Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:763

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-02-2014
Datum publicatie
05-02-2014
Zaaknummer
10/810385-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft op korte afstand op twee personen in een auto geschoten en zich daarmee schuldig gemaakt aan twee maal poging doodslag. Geen voorbedachte rade. Het beroep op noodweer(exces), putatief noodweer en psychische overmacht is verworpen. Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling van een ander slachtoffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/810385-10

Datum uitspraak: 5 februari 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres:

[gba-adres],

raadsman mr. H. Raza, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 22 januari 2014.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. H. van Galen heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1 impliciet primair (poging tot moord) en onder 2 impliciet primair (poging tot moord), en het onder 3 primair (zware mishandeling) ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar met aftrek van voorarrest;

- opheffing van het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis.

VASTSTELLING VAN DE FEITEN

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting komt de rechtbank tot de volgende vaststelling van de feiten.

Vaststaat dat de verdachte zich op 26 oktober 2010 in zijn woning.

De verdachte heeft verklaard dat hij tussen 19.00 en 20.00 uur werd gebeld door een man die zich [voornaam latere slachtoffer 1] noemde. Deze [voornaam latere slachtoffer 1] deelde hem mede dat “ze” zijn zoon en diens gezin in handen hadden. Voorts werd tijdens dat telefoongesprek tegen hem gezegd dat zijn zoon en zijn gezin in de auto voor die van de beller reed en dat hij, verdachte, moest doen wat zij vroegen omdat anders de kop van zijn zoon eraf zou worden gesneden. Hierop is de verdachte naar de kelder gegaan waar hij het vuurwapen heeft gepakt waarmee hij later heeft geschoten, en is hij de straat op gegaan.

Hoewel op grond van de inhoud van het dossier niet is komen vast te staan dat de verdachte kort vóór het schietincident daadwerkelijk is gebeld door [voornaam latere slachtoffer 1], gaat de rechtbank uit van de verklaring van de verdachte. Gelet op de feiten en omstandigheden in het onderhavige geval is het aannemelijk dat er voor de verdachte een - niet uit het dossier blijkende - aanleiding is geweest om plotseling naar de kelder van zijn woning te gaan, daar een (door)geladen vuurwapen te pakken om vervolgens met dat vuurwapen de straat op te gaan.

De zoon en de schoondochter van de verdachte hebben verklaard dat, toen zij de straat in kwamen rijden, de verdachte reeds buiten stond.

De latere slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bevonden zich in een kleine rode auto die met gedoofde lichten recht voor de ingang van de flat van de verdachte stond. De verdachte is naar het linker portier van die auto gelopen waarna hij op korte afstand via het geopende linker portierraam schoten heeft afgevuurd op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Blijkens het forensisch onderzoek zijn er op de plaats delict minimaal 11 kogels afgevuurd met (hoogst waarschijnlijk) één vuurwapen. Daarvan zijn er minimaal vijf op het voertuig afgevuurd, en waarschijnlijk op korte afstand.

De slachtoffers zijn door meerdere kogels geraakt en hebben als gevolg hiervan potentieel dodelijk letsel opgelopen.

MOTIVERING VRIJSPRAAK

Feit 1 en feit 2 (poging tot moord) - voorbedachte raad.

Het standpunt van de verdediging en de officier van justitie.

Door de raadsman is ten aanzien van de onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde poging moord het verweer gevoerd dat er geen aanwijzingen zijn dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld zodat hij van dit deel van de ten laste legging dient te worden vrijgesproken.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de voorbedachte rade en daarmee de poging moord wel kan worden bewezen.

Beoordeling.

Voor bewezenverklaring van het in de tenlastelegging zowel onder 1 impliciet primair als onder 2 impliciet primair opgenomen bestanddeel ‘met voorbedachten rade’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit de inhoud van het dossier niet rechtstreeks volgt dat er sprake was van voorbedachte rade. Het gegeven dat de verdachte, zoals op grond van zijn verklaringen moet worden aangenomen, naar aanleiding van een telefonische bedreiging ten aanzien van zijn zoon en diens gezin, rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat een gewelddadig conflict zou ontstaan waarbij hij het vuurwapen zou gebruiken, maakt dat niet anders.

Niet kan worden vastgesteld op welk moment de verdachte daadwerkelijk heeft besloten om met het vuurwapen gericht te schieten op de latere slachtoffers. Weliswaar had hij dat vuurwapen al bij zich op het moment dat de auto met daarin zijn zoon en zijn gezin, gevolgd door de auto met daarin de latere slachtoffers, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], de straat in reed en voor de flat van de verdachte parkeerde, maar hieruit volgt niet zonder meer dat hij toen al van plan was om met het vuurwapen op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te schieten. Het is mogelijk dat hij op dat moment alleen nog het voornemen had het vuurwapen eventueel te gebruiken om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] af te schrikken, zoals hij ook ter zitting heeft verklaard. Daarbij is in aanmerking genomen dat de verdachte in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling naar de kelder is gegaan en in die opwelling het wapen heeft gepakt. De overige feiten en omstandigheden in deze zaak leveren onvoldoende zwaarwegende aanwijzingen op om te kunnen aannemen dat de verdachte reeds enige tijd voordat hij ging schieten het besluit had genomen om dat te doen en zich op de betekenis en gevolgen daarvan heeft beraden. Daarom kan niet worden bewezen dat hij heeft gehandeld met voorbedachten rade om de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met het vuurwapen te doden.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de onder 1 impliciet primair en de onder 2 impliciet primair ten laste gelegde poging moord niet kan worden bewezen verklaard zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 26 oktober 2010 te Vlaardingen ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk, een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven te beroven,met dat opzet, met

een vuurwapen, meer kogels op/in de richting van die [slachtoffer 1] heeft

afgeschoten/afgevuurd endaarbij een kogel in de arm, en in het

lichaam van die [slachtoffer 1] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 26 oktober 2010 te Vlaardingen ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk, een persoon genaamd [slachtoffer 2] van het leven te beroven,

met dat opzet,

met een vuurwapen, meer kogels op/in de richting van die [slachtoffer 2] heeft

afgeschoten/afgevuurd en (daarbij) een kogel in/door de borst en/of

buik, althans het lichaam, van die [slachtoffer 2] heeft geschoten, terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 28 maart 2010 te Vlaardingen aan een persoon genaamd

[slachtoffer 3], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een blijvend

litteken in het gezicht, heeft toegebracht, door die [slachtoffer 3] opzettelijk

een gebroken drinkglas in/tegen het gezicht te drukken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

TOELICHTING OP DE BEWEZENVERKLARING.

Ten aanzien van feit 3.

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde feit. De verdachte heeft ontkend dat hij [slachtoffer 3] met een kapot glas in het gezicht heeft geslagen. Hij heeft verklaard dat hij ruzie kreeg met [slachtoffer 3] waarbij er werd geduwd en waarbij ze elkaar hebben vastgegrepen. Uiteindelijk zijn de verdachte en de aangever samen ten val gekomen. Zij zijn (in de worsteling) samen op een tafel gevallen waardoor deze tafel doormidden is gebroken en de glazen en de flessen op deze tafel ook op de grond zijn gevallen. De verwondingen van [slachtoffer 3] kunnen zijn ontstaan doordat hij op de grond, in/op de kapotte glazen en flessen is gevallen, aldus de raadsman.

Beoordeling.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Het door de verdachte geschetste scenario is ongeloofwaardig en niet aannemelijk geworden. Noch de aangever, noch de andere getuigen verklaren over een scenario waarbij de verdachte en de aangever op een tafel zijn gevallen waarbij de glazen en flessen op die tafel op de grond zijn stuk gevallen. De rechtbank schuift deze verklaring van de verdachte dan ook terzijde.

Het verweer wordt verworpen.

De (overige) bewijsverweren worden weerlegd door de inhoud van de als bijlage II bij dit vonnis gevoegde bewijsmiddelen.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN EN VAN DE VERDACHTE

De bewezen feiten leveren op:

1.

impliciet subsidiair: poging tot doodslag;

2.

impliciet subsidiair: poging tot doodslag;

3.

primiair: zware mishandeling.

Noodweer(exces)/putatief noodweer/psychische overmacht.

De verweren.

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu sprake zou zijn van noodweer, noodweerexces, putatief noodweer dan wel psychische overmacht. De raadsman heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

Er is sprake van noodweer, nu de verdachte gezien de voorafgaande bedreiging aan het adres van zijn zoon in het telefoongesprek, op dat moment geen andere mogelijkheid zag dan het vuurwapen te trekken en te schieten om zodoende de naderende personen af te schrikken en zijn zoon en diens gezin te beschermen. Indien zou worden geoordeeld dat de verdachte te ver is gegaan in zijn verdediging, dan is sprake van noodweerexces.

Het is aannemelijk dat de gang van zaken aan het begin van het incident een hevige gemoedsbeweging bij de verdachte heeft veroorzaakt. Immers het is een feit van algemene bekendheid dat een gemiddeld persoon onder de geschetste omstandigheden een hevige gemoedsbeweging in de vorm van hevige angst dan wel een schrikreactie ondergaat. Dit heeft vooral een rol gespeeld door de voorgeschiedenis en de omstandigheden van die dag.

Indien noodweer(exces) niet wordt aangenomen dan is in ieder geval sprake van putatief noodweer. De verdachte heeft gedwaald ten aanzien van de werkelijkheid. De dwaling is verschoonbaar gelet op de voorgeschiedenis en de omstandigheden van die dag.

Ten slotte is nog een beroep gedaan op psychische overmacht. Er was sprake van een gedraging in een ongewone psychische omstandigheid. Na een telefoontje is de verdachte naar buiten gegaan en zag hij dat de auto met daarin zijn zoon en diens gezin werd benaderd door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] die ook nog eens naar een wapen zouden hebben gegrepen. Er was sprake van een extreme en acute vorm van een angstsituatie, aldus de raadsman.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verweren dienen te worden verworpen. Hij heeft daartoe het volgende gesteld.

Los van de vraag of er daadwerkelijk vlak voor het schietincident telefonisch contact is geweest tussen [slachtoffer 1] en de verdachte, zal de inhoud van dat gesprek nooit bekend worden en ook niet of er wel of niet sprake was van een bedreiging. Er is geen sprake geweest van een feitelijke aantasting van eigen of andermans lijf dan wel gedragingen die een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor opleverden. Verder zijn er geen wapens aangetroffen en het NFI onderzoek wijst uit dat sprake is geweest van één vuurwapen, dat van de verdachte. Van noodweer is daarom geen sprake, en volgens de vaste jurisprudentie kan er dan ook geen sprake zijn van noodweerexces.

Ook van psychische overmacht in de zin van noodtoestand is in deze zaak geen sprake. Zoals eerder aangehaald is het belangrijk te weten over welke informatie de verdachte beschikte. De verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij niets wist van de beweerde eerdere bedreigingen tegen, en poging tot afpersing van zijn zoons. De vastgestelde bevindingen in het dossier zijn ontoereikend om te kunnen spreken van een noodtoestand of overmacht.

Beoordeling.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de gevoerde verweren het volgende. 

Voor een geslaagd beroep op noodweer(exces) dient allereerst aannemelijk te zijn dat sprake is geweest van (onmiddellijk dreigend gevaar voor) een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding waartegen vervolgens noodzakelijke verdediging geboden was.

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen is komen vast te staan dat de verdachte op 26 oktober 2010 met een vuurwapen meerdere malen heeft geschoten op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] terwijl zij in hun auto zaten. Afgezien van de getuige [getuige] heeft geen van de getuigen verklaard een (vuur)wapen bij de slachtoffers te hebben gezien, terwijl ook uit het forensisch onderzoek niet is gebleken dat sprake was van meer dan één vuurwapen op de plaats delict. De verklaring van de getuige [getuige], dat zij de bestuurder van de kleine rode auto met een vuurwapen heeft zien schieten, staat op zich zelf en wordt niet ondersteund door enig ander stuk uit het dossier. Ook de verdachte zelf heeft niet verklaard dat hij daadwerkelijk een vuurwapen heeft gezien bij de slachtoffers en dat daarmee is geschoten. Aan de verklaring van [getuige] wordt daarom geen waarde gehecht.

Uit de inhoud van het dossier blijkt dat de verdachte bij de confrontatie met de slachtoffers louter offensief heeft gehandeld door de auto met beide aangevers op te wachten en direct naar de auto toe te lopen om vervolgens een aantal kogels op de inzittenden af te vuren. Van enige (dreigende) aanval door de slachtoffers is in het geheel niet gebleken.

De rechtbank concludeert daarom dat op geen enkele manier is gebleken dat op 26 oktober 2010 voorafgaand aan het afvuren van een vuurwapen op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] sprake was van een (dreigende) ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachtes of andermans lijf, eerbaarheid of goed. Het was voor de verdachte dan ook niet noodzakelijk om op deze wijze het vuurwapen te gebruiken. Gelet daarop wordt zowel het beroep op noodweer, als op noodweerexces verworpen.

Voor de beoordeling van putatief noodweer is een “enigszins geobjectiveerde waarneming” van belang. Dit betekent dat een onmiddellijke dreiging van aanranding niet alleen voor de verdachte, maar ook voor derden aannemelijk moet zijn op grond van hetgeen ter plaatse op dat moment gebeurt. De verklaring van de verdachte dat het slachtoffer [slachtoffer 2] zijn hand naar zijn broeksriem bracht, zo hieruit al door de verdachte in redelijkheid een offensieve dreiging mocht worden afgeleid, is door geen van de verklaringen van de bij het voorval aanwezige en door de politie gehoorde getuigen bevestigd. De door de verdachte gestelde ingebeelde - dreiging van een - tegen hem of anderen in te zetten aanval waartegen hij zich diende te verdedigen, is derhalve niet aannemelijk geworden. Ook indien de verdachte meende genoemd gebaar bij [slachtoffer 2] te hebben waargenomen zal “een derde” uit dit enkele gebaar redelijkerwijs en objectief gezien niet een onmiddellijk dreigende aanranding herkennen, zodat ook hierom niet van een verontschuldigbare dwaling bij de verdachte kan worden gesproken. Niet aannemelijk is geworden dat de verdachte in de veronderstelling was of kon zijn, dat hij zich op het moment van schieten moest verdedigen tegen een aanval of een onmiddellijke dreiging daarvan.

De reactie van de verdachte om onmiddellijk meermalen vanaf korte afstand op de latere slachtoffers te schieten is bovendien niet proportioneel of subsidiair. De rechtbank verwerpt ook het beroep op putatief noodweer.

Ten slotte wordt ook het beroep op psychische overmacht verworpen. Voor een geslaagd beroep daarop dient sprake te zijn van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Hoewel niet kan worden uitgesloten dat de verdachte –na het telefonisch contact met [slachtoffer 1] - angstig was, is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat bij de verdachte sprake is geweest van een zodanige psychische druk dat van hem in redelijkheid niet kon worden

verlangd anders te handelen.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde of van de verdachte uitsluit.

De feiten en verdachte zijn dus strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft geprobeerd de beide slachtoffers van het leven te beroven. In de kelder van zijn woning heeft hij een doorgeladen vuurwapen gepakt en is daarmee naar de auto gelopen waarin de slachtoffers zich bevonden. De verdachte heeft vervolgens van dichtbij meerdere kogels op de slachtoffers afgevuurd. Beiden hebben potentieel dodelijk letsel opgelopen.

Daarnaast heeft de verdachte een persoon met een gebroken glas in het gezicht geslagen waaraan die persoon een blijvend litteken in zijn gezicht heeft overgehouden.

De rechtbank stelt voorop dat de bewezenverklaarde feiten, en met name feit 1 en feit 2, zeer ernstig zijn. Het handelen van de verdachte was welbewust en getuigt van een volstrekte minachting voor het recht op leven van de slachtoffers. Mede nu genoemde feiten op de openbare weg plaatsvonden, vormen zij een bijzonder ernstige inbreuk op de rechtsorde en tasten - ook ruim 3 jaar later nog - in hoge mate het gevoel van rust en veiligheid in de samenleving aan, met name bij de directe buurtbewoners. Deze gebeurtenis moet zowel voor de slachtoffers als voor de ter plaatse aanwezige personen, onder wie een aantal kinderen, een traumatische ervaring zijn geweest waarvan de gevolgen nog lang kunnen nawerken. Het is slechts een gelukkig toeval dat de slachtoffers niet dodelijk zijn getroffen en dat ook verder niemand van de op dat moment op straat aanwezige personen door de door de verdachte afgevuurde kogels is geraakt.

Ook ten aanzien van de bewezenverklaarde zware mishandeling geldt dat dat delict in de maatschappij en bij directe omstanders gevoelens van onrust en onveiligheid teweegbrengt. Bovendien heeft de verdachte daardoor geen enkel respect getoond voor de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en zal het slachtoffer blijvend de gevolgen van het delict moeten dragen.

Dergelijk openlijk gewelddadig handelen is dermate onaanvaardbaar dat niet anders kan worden gereageerd dan met een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De rechtbank komt daarbij tot een lagere straf dan door de officier van justitie is gevorderd, nu de rechtbank de verdachte zal vrijspreken van poging moord en bij het bepalen van de strafmaat rekening houdt met de omstandigheid dat de verdachte langer dan 3 jaar heeft moeten wachten op zijn berechting.

Blijkens het op zijn naam gestelde Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 6 januari 2014 is de verdachte niet recent veroordeeld voor (soortgelijke) gewelds/levensdelicten.

De psychiater heeft een rapport over de verdachte opgemaakt d.d. 8 februari 2011. De verdachte heeft zich met betrekking tot het tenlastegelegde bij het psychiatrisch onderzoek beroepen op zijn zwijgrecht en ook overigens werkte hij in beperkte mate mee aan het psychiatrisch onderzoek. Het psychiatrische onderzoek is daarmee niet volledig geweest. Uit het beperkte onderzoek kwamen geen aanwijzingen voor psychopathologie in engere zin of persoonlijkheidsstoornissen, en evenmin aanwijzingen voor misbruik of afhankelijkheid van roesmiddelen. Geadviseerd wordt de verdachte te beschouwen als volledig toerekeningsvatbaar voor het tenlastegelegde.

Blijkens het rapport van 7 februari 2011 van de psycholoog is te weinig informatie verzameld om een gefundeerde uitspraak te kunnen doen over het al dan niet bestaan van een ziekelijke stoornis en/of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bij de verdachte. De psycholoog heeft daarom afgezien van een advies betreffende de mate van toerekeningsvatbaarheid van de verdachte.

Nu de conclusie van de psychiater betreffende de mate van toerekeningsvatbaarheid gedragen wordt door zijn bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusie over en maakt die tot de hare. De verdachte wordt als volledig toerekeningsvatbaar beschouwd.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [slachtoffer 2], wonende op het adres [adres slachtoffer 2], ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 4.972,88 aan materiële schade en een bedrag van € 17.500,00 (bij wijze van voorschot) aan immateriële schade.

Standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij (bij wijze van voorschot) met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft bepleit de vordering van de benadeelde partij af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren nu de behandeling van de vordering een onevenredige belasting voor het strafproces is. Bovendien dient, aldus de raadsman, de civielrechtelijke term “eigen schuld” in het kader van een mogelijke berekening te worden verdisconteerd, en staan een aantal in de vordering genoemde schadeposten niet in rechtstreeks verband met het gepleegde delict.

Beoordeling.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 2 impliciet subsidiair bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de vordering genoegzaam is onderbouwd, zal deze, ondanks de betwisting door de verdachte, worden toegewezen.

Voorts is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 2 impliciet subsidiair bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 17.500,00, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen.

Het totaalbedrag dat wordt toegewezen is € 22.472,88, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 oktober 2010.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 36f, 45, 57, 287, 302 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 impliciet primair (poging tot moord) en het onder 2 impliciet primair (poging tot moord) ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 impliciet subsidiair (poging tot doodslag),

2

impliciet subsidiair (poging tot doodslag) en 3 primair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte;

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende te Vlaardingen toe tot een bedrag van € 22.472,88 en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan de benadeelde partij te betalen;

bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 oktober 2010 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 22.472,88 (hoofdsom), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 oktober 2010 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 22.472,88 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van

147 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H. Benaissa, voorzitter,

mrs. H.J.M. van der Kaaij en S. Euwema, rechters,

in tegenwoordigheid van S. Wongsokerto, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 februari 2014.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I bij vonnis van: 5 februari 2014.

TEKST TENLASTELEGGING.

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij

op of omstreeks 26 oktober 2010 te Vlaardingen ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade,

althans opzettelijk, een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met

dat opzet en na kalm beraad en/of rustig overleg, althans met dat opzet, met

een vuurwapen, één of meer kogels op/in de richting van die [slachtoffer 1] heeft

afgeschoten/afgevuurd en/of (daarbij) een kogel in de arm, althans in het

lichaam van die [slachtoffer 1] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(Art. 289/287 jo 45 Wetboek van Strafrecht)

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij

op of omstreeks 26 oktober 2010 te Vlaardingen ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade,

althans opzettelijk, een persoon genaamd [slachtoffer 2] van het leven te beroven,

met dat opzet en na kalm beraad en/of rustig overleg, althans met dat opzet,

met een vuurwapen, één of meer kogels op/in de richting die [slachtoffer 2] heeft

afgeschoten/afgevuurd en/of (daarbij) (een) kogel(s) in/door de borst en/of

buik, althans het lichaam, van die [slachtoffer 2] heeft geschoten, terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(Art. 289/287 jo 45 Wetboek van Strafrecht)

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 28 maart 2010 te Vlaardingen aan een persoon genaamd

M.[slachtoffer 3], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten (een) blijvend(e)

litteken(s) in het gezicht, heeft toegebracht, door die [slachtoffer 3] opzettelijk

een gebroken drinkglas in/tegen het gezicht te drukken;

(artikel 302 Wetboek van Strafrecht)

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 28 maart 2010 te Vlaardingen ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 3],

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 3]

een gebroken drinkglas in/tegen het gezicht heeft gedrukt, terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 302 jo 45 Wetboek van Strafrecht)

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 28 maart 2010 te Vlaardingen opzettelijk mishandelend een

persoon (te weten [slachtoffer 3]), een gebroken drinkglas in/tegen het gezicht

heeft gedrukt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(artikel 300 Wetboek van Strafrecht)