Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:7825

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-07-2014
Datum publicatie
24-09-2014
Zaaknummer
10/993002-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor mensensmokkel door het aanbieden van werk aan twee illegale Indiase mannen door de vader van verdachte en hen te werk te stellen in het bedrijf dat op naam van de verdachte stond. De verdachte en zijn mededaders hebben financieel voordeel behaald uit de inzet van deze goedkope illegale arbeidskrachten binnen hun bedrijf. Veroordeling tot een gevangenisstraf en een taakstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/993002-14

Datum uitspraak: 22 juli 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres 1],

raadsman mr. R.J. Mesland, advocaat te Haarlem.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 8 juli 2014.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. P. van de Kerkhof heeft gerekwireerd:

- vrijspraak van het onder 1. primair en 2. primair tenlastegelegde;

- bewezenverklaring van het onder 1. subsidiair en 2. subsidiair tenlastegelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, alsmede een geldboete van € 45.000 subsidiair 260 dagen hechtenis.

MOTIVERING VRIJSPRAAK

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde, zodat de verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken.

Noch uit het dossier, noch uit het verhandelde ter terechtzitting kan de conclusie worden getrokken dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij mensenhandel in de zin van artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Daaruit blijkt immers niet dat de verdachte wist dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in opdracht van zijn ouders (de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]) langer dan acht uren per dag werkzaamheden hebben verricht in de kassen, dat zij voor die werkzaamheden slechts vijf euro per uur kregen uitbetaald, dat hun overuren niet extra werden uitbetaald, dat zij bij ziekte geen loon kregen uitbetaald en dat zij geen recht hadden op betaalde vakantiedagen. Het enkele feit dat zijn telefoonnummer in de telefoons van de aangevers stond en dat hij incidenteel de aangevers heeft vervoerd is daarvoor onvoldoende. De omstandigheid dat de verdachte de enige aandeelhouder en de bestuurder was van het bedrijf, waarvoor de werkzaamheden werden verricht, maakt dat niet anders.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 2. primair tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:

2.

primair

hij

op tijdstippen

in de periode van 1 juli 2011 tot en met 22 januari 2013, te 's-Gravenhage en Rijsenhout, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen,

telkens

anderen, genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2],

uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van

verblijf in Nederland, te weten door het aanbieden van werk en het te werk stellen van voornoemde personen in het bedrijf [bedrijf] en vervolgens [bedrijf],

en

het vervoeren (in Nederland),

immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders

genoemde personen telkens naar het bedrijf [bedrijf] en

vervolgens [bedrijf] te Rijsenhout, op het perceel [adres 2] gebracht teneinde voornoemde personen werkzaamheden te laten verrichten en vervolgens voornoemde personen na de verrichte werkzaamheden weer naar hun verblijfplaats

gebracht, terwijl hij, verdachte, en zijn, mededaders ernstige redenen hadden te vermoeden,

dat het verblijf van voormelde personen wederrechtelijk was, hebbende hij, verdachte, en zijn mededaders op vorenomschreven wijze van het plegen van mensensmokkel een gewoonte gemaakt;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen en de voor de bewezenverklaring redengevende inhoud daarvan zijn weergegeven in de aan dit vonnis gehechte bijlage II. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

NADERE BEWIJSOVERWEGING

Aan de verdachte is onder 2 - kort gezegd - mensensmokkel ten laste gelegd zoals bedoeld in artikel 197a Sr. Bij mensensmokkel gaat het om hulp bij illegale toegang, doorreis en verblijf. Het belang van strafbaarstelling van mensensmokkel is gelegen in het feit dat op het grondgebied van de staat alleen mensen mogen verblijven die daartoe gerechtigd zijn. Mensensmokkel is (anders dan mensenhandel) niet gericht op uitbuiting en betreft grensoverschrijdende criminaliteit. Op grond van art. 197a Sr is strafbaar degene die uit winstbejag behulpzaam is bij het verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat dit verblijf wederrechtelijk is. Het bestanddeel “behulpzaam bij” moet in overeenkomstige zin worden uitgelegd als in art. 48 Sr. Het vervoeren van illegalen in het kader van hun werkzaamheden kan worden aangemerkt als het behulpzaam zijn bij het verblijf in Nederland in de zin van voornoemde bepaling (vgl. HR 26 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8857, NJ 2006/541, rov. 4.7 en 4.8). In het onderhavige geval hebben de verdachte en zijn medeverdachten ([medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]) dagelijks [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ’s ochtends vroeg met de auto opgehaald in Den Haag en naar de kassen in Rijsenhout vervoerd en vervolgens hebben zij hen ’s avonds (na werktijd) weer teruggebracht naar Den Haag. Bovendien hebben de verdachte en zijn medeverdachten loonkosten bespaard door goedkope illegale arbeidskrachten in dienst te nemen in plaats van duurdere, reguliere arbeidskrachten, zodat zij uit winstbejag hebben gehandeld. Ten slotte volgt uit het dossier dat de verdachte en zijn medeverdachten ernstige redenen hadden te vermoeden dat er illegalen te werk werden gesteld in de kassen. Gelet hierop acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met zijn medeverdachten de aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland door hen van en naar hun werkplek te vervoeren, terwijl de verdachte en zijn medeverdachten ernstige redenen hadden te vermoeden dat het verblijf van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] wederrechtelijk was. De door de raadsman aangevoerde omstandigheden, inhoudende dat de verdachte slechts op papier als leidinggevende kon worden aangemerkt, dat hij de aangevers geen werk heeft verschaft en dat hij hun niet heeft uitbetaald, doen hieraan niet af. De verdachte is als directeur van de vennootschap vanaf de oprichting betrokken geweest bij alle facetten van het bedrijf en profiteerde van de opbrengsten binnen het bedrijf aangezien hij daaruit een vast salaris ontving. Gelet op zijn formele positie had het op zijn weg gelegen om te controleren en in te grijpen.

Anders dan de raadsman van de verdachte heeft betoogd, kan uit het feit dat voornoemde gedragingen gedurende een periode van ruim anderhalf jaar hebben plaatsgevonden worden afgeleid dat de verdachte en zijn medeverdachten van het plegen van mensensmokkel een gewoonte hebben gemaakt zoals bedoeld in art. 197a, vierde lid, Sr.

STRAFBAARHEID FEIT

Het bewezen feit levert op:

2.

primair

een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl hij ernstige redenen heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, terwijl het feit wordt begaan door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt en in vereniging wordt begaan door meerdere personen, meermalen gepleegd

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan mensensmokkel. Daartoe heeft de vader van de verdachte twee illegale Indiase mannen werk aangeboden en hen te werk gesteld in het bedrijf dat op naam van de verdachte stond. Voorts heeft de verdachte deze illegale mensen met de auto opgehaald en hen naar het bedrijf gereden en vervolgens na het verrichten van werkzaamheden genoemde personen weer teruggebracht naar hun verblijfplaats.

Verdachte en zijn mededaders hebben financieel voordeel behaald uit de inzet van goedkope illegale arbeidskrachten binnen hun bedrijf. Ook hebben zij met deze mensensmokkel het beleid van de Nederlandse overheid met betrekking tot illegaal verblijf ondermijnd en meer in het algemeen gesproken door hun handelwijze de doelstellingen van het Nederlandse vreemdelingenbeleid gefrustreerd.

Mensensmokkel is een ernstig strafbaar feit.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op het Uittreksel Justitiële documentatie van verdachte d.d. 25 april 2014, waar geen feiten uit blijken die voor de strafoplegging in deze zaak van belang zijn.

Ofschoon de rechtbank, anders dan de officier van justitie, het onder 2. primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen acht, zal zij niettemin een lichtere straf opleggen dan door de officier van justitie gevorderd, nu de rechtbank de verdachte vrijspreekt van feit 1 en zij voorts van oordeel is dat na te noemen straffen de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengen. Voor het opleggen van een (forse) geldboete, zoals door de officier van justitie is gevorderd, acht de rechtbank geen termen aanwezig.

Voorts ziet de rechtbank aanleiding de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen teneinde de verdachte te weerhouden dergelijke strafbare feiten in de toekomst nogmaals te plegen.

Alles afwegend worden na te noemen straffen passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 63 en 197a van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 2. primair tenlastegelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

veroordeelt de verdachte voorts tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 116 (honderdzestien) uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 58 dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.J. van den Berg, voorzitter,

en mrs. M.C. Franken en E.A. van der Giessen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.C. Wilsing, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 juli 2014.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I bij vonnis van 22 juli 2014:

TEKST TENLASTELEGGING.

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij

op één of meerdere tijdstippen

in of omstreeks de periode van 1 juli 2011 tot en met 22 januari 2013, in elk

geval in of omstreeks de periode van 1 juli 2011 tot en met 23 september 2013,

te Rotterdam en/of 's-Gravenhage en/of Rijsenhout, gemeente Haarlemmermeer, in

elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens)

(een) ander(en), genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ,

a. (telkens) door dwang en/of door één of meer feitelijkheden en/of door

dreiging met één of meer feitelijkheden en/of door misleiding dan wel door

misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of

door misbruik van een kwetsbare positie, heeft/hebben geworven, vervoerd,

overgebracht, gehuisvest of opgenomen,

met het oogmerk van uitbuiting van die ander(en)

en/of

b. (telkens) door dwang en/of door één of meer feitelijkhe(i)d(en) en/of door

dreiging met één of meer feitelijkheden en/of door misleiding dan wel door

misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of

door misbruik van een kwetsbare positie heeft/hebben gedwongen en/of

bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en/of

diensten dan wel onder voornoemde omstandigheden enige handeling

heeft/hebben ondernomen waarvan

hij, verdachte, en/of zijn, verdachtes, mededader(s) wist(en), althans

redelijkerwijs moest(en) vermoeden,

dat die ander(en) zich daardoor beschikbaar zou(den) stellen tot het

verrichten van arbeid en/of diensten

en/of

c. (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van (een)

ander(en),

bestaande

- die dwang en/of die een of meer anderen feitelijkhe(i)d(en) en/of die

dreiging met een of meer anderen feitelijkhe(i)d(en), misleiding dan wel

dat misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht of

misbruik van een kwetsbare positie

en/of

- die uitbuiting en/of die arbeid en/of diensten en/of die overige omschreven

handelingen en/of omstandigheden als omschreven onder a. (sub 1) en/of b.

(sub 4) en/of c. (sub 6)

hieruit dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) in voornoemde periode

voornoemde perso(o)n(en)

- die illegaal (zonder feitelijk te beschikken over een geldig

verblijfsdocument) in Nederland verbleef/verbleven

en/of

- die de Nederlandse taal niet (voldoende) machtig was/waren

en/of

- die een schuld had(den) opgebouwd in verband met de reis van India

naar een land binnen Europa

* (gemiddeld) zes dagen per week, (ongeveer) dertien uur per dag, in elk

geval een langere periode dan 8 uur per dag, werkzaamheden heeft/hebben

laten verrichten in het bedrijf [bedrijf] en/of

(vervolgens) [bedrijf], in elk geval een bedrijf van verdachte en/of

verdachtes mededader(s) (waarbinnen verdachte (één van de) de

leidinggevende(n) was),

in ruil voor (gemiddeld) 500 euro per maand (100 euro of 200 euro per

week), althans 5 euro per uur, althans een zeer geringe geldelijke

vergoeding,

terwijl verdachte en/of verdachtes mededader(s) op de hoogte was/waren van

de moeilijke (economische) situatie in India, en/of waarbij overwerk niet

(extra) werd uitbetaald en/of waar bij ziekte geen loon werd uitbetaald

en/of waarbij betrokkene(n) geen recht op (betaalde) vakantiedagen had(den)

en/of het werk (relatief) zwaar was

en/of

* (telkens) naar het bedrijf [bedrijf] en/of (vervolgens) [bedrijf]

[bedrijf] te Rijsenhout en/of het kassencomplex te Rijsenhout op het perceel

[adres 2] aldaar heeft/hebben gebracht en/of laten brengen, dan

wel het vervoer mogelijk heeft/hebben gemaakt teneinde voornoemde

perso(o)n(en) werkzaamheden te laten verrichten en/of vervolgens voornoemde

perso(o)n(en) na de verrichte werkzaamheden weer naar hun

verblijfplaats(en) heeft/hebben gebracht en/of laten brengen, dan wel dit

vervoer mogelijk heeft/hebben gemaakt;

en/of

* -door het niet volledig betalen van het loon-

die perso(o)n(en) in een zodanige (financiële) situatie heeft/hebben

gebracht en/of volkomen afhankelijk heeft/hebben gemaakt van verdachte

en/of verdachtes mededader(s)

dat het voor hem/hen niet meer mogelijk of nagenoeg onmogelijk was om zich

te onttrekken en/of te verzetten tegen/aan die voornoemde (financiële)

uitbuiting en/of (opgedragen) arbeid en/of diensten;

art 273f lid 1 ahf/sub 4e, 6e Wetboek van Strafrecht

art 273f lid 1 ahf/sub 1° Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

[bedrijf]

op één of meerdere tijdstippen

in of omstreeks de periode van 9 november 2011 tot en met 22 januari 2013, in

elk geval in of omstreeks de periode van 9 november 2011 tot en met 23

september 2013,

te Rotterdam en/of 's-Gravenhage en/of Rijsenhout, gemeente Haarlemmermeer, in

elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens)

(een) ander(en), genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2],

a. (telkens) door dwang en/of door één of meer feitelijkheden en/of door

dreiging met één of meer feitelijkheden en/of door misleiding dan wel door

misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of

door misbruik van een kwetsbare positie, heeft/hebben geworven, vervoerd,

overgebracht, gehuisvest of opgenomen,

met het oogmerk van uitbuiting van die ander(en)

en/of

b. (telkens) door dwang en/of door één of meer feitelijkhe(i)d(en) en/of door

dreiging met één of meer feitelijkheden en/of door misleiding dan wel door

misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of

door misbruik van een kwetsbare positie heeft/hebben gedwongen en/of

bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en/of

diensten dan wel onder voornoemde omstandigheden enige handeling

heeft/hebben ondernomen waarvan genoemde rechtspersoon en/of genoemde

rechtspersoon haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en)

vermoeden, dat die ander(en) zich daardoor beschikbaar zou(den) stellen tot

het verrichten van arbeid en/of diensten

en/of

c. (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van (een)

ander(en),

bestaande

- die dwang en/of die een of meer anderen feitelijkhe(i)d(en) en/of die

dreiging met een of meer anderen feitelijkhe(i)d(en), misleiding dan wel

dat misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht of

misbruik van een kwetsbare positie

en/of

- die uitbuiting en/of die arbeid en/of diensten en/of die overige omschreven

handelingen en/of omstandigheden als omschreven onder a. (sub 1) en/of b.

(sub 4) en/of c. (sub 6)

hieruit dat genoemde rechtspersoon en/of genoemde rechtspersoon haar

mededader(s) in voornoemde periode voornoemde perso(o)n(en)

- die illegaal (zonder feitelijk te beschikken over een geldig

verblijfsdocument) in Nederland verbleef/verbleven

en/of

- die de Nederlandse taal niet (voldoende) machtig was/waren

en/of

- die een schuld had(den) opgebouwd in verband met de reis van India

naar een land binnen Europa

* (gemiddeld) zes dagen per week, (ongeveer) dertien uur per dag, in elk

geval een langere periode dan 8 uur per dag, werkzaamheden heeft/hebben

laten verrichten in het bedrijf [bedrijf], in ruil voor (gemiddeld)

500 euro per maand (100 euro of 200 euro per week), althans 5 euro per

uur, althans een zeer geringe geldelijke vergoeding,

terwijl genoemde rechtspersoon en/of genoemde rechtspersoon haar

mededader(s) op de hoogte was/waren van de moeilijke (economische)

situatie in India, en/of waarbij overwerk niet (extra) werd uitbetaald

en/of waar bij ziekte geen loon werd uitbetaald en/of waarbij

betrokkene(n) geen recht op (betaalde) vakantiedagen had(den) en/of het

werk (relatief) zwaar was

en/of

* (telkens) naar het bedrijf [bedrijf] te Rijsenhout en/of het

kassencomplex te Rijsenhout op het perceel [adres 2] aldaar

heeft/hebben gebracht en/of laten brengen, dan wel het vervoer mogelijk

heeft/hebben gemaakt teneinde voornoemde perso(o)n(en) werkzaamheden te

laten verrichten en/of vervolgens voornoemde perso(o)n(en) na de

verrichte werkzaamheden weer naar hun verblijfplaats(en) heeft/hebben

gebracht en/of laten brengen, dan wel dit vervoer mogelijk heeft/hebben

gemaakt;

en/of

* -door het niet volledig betalen van het loon-

die perso(o)n(en) in een zodanige (financiële) situatie heeft/hebben

gebracht en/of volkomen afhankelijk heeft/hebben gemaakt van genoemde

rechtspersoon en/of genoemde rechtspersoon haar mededader(s)

dat het voor hem/hen niet meer mogelijk of nagenoeg onmogelijk was om

zich te onttrekken en/of te verzetten tegen/aan die voornoemde

(financiële) uitbuiting en/of (opgedragen) arbeid en/of diensten,

hebbende hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans

alleen,

(telkens) tot (het) vorenstaande feit(en) opdracht gegeven en/of feitelijke

leiding gegeven aan de vorenstaande verboden gedraging(en);

art 273f lid 1 ahf/sub 1e, 6e Wetboek van Strafrecht

art 51 Wetboek van Strafrecht

art 273f lid 1 ahf/sub 4° Wetboek van Strafrecht

2.

hij

op één of meerdere tijdstippen

in of omstreeks de periode van 1 juli 2011 tot en met 22 januari 2013, in elk

geval in of omstreeks de periode van 1 juli 2011 tot en met 23 september 2013,

te Rotterdam en/of 's-Gravenhage en/of Rijsenhout, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens)

(een) ander(en), genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2],

uit winstbejag behulpzaam is/zijn geweest bij het zich verschaffen van

verblijf in Nederland, dan wel hem/hen daartoe gelegenheid en/of middelen

heeft/hebben verschaft,

te weten het aanbieden van werk en/of het te werk stellen van voornoemde

perso(o)n(en) in het bedrijf [bedrijf] en/of (vervolgens) [bedrijf]

[bedrijf], in elk geval een bedrijf van verdachte en/of verdachtes mededader(s)

(waarbinnen verdachte (één van de) de leidinggevende(n) was),

en/of

het vervoeren of doen of laten vervoeren (in Nederland),

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

genoemde perso(o)n(en) telkens naar het bedrijf [bedrijf] en/of

(vervolgens) [bedrijf] te Rijsenhout, en/of het kassencomplex te

Rijsenhout op het perceel [adres 2] aldaar gebracht en/of laten

brengen, dan wel het vervoer mogelijk gemaakt teneinde voornoemde

perso(o)n(en) werkzaamheden te laten verrichten en/of vervolgens voornoemde

perso(o)n(en) na de verrichte werkzaamheden weer naar hun verblijfplaats(en)

gebracht en/of laten brengen, dan wel dit vervoer mogelijk gemaakt,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn, verdachtes, mededader(s) wist(en), dan wel

ernstige redenen had(den) te vermoeden,

dat het verblijf van voormelde perso(o)n(en) wederrechtelijk was,

hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

(op vorenomschreven wijze)

van het plegen van mensensmokkel een gewoonte gemaakt;

art 197a lid 4 Wetboek van Strafrecht

art 197a lid 2 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

[bedrijf]

op één of meerdere tijdstippen

in of omstreeks de periode van 9 november 2011 tot en met 22 januari 2013, in

elk geval in of omstreeks de periode van 9 november 2011 tot en met 23

september 2013,

te Rotterdam en/of 's-Gravenhage en/of Rijsenhout, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens)

(een) ander(en), genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2],

uit winstbejag behulpzaam is/zijn geweest bij het zich verschaffen van

verblijf in Nederland, dan wel hem/hen daartoe gelegenheid en/of middelen

heeft/hebben verschaft,

te weten het aanbieden van werk en/of het te werk stellen van voornoemde

perso(o)n(en) in het bedrijf [bedrijf]

en/of

het vervoeren of doen of laten vervoeren (in Nederland),

immers heeft/hebben

genoemde rechtspersoon en/of genoemde rechtspersoon haar mededader(s) genoemde

perso(o)n(en) telkens naar het bedrijf [bedrijf] te Rijsenhout, en/of het

kassencomplex te Rijsenhout op het perceel [adres 2] aldaar gebracht

en/of laten brengen, dan wel het vervoer mogelijk gemaakt teneinde voornoemde

perso(o)n(en) werkzaamheden te laten verrichten en/of vervolgens voornoemde

perso(o)n(en) na de verrichte werkzaamheden weer naar hun verblijfplaats(en)

gebracht en/of laten brengen, dan wel dit vervoer mogelijk gemaakt,

terwijl genoemde rechtspersoon en/of genoemde rechtspersoon haar mededader(s)

wist(en), dan wel ernstige redenen had(den) te vermoeden,

dat het verblijf van voormelde perso(o)n(en) wederrechtelijk was,

hebbende genoemde rechtspersoon en/of genoemde rechtspersoon haar mededader(s)

(op vorenomschreven wijze)

van het plegen van mensensmokkel een gewoonte gemaakt,

hebbende hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans

alleen,

(telkens) tot (het) vorenstaande feit(en) opdracht gegeven en/of feitelijke

leiding gegeven aan de vorenstaande verboden gedraging(en);

art 51 Wetboek van Strafrecht

art 197a lid 4 Wetboek van Strafrecht

art 197a lid 2 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij

op één of meerdere tijdstippen

in of omstreeks de periode van 1 juli 2011 tot en met 22 januari 2013, in elk

geval in of omstreeks de periode van 1 juli 2011 tot en met 23 september 2013,

te Rotterdam en/of 's-Gravenhage en/of Rijsenhout, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens)

(een) ander(en), te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2],

die zich wederrechtelijk toegang tot of verblijf in Nederland had(den)

verschaft, krachtens overeenkomst of aanstelling arbeid heeft/hebben doen

verrichten,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans ernstige

redenen had(den) om te vermoeden,

dat de toegang of dat verblijf wederrechtelijk was,

van het plegen van welk feit hij, verdachte, en/of zijn, verdachtes,

mededader(s) een beroep of gewoonte heeft/hebben gemaakt;

art 197c Wetboek van Strafrecht

art 197b Wetboek van Strafrecht

meest subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

[bedrijf]

op één of meerdere tijdstippen

in of omstreeks de periode van 9 november 2011 tot en met 22 januari 2013, in

elk geval in of omstreeks de periode van 9 november 2011 tot en met 23

september 2013,

te Rotterdam en/of 's-Gravenhage en/of Rijsenhout, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens)

(een) ander(en), te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2],

die zich wederrechtelijk toegang tot of verblijf in Nederland had(den)

verschaft, krachtens overeenkomst of aanstelling arbeid heeft/hebben doen

verrichten,

terwijl genoemde rechtspersoon en/of genoemde rechtspersoon haar mededader(s)

wist(en), althans ernstige redenen had(den) om te vermoeden,

dat de toegang of dat verblijf wederrechtelijk was,

van het plegen van welk feit genoemde rechtspersoon en/of genoemde

rechtspersoon haar mededader(s) een beroep of gewoonte heeft/hebben gemaakt,

hebbende hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans

alleen,

(telkens) tot (het) vorenstaande feit(en) opdracht gegeven en/of feitelijke

leiding gegeven aan de vorenstaande verboden gedraging(en);

art 197c Wetboek van Strafrecht

art 51 Wetboek van Strafrecht

art 197b Wetboek van Strafrecht