Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:7845

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-09-2014
Datum publicatie
25-09-2014
Zaaknummer
10/701014-14 en 10/085588-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte verblijft in een psychiatrisch ziekenhuis. In dat ziekenhuis sticht hij twee keer brand op zijn kamer. De rechtbank legt een gevangenisstraf van 237 dagen èn TBS met dwangverpleging op. De duur van de TBS met dwangverpleging is in dit geval maximaal vier jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/701014-14

Parketnummer vordering TUL VV: 10/085588-13

Datum uitspraak: 25 september 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedatum] 1967,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres

[adres en woonplaats],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de

Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie De Schie,

raadsman mr. M. de Reus, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 9 mei 2014, 31 juli 2014 en

11 september 2014.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding.

De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. M. Blom heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het 1, 2 en 3 tenlastegelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek van voorarrest alsmede terbeschikkingstelling van de verdachte met bevel tot dwangverpleging.

VORDERING TENUITVOERLEGGING VOORWAARDELIJKE VEROORDELING

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de tenuitvoerlegging zal worden gelast van de straf groot één maand die aan de verdachte voorwaardelijk is opgelegd bij vonnis d.d. 12 augustus 2013 van de politierechter in deze rechtbank.

MOTIVERING VRIJSPRAAK VAN HET ONDER 3 TENLASTEGELEGDE

Het onder 3 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte de ten laste gelegde bewoordingen, te weten “de volgende keer maak ik geen brand maar steek ik iemand dood met een mes”, in het algemeen heeft geuit en niet specifiek tegen de personen in de tenlastelegging genoemd. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de door verdachte geuite bewoordingen niet van dien aard en onder zulke omstandigheden zijn gedaan dat deze in het algemeen een redelijke vrees bij aangevers moet hebben opgewekt, dat zijzelf slachtoffer van een misdrijf zouden worden.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op of omstreeks 17 november 2013 te Poortugaal, gemeente Albrandswaard,

opzettelijk brand heeft gesticht in (een kamer van) Delta Psychiatrisch Centrum, gelegen aan de Albrandswaardsedijk 74, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk

een brandende aansteker, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een matras en/of een deken en/of een laken en/of papier, althans met (een) brandbare stof(fen),

ten gevolge waarvan brand is ontstaan en/of dat matras en/of die deken en/of dat laken en/of dat papier geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de (overige) inventaris van dat pand, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor de aanwezige cliënten en/of het aanwezige personeel, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen, te duchten was.

2.

hij op of omstreeks 30 januari 2014 te Poortugaal, gemeente Albrandswaard,

opzettelijk brand heeft gesticht in (een kamer van) Delta Pychiatrisch Centrum, gelegen aan de Albrandswaardsedijk 74, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk

een brandende aansteker, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een matras en/of een of meer dekens en/of een laken, althans met (een) brandbare stof(fen),

ten gevolge waarvan brand is ontstaan en/of dat matras en/of die deken(s) en/of dat laken geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de (overige) inventarisatie van dat pand, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor de aanwezige cliënten en/of het aanwezige personeel, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen, te duchten was.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen en de voor de bewezenverklaring redengevende inhoud daarvan zijn weergegeven in de aan dit vonnis gehechte bijlage II. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis. Nu de verdachte de bewezen verklaarde feiten bekent zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1.

Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

2.

Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

STRAFMOTIVERING / MOTIVERING MAATREGEL

De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft tot twee maal toe in zijn kamer in het Delta Psychiatrisch Centrum zijn matras en beddengoed met een aansteker in brand gestoken. Als reden heeft de verdachte opgegeven dat hij boos was omdat hij geen geld kreeg. Door zijn handelwijze heeft hij schade veroorzaakt en een reëel gevaar gecreëerd voor overige in het pand aanwezige inventaris. Dat de schade beperkt is gebleven is niet aan verdachte, maar aan kordaat ingrijpen van het personeel te danken. De verdachte heeft zich om de gevolgen van zijn handelen niet bekommerd.

Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van enige duur.

Kennis is genomen van het op verdachtes naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 22 augustus 2014.

Bouman GGZ, afdeling reclassering heeft een rapport over de verdachte opgemaakt

d.d. 16 juli 2014. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

Het leven van de verdachte wordt bepaald door verslavingsproblematiek in combinatie met psychiatrische problematiek (schizofrenie) en de hieruit voortvloeiende cognitieve beperkingen. Hij is sinds 1988 bekend binnen de geestelijke gezondheidszorg en is veelvuldig klinisch opgenomen geweest. Na het -voornamelijk intramuraal- doorlopen van de ISD-maatregel is de verdachte in 2008 opgenomen bij Delta, in eerste instantie vrijwillig, later in het kader van een rechterlijke machtiging. Hier heeft de verdachte vrijwel onafgebroken verbleven tot zijn aanhouding in onderhavige zaak.

Verwijzend naar het psychiatrisch pro justitia rapport, acht de reclassering een inzichtgevende behandeling niet haalbaar nu de verdachte geen ziektebesef heeft, niet leerbaar is en forse beperkingen heeft. Daarnaast toont hij geen enkele motivatie om zijn middelengebruik te staken, hetgeen noodzakelijk wordt geacht om de kans op recidive te doen afnemen. Dit maakt dat de reclassering een toezicht in het kader van TBS met voorwaarden niet haalbaar acht. Het recidiverisico, het risico op het onttrekken aan voorwaarden en het risico op letselschade worden als hoog ingeschat gelet op de middelenproblematiek, de psychiatrische problematiek, de cognitieve beperkingen en het gebrek aan leerbaarheid. De verdachte heeft duidelijk laten weten niet mee te willen werken aan voorwaarden, zoals een verbod op gebruik van cocaïne.

Op 10 juni 2014 heeft de reclassering een indicatie aangevraagd bij de afdeling Indicatiestelling Forensische Zorg (IFZ) om opname-/plaatsingsmogelijkheden te laten onderzoeken in het kader van TBS met voorwaarden. Echter, omdat IFZ een opname in het kader van TBS met voorwaarden niet haalbaar acht, is er voor dit kader geen indicatie afgegeven. Als motivatie hiervoor wordt gegeven dat de verdachte niet in staat is de reikwijdte van zijn problemen te overzien. Evenwel is bij het opleggen van een voorwaardelijk kader de motivatie en bereidheid tot gedragsverandering van groot belang. Door onder andere zijn cognitieve beperkingen is dit niet haalbaar voor de verdachte. Daarnaast heeft verdachte geen structurele dagbesteding, steunend netwerk en huisvesting. Er is dus geen (stabiele) basis van waaruit een TBS met voorwaarden plaats kan vinden.

Gelet op vorenstaande adviseert de reclassering om de verdachte niet in aanmerking te laten komen voor TBS met voorwaarden.

De reclasseringswerker [naam] heeft ter zitting voornoemd rapport toegelicht en verklaard dat zij blijft bij haar mening dat er geen mogelijkheden zijn voor oplegging van TBS met voorwaarden. De verdachte is niet gemotiveerd waardoor niet te verwachten valt dat hij zich aan de voorwaarden zal gaan houden.

De psychiater M. Boas heeft een rapport over de verdachte opgemaakt d.d. 9 april 2014.

Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

Bij de verdachte was ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten sprake van schizofrenie, resttype, met cognitieve beperkingen, afhankelijkheid van cannabis en van cocaïne (beiden in gedwongen remissie) en (secundaire) antisociale trekken.

Verdachte heeft ernstige beperkingen door zijn schizofrenie (mogelijk mede veroorzaakt door het jarenlange middelengebruik) en had mogelijk reeds een pre-existent laaggemiddelde intelligentie. Er is een beperkte frustratietolerantie en zijn verslaving is hardnekkig. Hij lijkt zich vooral te richten op primaire behoeftebevrediging.

Er is geen motivatie voor behandeling van de (hardnekkige) verslaving of voor het staken van het middelengebruik. Het gebruik van cocaïne werkt oppositioneel gedrag verder in de hand door de hardnekkigheid van de verslaving. Bovendien kan het gebruik van cocaïne zorgen voor paranoïdie.

Het advies is om de verdachte minstens verminderd (maar naar alle waarschijnlijkheid sterk verminderd) toerekeningsvatbaar te achten voor beide ten laste gelegde feiten en om hem op te nemen op een forensisch psychiatrische afdeling bij voorkeur met kennis van gedragsproblematiek, verstandelijke beperking (en in tweede instantie psychiatrie), waarbij er (vooral) aandacht moet zijn voor een passend (en langdurig) na-traject; dit laatste zou met name de focus moeten hebben tijdens zijn verblijf. Omdat dit advies niet haalbaar lijkt als bijzondere voorwaarde tegen de achtergrond van een voorwaardelijke gevangenisstraf resteert enkel nog het kader van een TBS met voorwaarden.

Psychiater Boas heeft ter zitting voornoemd rapport toegelicht en verklaard dat zij blijft bij haar advies om aan de verdachte de maatregel tot TBS met voorwaarden op te leggen, mits dit mogelijk nu de verdachte zijn medewerking heeft geweigerd bij de totstandkoming van een psychologisch rapport. De problematiek van de verdachte is chronisch en de verwachting is dat hier niet veel verbetering in mogelijk is, aldus Boas. De aan de TBS te verbinden voorwaarden zouden niet meer moeten behelzen dan opname in een instelling en toezicht op middelengebruik, meer kan men niet van de verdachte verwachten. Hij is een zeer beperkte psychiatrisch patiënt waarvan niet te verwachten valt dat hij ooit buiten een kliniek zal kunnen functioneren.

Nu de conclusie van de psychiater met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid gedragen wordt door haar bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusie over en maakt die tot de hare. Bij de verdachte bestond tijdens het begaan van de feiten derhalve een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens in verband waarmee hij in (naar alle waarschijnlijkheid: sterk) verminderde mate toerekeningsvatbaar wordt geacht.

De raadsman heeft aangevoerd dat TBS met dwangverpleging een onevenredig zwaar middel zou zijn in deze. Hij heeft verzocht aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen van een zodanige duur dat het mogelijk is om in die tijd een kliniek/zorginstelling te zoeken waar de verdachte na zijn detentie middels een rechterlijke machtiging heen kan.

Subsidiair zou aan de verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf kunnen worden opgelegd met als bijzondere voorwaarde opname in een zorginstelling gecombineerd met een bevel tot onmiddellijke uitvoerbaarheid. Meer subsidiair zou dit door middel van een TBS met voorwaarden bewerkstelligd kunnen worden met dien verstande dat de voorwaarde “verbod op gebruik van verdovende middelen” niet dient te worden opgelegd.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Anders dan de raadsman en in afwijking van het advies van de psychiater mevrouw Boas acht de rechtbank de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging passend en geboden. De rechtbank stelt vast dat de verdachte een omvangrijk strafblad heeft en dat aan hem in het verleden meermalen kortere en langere gevangenisstraffen zijn opgelegd, al dan niet in (deels) voorwaardelijke vorm en met bijzondere voorwaarden. In 2006 is aan hem de ISD-maatregel opgelegd.

Dit heeft hem er echter niet van weerhouden opnieuw ernstige strafbare feiten te plegen. Voorts is er een uitgebreide hulpverleningsgeschiedenis. Mede gezien de psychiatrische problematiek, de cognitieve beperkingen en het gebrek aan leerbaarheid en ziektebesef van verdachte, afgezet tegen de te verwachten duur van de behandeling is de rechtbank van oordeel dat er een dermate hoog risico bestaat dat de verdachte een gevaar zal vormen voor de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen of goederen, dat niet kan worden volstaan met een behandeling in een minder gedwongen kader zoals TBS met voorwaarden of een gedeeltelijke voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden.

Voorts wordt vastgesteld dat de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten, ter zake waarvan de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zal worden opgelegd, misdrijven betreffen als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, aanhef en onder 1, Sr.

Op grond van artikel 37a, eerste lid, Sr is voor oplegging van de TBS-maatregel vereist dat wordt vastgesteld dat bij de betrokken verdachte ten tijde van het begaan van de feiten sprake was van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Zoals eerder is overwogen, is de rechtbank in dit geval tot deze vaststelling gekomen.

Aan het bepaalde in artikel 37a, derde lid, gelezen in samenhang met artikel 37, tweede en derde lid, is voldaan. Nu de strafbare feiten ter zake waarvan de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zal worden opgelegd geen misdrijven betreffen die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen kan de totale duur van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege een periode van vier jaar niet te boven gaan.

Gelet op het voorgaande zal de terbeschikkingstelling van de verdachte worden gelast met een bevel tot verpleging van overheidswege.

Daarnaast wordt aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 237 dagen opgelegd, zulks met aftrek van voorarrest. Op de datum van de uitspraak van dit vonnis heeft de verdachte naar de berekening van de rechtbank 237 dagen in voorarrest doorgebracht.



VORDERING TENUITVOERLEGGING

Bij verstek gewezen vonnis d.d. 12 augustus 2013 van de politierechter in deze rechtbank is de verdachte ter zake van poging tot afpersing en bedreiging veroordeeld voor zover van belang tot een gevangenisstraf van één maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering tenuitvoerlegging dient te worden afgewezen nu uit het dossier niet blijkt dat voornoemd, bij verstek gewezen vonnis aan de verdachte is betekend dan wel dat de inleidende dagvaarding in die zaak aan hem in persoon is betekend. Derhalve kan niet worden vastgesteld dat aan het bepaalde in artikel 366a Sv is voldaan.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 14g, 37a, 37b, 38e, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 237 (tweehonderdenzevenendertig) dagen;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;



gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld;

beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege wordt verpleegd;

wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis d.d. 12 augustus 2013 van de politierechter in deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. G.A.F.M. Wouters, voorzitter,

en mrs. M.A.J.M. Jansen en C.M.A.T. van der Geest, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.G. Kuijs, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 september 2014.

De jongste rechter is wegens afwezigheid buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 17 november 2013 te Poortugaal, gemeente Albrandswaard,

opzettelijk brand heeft gesticht in (een kamer van) Delta Psychiatrisch

Centrum, gelegen aan de Albrandswaardsedijk 74, immers heeft verdachte toen

aldaar opzettelijk

een brandende aansteker, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking

gebracht met een matras en/of een deken en/of een laken en/of papier, althans

met (een) brandbare stof(fen),

ten gevolge waarvan brand is ontstaan en/of dat matras en/of die deken en/of

dat laken en/of dat papier geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, terwijl

daarvan gemeen gevaar voor de (overige) inventaris van dat pand, in elk geval

gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor de aanwezige cliënten

en/of het aanwezige personeel, in elk geval levensgevaar voor een ander of

anderen, te duchten was;

artikel 157 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 30 januari 2014 te Poortugaal, gemeente Albrandswaard,

opzettelijk brand heeft gesticht in (een kamer van) Delta Pychiatrisch

Centrum, gelegen aan de Albrandswaardsedijk 74, immers heeft verdachte toen

aldaar opzettelijk

een brandende aansteker, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking

gebracht met een matras en/of een of meer dekens en/of een laken, althans met

(een) brandbare stof(fen),

ten gevolge waarvan brand is ontstaan en/of dat matras en/of die deken(s)

en/of dat laken geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, terwijl daarvangemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor de aanwezige cliënten

en/of het aanwezige personeel, in elk geval levensgevaar voor een ander of

anderen, te duchten was;

Artikel 157 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 30 januari 2014 te Poortugaal, gemeente Albrandswaard,

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of (een) ander(e) personeelsl(i)(e)d(en) van

Delta Psychiatrische Centrum heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven

gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] en/of[slachtoffer 2] en/of (een)

andere personeelsl(i)(e)d(en) dreigend de woorden toegevoegd :"de volgendekeer maak ik geen brand maar steek ik iemand dood met een mes", althans

woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Artikel 285 Wetboek van Strafrecht