Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:7742

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-09-2014
Datum publicatie
22-09-2014
Zaaknummer
10/750060-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen van voorbereidingshandelingen door het voorhanden hebben /overdragen van versnijdingsmiddelen, bestemd voor de bewerking van cocaïne en heroïne (meermalen gepleegd). Veroordeling tot een gevangenisstraf van 24 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/750060-13

Datum uitspraak: 18 september 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres],

raadsman, mr. F.G.L. van Ardenne, advocaat te Spijkenisse.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 1 en 4 september 2014.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding zoals deze op de terechtzittingen van 1 en 4 september 2014 overeenkomstig de vorderingen van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officieren van justitie mrs. M. van Solingen en A.L. Hoekstra, hierna gezamenlijk aangeduid als de officier van justitie, hebben gerekwireerd:

- bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

zaak [naam bedrijf]

hij

in de periode van 21 oktober 2012 tot en met 11 maart 2013 te

Rotterdam en te Schiedam, tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de

Opiumwet,

te weten het opzettelijk bewerken, verwerken, van een hoeveelheid heroïne en/of cocaïne, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of cocaïne, zijnde heroïne

en/of cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden ,

- zich en anderen gelegenheid en middelen

tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en

stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden

had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven

bedoelde feit

hebbende verdachte en/of (een of meer) van zijn medeverdachten,

- een of meer hoeveelheden paracetamol en cafeïne en lidocaïne en

procaïne en mannitol en inositol en fenacetine en boorzuur en/of

(andere) (versnijdings)middelen (bestemd voor het versnijden en/of bewerken

en/of verwerken van heroïne en cocaïne) voorhanden gehad en

opgeslagen en

- afspraken gemaakt en ontmoetingen gehad en/of al dan niet in versluierd

taalgebruik telefoongesprekken en/of besprekingen en/of onderhandelingen

gevoerd met zijn mededaders betreffende de wijze waarop

die paracetamol en/of cafeïne en/of lidocaïne en/of procaïne en/of mannitol

en/of inositol en/of fenacetine en/of die

(andere) versnijdingsmiddelen (bestemd voor het versnijden van heroïne of cocaïne) konden worden besteld

en/of gekocht en/of vervoerd en/of

- hoeveelheden paracetamol en cafeïne/coffeïne en (bestemd voor het

versnijden en/of bewerken en/of verwerken van heroïne en/of cocaïne) vervoerd

naar en/of

overgedragen aan[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] ;

2.

hij

op 12 maart 2013 te Rotterdam en/of te Schiedam, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel

10

van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bewerken, verwerken,

van een of meer hoeveelheden (van een

materiaal bevattende) heroïne en/of cocaïne, in elk geval (een) middel(en)

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden , stoffen en voorwerpen en middelen

voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s)

wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat bestemd was/waren tot het plegen van dat feit,

hebbende verdachte en (een of meer van) zijn mededader(s) in (een)

opslagbox van [naam bedrijf] (gelegen aan de [adres 2]

hoeveelheden (in totaal -ongeveer- 3820 kilogram) paracetamol

en/of cafeïne en/of lidocaïne en/of procaïne en/of mannitol en/of inositol

en/of fenacetine en/of boorzuur (bestemd

voor het versnijden en/of bewerken en/of verwerken van heroïne en/of

cocaïne) voorhanden gehad;

3.

hij

op 15 april 2013 te Rotterdam, tezamen

en in vereniging met een ander

om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet,

te weten het opzettelijk bewerken, verwerken,

van een of meer hoeveelheden (van een

materiaal bevattende) heroïne en/of cocaïne, in elk geval (een) middel(en)

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden , stoffen

voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en verdachtes mededaderwistenof ernstig hadden te vermoeden, dat die stoffen bestemd waren

tot het plegen van dat feit,

hebbende verdachte en/of zijn mededader in (een)

opslagbox van [naam bedrijf 2] (gelegen aan de [adres 3]

hoeveelheden (in totaal -ongeveer- 302 kilogram) benzocaïne

en lidocaïne (bestemd

voor het versnijden en/of bewerken en/of verwerken van heroïne en/of

cocaïne) voorhanden gehad;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen en de voor de bewezenverklaring redengevende inhoud daarvan zijn weergegeven in de aan dit vonnis gehechte bijlage II. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

NADERE BEWIJSMOTIVERING

Standpunt van de verdediging

De verdachte dient van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde te worden vrijgesproken. De wetenschap omtrent de bestemming van de stoffen, ook in voorwaardelijke, zin ontbreekt. Het is geen feit van algemene bekendheid dat stoffen als paracetamol en cafeïne een veel gezien versnijdingsmiddel is voor heroïne en cocaïne. De verdachte wist dit niet en had ook geen redenen om aan te nemen dat dit anders was. Verdachte trok de etiketten van de verpakkingen af als geheugensteun om zijn handel te beschermen. Van een voorwaardelijk opzet is geen sprake nu de aangetroffen goederen ook voor andere, legale, doeleinden kunnen worden gebruikt.

Oordeel van de rechtbank

Vooropgesteld kan worden dat het aantreffen van de stoffen in de loodsen van de verdachte niet zonder meer kan leiden tot de conclusie dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan. Voor de beoordeling van de betekenis die aan de wetenschap omtrent de bestemming moet worden gehecht zijn de feiten en omstandigheden van belang.

De rechtbank stelt daaromtrent vast dat verdachte, nadat hem bekend was geworden van de inbeslagneming van zijn handelsvoorraad, zich niet heeft gemeld bij de politie, terwijl gebleken is dat de inbeslagname hem wel bezighield. Uit tapgesprekken blijkt immers dat de verdachte omtrent de doorzoeking en inbeslagneming meerdere keren de vraag heeft gesteld wat hij nu diende te doen; wachten of actie ondernemen. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat de inbeslaggenomen goederen een waarde van € 15.000,-- à € 20.000,-- vertegenwoordigde, terwijl hij in een telefoongesprek heeft aangegeven dat hij voor “minimaal 80 rooitjes het schip is ingegaan”. De verdachte trok de etiketten van de verpakkingen van de grondstoffen af en liet [medeverdachte 3] - die verdachtes grootste klant was en over een sleutel van beide loodsen beschikte, ongecontroleerd pakken wat hij nodig had waarna, als zij elkaar weer eens tegenkwamen in een café, werd medegedeeld hoeveel [medeverdachte 3] had afgenomen. Betaling geschiedde contant en de facturen werden op naam gesteld van een Bulgaar; [betrokkene 1].

De lezing van verdachte omtrent de het aftrekken van de etiketten acht de rechtbank niet aannemelijk. Voor zover het de bedoeling van verdachte zou zijn geweest om slechts de gegevens van zijn leverancier van de verpakking te verwijderen, is niet duidelijk waarom ook de andere stickers, met onder meer de batchnummers, van de verpakkingen werden verwijderd.

Bovenvermelde wijze van handelen wijkt naar het oordeel van de rechtbank zodanig af van een reguliere- en legale wijze van zakendoen in de grondstoffen waarin verdachte handelde dat het niet anders kan dan dat de verdachte wetenschap heeft gehad omtrent de bestemming van de door hem geleverde goederen. Dit laatste wordt nog versterkt door de aanvankelijke ontkenning van verdachte dat hij nog een tweede opslagplaats had, zijn verklaring dat hij zichzelf zou kunnen belasten door te verklaren over personen die in zijn loods aanwezig zijn geweest en het feit dat bij onderzoek van de computer directe zoekslagen op versnijdingsmiddelen zijn aangetroffen.

De rechtbank stelt voorts vast dat uit verdachtes boekhouding is gebleken dat er meer leveringen plaatsvonden dan in de administratie werden vermeld, facturen voor uitgevoerde transporten niet werden opgenomen en er meer grondstoffen werden verkocht, dan er werden ingekocht. Zo werd in getapte telefoongesprekken gesproken over aantallen van “400 pa” en “200 co” en ook zijn bij doorzoekingen grote hoeveelheden (grondstoffen van) versnijdingsmiddelen aangetroffen. Vast is komen te staan dat de verdachte de leverancier was van de aangetroffen stoffen binnen dit onderzoek. Hij kan voor deze aantallen dan ook verantwoordelijk worden gehouden. Uit de boekhouding blijkt voorts dat de Bulgaar [betrokkene 1] voor het laatst op 5 december 2011 grondstoffen heeft afgenomen, terwijl [medeverdachte 3] ook in 2012 grote hoeveelheden grondstoffen van de verdachte heeft afgenomen, hetgeen kan blijken uit de bestelling van [medeverdachte 5] bij [medeverdachte 3] op 21 oktober 2012 en het informeren van [medeverdachte 5] bij [medeverdachte 3] naar de prijzen op 19 november 2012.

Vorenstaande in onderling verband en samenhang bezien leiden tot het oordeel dat verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan de onder 1, 2 en 3 thans bewezen verklaarde feiten.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1

medeplegen om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden, een ander gelegenheid, middelen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en door stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd;

2

medeplegen om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden, door stoffen en voorwerpen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

3

medeplegen om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden, door stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft samen met zijn mededader in verschillende opslagplaatsen aanzienlijke hoeveelheden (grondstoffen van) versnijdingsmiddelen, waaronder paracetamol, cafeïne, paracetamol, lidocaïne en fenacetine voorhanden gehad, bestemd voor het bewerken van cocaïne en heroïne. De verdachte huurde de opslagruimtes en liet zijn [medeverdachte 3] het contact met afnemers onderhouden, maar de verdachte hield zelf controle door onder meer er voor te zorgen dat de etiketten van de vaten met grondstoffen verwijderd werden, alvorens deze vaten werden geleverd. De verdachte heeft zich door zijn handelen schuldig gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen ten aanzien van het bewerken van harddrugs. De verdachte heeft door het voorhanden hebben van deze stoffen een rol gehad in het voorbereiden van de verspreiding van harddrugs, hetgeen veel gerelateerde vermogens- en andere criminaliteit tot gevolg heeft. Drugswinsten worden vergroot door het vermengen van cocaïne en heroïne met dit soort versnijdingsmiddelen.

Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in aanmerking genomen dat de verdachte blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie gedateerd op 14 augustus 2014 niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Het verzoek van de officier van justitie de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen wordt afgewezen.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.



TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Behalve op de reeds genoemde artikelen, is gelet op de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10a van de Opiumwet.

BESLISSING

De rechtbank:


verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;


stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.A. Kalk, voorzitter,

en mrs. E.M.M. Engbers en A.J.M. van Breevoort, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. Snoeren, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 september 2014.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I bij vonnis van 18 september 2014:

GEWIJZIGDE TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

Zaak [naam bedrijf]

hij

in of omstreeks de periode van 21 oktober 2012 tot en met 11 maart 2013 te

Rotterdam en/of te Schiedam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet,

te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,

verstrekken, vervoeren, buiten en/of binnen het grondgebied van Nederland

brengen van een hoeveelheid heroïne en/of cocaïne, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of cocaïne, zijnde heroïne

en/of cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te

plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of,

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen

tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere

betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden

had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven

bedoelde feit

hebbende verdachte en/of (een of meer) van zijn medeverdachte(n),

- een of meer hoeveelheden paracetamol en/of cafeïne en/of lidocaïne en/of

procaïne en/of mannitol en/of inositol en/of fenacetine en/of boorzuur en/of

(andere) (versnijdings)middelen (bestemd voor het versnijden en/of bewerken

en/of verwerken van heroïne en/of

cocaïne) besteld en/of ingekocht en/of vervoerd en/of voorhanden gehad en/of

opgeslagen en/of

- afspraken gemaakt en/of ontmoetingen gehad en/of (al dan niet in versluierd

taalgebruik) telefoongesprekken en/of besprekingen en/of onderhandelingen

gevoerd met en/of inlichtingen en/of aanwijzingen en/of opdrachten gegeven

aan zijn mededader(s) en/of een of meer anderen, betreffende de wijze waarop

die paracetamol en/of cafeïne en/of lidocaïne en/of procaïne en/of mannitol

en/of inositol en/of fenacetine en/of die

(andere) versnijdingsmiddelen (bestemd voor het versnijden en/of bewerken

en/of verwerken van heroïne en/of cocaïne) zouden/konden worden besteld

en/of gekocht en/of vervoerd en/of verkocht en/of geleverd en/of verstrekt

en/of gebruikt en/of vermengd en/of

- een of meer hoeveelheden paracetamol en/of cafeïne/coffeïne en/of bezocaïn

en of fenacetine en/of (andere) (versnijdings)middelen (bestemd voor het

versnijden en/of bewerken en/of verwerken van heroïne en/of cocaïne) vervoerd

naar en/of verkocht en/of verstrekt en/of overgedragen aan[medeverdachte 1] en/of

[medeverdachte 2] en/of een of meer andere (onbekend gebleven) personen;

(art 10A OW jo 47 Sr)

art 10a lid 1 ahf/sub 1 alinea Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

art 10 lid 5 Opiumwet

2.

hij

op of omstreeks 12 maart 2013 te Rotterdam en/of te Schiedam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel

10

van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken,

verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het

grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelheden (van een

materiaal bevattende) heroïne en/of cocaïne, in elk geval (een) middel(en)

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen, stoffen en/of voorwerpen en/of middelen

voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s)

wist(en) of ernstige

had(den) te vermoeden, dat dat bestemd was/waren tot het plegen

van dat/die feit(en),

hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) in (een)

opslagbox van [naam bedrijf] (gelegen aan de [adres 2]

één of meer hoeveelheden (in totaal -ongeveer- 3775 kilogram) paracetamol

en/of cafeïne en/of lidocaïne en/of procaïne en/of mannitol en/of inositol

en/of fenacetine en/of boorzuur en/of (andere) (versnijdings)middelen (bestemd

voor het versnijden en/of bewerken en/of verwerken van heroïne en/of

cocaïne) voorhanden gehad;

(art 10A OW jo. 47 Sr)

art 10a lid 1 ahf/sub 1 alinea Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

art 10 lid 5 Opiumwet

3.

hij

op of omstreeks 15 april 2013 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel

10

van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken,

verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het

grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelheden (van een

materiaal bevattende) heroïne en/of cocaïne, in elk geval (een) middel(en)

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen, stoffen en/of voorwerpen en/of middelen

voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s)

wist(en) of ernstige

had(den) te vermoeden, dat dat bestemd was/waren tot het plegen

van dat/die feit(en),

hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) in (een)

opslagbox van [naam bedrijf 2] (gelegen aan de [adres 3]

één of meer hoeveelheden (in totaal -ongeveer- 314 kilogram) benzocaïne

en/of lidocaïne en/of (andere) (versnijdings)middelen (bestemd

voor het versnijden en/of bewerken en/of verwerken van heroïne en/of

cocaïne) voorhanden gehad;

(art 10A OW jo. 47 Sr)

art 10a lid 1 ahf/sub 1 alinea Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

art 10 lid 5 Opiumwet