Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:7910

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-08-2014
Datum publicatie
29-09-2014
Zaaknummer
C/10/433821 / HA ZA 13-982
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident. Voor zover het gaat om tussen partijen overeengekomen CMR-vervoer, is de in de ‘Rate Proposals’ genoemde clausule in strijd met artikel 31 CMR en, gelet op het bepaalde in artikel 41 CMR, nietig. Voor zover het gaat om tussen partijen overeengekomen vervoer waarop de CMR niet van toepassing is, moet onderzocht worden of partijen een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht hebben gesloten ex art. 23 lid 1 EEX-Vo. Gesteld noch gebleken is dat partijen bij een forumkeuze zijn overeengekomen als bedoeld in sub a van artikel 23 lid 1 EEX-Vo. Samskip SRL mocht er onder de gegeven omstandigheden voorts niet zomaar van uitgaan dat Stante door niet te reageren op de door Samskip SRL per e-mail verzonden ‘Rate Proposals’ de algemene voorwaarden van Samskip SRL, en de daarin opgenomen jurisdictieclausule, stilzwijgend aanvaardde in een vorm als bedoeld onder sub b of c van art. 23 lid 1 EEX-Vo. Van aanvaarding van de algemene voorwaarden van Samskip SRL door Stante is derhalve geen sprake. Dat betekent dat de rechtbank onbevoegd is (art. 2 EEX-Vo).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2014, afl. 6, p. 314
S&S 2015/43

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/433821 / HA ZA 13-982

Vonnis in incident van 20 augustus 2014

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SAMSKIP MULTIMODAL B.V.,

hierna: Samskip BV,

gevestigd te Rotterdam,

2. de rechtspersoon naar het recht van het land en de plaats van haar vestiging

SAMSKIP MULTIMODAL S.R.L.,
hierna: Samskip SRL,

gevestigd te Cernusco Sul Naviglio, Italië,

eiseressen in de hoofdzaak,

verweersters in het incident,

advocaat mr. J.F. van der Stelt,

tegen

de rechtspersoon naar het recht van het land en de plaats van haar vestiging

STANTE S.R.L.,

gevestigd te Pomezia (Rome), Italië,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. M.M. van Leeuwen.

Eiseressen zullen hierna gezamenlijk Samskip c.s. en gedaagde zal hierna Stante genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding d.d. 21 juni 2013, met producties,

  • -

    de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid, met producties;

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord;

  • -

    de akte bij pleidooi zijdens Stante, met productie;

  • -

    de ter gelegenheid van de pleidooien op 18 april 2014 overgelegde pleitnotities van
    mrs. J.J. van de Velde en R.L. Latten (Samskip c.s.) en van mr. Van Leeuwen voornoemd.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 Het geschil

in de hoofdzaak

2.1.

Samskip c.s. vorderen – verkort weergegeven – dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, Stante veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 111.646,98, te vermeerderen met rente en kosten.

2.2.

Aan deze vordering hebben Samskip c.s. bij dagvaarding – samengevat en voor zover thans van belang – het volgende ten grondslag gelegd. Partijen hebben in 2010 raamovereenkomsten gesloten voor het vervoer van goederen (over de weg) van Italië naar verschillende steden binnen Europa. Op basis van deze raamovereenkomsten heeft Stante het vervoer van cosmetica artikelen geboekt bij Samskip SRL, door wie de vervoeropdrachten werden uitgevoerd. Facturatie van door Stante verschuldigde vracht en bijkomende kosten vond plaats door Samskip BV.

Een groot deel van de vervoeropdrachten had betrekking op vervoer van Pomezia, Italië, naar Moskou, Rusland. Bij een deel van de containers die naar Moskou werd vervoerd werden door Stante niet de voor invoer in Rusland benodigde documenten gevoegd. Stante is daarmee tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende verplichtingen en dient de daaruit voortvloeiende schade te vergoeden.

in het incident

2.3.

Stante vordert dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, zich onbevoegd verklaart om van de vordering kennis te nemen en Samskip c.s. veroordeelt in de kosten van de hoofdzaak en het incident.

2.4.

Stante legt aan deze vordering – verkort weergegeven – het volgende ten grondslag.

Ten eerste kan Stante op grond van artikel 2 lid 1 van de Verordening 44/2001 van 22 december 2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EEX-Vo) alleen worden gedagvaard voor de rechter van haar woonplaats, nu geen van de uitzonderingen op die hoofdregel in deze zaak van toepassing zijn.

Ten tweede, voor zover de vorderingen worden ingesteld onder overeenkomsten tussen Stante en Samskip SRL en Stante en Samskip BV – betwist wordt dat Samskip BV een contractspartij van Stante was of is –, houden deze een forumkeuze in die exclusieve bevoegdheid geeft aan de rechtbank te Napels. Toepasselijkheid van een jurisdictieclausule voor de rechtbank Rotterdam wordt betwist.

Ten derde, voor zover de vorderingen zijn gebaseerd op contracten waarop het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (CMR) van toepassing is, wordt de bevoegdheid exclusief voorgeschreven in artikel 31 lid 1 CMR. Ook in dat geval is de rechtbank Rotterdam niet bevoegd.

De door Samskip c.s. gestelde raamovereenkomsten, beweerdelijk gesloten in 2010, bestaan niet. Stante contracteert altijd onder haar eigen voorwaarden en laat vervoerders voor exclusieve toepasselijkheid daarvan tekenen. Samskip SRL heeft op 13 november 2009 getekend voor aanvaarding van de voorwaarden van Stante (neergelegd in een Freight Agreement en een Standard Operating Procedure). Daarmee stond Samskip op de lijst om vervoeropdrachten te kunnen krijgen. In artikel 17 van de Freight Agreement staat een forumkeuze voor de rechter te Napels. In artikel 19 van de Standard Operating Procedure staat een rechtskeuze voor Italiaans recht. Er was voor beide Italiaanse partijen geen reden om te kiezen voor Nederlands recht en een Nederlandse rechter.

2.5.

Samskip c.s. concluderen tot afwijzing van de vordering in het incident, met veroordeling, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, van Stante in de kosten van het incident.

2.6.

Samskip c.s. voeren daartoe – verkort weergegeven – het volgende aan.

Samskip SRL verstuurde ieder kwartaal Rate Proposals met daarin de essentialia van de overeenkomst tussen partijen naar Stante. Op basis van deze Rate Proposals werd door Stante het vervoer geboekt bij Samskip SRL. Dit gebeurde feitelijk door middel van telefonische opdrachten aan MDM SRL, de hulppersoon van Samskip SRL, die de lading vervolgens ophaalde en vervoerde naar de losplaats. De vervoerovereenkomsten zijn belichaamd in de Rate Proposals. De inhoud van de Rate Proposals is door Stante nimmer betwist en derhalve stilzwijgend aanvaard.

De Freight Agreement en de Standard Operating Procedure zijn niet voorzien van een begindatum en nimmer in werking getreden. De vrachttarieven, één van de essentialia van een vervoerovereenkomst, zijn daarin niet genoemd of daarbij gevoegd en ook de namen van partijen ontbreken. Bovendien was Stefano Antonini op 13 november 2009 niet bevoegd om overeenkomsten aan te gaan en te ondertekenen namens Samskip SRL. Samskip SRL is derhalve niet gebonden aan deze stukken. Samskip SRL zond de

Rate Proposals nog vóórdat de vervoerovereenkomsten werden uitgevoerd per e-mail naar Stante. Samskip SRL werkt uitsluitend op basis van haar eigen voorwaarden.

Subsidiair geldt dat de Rate Proposals dienen te worden gekwalificeerd als aanbod in de zin van artikel 6:217 lid 1 BW. Dit aanbod werd steeds door Stante aanvaard.

Meer subsidiair gelden de Rate Proposals als een nieuw aanbod met verwerping van het oorspronkelijke aanbod. Stante wordt geacht de forumkeuze te hebben aanvaard althans bij Samskip SRL het gerechtvaardigd vertrouwen te hebben gewekt dat zij daarmee heeft ingestemd.

Nog meer subsidiair geldt dat de overeenkomst tot stand is gekomen tussen Samskip BV en Stante. In de CMR vrachtbrieven staat dat Samskip BV de vervoerder is, zodat daaruit blijkt dat tussen Stante en Samskip BV vervoerovereenkomsten tot stand zijn gekomen. Samskip BV verwijst op haar facturen steevast naar de voorwaarden van Samskip. Stante heeft nimmer geprotesteerd tegen deze voorwaarden, zodat deze van toepassing zijn.

De rechtbank Rotterdam is bevoegd krachtens artikel 5 lid 1 EEX-Vo, omdat de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt dient te worden uitgevoerd in Nederland (brengschuld).

Uiterst subsidiair is het beroep van Stante op de jurisdictieclausule in de Freight Agreement gelet op de omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Deze clausule is nietig krachtens artikel 31 jo. artikel 41 CMR.

3 De beoordeling in het incident

3.1.

Beoordeeld moet worden of de rechtbank Rotterdam rechtsmacht heeft om van de vordering van Samskip c.s. kennis te nemen.

3.2.

Artikel 1 lid 1 CMR bepaalt dat dit Verdrag van toepassing is op iedere overeenkomst onder bezwarende titel voor het vervoer van goederen over de weg door middel van voertuigen, wanneer de plaats van inontvangstneming der goederen en de plaats bestemd voor de aflevering, zoals deze zijn aangegeven in de overeenkomst, gelegen zijn in twee verschillende landen, waarvan tenminste één een bij het Verdrag partij zijnd land is, ongeacht de woonplaats en de nationaliteit van partijen. Voor zover tussen partijen vervoer is overeengekomen dat binnen de reikwijdte van de CMR valt, geldt het volgende.

Voor de rechtsmacht is bepalend de exclusieve bevoegdheidsregeling van artikel 31 lid 1 CMR. Het geschil valt tevens binnen het materiële en formele toepassingsgebied van de EEX-Vo, doch ingevolge artikel 71 EEX-Vo gaat de CMR als bijzondere regeling voor boven de regels van de EEX-Vo. Dat betekent dat de bevoegdheidsgrond van artikel 5 lid 1 EEX-Vo niet aan de orde komt.

3.3.

Artikel 31 lid 1 CMR luidt als volgt:

“Alle rechtsgedingen, waartoe het aan dit Verdrag onderworpen vervoer aanleiding geeft, kunnen door eiser behalve voor de gerechten van de bij dit Verdrag partij zijnde landen, bij beding tussen partijen aangewezen, worden gebracht voor de gerechten van het land op het grondgebied waarvan:

a. a) de gedaagde zijn gewone verblijfplaats, zijn hoofdzetel of het filiaal of agentschap heeft, door bemiddeling waarvan de vervoerovereenkomst is gesloten, of

b) de plaats van inontvangstneming der goederen of de plaats bestemd voor de aflevering der goederen, is gelegen; zij kunnen voor geen andere gerechten worden gebracht”.

Aan te nemen valt dat de vormvereisten die artikel 23 lid 1 EEX-Vo stelt aan een forumkeuze ook gelden ten aanzien van het in artikel 31 lid 1 CMR bedoelde beding tussen partijen waarbij een gerecht als bevoegd wordt aangewezen. Bij samenloop van de CMR met de EEX-Vo worden de regels over de rechterlijke bevoegdheid van het bijzondere verdrag ingevolge art. 71 lid 1 EEX-Vo onverlet gelaten, maar dit bijzondere verdrag sluit toepassing van de EEX-Vo alleen uit voor zover het bijzondere verdrag een bepaalde rechtsvraag regelt en niet voor zover het deze niet regelt. De CMR geeft geen regels ten aanzien van de vorm van een dergelijk beding; daarvoor moet te rade worden gegaan bij andere regelingen. In art. 23 lid 1 EEX-Vo worden wel vormvoorschriften gegeven. Uit het arrest van het HvJEU van 4 mei 2010 (NJ 2010/482, TNT/AXA), blijkt dat — ondanks het bestaan van een regeling in een bijzonder verdrag — groot belang dient te worden toegekend aan de doelstellingen van de EEX-Vo en de daaraan ten grondslag liggende beginselen, in het bijzonder die van voorzienbaarheid van rechterlijke bevoegdheid, rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling. De vormvoorschriften van art. 23 lid 1

EEX-Vo zijn opgesteld in het belang van de rechtszekerheid door een uniforme regeling en deze dienen om te waarborgen dat sprake is van daadwerkelijke instemming van de belanghebbenden met de forumkeuze.

Artikel 23 lid 1 EEX-Vo luidt als volgt:

“(…) Deze overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht wordt gesloten:

a. a) hetzij bij een schriftelijke overeenkomst of bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst;

b) hetzij in een vorm die wordt toegelaten door de handelwijzen die tussen partijen gebruikelijk zijn geworden;

c) hetzij, in de internationale handel, in een vorm die overeenstemt met een gewoonte waarvan de partijen op de hoogte zijn of hadden behoren te zijn en die in de internationale handel algemeen bekend is en door partijen bij dergelijke overeenkomsten in de betrokken handelsbranche doorgaans in acht wordt genomen.”

3.4.

Samskip c.s. heeft de bevoegdheid van deze rechtbank gebaseerd op de in de dagvaarding genoemde “raamovereenkomsten”, die zij daarna “Rate Proposals” is gaan noemen. Daarin staat het volgende vermeld:

“All our activities are governed by our Terms and Conditions, which includes Dutch Law under jurisdiction of the Rotterdam District Court. The Terms and Conditions are files at the Rotterdam District Court. These are also available on our website (…)”.

Samskip c.s. hebben zich op het standpunt gesteld dat dit beding een zelfstandige jurisdictieclausule inhoudt. De rechtbank deelt dat standpunt niet en is van oordeel dat deze vermelding geen zelfstandige jurisdictieclausule inhoudt, maar een verwijzing naar de in de algemene voorwaarden van Samskip c.s. opgenomen jurisdictieclausule betreft. Die clausule luidt als volgt:

“(…)

18.2

Any and all disputes between the Merchant and the Carrier howsoever arising under, in relation to, or in connection with the contract or the services performed by the Carrier, shall exclusively be brought before the competent Court in Rotterdam.”

Deze clausule strekt ertoe de rechtbank Rotterdam exclusieve bevoegdheid toe te kennen. Voor zover het gaat om tussen partijen overeengekomen CMR-vervoer, is deze clausule in strijd met artikel 31 CMR en, gelet op het bepaalde in artikel 41 CMR, nietig.

3.5.

Voor zover het gaat om tussen partijen overeengekomen vervoer waarop de CMR niet van toepassing is, geldt het volgende. Onderzocht moet worden of partijen een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht hebben gesloten ex artikel 23 lid 1 EEX-Vo. de rechtbank overweegt daartoe als volgt.

3.6.

Samskip c.s. hebben zich op het volgende standpunt gesteld. Samskip SRL heeft ieder kwartaal haar Rate Proposals per e-mail naar Stante verzonden. Vervolgens werden door Stante telefonisch vervoeropdrachten gegeven. Hoewel Samskip SRL de door Stante gehanteerde template steeds heeft ingevuld, zijn de Rate Proposals leidend. Stante heeft nimmer geprotesteerd tegen de Rate Proposals en de daarin opgenomen jurisdictieclausule. Zij heeft deze clausule stilzwijgend aanvaard, althans bij Samskip c.s. het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat zij daarmee instemde.

3.7.

Gesteld noch gebleken is dat partijen bij een schriftelijke overeenkomst of bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst de bevoegdheid van de rechtbank Rotterdam zijn overeengekomen, zoals bedoeld in sub a van artikel 23 lid 1 EEX-Vo. Samskip c.s. hebben hun bij dagvaarding ingenomen stelling dat in 2010 tussen partijen raamovereenkomsten zijn gesloten onvoldoende onderbouwd, zodat die stelling door de rechtbank wordt verworpen.

3.8.

Partijen hebben tijdens het pleidooi uitleg gegeven van de tussen hen gebruikelijk geworden handelswijze. Vervoerders die in aanmerking wilden komen voor vervoeropdrachten van Stante dienden ieder kwartaal hun tarieven op de door Stante gehanteerde template in te vullen, waarna door Stante telefonisch vervoeropdrachten werden gegeven. Samskip c.s. hebben bij dagvaarding een aantal kopieën van door Samskip SRL ingevulde templates overgelegd. Daaruit blijkt dat op deze template ruimte was voor het plaatsen van opmerkingen. Samskip SRL heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om haar wens om haar algemene voorwaarden van toepassing te laten zijn hier in te vullen. De enkele stelling dat daarvoor te weinig ruimte was, kan haar niet baten. Onder deze omstandigheden mocht Samskip SRL er niet zomaar van uitgaan dat Stante door niet te reageren op de door Samskip SRL per e-mail verzonden Rate Proposals de algemene voorwaarden van Samskip SRL, en de daarin opgenomen jurisdictieclausule, stilzwijgend aanvaardde in een vorm als bedoeld onder sub b of c van artikel 23 lid 1 EEX-Vo. Te minder nu haar bekend was dat Stante haar algemene voorwaarden, door middel van de Freight Agreement en Standard Operating Procedure van toepassing wilde verklaren op tussen partijen te sluiten vervoerovereenkomsten. Afgezien van de vraag of

Stefano Antonini bevoegd was om de Freight Agreement en Standard Operating Procedure te ondertekenen, staat immers tussen partijen als niet betwist vast dat Stante de

Freight Agreement en Standard Operating Procedure in 2009 naar Samskip SRL heeft verstuurd, dat Samskip SRL deze heeft ontvangen en dat zij van de inhoud daarvan kennis heeft genomen. Van aanvaarding van de algemene voorwaarden van Samskip SRL door Stante is derhalve geen sprake. Daaraan doet niet af dat haar algemene voorwaarden op de door Samskip BV aan Stante verzonden facturen staan afgedrukt. In het licht van het voorgaande levert die stelling onvoldoende grondslag voor een door partijen gedane forumkeuze op. Dat betekent dat de rechtbank onbevoegd is (artikel 2 EEX-Vo).

3.9.

Hetgeen partijen hebben gesteld omtrent een forumkeuze voor de rechtbank te Napels is voor de beantwoording van vraag naar de rechtsmacht van deze rechtbank niet relevant en wordt derhalve buiten beschouwing gelaten.

3.10.

De slotsom is dat de rechtbank Rotterdam onbevoegd is om van de vorderingen van Samskip c.s. kennis te nemen.

3.11.

Samskip c.s. zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten. Deze worden aan de zijde van Stante begroot op (2 punten x Liquidatietarief II € 452,00 =) € 904,00. De proceskostenveroordeling zal, als gevorderd en niet bestreden, bij voorraad uitvoerbaar worden verklaard.

4 De beslissing

De rechtbank,

4.1.

verklaart zich onbevoegd om van de vordering van Samskip c.s. kennis te nemen;

4.2.

veroordeelt Samskip c.s. in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Stante bepaald op € 3.715,00 aan griffierecht en op € 904,00 aan salaris van de advocaat;

4.3.

verklaart de veroordeling in de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Santema en in het openbaar uitgesproken op

20 augustus 2014.

1902/32