Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:7772

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-09-2014
Datum publicatie
25-09-2014
Zaaknummer
ROT 14/4577 en ROT 14/4578
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Subsidie. Verordening kinderopvang Rotterdam 2012. Kinderen verblijven niet bij aanvrager maar bij grootouders. hardheidsclausule. Overweging ten overvloede.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummers: ROT 14/4577 en ROT 14/4578

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 september 2014 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[Verzoeker], te Rotterdam, verzoeker,

gemachtigde: mr. R. Zantman,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. L.A. Bouter.

Procesverloop

Bij twee besluiten van 16 juni 2014 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen om een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang op sociaal-medische indicatie ten behoeve van [namen kinderen] (hierna ook: de twee kinderen) afgewezen.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2014.

Overwegingen

1.

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak.

2.

De door de raad van de gemeente Rotterdam vastgestelde Verordening kinderopvang Rotterdam 2012 (de Verordening) luidt voor zover van belang:

“Artikel 1 Begripsomschrijvingen

1.

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam;

(…);

c. kinderopvang: bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen, opvoeden en bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen;

d. smi-kinderopvang: kinderopvang op grond van een sociaal-medische indicatie;

e. wet: Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen;

f. adequate voorliggende voorziening: elke voorziening die geschikt is voor de opvang van het kind en waarop de ouder aanspraak kan maken, inclusief de voorziening bedoeld in artikel 5.

2.

Waar het in deze verordening gaat over de ouder in relatie tot smi-kinderopvang,

wordt tevens bedoeld de andere ouder of partner waarmee de ouder een gezamenlijke huishouding, als bedoeld in de Wet werk en bijstand, voert.

3.

Waar het in deze verordening gaat over de ouder en partner in relatie tot smi-kinderopvang, worden de ouder en diens partner die tevens ouder is, voor de toepassing van deze verordening geacht gezamenlijk één aanspraak te hebben.

(…)”

Artikel 5 Aanspraak smi-kinderopvang

De in Rotterdam woonachtige ouder die Nederlander is of die in het kader van de Wet werk en bijstand gelijkgesteld wordt met een Nederlander kan aanspraak maken op een tegemoetkoming in de kosten van smi-kinderopvang voor het thuiswonende kind als er naar het oordeel van het college sprake is van zodanige sociaal-medische problematiek van de ouder of van de ouder en het thuiswonende kind, dat zonder die tegemoetkoming een ernstige ontwikkelingsachterstand dreigt te ontstaan bij het kind.

Artikel 6 Weigeringsgronden

Het college weigert de tegemoetkoming in de kosten van smi-kinderopvang te verlenen als:

a. het kindercentrum of het gastouderbureau niet is opgenomen in het landelijk register, bedoeld in artikel 1.5 van de wet;

b. de opvang niet zal plaatsvinden of niet adequaat is;

c. de opvang plaats vindt door een gastouder;

d. de ouder aanspraak kan maken op een adequate voorliggende voorziening;

e. door verstrekking van de subsidie het subsidieplafond zou worden overschreden.

Artikel 11 Verlening van de tegemoetkoming

Het college kent bij beschikking tot subsidieverlening een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang toe aan de ouder die voldoet aan het bepaalde in artikel 5 voor zover zich geen weigeringsgrond voordoet als bedoeld in artikel 6.

Artikel 12 Verlening van voorschotten

Het college verleent voorschotten met een frequentie van één keer per

maand.

Artikel 16 Hardheidsclausule

(…)

2.

Het college kan in bijzondere gevallen in gunstige zin afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing van deze verordening gelet op het belang van de ouder of het kind of beiden tot onbillijkheden van overwegende aard leiden.”

De artikelsgewijze toelichting bij de Verordening luidt:

“(…)

Artikel 5 Aanspraak smi-kinderopvang

Met de in Rotterdam woonachtige ouder wordt, evenals in de wet, bedoeld de ouder die op grond van de artikelen 10, eerste lid en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk wetboek zijn woonplaats heeft in Rotterdam. Het college oordeelt of er sprake is van zodanige sociaal-medische problematiek van de ouder of ouder en het kind, dat zonder een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang een ernstige ontwikkelingsachterstand dreigt te ontstaan bij dat kind. De beoordeling wordt uitgevoerd door de GGD en resulteert in een indicatiestelling.

Artikel 6 Weigeringsgronden

(…)

Ad d

Voorbeelden van een adequate voorliggende voorziening zijn:

1.

een tegemoetkoming bedoeld in artikel 2;

2.

een tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv);

3.

voorschoolse opvang;

4.

opvang in een peuterspeelzaal;

5.

een voorziening op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ);

6.

opvang in een medisch kinderdagverblijf;

7.

opvang in een Boddaertcentrum;

8.

opvang in een kinderdagcentrum;

9.

andere adequate (opvang)voorzieningen in professionele, als in niet-professionele

zin (eigen netwerk, eigen kracht initiatieven, etc.).

(…)

Artikel 16 Hardheidsclausule

Door gebruik te maken van deze hardheidsclausule kan het college in bijzondere gevallen ten gunste van een persoon afwijken van de bepalingen van deze verordening. Het gebruik van de hardheidsclausule moet worden beschouwd als een uitzondering en niet als een regel. Het college kan de artikelen 2 en 3 buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing gelet op het belang van kwalitatief verantwoorde opvang voor kinderen in een peuterspeelzaal, leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. De hardheidsclausule kan daarnaast bijvoorbeeld worden toegepast in de situatie dat de maximum duur van de

tegemoetkoming in de kosten van smi-kinderopvang is verstreken, de ouder (nog) geen aanspraak kan maken op een adequate voorliggende voorziening en een uithuisplaatsing dreigt als het kind niet wordt opgevangen in een al dan niet gespecialiseerd kindercentrum.

(…)”

3.

Hoewel in de bestreden besluiten artikel 4:25, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht mede is genoemd als wettelijke grondslag, zijn de bestreden besluiten niet gestoeld op een weigering wegens overschrijding van het subsidieplafond. Verweerder heeft bij de bestreden besluiten overwogen dat de twee kinderen niet woonachtig zijn op het adres waar zij staan ingeschreven, zodat zij geen thuiswonende kinderen zijn in de zin van artikel 5 van de Verordening. Ter zitting is door verweerder voorts nog aangevoerd dat [een van de kinderen] niet door verzoeker is erkend, dat verweerder niet is toegekomen aan toetsing aan de hardheidsclausule, omdat hij de gedragslijn voert om die toetsing te verrichten eerst nadat is voldaan aan het vereiste dat het kind thuis verblijft, en dat hij van oordeel is dat sprake is van een adequate voorliggende voorziening in de vorm van opvang binnen eigen kring.

4.

Verzoeker betoogt dat het niet zijn van een thuisverblijvend kind niet als weigeringsgrond is opgenomen in artikel 6 van de Verordening. Voorts betoogt verzoeker dat toepassing gegeven zou moeten worden aan de hardheidsclausule die besloten ligt in artikel 16 van de Verordening. In dit verband is aangevoerd dat de gezinssituatie van verzoeker en de twee kinderen door Bureau Jeugdzorg Rotterdam schriftelijk uiteen is gezet en dat de grootouders waar de twee kinderen thans verblijven ook contact hebben gehad met de beoordelaars van een indicatie voor smi-kinderopvang. Daarbij is ook de noodzaak voor het bieden van kinderopvang uitdrukkelijk onder de aandacht gebracht. Ter zitting is door verzoeker voorts nog opgemerkt dat hij inmiddels [beide kinderen] heeft erkend en dat de kinderen volgens de basisregistratie personen staan ingeschreven op zijn adres.

5.1.

De voorzieningenrechter neemt in aanmerking dat uit artikel 5 van de Verordening volgt dat een aanspraak kan worden gemaakt op een tegemoetkoming in de kosten van smi-kinderopvang voor het thuiswonende kind als er naar het oordeel van het college sprake is van zodanige sociaal-medische problematiek van de ouder of van de ouder en het thuiswonende kind, dat zonder die tegemoetkoming een ernstige ontwikkelingsachterstand dreigt te ontstaan bij het kind. Eerst indien aan deze eisen wordt voldaan – waaronder het thuis wonen van de kinderen – wordt aan de weigeringsgronden van artikel 6 van de Verordening toegekomen. Verzoeker legt aldus deze bepalingen in zoverre onjuist uit.

5.2.

In het onderhavige geval is niet in geschil dat verzoeker die een bijstandsuitkering ontvangt in een klein appartement woont met drie van zijn vijf kinderen, dat de moeder van de twee kinderen – die respectievelijk twee en één jaar oud zijn – een zwervend bestaan leidt, dat sprake is van schuldenproblematiek, dat de twee kinderen bij hun grootouders verblijven nadat de politie in maart 2014 had geconstateerd dat sprake was van verwaarlozing en een vervuilde woning, dat de grootouders nog een kind van zes hebben en beiden overdag werken, dat volgens de behandelend medewerker van het Bureau Jeugdzorg Rotterdam de grootouders worden ontlast indien de twee kinderen naar een kinderopvang kunnen gaan, dat de ouders van de twee kinderen geen financiële middelen hebben, dat de grootouders evenmin beschikken over voldoende middelen om de met de kinderopvang gemoeide kosten te kunnen voldoen, dat de moeder van de twee kinderen nu overdag bij de twee kinderen is, maar dat zij gelet op haar persoonlijke en financiële problemen teveel aan haar hoofd heeft om adequaat voor de twee kinderen te kunnen zorgen, dat de twee kinderen op het GBA-adres van verzoeker staan ingeschreven en dat verzoeker van plan is de verzorging van de twee kinderen in de toekomst weer zelf ter hand te nemen.

5.3.

De voorzieningenrechter is vooralsnog van oordeel dat, nu de kinderen langere tijd verblijven bij hun grootouders, zodat strikt genomen niet langer wordt voldaan aan de eis dat de kinderen thuiswonend zijn als bedoeld in artikel 5 van de Verordening, de hiervoor geschetste omstandigheden met zich brengen dat verweerder in redelijkheid toepassing had behoren te geven aan de hardheidsclausule in de Verordening door een uitzondering te maken op deze eis. Daarbij heeft de voorzieningenrechter in aanmerking genomen dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting kan worden afgeleid dat de grootouders eerst op nadrukkelijk verzoek van het crisis interventieteam van Bureau Jeugdzorg en slechts tijdelijk ter leniging van een noodsituatie erin hebben bewilligd de kinderen in hun huis op te nemen.

De ter zitting door verweerder opgeworpen stelling dat met het verblijf van de kinderen bij de grootouders sprake is van een adequate voorliggende voorziening in de vorm van opvang binnen eigen kring, slaagt niet. Zowel uit de begripsomschrijving van “adequate voorliggende voorziening” als uit de in de toelichting bij de Verordening genoemde voorbeelden kan niet worden afgeleid dat van een voorliggende voorziening reeds sprake is in geval van de feitelijke realisatie van een alternatieve mogelijkheid. Op de voorliggende voorziening moet een aanspraak bestaan, hetgeen veeleer inhoudt dat aan een regeling enig recht kan worden ontleend. Voorts kan van de grootouders van de kinderen, die zelf de zorg hebben voor een schoolgaand kind, in redelijkheid niet zonder meer worden gevergd dat zij financieel bijspringen om de noodzakelijk geachte opvang te bekostigen.

5.4.

In artikel 5 van de Verordening is tevens als eis opgenomen dat sprake is van een zodanige sociaal-medische problematiek dat zonder tegemoetkoming een ernstige ontwikkelingsachterstand dreigt te ontstaan bij het kind. Hoewel verweerder ter zake beoordelingsvrijheid heeft ligt in hetgeen boven is vastgesteld over de situatie van de ouders en de kinderen besloten dat sprake is van sociaal-medische problematiek.

Vervolgens is de vraag aan de orde of zonder tegemoetkoming een ernstige ontwikkelingsachterstand dreigt te ontstaan bij de twee kinderen. Verweerder zal onderzoek moeten doen om dit te kunnen vaststellen. In het kader van dit onderzoek rust op verzoeker op grond van artikel 14 van de Verordening een inlichtingen- en medewerkingsplicht. Met het onderzoek zal enige tijd gemoeid kunnen zijn. Niettemin acht de voorzieningenrechter het aangewezen thans reeds een voorlopige voorziening te treffen. Daartoe is overwogen dat Bureau Jeugdzorg de onderhavige aanvraag ondersteunt. Mede gelet op de rapportage van Bureau Jeugdzorg ligt het veeleer in de lijn der verwachting dat een ernstige ontwikkelingsachterstand dreigt te ontstaan dan dat daar geen sprake van zal zijn. Voorts is in aanmerking genomen dat volgens de toelichting bij de Verordening de opvang een belangrijke preventieve functie heeft. Zo is overwogen: “Door de bekostiging van kinderopvang op grond van sociaal-medische indicatie draagt de gemeente er toe bij dat problemen bij bepaalde gezinnen of kinderen minder snel cumuleren en escaleren. Hiermee wordt voorkomen dat op een later tijdstip veel ingrijpender en duurdere interventies moeten worden gepleegd.”

6.

Gelet op een en ander ziet de voorzieningenrechter aanleiding een voorlopige voorziening te treffen die eruit bestaat dat hij verweerder zal opdragen met ingang van de datum van verzending van deze uitspraak toepassing te geven aan artikel 12 van de Verordening, zodat verzoeker vanaf de bekendmaking van deze uitspraak kinderopvang voor de twee kinderen kan gaan regelen.

7.

Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter nog het volgende. Zo verweerder na onderzoek tot de beoordeling mocht komen dat geen ernstige ontwikkelingsachterstand dreigt te ontstaan, mag worden verwacht dat daaraan een gedegen motivering ten grondslag ligt. Voorts zal in dat geval de tegemoetkoming eerst met inachtneming van een redelijke termijn kunnen worden ingetrokken en zal, behoudens de aanwezigheid van andere intrekkingsgronden, de tegemoetkoming die ter uitvoering van de voorlopige voorziening is verstrekt niet als onverschuldigd betaald kunnen worden aangemerkt. Ter voorlichting van verzoeker zij opgemerkt dat voor kinderopvang een ouderlijke bijdrage verschuldigd kan zijn.

8.

De voorzieningenrechter stelt vast dat van verzoeker tweemaal griffierecht is geheven. Omdat sprake is van samenhangende zaken in de zin van artikel 8:41, derde lid, van de Awb, zal de voorzieningenrechter de griffier opdragen om het griffierecht in een van beide zaken (ROT 14/4578) terug te betalen aan verzoekers gemachtigde. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt in de andere zaak (ROT 14/4577).

9.

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487,- en wegingsfactor 1 in deze samenhangende zaken).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe, in die zin dat verweerder met ingang van de datum van verzending van deze uitspraak toepassing geeft aan artikel 12 van de Verordening;

- bepaalt dat verweerder aan verzoeker het betaalde griffierecht van € 45,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 974,-, te betalen aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bedee, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. dr. R. Stijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 september 2014.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.