Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:8043

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-08-2014
Datum publicatie
01-10-2014
Zaaknummer
C/10/446518 / HA ZA 14-263
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Heeft gedaagde onrechtmatig jegens eisers gehandeld door de publicatie van twee artikelen van 7 en 9 augustus 2013 in krant en op internet/social media?; Bij de beantwoording van die vraag spelen twee fundamentele rechten een rol, te weten het recht op vrijheid van meningsuiting (art. 7 Grondwet en art. 10 EVRM) en het recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven (art. 8 EVRM), anders gezegd het recht op bescherming van de eer en goede naam. Het belang van eisers is in het bijzonder daarin gelegen dat zij niet mogen worden blootgesteld aan lichtvaardige beschuldigingen. Het belang van gedaagde is dat zij zich in het openbaar op kritische en informerende wijze moet kunnen uitlaten over voorvallen en/of misstanden in de samenleving. Welke van deze belangen de doorslag behoort te geven, hangt af van de in onderling verband te beschouwen omstandigheden, waaronder de aard van de openlijke beschuldigingen, de ernst van de mogelijke gevolgen van de publicatie, de ernst van de misstanden die men aan de kaak wil stellen, de feitelijke juistheid van de beschuldiging en de mate waarin de beschuldigingen ten tijde van de publicatie steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal. Gelet op de in het vonnis onder 4.5 genoemde omstandigheden, in onderling verband bezien, is de rechtbank van oordeel dat gedaagde door publicatie van het artikel van 7 augustus 2013 onrechtmatig jegens eiser1 en eiser2 heeft gehandeld. De rechtbank rekent gedaagde daarbij met name aan dat zij geen wederhoor heeft toegepast voorafgaande aan de plaatsing van het artikel. De bewijslastverdeling ter zake van de vraag of dwangsommen zijn verbeurd verschilt naar gelang van de aard van de verplichting op overtreding waarvan de dwangsom is gesteld: betreft het een verplichting om te geven of te doen, dan moet degene jegens wie de veroordeling is uitgesproken bewijzen dat hij aan zijn verplichting heeft voldaan; betreft het echter een verplichting om niet te doen, dan zal de executant, als in een bodemprocedure wordt getwist over de vraag of de dwangsommen zijn verbeurd, moeten bewijzen dat de geëxecuteerde het verbod heeft overtreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Rotterdam

zaaknummer / rolnummer: C/10/446518 / HA ZA 14-263

Vonnis van 20 augustus 2014

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser1],

gevestigd te Maastricht,

2. [eiser2],

wonende te [woonplaats],

3. [eiser3],

wonende te [woonplaats2],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. G.J.E. Schoofs te Maastricht,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde],

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. A.F. Mandos te Den Haag.

Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 21 mei 2014;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 8 juli 2014;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast:

2.1.

[eiser1] is een reisorganisator en chartert vliegtuigen voor vluchten vanuit Nederland en België naar Turkije en Marokko. [eiser2] is directeur en enig aandeelhouder van [eiser1] [eiser3] is de broer van [eiser2] en tevens advocaat van zowel [eiser2] als [eiser1]

2.2.

[gedaagde] is een uitgever van kranten en tijdschriften. Zij brengt onder andere de krant Zaman Vandaag uit. Van Zaman Vandaag verschijnt wekelijks een papieren versie. Zaman Vandaag is tevens via de website www.zamanvandaag.com te raadplegen.

2.3.

Op woensdag 7 augustus 2013 verscheen op de website van Zaman Vandaag het volgende artikel (hierna: het artikel van 7 augustus):

[eiser1] runt pornosite onder naam van concurrent

Gepubliceerd op 7 augustus 2013 – 17:04

(…)

De domeinnaam nuhr.be staat geregistreerd op naam van de directeur-eigenaar van [eiser1], [eiser2]. Via de volgende website kan gecontroleerd worden wie de eigenaar is van een .be domeinnaam: http://www.dns.be

Nuhr.nl, een van de belangrijkste aanbieders van reizen naar onder meer Marokko en Turkije, heeft gechoqueerd gereageerd op het nieuws dat de website nuhr.nl (met de extensie .be) door concurrent [eiser1] wordt gebruikt voor het runnen van een pornosite.

“Wij zijn niet op de hoogte welke websites door onze concullega’s van [eiser1] worden uitgebaat, maar dit slaat echt alles”, aldus de woordvoerder van nuhr.nl. De woordvoerder wijst erop dat concurrentie nodig is op de markt, maar dat de website nuhr.nl (met de extensie .be) wordt gebruikt voor het runnen van een pornosite vindt hij onbegrijpelijk. “Behalve voordelige prijzen kan je ook uitpakken met een nog betere service dan je opponent om te solliciteren naar de gunst van de klant. Daar profiteert telkens de klant van, maar dat je de naam van je concurrent – weliswaar met de extensie .be – gebruikt voor dergelijke doelen kunnen we niet vatten. Ons publiek kan dit zeker niet smaken.”

De woordvoerder benadrukt dat de domeinnaam nuhr.be geregistreerd staat op naam van de directeur-eigenaar van [eiser1], [eiser2] (zie foto). “Je komt tot de ontdekking dat je naam wordt misbruikt, maar de verbazing is zoveel groter na de ontdekking dat de domeinnaam geregistreerd staat op naam van de directeur-eigenaar van [eiser1], de heer [eiser2]. Nuhr.nl heeft zijn raadsman opdracht gegeven alle nodige juridische stappen te ondernemen om dit weinig tactvolle website uit de lucht te laten halen wegens smaad. De eigenlijke waardering van deze daad laten we over aan onze gasten, onze passagiers. Nuhr.nl laat zich hierdoor niet uit het lood slaan.”

Filmpje waarin [eiser1] nuhr.be doorlinkt naar een website met pornografische inhoud: https://www.youtube.com/watch?v=g4MFDb3-9_c

Een vergelijkbaar artikel is op diezelfde dag ook in het Turks gepubliceerd.

2.4.

Op 8 en 9 augustus 2013 hebben [eiser3] en [persoon1], een vertegenwoordiger van [gedaagde] (hierna: [persoon1]), per e-mail gecorrespondeerd over het onder 2.3 aangehaalde artikel en over rectificatie daarvan.

2.5.

Op 9 augustus 2013 verscheen op de website van Zaman Vandaag het volgende artikel (hierna: het artikel van 9 augustus):

[eiser1] ontkent beschuldigingen van concurrent nuhr.nl

In een op 7 augustus gepubliceerde persbericht, stelt de woordvoerder van reisbureau nuhr.nl dat de website www.nuhr.be – die geregistreerd staat op naam van de eigenaar van concurrent [eiser1] – links bevat die doorverwijzen naar externe webpagina’s met ongepaste inhoud. “Dat je de naam van je concurrent – weliswaar met de extensie .be – gebruikt voor dergelijke doelen kunnen we niet vatten”, aldus de zegsman, die Zaman Vandaag heeft laten weten dat de links inmiddels zijn verwijderd. In een verklaring aan Zaman Vandaag heeft de heer [eiser3], de advocaat van [eiser1], aangegeven dat deze beschuldiging niet op waarheid berust. [eiser2] stelt dat de eigenaar van [eiser1], [eiser2], de domeinnaam nuhr.be vorig jaar heeft gekocht, maar geen links heeft toegevoegd aan de website die doorverwijzen naar externe webpagina’s met ongepaste inhoud. De advocaat benadrukt dat hij en de eigenaar van [eiser1] via berichten op sociale media erachter zijn gekomen dat nuhr.be doorlinkte naar webpagina’s met opgepaste inhoud, waarna ze de inhoud hebben verwijderd. Kara geeft aan dat de morele en commerciële principes van [eiser1] het niet toe laten om dit soort dubieuze tactieken te gebruiken. Volgens de advocaat zou [eiser1] zich nooit in een hachelijke situatie plaatsen.

2.6.

Het onder 2.5 aangehaalde artikel is door [persoon1] als bijlage bij een e-mail van

9 augustus 2013 van 22:12 uur aan [eiser3] verzonden. [eiser3] heeft op die e-mail gereageerd en medegedeeld dat dit artikel niet zijn goedkeuring kon dragen.

2.7.

[eisers] hebben vervolgens een kort geding aangespannen tegen [gedaagde]. Op 20 september 2013 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank daarin uitspraak gedaan. De beslissing van de voorzieningenrechter luidt – voor zover thans van belang – als volgt:

5.1. gebiedt [gedaagde] na betekening van dit vonnis in de eerstvolgende editie van haar (papieren) krant, zonder weglatingen, aanvullingen of commentaar, waarbij lettertype en –grootte van de kop en de tekst hetzelfde dienen te zijn als van de kop en de tekst van de onrechtmatige artikelen, de volgende tekst te plaatsen;

“Rectificatie

Op 7 augustus 2013 en 9 augustus 2013 hebben wij in deze krant artikelen geplaatst welke betrekking hadden op [eiser1], de heer [eiser2] en de heer [eiser3]. Het bericht van 7 augustus 2013 bevat de volgende onjuistheden.

1. Niet de heer [eiser2] maar [eiser1] is eigenaar van de website Nuhr.be.

2. Het is niet juist dat [eiser1] een pornosite runt.

Voorafgaande aan de publicatie van het artikel van 7 augustus 2013 zijn ten onrechte [eiser1] en de heer [eiser2] niet in de gelegenheid gesteld een reactie te geven. Wij hebben dus onrechtmatig gehandeld.

De voorzieningenrechter te Rotterdam heeft ons op straffe van verbeurte van een dwangsom verplicht deze rectificatie te plaatsen.

Redactie Zaman Vandaag”;

5.2.

gebiedt [gedaagde] om uiterlijk twee dagen na betekening van dit vonnis de volgende tekst op haar website te plaatsen en gedurende één week geplaatst te houden, waarbij lettertype en –grootte van de kop en de tekst hetzelfde dienen te zijn als van de kop en de tekst van de onrechtmatige digitale artikelen:

“Rectificatie

Op 7 augustus 2013 en 9 augustus 2013 hebben wij in deze krant artikelen geplaatst welke betrekking hadden op [eiser1], de heer [eiser2] en de heer [eiser3]. Het bericht van 7 augustus 2013 bevat de volgende onjuistheden.

1. Niet de heer [eiser2] maar [eiser1] is eigenaar van de website Nuhr.be.

2. Het is niet juist dat [eiser1] een pornosite runt.

Voorafgaande aan de publicatie van het artikel van 7 augustus 2013 zijn ten onrechte [eiser1] en de heer [eiser2] niet in de gelegenheid gesteld een reactie te geven. Wij hebben dus onrechtmatig gehandeld.

De voorzieningenrechter te Rotterdam heeft ons op straffe van verbeurte van een dwangsom verplicht deze rectificatie te plaatsen.

Redactie Zaman Vandaag”;

5.3.

gebiedt [gedaagde] om na uiterlijk binnen twee dagen na betekening van dit vonnis op de homepage van haar website boven de page break de hieronder opgenomen aankondiging te plaatsen en gedurende één week geplaatst te houden, waarbij lettertype en –grootte van de kop en de tekst hetzelfde dienen te zijn als van de kop en de tekst van de onrechtmatige digitale artikelen:

“Rectificatie artikel over [eiser1] en de heer [eiser2]”;

5.4.

gebiedt [gedaagde] om uiterlijk binnen twee dagen na betekening van dit vonnis op haar mobiele website zonder weglatingen, aanvullingen of commentaar, waarbij lettertype en –grootte van de kop en de tekst hetzelfde dienen te zijn als van de kop en de tekst van de onrechtmatige artikelen, de volgende tekst te plaatsen:

“Rectificatie

Op 7 augustus 2013 en 9 augustus 2013 hebben wij in deze krant artikelen geplaatst welke betrekking hadden op [eiser1], de heer [eiser2] en de heer [eiser3]. Het bericht van 7 augustus 2013 bevat de volgende onjuistheden.

1. Niet de heer [eiser2] maar [eiser1] is eigenaar van de website Nuhr.be.

2. Het is niet juist dat [eiser1] een pornosite runt.

Voorafgaande aan de publicatie van het artikel van 7 augustus 2013 zijn ten onrechte [eiser1] en de heer [eiser2] niet in de gelegenheid gesteld een reactie te geven. Wij hebben dus onrechtmatig gehandeld.

De voorzieningenrechter te Rotterdam heeft ons op straffe van verbeurte van een dwangsom verplicht deze rectificatie te plaatsen.

Redactie Zaman Vandaag”;

5.5.

gebiedt [gedaagde] om uiterlijk binnen twee dagen na betekening van dit vonnis op haar Twitteraccount en Facebookwebpagina de volgende tekst te plaatsen, de tekst op Twitter te voorzien van een link naar de rectificatie op haar mobiele website en deze aankondiging gedurende één week geplaatst te houden:

“Rectificatie artikel over [eiser1] en de heer [eiser2]”;

(…)

5.8.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] een dwangsom te betalen van € 500,= voor iedere dag dat zij niet aan de in 5.1 tot en met 5.7 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 25.000,= is bereikt;

(…)”

2.8.

[eisers] hebben bij de Raad voor de Journalistiek een klacht tegen [gedaagde] ingediend. Op 30 januari 2014 heeft de Raad voor de Journalistiek uitspraak gedaan.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eisers] vorderen dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

a. a) voor recht verklaart dat [gedaagde] onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld;

b) [gedaagde] in ieder geval veroordeelt om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis ten titel van schadevergoeding (gemaakte advocatenkosten) tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisers] te voldoen een bedrag van € 10.000,-- (zegge: tienduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag van volledige betaling;

c) [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

d) [gedaagde] veroordeelt om binnen zeven dagen na dagtekening van dit vonnis ten titel van reeds verbeurde dwangsommen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisers] te voldoen een bedrag van € 25.000,-- (zegge: vijfentwintigduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag van volledige betaling;

e) [gedaagde] veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2.

[eisers] leggen aan hun vordering – verkort weergegeven – ten grondslag dat [gedaagde] onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld door het plaatsen van de artikelen van 7 en 9 augustus 2013, zoals aangehaald onder 2.3 en 2.5. De als gevolg van dit onrechtmatig handelen door [eisers] gemaakte kosten en geleden en nog te lijden schade dienen door [gedaagde] vergoed te worden. [gedaagde] heeft niet (geheel) voldaan aan de veroordeling in het vonnis van de voorzieningenrechter van 20 september 2013, zoals aangehaald onder 2.7, als gevolg waarvan zij de daarin genoemde dwangsommen heeft verbeurd. [eisers] vorderen betaling van deze dwangsommen.

3.3.

[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen en tot veroordeling van [eisers] in de kosten van het geding en stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat zij niet onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld en dat zij geen dwangsommen heeft verbeurd.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt, voor zover van belang, bij de beoordeling nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

[gedaagde] vordert dat de rechtbank [eisers] gelast tot geheimhouding over hetgeen er in de procedure naar buiten is gekomen en dit geheim te houden, hetgeen [gedaagde] zich ook zal verplichten te doen, zulks op straffe van een bedrag van € 500,-- bij elke overtreding geconstateerd bij [eisers] tot een maximum van € 25.000,-- zulks onmiddellijk opeisbaar bij elke overtreding, met matiging van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] al dan niet tot nihil.

3.6.

[eisers] concluderen tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt, voor zover van belang, bij de beoordeling nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

Kern van het geschil tussen partijen betreft de vraag of [gedaagde] onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld door de publicatie van het artikel van

7 augustus 2013, zoals aangehaald onder 2.3, en het artikel van 9 augustus 2013, zoals aangehaald onder 2.5.

Ten aanzien van het artikel van 7 augustus 2013

4.2.

[eisers] stellen zich op het standpunt dat zowel ten aanzien van de plaatsing als voor wat betreft de inhoud van het artikel van 7 augustus verschillende onjuistheden zijn opgetreden. Zij stellen daartoe het volgende. Het was voor [gedaagde] duidelijk dat het persbericht waarop het artikel van 7 augustus is gebaseerd, afkomstig was van Nuhr – een concurrent van [eisers] – en dat Nuhr belang had bij negatieve berichten over [eisers] [gedaagde] had daarom extra zorgvuldig moeten zijn en [eisers] in ieder geval voorafgaand aan de publicatie moeten horen over de beschuldigingen. Voorts staat in het artikel vermeld dat [eiser2] de eigenaar is van de website Nuhr.be. Dit is onjuist. [eiser1] is eigenaar van deze website. In het artikel staat bovendien dat [eiser1] een pornosite runt onder de naam van een concurrent. Ook dit is onjuist. De website nuhr.be bevatte enkel links naar websites met pornografische inhoud, zodat geen sprake is van het runnen van een pornosite. [gedaagde] heeft nagenoeg alle bepalingen van de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek geschonden. [gedaagde] heeft onjuist bericht en daarmee jegens [eisers] onrechtmatig gehandeld.

4.3.

[gedaagde] heeft in reactie daarop het volgende aangevoerd. [eisers] hebben onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 6:162 BW.

Het artikel van 7 augustus is aan de hand van een persbericht van nuhr.nl geschreven en geplaatst door een stagiair. De stagiair heeft onderzoek gedaan en daaruit kwamen zaken voldoende duidelijk naar voren. Dat er voorafgaand aan de plaatsing van dit artikel geen reactie is gevraagd aan [eiser1] was weliswaar niet goed maar niet onrechtmatig.

Dat op de website nuhr.be slechts werd doorverwezen naar websites met pornografische inhoud wordt weersproken. Dat de term “runnen” werd gebruikt is misschien wat overmoedig, maar niet per definitie onjuist. Verder is [eiser2] de enige aandeelhouder en bestuurder van [eiser1] en daardoor de facto de eigenaar van de website nuhr.be, zodat hij voor de content op die website verantwoordelijk kan worden gehouden.

4.4.

Bij de beantwoording van de vraag of [gedaagde] door publicatie van het artikel van 7 augustus onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld, spelen twee fundamentele rechten een rol, te weten het recht op vrijheid van meningsuiting (artikel 7 Grondwet en artikel 10 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven (artikel 8 EVRM), anders gezegd het recht op bescherming van de eer en goede naam.

Zoals de voorzieningenrechter reeds in haar vonnis van 20 september 2013 onder rechtsoverweging 4.6 heeft overwogen, is het belang van [eisers] in het bijzonder daarin gelegen dat zij niet mogen worden blootgesteld aan lichtvaardige beschuldigingen. Het belang van [gedaagde] is dat zij zich in het openbaar op kritische en informerende wijze moet kunnen uitlaten over voorvallen en/of misstanden in de samenleving. Welke van deze belangen de doorslag behoort te geven, hangt af van de in onderling verband te beschouwen omstandigheden, waaronder de aard van de openlijke beschuldigingen, de ernst van de mogelijke gevolgen van de publicatie, de ernst van de misstanden die men aan de kaak wil stellen, de feitelijke juistheid van de beschuldiging en de mate waarin de beschuldigingen ten tijde van de publicatie steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal.

4.5.

Tussen partijen staat niet ter discussie dat [eiser1] de eigenaar van de website nuhr.be is. [gedaagde] heeft haar verweer dat [eiser2] – als enig aandeelhouder en bestuurder van [eiser1] – de facto als eigenaar van de website nuhr.be kan worden aangemerkt, na weerspreking daarvan door [eisers] niet langer gehandhaafd. Dat in het artikel van 7 augustus [eiser2] als eigenaar van de website wordt genoemd is dus feitelijk onjuist. Ditzelfde geldt voor het artikel van 9 augustus, waarin staat dat [eiser2] de domeinnaam heeft gekocht. Met de voorzieningenrechter is de rechtbank van oordeel dat met die onjuiste vermelding [eiser2] in persoon wordt beschuldigd van gedrag dat in brede kringen als laakbaar wordt geacht. Een bedrijf en haar directeur kunnen niet op een dergelijke wijze worden vereenzelvigd.

In haar conclusie van antwoord heeft [gedaagde] weersproken dat op de website slechts werd doorverwezen naar websites met pornografische inhoud. Ter comparitie heeft zij dat verweer echter onvoldoende onderbouwd. De rechtbank gaat er derhalve vanuit dat op de website alleen werd doorgelinkt. In normaal spraakgebruik betekent het runnen van een pornosite dat een site met pornografische inhoud door de eigenaar daarvan wordt geëxploiteerd. Daarvan is bij het – enkel – doorlinken naar websites met pornografische inhoud geen sprake. [gedaagde] stelt dat de stagiair onderzoek heeft gedaan naar de website nuhr.be. Dat – slechts – sprake was van doorlinken had derhalve ook uit dat onderzoek moeten blijken.

In het algemeen dient een journalist tevoren na te gaan of zijn informatie juist is. Dat onderzoek is hier kennelijk beperkt gebleven tot het bezoeken van de website en wellicht het uitproberen van de link. De rechtbank is met de voorzieningenrechter van oordeel dat dat te weinig is. Ter comparitie heeft de heer [persoon1] namens [gedaagde] verklaard dat zij wist dat Nuhr een concurrent is van [eiser1]. Gelet op de ernst van de beschuldiging en de bron van het persbericht lag het op de weg van [gedaagde] om [eisers] om een reactie te vragen. Het niet vragen om een reactie is in strijd met hetgeen een zorgvuldig handelend vakgenoot betaamt. De Leidraad voor de Journalistiek geeft wat dat betreft inzicht in de in de branche heersende opvattingen. Dat een en ander is gedaan c.q. nagelaten door een stagiair, komt voor risico van [gedaagde]. Ook de Raad voor de Journalistiek heeft geconcludeerd dat de (hoofd)redactie van Zaman Vandaag Journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld.

[gedaagde] heeft ter comparitie aangevoerd dat het artikel van 7 augustus 2013 hoofdzakelijk bestaat uit quotes uit het persbericht. [gedaagde] heeft het persbericht dat aan haar artikel van 7 augustus ten grondslag ligt echter niet overgelegd, zodat dit niet kan worden geverifieerd. De rechtbank zal dit verweer derhalve als niet onderbouwd passeren.

De stelling van [gedaagde] dat tussen Nuhr.nl en [eiser1] een procedure heeft gelopen wegens onrechtmatigheden van [eiser1] is door [gedaagde] evenmin onderbouwd en wordt daarom eveneens door de rechtbank gepasseerd.

4.6.

Gelet op de hiervoor onder 4.5 genoemde omstandigheden, in onderling verband bezien, is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] door publicatie van het artikel van 7 augustus 2013 onrechtmatig jegens [eiser1] en [eiser2] heeft gehandeld. De rechtbank rekent [gedaagde] daarbij met name aan dat zij geen wederhoor heeft toegepast voorafgaande aan de plaatsing van het artikel. [gedaagde] is derhalve gehouden de ten gevolge van deze publicatie door [eiser1] en [eiser2] geleden schade te vergoeden.

Nu zijn naam in het artikel van 7 augustus niet wordt genoemd is van onrechtmatig handelen jegens [eiser3] door publicatie van dit artikel naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken, zodat de gevorderde verklaring voor recht en veroordeling tot vergoeding van schade voortvloeiende uit dit artikel ten aanzien van [eiser3] te zijner tijd zal worden afgewezen.

Ten aanzien van het artikel van 9 augustus 2013

4.7.

[eisers] stellen zich op het standpunt dat tussen partijen expliciet was overeengekomen dat geen rectificatie zou worden gepubliceerd zonder goedkeuring van [eiser3]. Voorts heeft [eiser3] [gedaagde] verboden om zijn naam te gebruiken en/of hem te citeren. [gedaagde] heeft desondanks het artikel van 9 augustus geplaatst en daarin [eiser3] onjuist geciteerd. Het artikel bevat voorts inhoudelijke onjuistheden. [gedaagde] heeft door deze handelswijze onrechtmatig jegens [eisers] gehandeld.

4.8.

[gedaagde] betwist dat zij door de publicatie van het artikel van 9 augustus onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld en heeft aangevoerd dat [eisers] daartoe onvoldoende hebben gesteld.

4.9.

Uitgangspunt is dat rechtens geen toestemming behoefde te worden gevraagd aan [eiser3] voor plaatsing van dit artikel. Ter comparitie heeft de heer [persoon1] evenwel verklaard dat hij had toegezegd niets zonder instemming van [eiser3] te zullen plaatsen, maar dat hij in overleg met zijn hoofdredacteur in het tweede artikel [het artikel van 9 augustus; rb] Nuhr niet wilde beschadigen.

Door het artikel toch zonder instemming van [eiser3] te publiceren heeft hij in strijd met de tussen partijen gemaakte afspraak gehandeld. Binnen de journalistiek is het echter gangbaar, mede gelet op de beschikbare publicatieruimte, dat reacties van betrokkenen worden ingekort of geparafraseerd. Deze werkwijze is in beginsel toegelaten, mits de essentie van de reactie van de betrokkene kenbaar blijft. Met de voorzieningenrechter is de rechtbank van oordeel dat daaraan in het onderhavige artikel is voldaan. Weliswaar bevat ook het artikel van 9 augustus de onjuistheid, zoals aangehaald in rechtsoverweging 4.5, dat de domeinnaam op naam staat van [eiser2], doch dit is een herhaling van c.q. citaat uit het artikel van 7 augustus. De teneur van het artikel van 9 augustus is niet zozeer een rectificatie als een vervolg op het artikel van 7 augustus. De rechtbank acht dat tweede artikel (dat, anders dan [eisers] menen, niet te tendentieus is, doch slechts verslag doet van het conflict) niet zelfstandig onrechtmatig in het licht van de in rechtsoverweging 4.4 gegeven maatstaf. De rechtbank acht het artikel van 9 augustus voorts niet onnodig grievend jegens [eiser3] en is van oordeel dat hij door publicatie van dit artikel niet in zijn eer en goede naam is aangetast.

Schadestaatprocedure

4.10.

[eisers] hebben de rechtbank verzocht om de schade die zij hebben geleden door de berichtgeving op te maken bij staat. Zij stellen dat zij door het onrechtmatig handelen van [gedaagde] imagoschade hebben geleden. Ter comparitie heeft [eiser3] namens [eisers] verklaard dat de jaarcijfers van [eiser1] nog niet voorhanden zijn en dat een vergelijking tussen de jaarcijfers nog moet worden gemaakt.

4.11.

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat, hoewel een schadestaatprocedure een goed middel is om de schade vast te stellen, [eisers] de schade onvoldoende hebben onderbouwd. Ter comparitie heeft zij bij monde van haar advocaat aangevoerd dat, gelet op de tijd die is verstreken sinds de berichtgeving, van [eiser1] verwacht mocht worden dat zij de nodige gegevens had verzameld om tenminste een indicatie van haar schade te geven en dat nu wel zichtbaar moet zijn wat de impact van de berichtgeving is geweest.

4.12.

Voor toewijzing van een vordering tot vergoeding van schade op te maken bij staat is, wat het element schade betreft, volgens vaste rechtspraak voldoende dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Er wordt niet betwist dat [eisers] schade heeft geleden ten gevolge van de berichtgeving. Hoewel [eisers] haar vordering summier heeft onderbouwd, ligt de drempel om een procedure ten aanzien van deze schade naar de schadestaatprocedure te verwijzen laag. Er is door partijen nog niet inhoudelijk op de schade en de omvang daarvan ingegaan. De verwachting is gerechtvaardigd dat het vaststellen van de schade nog (veel) nader onderzoek zal vergen. De rechtbank zal de zaak hiertoe te zijner tijd naar de schadestaatprocedure verwijzen.

Advocaatkosten

4.13.

Voor wat betreft de gevorderde vergoeding voor advocaatkosten, overweegt de rechtbank het volgende. [eisers] hebben in hun dagvaarding aan deze vordering ten grondslag gelegd dat [eiser3] tijdens het Suikerfeest dagenlang heeft geprobeerd [gedaagde] ertoe te bewegen een rectificatie van het artikel van 7 augustus te plaatsen. [eisers] hebben voorts gesteld dat dit vanwege de spoedeisendheid en de aard van de zaak niet aan iemand anders kon worden overgedragen. [gedaagde] heeft deze vordering betwist. Naar aanleiding van een door artikel 25 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ingegeven vraag van de rechtbank daartoe heeft [eiser3] ter comparitie bevestigd dat het hier gaat om kosten gemaakt ter voorkoming en beperking van schade. Deze kosten vallen derhalve onder de in artikel 6:96 lid 2 sub a Rv genoemde kosten en betreffen niet de kosten als genoemd in lid 2 sub c van dat artikel, te weten redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte.

De rechtbank is van oordeel dat een redelijke vergoeding toewijsbaar is. Echter, gelet op het feit dat [eisers] hun vordering op dit punt onvoldoende hebben gespecificeerd, ziet de rechtbank aanleiding om het gevorderde bedrag lager te begroten. In de gegeven omstandigheden en gelet op de bij dagvaarding overgelegde e-mailcorrespondentie en hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd acht de rechtbank een bedrag van

€ 4.000,00 een redelijke vergoeding. [gedaagde] zal te zijner tijd worden veroordeeld tot vergoeding van dit bedrag.

Verbeurde dwangsommen

4.14.

Bij vonnis van 20 september 2013 heeft de voorzieningenrechter [gedaagde] veroordeeld tot – kort gezegd – het plaatsen van rectificaties in de eerstvolgende papieren versie van Zaman Vandaag na betekening van het vonnis, op haar website, Twitteraccount en Facebookpagina, op straffe van het verbeuren van dwangsommen.

4.15.

[eisers] stellen dat [gedaagde] niet aan het vonnis van de voorzieningenrechter heeft voldaan en mitsdien een bedrag van € 25.000,-- aan dwangsommen heeft verbeurd. [eisers] hebben daartoe het volgende aangevoerd. De rectificatie is na betekening van het vonnis niet in de eerstvolgende (papieren) editie van Zaman Vandaag gepubliceerd. Het vonnis is op 4 en 7 oktober 2013 aan [gedaagde] betekend en pas op 18 oktober 2013 in de krant geplaatst. Voorts is niet gebleken dat de rectificatie overeenkomstig het vonnis gedurende één week op de website (inclusief page break) én mobiele website, Twitteraccount en Facebookpagina is geplaatst gehouden.

4.16.

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat zij tijdig aan het vonnis van de voorzieningenrechter gevolg heeft gegeven en stelt daartoe het volgende. De rectificatie is in de eerst mogelijke editie van Zaman Vandaag geplaatst. Daarnaast heeft de rectificatie op de website en homepage gestaan en heeft [gedaagde] met betrekking tot haar Twitter account het nodige gedaan wat van haar werd gevraagd. Voorts is [gedaagde] niet door [eisers] in gebreke gesteld en rauwelijks gedagvaard.

4.17.

Bij de beoordeling van de vraag of [gedaagde] dwangsommen heeft verbeurd moet de rechtbank onderzoeken of de door de voorzieningenrechter verlangde prestaties waaraan de dwangsom is verbonden zijn verricht. Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat het vonnis van de voorzieningenrechter op 4 en op 7 oktober 2013 aan [gedaagde] is betekend.

4.18.

Ter comparitie heeft de heer Buyuk namens [gedaagde] onder meer het volgende verklaard: “De rectificatie is geplaatst in de eerst mogelijke weekeditie van de krant. Het was technisch niet meer mogelijk om de rectificatie te plaatsen in de editie van 11 – 17 oktober 2013. Dit heeft te maken met het moment van ter perse gaan van de krant. Die ligt 3 tot 4 dagen voor de uitgavedatum. Wij hebben verklaringen waaruit dit blijkt. Ik heb zelf de rectificatie op de website geplaatst op 5 oktober 2013.” [gedaagde] heeft voorts ter comparitie een screenshot van haar website overgelegd waaruit blijkt dat de rectificatie op 5 oktober 2013 daarop is gepubliceerd.

[gedaagde] heeft haar stelling dat het exploot van 4 oktober 2013 een hinderlijke fout bevatte niet onderbouwd. Uit de datum van het plaatsen van de rectificatie op de website, 5 oktober 2013, en de tekst van die rectificatie, gelijkluidend aan de tekst zoals die is opgenomen in het vonnis van de voorzieningenrechter, maakt de rechtbank de gevolgtrekking dat [gedaagde] reeds op 5 oktober 2013 bekend was met het vonnis van de voorzieningenrechter en de inhoud daarvan. In ieder geval wist [gedaagde] vóór de tweede betekening op 7 oktober 2013 wat de inhoud van het vonnis was. [gedaagde] wist ook dat het plaatsen van een rectificatie in de papieren editie van de krant een voorbereidingstijd met zich zou brengen. Ervan uitgaande dat de editie van 11 – 17 oktober 2013 drie tot vier dagen van tevoren ter perse gaat, had [gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank nog voldoende tijd om de rectificatie in deze editie te plaatsen. Dat heeft zij echter niet gedaan. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] niet heeft voldaan aan hetgeen de voorzieningenrechter onder 5.1 van haar vonnis heeft geboden. [gedaagde] heeft derhalve ten aanzien van deze veroordeling dwangsommen verbeurd ten bedrage van 7 x € 500,00. Anders dan [gedaagde] aanvoert, was ten aanzien van de vordering tot betaling van de verbeurde dwangsommen een ingebrekestelling niet vereist (artikel 6:83 onder a Burgerlijk Wetboek).

4.19.

Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde], conform het vonnis van de voorzieningenrechter, de rectificatie op haar website heeft geplaatst. Voorts staat niet ter discussie dat [gedaagde] de door de voorzieningenrechter geboden aankondiging heeft geplaatst op de page break van haar website en op haar Twitteraccount en Facebookwebpagina.

Partijen twisten wel over de vraag hoe lang de desbetreffende berichten op de website, page break, Twitteraccount en Facebookpagina hebben gestaan. [eisers] stellen dat dat niet gedurende de door de voorzieningenrechter geboden termijn van één week is geweest en dat [gedaagde] derhalve dwangsommen heeft verbeurd. De door partijen overgelegde stukken en tussen hen gevoerde discussie bieden geen antwoord op deze vraag. Daartoe zal bewijs moeten worden opgedragen.

4.20.

De bewijslastverdeling ter zake van de vraag of dwangsommen zijn verbeurd verschilt naar gelang van de aard van de verplichting op overtreding waarvan de dwangsom is gesteld: betreft het een verplichting om te geven of te doen, dan moet degene jegens wie de veroordeling is uitgesproken bewijzen dat hij aan zijn verplichting heeft voldaan; betreft het echter een verplichting om niet te doen, dan zal de executant, als in een bodemprocedure wordt getwist over de vraag of de dwangsommen zijn verbeurd, moeten bewijzen dat de geëxecuteerde het verbod heeft overtreden. Dienovereenkomstig zal de rechtbank [gedaagde] opdragen te bewijzen dat zij overeenkomstig het vonnis van de voorzieningenrechter van 20 september 2013 de rectificatie gedurende één week op haar website geplaatst heeft gehouden, dat zij de aankondiging gedurende één week op haar website boven de page break geplaatst heeft gehouden, en dat zij de aankondiging gedurende één week op haar Twitteraccount en Facebookwebpagina geplaatst heeft gehouden.

De datum of data en tijdstippen voor eventuele getuigenverhoren aan de zijde van [gedaagde] (in enquête) en aan de zijde van [eisers] (in contra-enquête) zullen na het wijzen van dit vonnis aan de hand van door partijen op te geven verhinderdata worden bepaald. Daarbij zal zowel een datum of data voor de enquête worden gepland als een datum of data worden gereserveerd voor de contra-enquête. Dit laat onverlet het recht van [eisers] om zich na de enquête nader te beraden over de contra-enquête.

4.21.

Ten aanzien van de stelling dat [gedaagde] ook over een mobiele website beschikt en ook ten aanzien daarvan tekort is geschoten in de nakoming van het vonnis van de voorzieningenrechter, overweegt de rechtbank het volgende. [gedaagde] heeft betwist dat zij beschikt over een mobiele versie van haar website of een app. Ter comparitie hebben de heren Buyuk en [persoon1] aan de hand van hun telefoon respectievelijk laptop laten zien dat er geen verschil is tussen het via een telefoon en laptop benaderen van de website zamanvandaag.com. [eisers] hebben dit onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat de rechtbank de stelling van [eisers] verwerpt.

4.22.

In afwachting van de uitkomst van de bewijslevering houdt de rechtbank iedere verdere beslissing in conventie aan.

in reconventie

4.23.

Ter gelegenheid van de comparitie van partijen heeft [gedaagde] bij monde van haar advocaat medegedeeld dat de vordering in reconventie is bedoeld als poging om tot een vergelijk te komen en dat een juridische grondslag voor deze vordering ontbreekt. Vanwege het ontbreken van een juridische grondslag zal de vordering te zijner tijd worden afgewezen en zal [gedaagde] worden veroordeeld in de proceskosten in reconventie, zoals hierna bedoeld.

4.24.

[gedaagde] zal te zijner tijd, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure in reconventie, welke aan de zijde van [eisers] worden begroot op 1 punt (voor de conclusie van antwoord in reconventie) x het toepasselijk liquidatietarief II = € 452,00. Vanwege het feit dat de comparitie voor het overgrote deel in het teken heeft gestaan van de vordering in conventie, zal geen veroordeling in de kosten van de comparitie van partijen in reconventie plaatsvinden.

4.25.

In afwachting van de uitkomst van de bewijslevering in conventie houdt de rechtbank iedere nadere beslissing in reconventie aan.

5 De beslissing

De rechtbank,

in conventie

5.1.

draagt [gedaagde] op te bewijzen dat zij overeenkomstig het vonnis van de voorzieningenrechter van 20 september 2013 de rectificatie gedurende één week op haar website geplaatst heeft gehouden, dat zij de aankondiging gedurende één week op haar website boven de page break geplaatst heeft gehouden, en dat zij de aankondiging gedurende één week op haar Twitteraccount en Facebookwebpagina geplaatst heeft gehouden;

5.2.

bepaalt dat indien [gedaagde] dit bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, deze zullen worden gehoord in het gerechtsgebouw te Rotterdam aan het Wilhelminaplein 100/125, voor de rechter mr. P.C. Santema;

5.3.

bepaalt dat [gedaagde], indien deze getuigen wil laten horen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank - Administratie haven en handel, afdeling planningsadministratie, kamer E12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam, faxnummer 010 2972518 - de namens hem/haar te horen getuigen en de verhinderdagen van de getuigen, alle partijen en hun advocaten in de maanden november 2014 tot en met januari 2015 moet opgeven, waarna dag/dagen en uur van het getuigenverhoor zal worden bepaald;

5.4.

bepaalt dat [eisers], indien deze getuigen in contra-enquête willen voorbrengen, bij de opgave van verhinderdata rekening moeten houden met de in dat kader (vermoedelijk) te horen getuigen; voor contra-enquête zal een dag/dagen en uur worden gereserveerd na de voor het getuigenverhoor bepaalde dag en tijd;

5.5.

bepaalt dat [gedaagde], indien deze het bewijs niet door getuigen wil leveren maar door overlegging van bewijsstukken en/of door een ander bewijsmiddel, het voornemen hiertoe binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank - Administratie haven en handel, afdeling roladministratie, kamer E12.55, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam, faxnummer 010 2972517 - en aan de wederpartij moet opgeven, waarna de verdere procesvoering zal worden bepaald;

5.6.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken, voor zover nog niet in het geding gebracht, aan de rechtbank

- Administratie haven en handel, afdeling planningsadministratie, kamer E12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam, faxnummer 010 2972518 - en de wederpartij moeten toesturen;

in conventie en in reconventie

houdt iedere verder beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Santema en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2014.

1902/32