Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:7633

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-09-2014
Datum publicatie
12-01-2015
Zaaknummer
3194152 VZ VERZ 14-8321
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

voorwaardelijke ontbinding, dringende reden, chatberichten op Facebook

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-0039
AR 2015/63
Prg. 2015/53
RAR 2015/47
JAR 2015/47
Onder redactie van Tina van der Linden-Smith, met medewerking van <br/>Kea de Raaij annotatie in UDH:IR/12202

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 3194152 VZ VERZ 14-8321

uitspraak: 16 september 2014

beschikking ex artikel 7:685 Burgerlijk Wetboek van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap

IJsselkids B.V.,

gevestigd te Berkel en Rodenrijs,

verzoekster,

gemachtigde: mr. A. Bosveld te Rotterdam,

tegen

Wilhelminus [verweerder],

wonende te [woonplaats]

verweerder,

gemachtigde: mr. R. Zantman te Krimpen aan den IJssel.

Partijen worden hierna aangeduid als “IJsselkids” en “[verweerder]”.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Van de volgende processtukken is kennisgenomen:

  • -

    het voorwaardelijk verzoekschrift, met bijlagen, ontvangen op 27 juni 2014;

  • -

    het verweerschrift.

1.2

De mondelinge behandeling van het voorwaardelijk verzoek heeft plaatsgevonden op

2 september 2014. Namens IJsselkids zijn verschenen haar regiomanager mevrouw I. Bui, en haar P&O Adviseur, mevrouw J. Makker, vergezeld van de gemachtigde mr. Bosveld.

[verweerder] is in persoon verschenen, vergezeld van zijn gemachtigde mr. Zantman. Beide partijen hebben het eigen standpunt toegelicht. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier aantekening gehouden.

1.3

Aan het slot van de zitting heeft de kantonrechter de uitspraak van de beschikking op heden bepaald.

2 De feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende feiten:

2.1

IJsselkids is een organisatie die in Capelle aan den IJssel kinderopvang biedt in de vorm van (6) kinderdagverblijven, (8) peuterspeelzalen en (10 locaties) buitenschoolse opvang voor kinderen van 0 tot 13 jaar.

2.2

[verweerder], geboren op [geboortedatum], is op 17 juni 2008 bij IJsselkids in dienst getreden in de functie van pedagogisch medewerker in de buitenschoolse en tussenschoolse opvang op de [locatie X] verbonden aan [de openbare basisschool] Het loon van [verweerder] bedroeg laatstelijk € 807,98 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag, gebaseerd op een arbeidsomvang van gemiddeld 13,6 uren per week. Op het contract is de CAO Kinderopvang van toepassing.

2.3

Binnen IJsselkids is een gedragscode bekend, getiteld “Deelbeleid Gedragscode Omgangsvormen”. Daarin is onder meer opgenomen:

“Wij verwachten van onze medewerkers dat ze terughoudend zijn in het hebben van persoonlijke contacten met klanten. Dit geldt ook voor digitale contacten (Hyves etc.) Er dient rekening te worden gehouden met het bedrijfsbelang en het voorkomen van imagoschade.”

Wat niet is toegestaan is onder meer:

“Agressieve handelingen of uitingen, discriminerende, seksistische uitlatingen of andere uitlatingen of grappen die als beledigend, krenkend of intimiderend ervaren worden.”

2.4

Op 9 juni 2014 heeft IJsselkids een klacht ontvangen van de moeder van de 12-jarige [de scholiere]betreffende chatberichten die [de scholiere] heeft ontvangen via het Facebook-account van [verweerder] in de periode vanaf 23 mei 2014, terwijl [de scholiere]daarvoor gebruik heeft gemaakt van de buitenschoolse/tussenschoolse opvang, waarin [verweerder] werkzaam is.

2.5

Op 10 juni 2014 is [verweerder] met deze klacht geconfronteerd door zijn leidinggevende mevrouw [A]en is hij in verband met nader onderzoek geschorst, hetgeen hem bij aangetekende brief van diezelfde datum schriftelijk is bevestigd, en is hij verzocht zich de volgende dag op kantoor te melden teneinde zijn zienswijze op de klacht te geven.

2.6

In dat gesprek, waarbij eveneens de senior locatiemanager mevrouw [Y] aanwezig was, heeft [verweerder] ontkend dat [de scholiere]tot zijn Facebook-contacten behoort of behoord heeft en dat deze chatberichten niet door hem aan haar verstuurd zijn. Ter onderbouwing daarvan heeft [verweerder] een USB stick overhandigd met daarop gedownload vanaf zijn Facebook account het overzicht van al zijn actuele en verwijderde Facebook-contacten, waarop [de scholiere]niet voorkomt. [verweerder] suggereert in dit gesprek dat iemand misbruik heeft gemaakt van zijn Facebook-account en onder zijn naam met [de scholiere] gechat, waarop IJsselkids hem heeft aangeraden hiervan aangifte te doen.

2.7

Bij brief van 16 juni 2014 heeft IJsselkids [verweerder] verzocht om mee te werken aan het onderzoek door aan een ICT deskundige inzage te geven in de computer waarmee hij op Facebook actief is en de gegevens van zijn Facebook-account te verstrekken. [verweerder] heeft hierop aangegeven dat hij zelf wegens een angststoornis niet in staat is om naar kantoor te komen. Hij heeft wel ingestemd in een onderzoek buiten zijn aanwezigheid en om die reden heeft hij IJsselkids de toegangscodes voor zijn computer en Facebook–account verstrekt.

2.8

Op 18 juni 2014 is de computer opgehaald en onderzocht. De rapportage is op 19 juni 2014 uitgebracht. Daarin wordt geconcludeerd:

“- Als gevolg van het verwijderen van chathistorie kan op dit moment niet vastgesteld worden dat de heer [verweerder] vanaf dit account met [de scholiere]heeft gechat. Wel is gebleken dat [de scholiere] tot de Facebook vrienden van de heer [verweerder] behoort (verplaatst naar verwijderde vrienden). Tevens is gebleken dat de door de heer [verweerder] overgelegde gegevens niet in overeenstemming zijn met de werkelijke gegevens op zijn account.

- Zie antwoord op de vorige vraag;

- Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat door een derde misbruik is gemaakt van het account van de heer [verweerder]. Dit is zelfs onwaarschijnlijk, omdat alle contacten met Facebook hebben plaatsgehad vanuit hetzelfde IP-adres, en aangegeven wordt dat de contacten van een iPhone afkomstig zijn (dat kan het IP-adres zijn van de iPhone zelf, of van een Wifi-router waarmee de iPhone met internet verbinding maakt).”

2.9

Op 19 juni 2014 heeft [verweerder] per e-mail een brief aan de regiomanager van IJsselkids, mevrouw [Z] gestuurd, waarin hij stelt dat hij op één punt niet de waarheid heeft verteld; hij erkent dat [de scholiere]in afwijking van zijn eerdere mededeling wel tot zijn vrienden op Facebook behoort. Wel handhaaft hij dat hij [de scholiere]nooit heeft benaderd vanuit de chatfunctie van Facebook.

2.10

Naar aanleiding van de bevindingen van het onderzoek en voornoemde e-mail van [verweerder] heeft IJsselkids [verweerder] op 19 juni 2014 op staande voet ontslagen. In de brief van diezelfde datum die naar [verweerder] is gezonden, staat onder meer:

  • -

    U hebt op onbehoorlijke en/of intimiderende wijze, in strijd met uw verplichtingen als werknemer van IJsselkids in de kinderopvang via Facebook gecorrespondeerd met een 12-jarig kind. U hebt haar daarbij onder meer aangeduid als “mooie vrouw”, “lekker ding”, “lieverd”, “mooiste meisje” en aangezet om “iets leuks” met u te gaan doen;

  • -

    U hebt ons onwaarheid verteld door te stellen dat [de scholiere]niet tot uw vrienden op Facebook behoorde en ter ondersteuning van die bewering vervalste gegevens aan ons overhandigd.

Beide redenen vormen voor ons gezamenlijk en tevens ieder voor zich een dringende reden voor ontslag”.

3 Het verzoek en de grondslag daarvan

3.1

IJsselkids heeft verzocht de arbeidsovereenkomst met [verweerder], voor het geval het dienstverband tussen partijen nog mocht blijken te bestaan, op een zo kort mogelijke termijn te ontbinden.

3.2

Naast de hiervoor beschreven vaststaande feiten heeft IJsselkids – voorzover thans van belang en kort samengevat – het volgende aan dat verzoek ten grondslag gelegd.

Primair dient het gedrag van [verweerder] als een dringende reden gekwalificeerd te worden.

Niet alleen heeft hij via de chatbox van Facebook contact gezocht met een minderjarig meisje en haar berichten gestuurd met een intimiderende inhoud, ook heeft hij in strijd met de waarheid aan IJsselkids verklaard dat bedoeld meisje nimmer tot zijn vriendenkring op Facebook heeft behoord en heeft hij ten bewijze daarvan vervalste gegevens van zijn Facebook-account aan IJsselkids verstrekt. Subsidiair heeft IJsselkids haar verzoek gegrond op een verandering in de omstandigheden, nu IJsselkids het vertrouwen in [verweerder] volledig verloren heeft, [verweerder] de goede naam van IJsselkids beschadigd heeft en bij in dienst blijven verder zal beschadigen. De arbeidsrelatie is hierdoor onomkeerbaar verstoord geraakt.

4 Het verweer

[verweerder] heeft – voorzover thans van belang en kort samengevat – het volgende verweer gevoerd. Volgens hem is er geen sprake van een dringende reden en dient ontbinding van de arbeidsovereenkomst op die grond dan ook in ieder geval afgewezen te worden.

[verweerder] betwist via de messengerfunctie van Facebook contact te hebben gezocht met [de scholiere] laat staan haar berichten te hebben gestuurd met een intimiderende inhoud. Hij erkent wel dat hij in eerste instantie niet de waarheid heeft verteld over het voorkomen van [de scholiere]op zijn vriendenlijst, maar dat had te maken met zijn angst op dat moment dat zijn lot al bezegeld was en dat hij meteen ontslagen zou worden als hij zou bekennen dat hij [de scholiere]als vriend op Facebook had. Achteraf heel dom, maar dit heeft ook te maken met de angststoornis die hij heeft. Op het moment dat hij zich realiseerde dat dit een grote vergissing was, heeft hij [de scholiere]geunblockt en zijn computer voor onderzoek ter beschikking gesteld.

Verder brengen ook zijn persoonlijke omstandigheden met zich mee dat er volgens hem geen sprake is van een dringende reden. Hij heeft gedurende zijn 6-jarige dienstverband altijd goed gefunctioneerd, goede beoordelingen gehad en hij is niet eerder betrokken geweest bij soortgelijke incidenten.

Desondanks kan [verweerder] niet ontkennen dat er inmiddels een vertrouwensbreuk is ontstaan en dat ontbinding van de arbeidsovereenkomst hierdoor onontkoombaar is. Deze breuk is echter volgens [verweerder] in overwegende mate door IJsselkids gecreëerd door de wijze waarop zij volgens hem heeft gehandeld. [verweerder] stelt zich op het standpunt dat hem een vergoeding dient te worden toegekend van 12 maandsalarissen, overeenkomstig correctiefactor 4.

5 De beoordeling

5.1

Vooropgesteld wordt dat een procedure als deze zich niet leent voor uitgebreide bewijslevering. De kantonrechter dient dan ook te beslissen op grond van de inhoud van de stukken zoals deze in het geding zijn gebracht en hetgeen daaromtrent tijdens de mondelinge behandeling door en namens partijen is verklaard. Bij gemotiveerde betwisting van de relevante feiten door de een of de ander zal een inschatting moeten worden gemaakt van de meest aannemelijk te achten versie.

5.2

Gelet op het voorwaardelijk karakter van dit verzoek dient veronderstellenderwijs te worden aangenomen, dat de arbeidsovereenkomst van partijen thans nog voortduurt en dus het ontslag op staande voet dat IJsselkids op 19 juni 2014 aan [verweerder] gegeven heeft, nietig is. Of er sprake is geweest van een rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst, dient in een bodemprocedure vastgesteld te worden.

5.3

Voor haar (voorwaardelijke) verzoek verwijst IJsselkids primair naar dezelfde redenen als op grond waarvan zij [verweerder] op 19 juni 2014 ontslag op staande voet heeft verleend.

5.4

Een arbeidsovereenkomst kan op korte termijn worden ontbonden indien sprake is van een dringende reden in de zin van art. 7:677 juncto 678 BW. Het gaat daarbij om zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer ([verweerder]) die ten gevolge hebben dat van de werkgever (IJsselkids) niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortbestaan. Daarvoor gelden strenge inhoudelijke eisen wegens het ontbreken van ontslagbescherming en de ernst van de gevolgen van een ontslag op staande voet (geen inkomen en geen recht op een uitkering). Bij de beoordeling van die vraag moeten in aanmerking worden genomen de omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, waaronder begrepen de persoonlijke omstandigheden van de werknemer. Daarbij geldt dat, ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, een afweging van de persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom kan leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is (vgl. Hoge Raad 12 februari 1999, NJ 1999, 643).

5.5

Naar het oordeel van de kantonrechter is, alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, sprake van een dringende reden voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder].

5.5.1

Als kinderopvangorganisatie moet IJsselkids kunnen rekenen op de betrouwbaarheid en volstrekte integriteit van haar medewerkers. Een pedagogisch medewerker dient, gelet op de machts- en afhankelijkheidsrelatie ten opzichte van zijn omgang met kinderen, nooit de grens van het betamelijke te overschrijden danwel de schijn van misbruik van die relatie te wekken.

5.5.2

Vast staat dat [verweerder] de 12-jarige [de scholiere]aan zijn vriendenaccount van Facebook heeft toegevoegd, waardoor hij de gedragsregel, zoals hiervoor onder 2.3 weergegeven, met voeten heeft getreden. Dat [de scholiere](tot nog maar kort daarvoor) geen gebruik meer maakte van de buitenschoolse opvang, maakt dit, gelet op hetgeen hiervoor in 5.5.1 is overwogen, niet anders. Dat [verweerder] wist dat een dergelijk contact niet de bedoeling was, althans dat dit binnen de organisatie van IJsselkids niet wenselijk was, is eveneens voldoende gebleken, aangezien [verweerder] besloot, direct nadat hij met de klacht werd geconfronteerd, om [de scholiere]uit zijn Facebook-account te verwijderen, haar account te blokkeren en een gemanipuleerde versie van zijn vriendenlijst uit te printen, die hij tijdens het gesprek met zijn leidinggevende heeft overhandigd. Door aldus te verdoezelen dat [de scholiere]wel degelijk tot zijn vriendengroep behoorde, is [verweerder] naar het oordeel van de kantonrechter alle grenzen van goed werknemerschap te buiten gegaan. De enkele stelling van [verweerder] dat hij dit in een opwelling zou hebben gedaan, waarbij zijn angst leidend was, overtuigt de kantonrechter niet, nu hij hierna ruim de tijd heeft gehad om zijn handelen te overdenken en alsnog open kaart te spelen, waarmee hij uiteindelijk nog ruim een week heeft gewacht. Bovendien is voor een ontbinding op grond van een dringende reden verwijtbaarheid niet per se vereist.

5.5.3

Dat er op zijn naam chatberichten van intimiderende aard naar [de scholiere]zijn gestuurd, is door [verweerder] op zichzelf niet betwist, maar hij ontkent wel dat hij dat heeft gedaan. Daarnaar gevraagd door de kantonrechter tijdens de mondelinge behandeling heeft [verweerder] gesteld niet te weten wie daarvoor dan wel verantwoordelijk is. Wellicht zijn ex-vriendin, die beschikt over zijn inloggegevens en ook voor IJsselkids heeft gewerkt, maar op een vervelende manier is ontslagen. Opmerkelijk is echter dat [verweerder] geen contact met haar heeft gezocht om dit te verifiëren. Verder heeft hij geen concrete personen kunnen noemen, behalve zijn stelling dat “vanuit mijn jeugd genoeg mensen mij dwars hebben gezeten”. Wat daar ook van zij, het komt de kantonrechter niet logisch voor. Zelfs als zou iemand anders namens hem de chatberichten hebben gestuurd met het oogmerk om hem in deze benarde positie te brengen, dan bevreemdt het de kantonrechter dat deze persoon precies op de hoogte is van de feitelijkheden die in de berichten zijn genoemd, en zouden de chatberichten bovendien naar alle waarschijnlijkheid een andere inhoud hebben gehad en wat meer zijn “aangezet”. Bovendien had het dan toch zeker op de weg van [verweerder] gelegen om aangifte te doen van misbruik van zijn Facebook-account danwel aan Facebook zelf te verzoeken een onderzoek in te stellen. Hoewel [verweerder] stelt dat hij dit laatste wel heeft gedaan, maar dat dit tot niets heeft geleid, heeft hij ter onderbouwing daarvan geen stukken overgelegd.

5.5.4

Tegenover de – blote – ontkenning door [verweerder] staat het onderzoeksrapport, dat op 19 juni 2014 is uitgebracht. Opvallend is dat het Facebook-account van [verweerder] vanaf 11 juni 2014 – een dag na de schorsing – frequent gedeactiveerd en weer geactiveerd is en er wijzigingen zijn aangebracht. Hoewel [verweerder] betwist dat het betreffende IP-adres van hem afkomstig is, merkt de kantonrechter op dat net nadat [verweerder] de door hem op

10 juni 2014 gedownloade – bewerkte – vriendenlijst heeft uitgeprint (10 juni 2014 om 19:02 uur, vgl. productie 5) de eerste “Checkpoint” is gemaakt en het “Password” is gewijzigd, zoals blijkt uit het rapport (om 19:18 uur). Ook blijkt uit het rapport dat de chatberichten handmatig uit de historie zijn verwijderd op het moment dat de klacht over [verweerder] is ingediend. Hoewel [verweerder] zijn bedenkingen heeft geuit tegen de conclusies van dit rapport, heeft hij daartegenover niets gesteld om de inhoud van dit rapport ongeloofwaardig te doen zijn.

5.6

Gelet op het voorgaande zal de voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de primaire grondslag worden toegewezen.

5.7

Aan de dringendheid van de reden doet niet af dat [verweerder] langere tijd voor IJsselkids naar tevredenheid werkzaam is geweest, omdat immers een dergelijk handelen een zodanig wissel trekt op de relatie tussen werkgever en werknemer dat in redelijkheid van een werkgever niet kan worden verlangd dat de arbeidsverhouding wordt voortgezet.

5.8

Overige omstandigheden die hieraan in de weg zouden staan, zijn de kantonrechter niet gebleken.

5.9

De arbeidsovereenkomst tussen partijen zal met onmiddellijke ingang, dat wil zeggen per 17 september 2014, worden ontbonden. Aangezien er sprake is van een dringende reden bestaat er in het geheel geen grond om aan [verweerder] in het kader van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst een vergoeding toe te kennen.

5.10

Gelet op de aard van de procedure zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te melden wijze.

6 De beslissing

De kantonrechter:

ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 17 september 2014 voor het geval dat in een bodemprocedure wordt vastgesteld dat die arbeidsovereenkomst op 19 juni 2014 nog bestaat;

bepaalt dat elk der partijen de eigen kosten van deze procedure draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.J. van Die en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

364