek naar deze aantijgingen volledig gefrustreerd;

c. [eiser1] en [eiser2] hebben daarnaast eigenrichting in de hand gewerkt doordat hun echtgenoten [gedaagde] hebben bestormd teneinde (fysiek) verhaal te halen en een of meerdere docenten te bedreigen;

d. De veiligheid van de leerlingen en de docenten van de universiteit is in het gedrang door de dreigementen die de familieleden van [eiser1] en [eiser2] hebben geuit

e. Op grond van de islam is het verboden te liegen.

4.10.

[eiser1] en [eiser2] betwisten dat zij de grondslag en de doelstellingen van [gedaagde] niet respecteren. Tijdens een bespreking op 3 juni 2014 met [betrokkene2] op zijn kamer - waarbij ook [betrokkene3] aanwezig was - stellen [eiser1] en [eiser2] ernstig seksueel geïntimideerd te zijn door [betrokkene3]. Hierop hebben [eiser1] en [eiser2] op 14 juni 2014 een klacht ingediend bij [betrokkene1].

Op 16 juni 2014 hebben [eiser1] en [eiser2] hun ongenoegen over [betrokkene3] geuit bij de examencommissie van [gedaagde] en verzocht om [betrokkene3] als stagebegeleider te vervangen. Hierop heeft de examencommissie aan [eiser1] en [eiser2] medegedeeld dat zij het verzoek niet in behandeling konden nemen en dat het verzoek verder door het College van Bestuur zou worden afgehandeld. [eiser1] en [eiser2] hebben geweigerd om hun klacht met het College van Bestuur te bespreken, zolang [betrokkene3] daarbij aanwezig was. [eiser1] en [eiser2] zijn van mening dat van een opleidingsinstelling als [gedaagde] verwacht mag worden dat hun klacht grondig en onafhankelijk wordt onderzocht en dat zij van de voortgang van dat onderzoek op de hoogte worden gehouden.

4.11.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Vanzelfsprekend mag [gedaagde] als islamitische onderwijsinstelling van haar studenten verlangen dat zij de basisbeginselen van de islam respecteren en daarnaar leven. Zij heeft op grond van artikel 7.37 WHW ook de bevoegdheid de inschrijving van een student in te trekken indien mocht blijken dat deze die basisbeginselen niet aanhangt.

[gedaagde] heeft haar standpunt dat [eiser1] en [eiser2] die basisbeginselen niet aanhangen ter zitting onderbouwd zoals hiervoor onder 4.9 is weergegeven. Deze argumenten worden hierna besproken.

Ad a.

Dat [eiser1] en [eiser2] de beginselen van [gedaagde] niet hebben gerespecteerd door te eisen dat zij in strijd met de toelatingsregels worden toegelaten tot de masteropleiding valt niet te rijmen met de door [gedaagde] ter zitting gedane verklaring dat [eiser1] en [eiser2] op 22 juli 2014 aan de formele eisen voor toelating hebben voldaan. Overigens valt niet zonder meer in te zien dat het formuleren van een op zichzelf zakelijke eis - zoals het mogen volgen van bepaald onderwijs - op zichzelf met de beginselen van de [gedaagde] in strijd is.

Ad b.

Voor zover deze stelling al zou vallen onder hetgeen [gedaagde] aan haar besluit ten grondslag heeft gelegd is binnen dit kort geding door [gedaagde] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [eiser1] en [eiser2] door het indienen van een klacht tegen [betrokkene3] de grondslag en de doelstellingen van [gedaagde] niet respecteren. De gestelde seksuele intimidatie vormt, indien deze komt vast te staan, een ernstige aantasting van de lichamelijke en geestelijke integriteit waartegen [eiser1] en [eiser2] zich moeten kunnen verweren, onder meer door het indienen van een klacht. Het indienen van een klacht maakt onderzoek naar mogelijke wangedrag nodig. [gedaagde] heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom het indienen van een klacht in strijd zou zijn met de grondslag en de doelstellingen van [gedaagde]. Dat [eiser1] en [eiser2] de klacht hebben ingediend met het oogmerk [betrokkene3] en/of [gedaagde] te beschadigen is niet aannemelijk geworden. Voorts is onvoldoende gebleken dat [eiser1] en [eiser2] zich bij de afhandeling van deze klacht zodanig passief hebben opgesteld dat op grond daarvan aangenomen moet worden dat die klacht met dat oogmerk is ingediend. Zij hebben zich op grond van zakelijke argumenten op het standpunt gesteld dat de wijze van afhandeling van de klacht door [gedaagde] voor hen niet aanvaardbaar was. Wat daarvan verder ook zij, dit had [gedaagde] er niet van hoeven te weerhouden de klacht op transparante wijze af te handelen en daaromtrent, alsmede omtrent haar beslissing op die klacht te rapporteren. Een dergelijke rapportage ontbreekt vooralsnog.

Ad c. en d.

De onder c. en d. weergegeven argumenten zijn niet aan het besluit zoals dat aan [eiser1] en [eiser2] is bekend gemaakt ten grondslag gelegd en zien niet op de grondslag en de doelstellingen van [gedaagde]. Reeds hierop stranden deze argumenten Daarbij komt dat [eiser1] en [eiser2] niet verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor het beweerdelijke agressieve gedrag van hun echtgenoten en familieleden in die zin dat zij, zoals [gedaagde] hen kennelijk verwijt, op dergelijke gedrag hadden moeten anticiperen bij het indienen van hun klacht en daarvan eventueel hadden moeten afzien.

Ad e.

De voorzieningenrechter passeert dit argument nu geenszins vaststaat dat de ingediende klacht is gebaseerd op een leugen. Bovendien is dit argument tegenstrijdig met de erkenning door [gedaagde] dat het indienen van een later onterecht gebleken klacht op zichzelf niet in strijd is met haar grondslag en doelstellingen, maar dat de kern van haar verwijt aan [eiser1] en [eiser2] ligt in het door hen niet meewerken aan het onderzoek door [gedaagde]. Dat heeft niets met liegen te maken.

4.12.

Gelet op het voorgaande zijn de door [gedaagde] aangevoerde argumenten onvoldoende om een vergaande maatregel als intrekking van de inschrijving te rechtvaardigen. Dit leidt ertoe dat de vordering van [eiser1] en [eiser2] zal worden toegewezen als na te melden.

De gevorderde dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd.

4.13.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser1] en [eiser2] worden begroot op:

- dagvaarding € 93,80

- griffierecht € 282,00

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.191,80

4.14.

De gevorderde veroordeling in de nakosten en de wettelijke handelsrente over de proceskosten zullen worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om binnen 48 uur na betekening van het vonnis [eiser1] en [eiser2] toe te laten tot de bachelor- en/of de masteropleiding waarvoor zij zich hebben ingeschreven en [eiser1] en [eiser2] de toegang te verschaffen tot de gebouwen en de lessen waar zij zich moeten bevinden voor het volgen van het onderwijs voor hun bachelor- en/of masteropleiding, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag voor iedere dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 50.000,00;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser1] en [eiser2] tot op heden begroot op € 1.191,80, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de voldoening;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. van den Hurk en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2014. 1862/427