Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:7657

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-09-2014
Datum publicatie
16-09-2014
Zaaknummer
C/10/408317 / HA ZA 12-764
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Deze procedure betreft een verklaringsprocedure in het kader van een door eiser gelegd derdenbeslag. Voorts is aan de orde een vordering uit hoofde van onrechtmatige daad wegens het meewerken aan verijdelen van verhaal. Beoordeeld wordt de schade die het gevolg is geweest van het meewerken aan het verijdelen van verhaal. Voorts komt aan de orde de fictieve vergoeding als bedoeld in art. 479a Rv en de vraag of een op de rekening van de stichting administratiekantoor gestort bedrag toekomt aan de certificaathouder, en zo ja of de beslagene moet worden aangemerkt als de certificaathouder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/408317 / HA ZA 12-764

Vonnis van 10 september 2014

in de zaak van

de vennootschap naar het recht van de plaats van vestiging

OFFSHORE SPECIALTY FABRICATORS INC,

gevestigd te Houma, Louisiana, Verenigde Staten van Amerika,

eiseres,

advocaat mr. E.K. Ditvoorst,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

O.C.C. OFFSHORE SERVICES B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde2],

gevestigd te Rotterdam,

3. de stichting

[gedaagde3],

gevestigd te Rotterdam,

gedaagden,

advocaat mr. M.A.D. Bol.

Partijen blijven hierna aangeduid als OSFI en Offshore c.s.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 5 februari 2014

  • -

    de akte uitlating na tussenvonnis van OSFI

  • -

    de akte na tussenvonnis tevens akte houdende overleggen producties van Offshore c.s.

  • -

    de antwoordakte na tussenvonnis van OSFI.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

Schade als gevolg van onrechtmatig handelen

2.1.

Bij voormeld tussenvonnis is geoordeeld – samengevat – dat [gedaagde2], die voorheen handelde in de vorm van een eenmanszaak, met het oprichten van Offshore c.s. geen ander oogmerk had dan het verijdelen van verhaal door OSFI. Dit is een onrechtmatige daad van [gedaagde2] en van Offshore c.s., nu het ongeoorloofde oormerk van [gedaagde2] bij de oprichting van Offshore c.s. rechtens moet worden aangemerkt als (ook) een oogmerk van Offshore c.s. Geoordeeld is dat Offshore c.s. hoofdelijk zullen worden veroordeeld tot vergoeding van de schade die is ontstaan ten aanzien van dit onrechtmatig handelen. Wat de omvang van die schade betreft is in het tussenvonnis overwogen:

“dat OSFI (alleen) de schade kan vorderen die is ontstaan als gevolg van de onrechtmatige frustratie van haar verhaalsmogelijkheden. Offshore c.s. is niet voor meer aansprakelijk dan tot het verhaal dat [gedaagde2] (met zijn eenmanszaak) bood op het moment van de inbreng van de eenmanszaak in OOC.”

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun stellingen op dit punt aan te vullen.

2.2.

OSFI heeft de jaarstukken van de eenmanszaak op het moment van de inbreng overgelegd, alsmede een inbrengbeschrijving en de akte van inbreng. Volgens de inbrengbeschrijving werd de onderneming vanaf 1 januari 2007 voor rekening en risico van [gedaagde3] gedreven. De rechtbank zal van die datum uitgaan bij de beoordeling van de hoogte van de schade.

2.3.

Volgens OSFI volgt uit de overgelegde stukken dat de eenmanszaak ten tijde van de inbreng over € 88.814 aan bezittingen beschikte, waaronder goodwill. OSFI knoopt aldus aan bij de waarde van de onderneming, in de inbrengbeschrijving berekend aan de hand van de intrinsieke waarde van de onderneming (het eigen vermogen van de eenmanszaak) vermeerderd met de goodwill. OSFI kan in deze berekening niet worden gevolgd. Waar het om gaat is in hoeverre [gedaagde2] met zijn eenmanszaak verhaal bood ten tijde van de inbreng. Noch de goodwill noch het eigen vermogen als zodanig is een voor verhaal vatbaar vermogensbestanddeel. De voor verhaal vatbare vermogensbestanddelen van de eenmanszaak ten tijde van de inbreng worden gevormd door de activa van de eenmanszaak. Ter berekening van de schade zal de rechtbank van die activa uitgaan, en voorts van de fictie dat door alle schuldeisers beslag zou zijn gelegd op alle activa van de eenmanszaak. Dit zou hebben geleid tot het volgende. Aan actief was beschikbaar € 56.249 (vaste activa € 8.349 en liquide middelen € 47.900). De rechtbank neemt daarbij tot uitgangspunt dat bij de executoriale verkoop de vaste activa van de eenmanszaak zouden hebben opgebracht het op de balans vermelde bedrag. De rechtbank verwijst in dit verband naar de door de accountant gehanteerde grondslagen voor de opstelling van de jaarrekening, p. 13 van het jaarverslag. Niet kan worden uitgesloten dat, zoals Offshore c.s. stelt, een deel van de vaste activa bij een executoriale verkoop nagenoeg niets opbrengt, doch zeker is dit evenmin. Dit is een omstandigheid die de rechtbank voor risico van Offshore c.s. brengt, nu zij het OSFI onmogelijk heeft gemaakt beslag te leggen op deze vermogensbestanddelen.

Als eerste zouden uit dit bedrag worden voldaan de preferente schuldeisers; de belastingdienst en het UWV (samen een vordering van € 1.050). Daarmee bleef over een bedrag van € 55.199, welk bedrag verdeeld moest worden tussen OSFI en de overige crediteuren. Omwille van de berekening zal de rechtbank daarbij ervan uitgaan dat het bedrag dat op de balans staat vermeld bij de (overige) kortlopende schulden en overlopende passiva één crediteur betreft, met een vordering van € 3.063, en dat deze crediteur niet over preferenties beschikt. Het resterende bedrag zou derhalve ponds-pondsgewijs zijn verdeeld tussen OSFI en deze crediteur, waarbij aan OSFI een bedrag van € 55.054,50 zou zijn toegekomen. Dit is gelet op hetgeen in voormeld tussenvonnis is overwogen de schade die OSFI heeft geleden door het onrechtmatig handelen van Offshore c.s.; Offshore c.s. zullen hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan OSFI, te vermeerderen, zoals gevorderd en onder verwijzing naar artikel 6:83 sub b BW, met de wettelijke rente vanaf 25 november 2011.

Verklaring derdenbeslag: dividend en vergoeding voor werkzaamheden

2.4.

In voormeld tussenvonnis is voorts, ten aanzien van de door Offshore c.s. afgelegde verklaringen in het kader van de door OSFI onder Offshore c.s. gelegde derdenbeslagen overwogen:

  • -

    dat niet kan worden vastgesteld in hoeverre een in de jaarrekening van [gedaagde2] vermelde dividenduitkering ad € 26.665 een vordering betreft die onder het beslag valt, en

  • -

    dat in rechte wordt aangenomen dat [gedaagde2] vanuit [gedaagde2] inkomsten geniet voor zijn werkzaamheden als indirect bestuurder van OOC, welke vordering onder het beslag valt.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich over beide posten uit te laten.

2.5.

Wat voormelde dividenduitkering betreft is in het tussenvonnis overwogen dat Offshore c.s. onder overlegging van stukken (bankafschriften, stukken in het kader van de besluitvorming en dergelijke) uiteen moet zetten wanneer de dividenduitkering heeft plaatsgevonden en op welk moment en in welke verhouding is uitbetaald aan de certificaathouders. Offshore c.s. heeft zich op het standpunt gesteld dat “binnen [gedaagde2] in confesso is” dat de certificaten in de STAK zijn toegekend aan zijn echtgenote, [persoon1], en dat aan haar het dividend is betaald; [gedaagde2] zelf was niet gerechtigd tot een dividenduitkering. Offshore c.s. legt bankafschriften over van [gedaagde2], waaruit volgt dat op 13 en 17 oktober 2011 een bedrag van totaal € 26.665 aan [persoon1] is betaald met als omschrijving “winstuitkering 20.000 euro van [gedaagde3]” resp. “restant vd 26665,= dividend, op 13-10 reeds 20.000 uitgekeerd.” Op 30 november 2011 is een bedrag van € 3.999 teruggestort door [persoon1], onder de omschrijving “terugbetaling teveel opgenomen dividendbelasting”.

2.6.

Bij de beoordeling van de vraag of voornoemd bedrag van € 26.665 onder het beslag valt kan in het midden blijven wie de certificaathouder(s) is of zijn. Het bedrag is immers uitbetaald voordat het beslag is gelegd, zodat het reeds om die reden niet onder het beslag valt.

2.7.

OSFI heeft met betrekking tot toekomstige dividenduitkeringen evenwel ook het volgende betoogd. Naar aanleiding van het tussenvonnis heeft zij beslag gelegd ten laste van Offshore c.s., onder meer onder de ING Bank. Deze heeft verklaard dat het saldo van de STAK ten tijde van de beslaglegging € 628.800,83 was. Volgens OSFI valt ook dit bedrag onder het derdenbeslag ten laste van [gedaagde2] nu – samengevat – het enige doel van de STAK is het ontvangen en vervolgens uitbetalen van dividenduitkeringen aan de certificaathouders, waaronder, aldus OSFI, [gedaagde2]. Offshore c.s. heeft op deze stelling nog niet kunnen reageren en zal daartoe in de gelegenheid worden gesteld. In dit kader is mede van belang wie de certificaathouder(s) is of zijn. OSFI heeft betwist dat [persoon1] de (enige) certificaathouder is. Zij heeft er in dat verband op gewezen dat uit de administratievoorwaarden van de STAK volgt dat [gedaagde2] zijn aandelen in [gedaagde2] heeft ondergebracht in ruil voor certificaten, zodat hij de certificaathouder is, tenzij die certificaten inmiddels zouden zijn overgedragen aan een derde ([persoon1]), in welk geval uit de stellingen van [gedaagde2] niet volgt dat aan de daaraan te stellen eisen is voldaan. Ook op deze stellingen heeft Offshore c.s. nog niet gereageerd. Zij zal hiertoe in de gelegenheid worden gesteld. Offshore c.s. zal in dat kader de omstandigheden waaronder een eventuele overdracht van de certificaten aan [persoon1] heeft plaatsgevonden nader en zoveel mogelijk onderbouwd met stukken moeten uitwerken. De thans door Offshore c.s. in dit kader ingenomen stellingen volstaan daarbij niet. Voor de goede orde merkt de rechtbank op dat voor zover zou blijken dat onjuist is (rechtsoverweging 2.1 van voormeld tussenvonnis) dat [gedaagde2] en [persoon1] de certificaathouders zijn, de rechtbank zich aan de betreffende overweging niet gebonden acht. OSFI heeft voorts gesteld dat, voor zover de certificaten inmiddels zouden zijn overgedragen aan [persoon1], zij die overdracht heeft vernietigd op grond van artikel 3:45 BW. Voor zover uit de nader door Offshore c.s. in te nemen stellingen inderdaad mocht blijken dat de certificaten aan [persoon1] zijn overgedragen, zal OSFI in de gelegenheid worden gesteld die vernietiging nader uit te werken.

2.8.

Wat de aan [gedaagde2] toekomende vergoeding voor werkzaamheden betreft heeft de rechtbank overwogen dat zij aan zal sluiten bij het jaarinkomen dat [persoon1] geniet, € 71.687. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het gedeelte van het bedrag als bedoeld in artikel 475a lid 2 Rv en (de hoogte van) de beslagvrije voet (artikel 475d Rv). Volgens OSFI hoeft geen rekening te worden gehouden met een beslagvrije voet noch met het bepaalde in artikel 475a lid 2 Rv, nu het hier gaat om een geval waarin [gedaagde2] in het geheel geen aanspraak heeft op een vergoeding (maar om een door het beslag gecreëerde fictie van verschuldigdheid van een redelijke vergoeding, die alleen geldt jegens de beslaglegger), zodat een derdenbeslag niet leidt tot een vermindering van de inkomsten die hij geniet uit zijn werkzaamheden voor [gedaagde2] OSFI heeft voorts betoogd dat deze redelijke vergoeding is verschuldigd sinds het onderbrengen van de eenmanszaak in Offshore c.s., dus vanaf 7 mei 2007. Offshore c.s. vraagt de rechtbank terug te komen op de beslissing dat de redelijke vergoeding € 71.687 per jaar is. Zij wijst erop dat de enige werkzaamheden die verricht moeten worden betreffen het bemiddelen bij de verkoop van offshore materieel en het voeren van de interne administratie. Dat kan één persoon doen, aldus Offshore c.s., zodat het redelijk is onder deze fictieve feiten en omstandigheden het door [persoon1] genoten salaris te delen. Voor dit bedrag geldt een loonbelastingdruk van 50%, aldus Offshore c.s., terwijl voorts rekening moet worden gehouden met de beslagvrije voet. Ten slotte wijst Offshore c.s. erop dat [gedaagde2] per 1 januari 2014 is afgetreden als bestuurder van [gedaagde2], zodat de vergoeding (in ieder geval) vanaf die datum moet eindigen.

2.9.

De rechtbank ziet geen aanleiding terug te komen op voornoemde bindende eindbeslissing. Dat Offshore c.s. ervoor heeft gekozen [persoon1] aan te stellen als werknemer voor de genoemde werkzaamheden en haar daarvoor voornoemd salaris toe te kennen, een en ander naast de positie van [gedaagde2] als indirect bestuurder van OOC, is een omstandigheid die voor haar risico komt. Met OSFI is de rechtbank van oordeel dat er geen aftrek behoort plaats te vinden op de voet van artikel 475d Rv en artikel 475a lid 2 Rv. Zoals OSFI – en overigens ook Offshore c.s. – terecht naar voren brengt gaat het hier om een fictieve vergoeding (in de zin van artikel 479a Rv). De rechtbank heeft bij voormeld tussenvonnis overwogen dat zij niet aannemelijk acht dat – samengevat – de gehele omzet in OOC is behaald zonder dat hier inspanningen van [gedaagde2] aan ten grondslag hebben gelegen. Uit de stellingen van Offshore c.s. volgt voor die inspanningen kennelijk geen vergoeding wordt betaald aan [gedaagde2]. Dit wordt bevestigd door de jaarrekening van Offshore c.s. Artikel 479a Rv fingeert voor een dergelijk geval dat de beslagene aan de schuldenaar een redelijke vergoeding is verschuldigd. De aanspraak bestaat alleen in de verhouding tot de beslaglegger, OSFI dus. [gedaagde2] zelf heeft die aanspraak niet, en ten opzichte van [gedaagde2] blijft de situatie dan ook aldus, dat hij geen inkomsten heeft in verband met zijn inspanningen. Gelet daarop is er geen aanleiding de beslagvrije voet toe te passen, of een vermindering in verband andere beperkingen in de zin van artikel 475a Rv. Dat neemt niet weg dat het hier, zoals Offshore c.s. terecht stelt, om een brutobedrag gaat. Aan [gedaagde2] zou alleen een netto-bedrag zijn toegekomen, dus na aftrek van belasting en premies. De rechtbank zal hierbij uitgaan van een belasting- en premiedruk van 42%, zodat de redelijke vergoeding die [gedaagde2] jaarlijks aan OSFI is verschuldigd € 41.600 bedraagt.

2.10.

OSFI stelt voorts terecht dat de redelijke vergoeding ook is verschuldigd voor de inspanningen van [gedaagde2] voor het beslag. Onder verwijzing naar hetgeen in het tussenvonnis, onder 4.16, en hierboven is overwogen acht de rechtbank aannemelijk dat [gedaagde2] vanaf het moment van inbreng van zijn eenmanszaak op 7 mei 2007 steeds werkzaamheden heeft verricht voor Offshore c.s., als indirect bestuurder van OOC. Door Offshore c.s. is niet betwist de stelling van OSFI dat [gedaagde2] in die jaren niet een vergoeding is uitbetaald. De conclusie is dat [gedaagde2] vanaf 7 mei 2007 de fictieve vergoeding als bedoeld in artikel 479a Rv is verschuldigd. Wat de hoogte van het bedrag betreft is OSFI ook voor die voorgaande jaren uitgegaan van voornoemd bedrag ad € 71.687 per jaar. Offshore c.s. heeft daar niets tegenin gebracht, zodat ook de rechtbank hiervan uit zal gaan, met dien verstande dat de rechtbank voornoemd netto-bedrag ad € 41.600 tot uitgangspunt neemt. Het enkele feit dat, zoals Offshore c.s. stelt, [gedaagde2] per 1 januari 2014 geen bestuurder meer is van [gedaagde2] doet aan de verschuldigdheid van de redelijke vergoeding niet af. Waar het om gaat is of [gedaagde2] werkzaamheden verricht voor Offshore c.s. waar normaal gesproken een vergoeding tegenover staat. Gesteld noch gebleken is dat dat niet langer het geval is.

2.11.

Offshore c.s. zal thans in de gelegenheid worden gesteld een akte te nemen over hetgeen is overwogen onder 2.7 (certificaathouderschap en beroep van OSFI op artikel 3:45 BW), waarna OSFI een antwoordakte mag nemen. In afwachting van deze aktewisseling wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 24 september 2014 voor het nemen van een akte door (eerst) Offshore c.s. over hetgeen is vermeld onder 2.7,

3.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman, mr. F. Damsteegt-Molier en mr. T. Boesman en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2014.

[2148/1729/2309]